Uitspraak ECLI:NL:RBNHO:2020:2208

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 25-03-2020. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Noord-Holland op 20-03-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBNHO:2020:2208, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 18/202


Bron: Rechtspraak

uitspraak

center
100
705941b9-bcc2-4060-8561-73540c88cf6a
1
568
image/png

center
100
425566a9-256e-42ef-98aa-879203faee9b
1
13
image/png

RECHTBANK Noord-Hollanduitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 maart 2020 in de zaak tussen
Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/HAA 18/202

beide gevestigd te Ede, eisers, gemachtigde: mr. T.P. Grünbauer, advocaat te Ede,
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer

gemachtigde: mr. J.C. Binnerts, advocaat te Haarlem.
arabic

de besloten vennootschap , eiseres 1,

de besloten vennootschap , eiseres 2,

ECLI:NL:RBNHO:2020:2208:DOC
nl

uitspraak
center
100
705941b9-bcc2-4060-8561-73540c88cf6a
1
568
image/png

center
100
425566a9-256e-42ef-98aa-879203faee9b
1
13
image/png

RECHTBANK Noord-Hollanduitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 maart 2020 in de zaak tussen
Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/HAA 18/202

beide gevestigd te Ede, eisers, gemachtigde: mr. T.P. Grünbauer, advocaat te Ede,
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer

gemachtigde: mr. J.C. Binnerts, advocaat te Haarlem.
arabic

de besloten vennootschap , eiseres 1,

de besloten vennootschap , eiseres 2,

procesverloop

Procesverloop

Bij besluit van 25 juli 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eisers van 3 maart 2016 om een vergoeding voor planschade afgewezen.

Eisers hebben tegen het besluit op 5 september 2017 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 11 januari 2018 heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft het besluit van 11 januari 2018 vervangen door een nieuw besluit op bezwaar van 12 december 2018. Dit nieuwe besluit zal hierna als het bestreden besluit worden aangeduid. Bij dit besluit heeft verweerder het bezwaar alsnog gegrond verklaard, het primaire besluit herroepen en een tegemoetkoming in de planschade toegekend, vermeerderd met wettelijke rente. Verweerder heeft ook een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase toegekend.

Eisers hebben bij brief van 9 januari 2019 aan de rechtbank bericht dat zij zich niet kunnen vinden in het bestreden besluit en zij hebben daartegen beroepsgronden aangevoerd.

De rechtbank heeft op de voet van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het bestreden besluit in het beroep betrokken.

Verweerder heeft op 12 juni 2019 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting is aangevangen op 10 juli 2019. Voor eisers is hun gemachtigde verschenen, vergezeld van [naam 1] , [functie] bij eiseres 1. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ter zitting is het onderzoek geschorst om partijen de gelegenheid te geven de mogelijkheid van een schikking te beproeven. Dat overleg heeft niet tot resultaat geleid.

