Uitspraak ECLI:NL:RBNHO:2020:466

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 24-01-2020. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Noord-Holland op 24-01-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBNHO:2020:466, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is HAA 20/243 en HAA 20/244


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

Zaaknummer: HAA 20/243 en 20/244

uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 januari 2020 in de zaak tussen

ECLI:NL:RBNHO:2020:466:DOC
nl

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

Zaaknummer: HAA 20/243 en 20/244

uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 januari 2020 in de zaak tussen

1

(gemachtigden: mr. R. Ridder en mr. D. op de Hoek)
2

(gemachtigde: mr. R.G. Meester)verzoekers
en

de burgemeester van de gemeente Oostzaan,

(gemachtigden: mr. M. Biezenaar, mr. G.M. Pierik en mr. P.C. Hoogcarspel)
Procesverloop

Bij besluit van 20 januari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het op 17 januari 2020 mondeling gegeven bevel tot directe sluiting van het sportcomplex aan de Twiskeweg 8 te Oostzaan voor een periode van vier weken op schrift gesteld.

Verzoekers hebben tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Zij hebben de voorlopige voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 januari 2020. Namens verzoekster sub 1 is verschenen [naam 1] , bijgestaan door haar gemachtigden. Namens verzoekster sub 2 is verschenen [naam 2] , bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigden.

Overwegingen

Verweerder stelt zich voorts op het standpunt dat de aanwezigheid van [naam 3] op het veld en zijn betrokkenheid bij OFC en STO een veiligheidsrisico vormt. Dan gaat het niet alleen om het risico dat [naam 3] achter genoemde incidenten zit en dat tegenstanders van [naam 3] risico’s lopen op het sportveld, maar ook het risico dat anderen die het op [naam 3] gemunt hebben de veiligheid van het sportcomplex in gevaar brengen.

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
2. Tussen verweerder en met name OFC speelt een langlopende discussie omtrent mogelijke criminele investeringen in OFC en de rol van [naam 3] daarbij. Laatstgenoemde was tot voor kort [functie ] van de Stichting Topvoetbal Oostzaan (STO). STO is nauw betrokken bij het eerste elftal van OFC. Daarnaast is [naam 3] lid van de technische commissie van OFC geweest. Belangrijke aanleiding voor deze discussie is de omstandigheid dat [naam 3] op [# ] april 2019 in eerste aanleg strafrechtelijk is veroordeeld voor witwassen. Tegen dit vonnis is door [naam 3] hoger beroep ingesteld. De discussie tussen verweerder en OFC heeft onder meer geleid tot de brief van 15 januari 2020 aan OFC waarin verweerder aangeeft dat onvoldoende medewerking aan de gewenste transparantie over de financiering binnen OFC kan leiden tot sluiting van het sportcomplex. OFC wordt tot uiterlijk 17 januari 2020 gegund om dit te voorkomen.
3. SST heeft de velden van het sportcomplex aan de Twiskeweg 8 in Oostzaan (hierna ‘het sportcomplex’) in gebruik en verhuurt de velden aan (onder meer) OFC.
4. Op 17 januari 2020 is verweerder overgegaan tot spoedsluiting van het sportcomplex voor een periode van vier weken. Sluiting werd naar verluid gebaseerd op het bepaalde van artikel 174, tweede lid, van de Gemeentewet (Gw) in combinatie met 2:30 van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Inmiddels hadden verzoekers naar aanleiding van de mededeling van verweerder dat hij sluiting van het sportcomplex op vrijdag 17 januari 2019 als een serieuze optie zag, een kort geding aanhangig gemaakt om zo’n sluiting te voorkomen. De behandeling van dit kort geding diende ook op 17 januari 2020. Aldaar heeft de voorzieningenrechter diezelfde dag de gemeente Oostzaan verboden de sluiting van het sportcomplex verder te effectueren totdat op de verzoeken om voorlopige voorziening van verzoekers, door de (bestuursrechtelijke) voorzieningenrechter is beslist.
5. In zijn (op 20 januari 2020 op schrift gestelde) besluit baseert verweerder zich op artikel 174, eerste en derde lid, van de Gw in combinatie met artikel 2:30 van de APV. Aan het bestreden besluit is ten grondslag gelegd een bestuurlijke rapportage van de politie Noord-Holland van 17 januari 2020, waarin melding wordt gemaakt van een aantal ernstige incidenten die zich hebben voorgedaan in de periode van 16 augustus 2018 tot en met 11 september 2019. De politie concludeert dat meerdere onbekende personen met doelgerichte acties proberen om personen die in verband staan of hebben gestaan met OFC, te bedreigen en/of in groot gevaar te brengen dan wel hen schade toe te brengen. Voorts concludeert de politie dat door bedoelde incidenten de openbare orde in Oostzaan, Amsterdam, Zaandam en Haarlem ernstig verstoord is.
6. In zijn besluit heeft verweerder voorts aangevoerd dat:
7. Verzoekers geven aan dat het er alle schijn van heeft dat verweerder zijn bevoegdheid tot sluiting gebruikt voor een ander doel dan waar voor die gegeven is, namelijk niet vanwege de openbare orde en veiligheid maar om druk uit te oefenen op verzoekers om de banden met [naam 3] te verbreken en financiële informatie te vertrekken. Verzoekers wijzen erop dat de genoemde incidenten maanden geleden hebben plaatsgevonden in 2018 en 2019 en al lang bekend waren bij verweerder en er geen enkele relatie is met het sportcomplex. Tot vorige week waren deze incidenten géén aanleiding voor verweerder om met verzoekers te spreken laat staan om op te treden in het kader van de openbare orde. Op het sportcomplex hebben zich nimmer incidenten voorgedaan. Voorts wordt gemotiveerd betwist dat [naam 3] persoonsbeveiliging heeft en over een bepantserde auto beschikt.
8. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.
9. Op grond van artikel 174, eerste lid, van de Gw is de burgemeester belast met het toezicht op openbare samenkomsten en vermakelijkheden, alsmede op de voor publiek toegankelijke gebouwen en daarbij behorende erven. Op grond van artikel 174, derde lid, van de Gw is de burgemeester belast met de uitvoering van verordeningen voor zover deze betrekking hebben op het in het eerste lid bedoelde toezicht. Op grond van artikel 2:30, eerste lid, van de APV kan de burgemeester in het belang van de openbare orde en veiligheid voor openbare inrichtingen tijdelijk sluiting bevelen.
10. De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat artikel 174, eerste en derde lid, van de Gw in combinatie met artikel 2:30 van de APV de burgemeester de bevoegdheid geeft om tot (tijdelijke) sluiting van het sportcomplex over te gaan als de openbare orde en veiligheid aldaar in het geding is. Het sportcomplex kan ingevolge de definitiebepaling in artikel 2:27, onder a van de APV worden aangemerkt als ‘openbare inrichting’.
-

verweerder recentelijk ‘getriggerd’ is door de melding dat een zakenrelatie met een forse vordering op [naam 3] afziet van verhaal vanwege de veiligheid;

[naam 3] in de openbare ruimte persoonsbeveiliging heeft en zich laat vervoeren in een bepantserde auto;

in overleg met politie, medewerkers openbare orde en veiligheid, het Regionale Informatie en Expertise Centrum (RIEC) en de regionaal portefeuillehouder ondermijning, is geconcludeerd dat op basis van de beschikbare informatie sprake is van een concreet risico voor de openbare orde en de veiligheid van sporters.

11.1
De kernvraag is of verweerder van zijn bevoegdheid in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder tot op heden onvoldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van een zodanige vrees van verstoring van de openbare orde en veiligheid op het sportcomplex, dat verweerder in redelijkheid kon bevelen tot onmiddellijke sluiting van het sportcomplex voor een periode van vier weken. Daartoe acht de voorzieningenrechter het volgende van belang.
11.2
Ter onderbouwing van het bestreden besluit heeft verweerder verwezen naar de bestuurlijke rapportage van de politie Noord-Holland van 17 januari 2020 en de in die rapportage genoemde incidenten. De voorzieningenrechter stelt evenwel vast dat in genoemde bestuurlijke rapportage tussen de incidenten en het sportcomplex geen relatie wordt gelegd. Dat [naam 3] enige betrokkenheid heeft gehad bij deze incidenten staat allerminst vast. Bovendien hebben een aantal van de incidenten geruime tijd geleden plaatsgevonden, en zijn deze incidenten al langere tijd bekend bij verweerder zonder dat dat heeft geleid tot kenbare zorgen over veiligheid op en rond het sportcomplex. Verweerder heeft niet genoegzaam inzichtelijk kunnen maken waarom deze incidenten thans wel noodzaken tot het onmiddellijke treffen van maatregelen om de veiligheid en de openbare orde van het sportcomplex te waarborgen. Dat verweerder getriggerd zou zijn door de opmerking van een crediteur af te zien van verhaal in verband met veiligheid kan zonder nadere informatie of inkleuring niet overtuigen. Niet kan worden beoordeeld op grond van welke informatie de crediteur dit heeft besloten. Evenmin is hiermee een link gelegd naar de veiligheid van het sportcomplex. Voor zover verweerder beschikt over relevante informatie met betrekking tot de openbare orde en veiligheid rond het sportcomplex die hij niet heeft overgelegd in deze procedure, ook niet met een eventueel beroep op artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), overweegt de voorzieningenrechter dat hij met dergelijke informatie geen rekening kan houden.
11.3
Het artikel in Het Parool van 4 januari 2020 en het toenemende gevoel van onveiligheid in Oostzaan kan op zichzelf geen grond zijn voor vrees voor verstoring van de openbare orde op het sportcomplex. Dat [naam 3] beveiligingsmaatregelen zou hebben getroffen, wat daar verder ook van zij, kan bij gebreke van (andere) concrete aanwijzingen voor geweld richting [naam 3] evenmin grond zijn voor vrees voor verstoring van de openbare orde op het sportcomplex.
11.4.
Gelet op het voorgaande, het feit dat op het sportcomplex zelf geen incidenten hebben plaatsgevonden die de openbare orde ter plaatse hebben verstoord en er geen concrete aanwijzingen zijn dat de openbare orde ter plaatste verstoord gaat worden, heeft verweerder niet in redelijkheid tot onmiddellijke sluiting van het sportcomplex kunnen bevelen.
11.5
De voorzieningenrechter laat verder in het midden of getwijfeld moet worden aan het door verweerder gegeven motief voor sluiting. Feit is dat de gang van zaken zoals omschreven in rechtsoverweging 2 tot en met 4 wel vragen doen rijzen. Dat geldt ook voor de omstandigheid dat tijdens de wedstrijden op zaterdag 18 en zondag 19 januari 2020 geen zichtbare aanwezigheid van politie op het sportcomplex te vinden was, terwijl in de visie van verweerder acute sluiting geboden was in verband met de veiligheid.
12. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit van 20 januari 2020 geschorst wordt tot de dag na bekendmaking van de beslissing op bezwaar. Omdat niet helemaal uitgesloten kan worden dat verweerder zijn beslissing op bezwaar nader zal onderbouwen, eventueel met nieuwe informatie uit lopende onderzoeken, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om de schorsingstermijn nog een aantal weken te laten doorlopen na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.
13. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoekers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.
14. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor zowel verzoekster sub 1 als verzoekster sub 2 vast op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525,-). Voor een bovenforfaitaire vergoeding van proceskosten ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. de Valk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M. van Excel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 januari 2020.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open
-

schorst het bestreden besluit tot de dag na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;

draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 354,- aan verzoekers te vergoeden;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van OFC tot een bedrag van € 1.050,-;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van SST tot een bedrag van € 1.050,-.