Bij brief van 4 oktober 2019 heeft verweerder stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 17 oktober 2019. Verschenen zijn de gemachtigden van partijen, [naam 1] en [naam 2] , ( [rol] in eisers.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.
2. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) luidt, voor zover van belang:
3. Eiseres 2 is eerst na de inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingsplan mede-eigenaar geworden van het kadastrale perceel. Zij heeft derhalve geen schade kunnen leiden door dat nieuwe plan waarvoor op grond van artikel 6.1 Wro een vergoeding wordt toegekend. De rechtbank zal het beroep van eiseres 2 daarom ongegrond verklaren. Omdat hierna zal blijken dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven, kan eiseres 2 aan het bestreden besluit ook geen rechten meer ontlenen. Er is geen grond haar een proceskostenvergoeding toe te kennen.
4. Eiseres 1 heeft erkend geen belang zoals bedoeld in artikel 6:19, vijfde lid, Awb (meer) te hebben bij een beoordeling van het besluit op bezwaar van 11 januari 2018, zodat het beroep daartegen niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Omdat verweerder hij het betreden besluit tegemoet is gekomen aan het beroep, ziet de rechtbank wel aanleiding voor het tegen dat besluit ingestelde beroep proceskostenvergoeding toe te kennen. De rechtbank komt daar later op terug.
5. Verweerder heeft de tegemoetkoming in de planschade uiteindelijk onder verwijzing naar de adviezen van [stichting] vastgesteld op € 10.000 vermeerderd met wettelijke rente sedert de ontvangst van de aanvraag op 4 maart 2017. In die adviezen heeft [stichting] het gehele kadastrale perceel van 2150 m² in de schadebepaling betrokken. De waarde van het kadastrale perceel onder het nieuwe bestemmingplan taxeert [stichting] op € 2500, en de waarde onder het oude bestemmingsplan op 29 augustus 2013 op € 15.000, waarvan 750 m² met verharding à € 17,50 per m² en de overige oppervlakte met een waarde van € 1 per m². De schade die voor rekening blijft van eiseres 1 als schade die binnen haar maatschappelijk risico valt, begroot verweerder in navolging op [stichting] op € 2500. Bij de bepaling van de waarde onder het oude bestemmingsplan is verweerder in navolging van het advies van [stichting] van juli 2017 (pagina 12) uitgegaan van de zijns inziens maximale planologische invulling van de uit te werken bestemming. Daarbij heeft verweerder in aanmerking genomen dat de door eiseres 1 voorziene aanwending van het kadastrale perceel met name wordt beperkt doordat daarvoor een uitwerkingsplan vereist was en zolang die uitwerking er niet was, een bouw- en aanlegverbod gold, zodat eiseres 1 gewenste bouwwerkzaamheden niet kon realiseren. Daarom heeft verweerder als maximale planologische invulling onder het oude bestemmingsplan in aanmerking genomen dat het perceel (uitsluitend) kon worden aangewend ten behoeve van wegen, vrije busbanen, taxistandplaatsen of openbare parkeervoorzieningen.
5. De rechtbank constateert allereerst dat er aan het bestreden besluit – en de advisering door [stichting] – reeds een gebrek kleeft omdat verweerder bij de schadevaststelling het gehele kadastrale perceel van 2150 m² in de beoordeling heeft betrokken, terwijl alleen de planologische mogelijkheden van het kleinere planschadeperceel van 1835 m² door het nieuwe bestemmingsplan kunnen worden geraakt omdat de andere 315 m² buiten het plangebied zijn gelegen. Reeds daarom is het bestreden besluit onjuist gemotiveerd.
6. Eiseres 1 heeft onder verwijzing naar jurisprudentie aangevoerd, dat in haar geval, waar sprake is van een uit te werken bestemming in het oude bestemmingsplan, in de vergelijking met het nieuwe bestemmingsplan rekening moet worden gehouden met wat ten tijde van de inwerkingtreding van het uit te werken oude bestemmingsplan naar redelijke verwachting daarvan de invulling zou zijn. Verweerder heeft dat niet (juist) gedaan met de overweging dat in dat oude plan ook een bouwverbod was opgenomen, waardoor de planologische mogelijkheden in grote mate werden beperkt, aldus eiseres 1.
7. Bij een uit te werken bestemming in het oude bestemmingsplan moeten de mogelijkheden van de uit te werken bestemming ook in de planvergelijking worden betrokken. Met die mogelijkheden moet rekening gehouden worden door na te gaan wat ten tijde van de inwerkingtreding van het oude bestemmingsplan naar redelijke verwachting de invulling van de uit te werken bestemming zou zijn. In dat verband komt betekenis toe aan alle omstandigheden van het geval, waaronder de uitwerkingsregels, de toelichting bij het bestemmingsplan en de mate waarin een en ander naar aard en omvang binnen de ruimtelijke kenmerken van de omgeving en het geldende planologische beleid past (vergelijk de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Raad van State) van 17 april 2013 en 8 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2013: BZ7707 en 2017:315).
8. Verweerder heeft weliswaar in navolging van zijn adviseur verwezen naar een vergelijkbare uitspraak van 8 februari 2017, maar daarna niet toereikend onderzocht, noch gemotiveerd, wat naar redelijke verwachting de invulling van de uit te werken bestemming zou zijn door die verwachting met een verwijzing naar het bouw- en aanlegverbod toch geheel buiten beschouwing te laten. Door de verwijzing naar het bouw- een aanlegverbod heeft verweerder immers juist helemaal geen rekening gehouden met de te verwachten uitwerking. Ook om deze reden, naast de constatering onder 5, is het bestreden besluit niet toereikend gemotiveerd. De beroepsgrond van eiseres 1 slaagt dus. Het bestreden besluit kan daarom niet in stand blijven.
9. De rechtbank zal onderzoeken of zij zelf in de zaak kan voorzien.
10. Voor de vaststelling wat naar redelijke verwachting bij het inwerkingtreden van het oude bestemmingsplan de invulling van de uit te werken bestemming zou zijn, zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. a. Het planschadeperceel heeft de vorm van een langgerekte driehoek, met twee lange en een korte zijde, waarvan een lange zijde parallel loopt aan de spoorbaan. De gronden met de bestemming verkeersdoeleinden 4 strekten zich ook in de lengte uit langs het spoor en voor (de toegang) tot het station. Het planschadeperceel was aan de uiterste zuidwestzijde van die gronden gelegen. b. Op een groot deel van en naast het planschadeperceel was in 1984 een parkeerplaats gesitueerd. De parkeerplaats strekte zich naast het planschadeperceel ook uit tussen het planschadeperceel en de (toenmalige) spoorlijn. c. In de toelichting op het oude bestemmingsplan is vermeld: “” en: “” d. De uitwerkingsregels, noch de toelichting bevatten verdere aanwijzingen voor de voorgenomen situering van parkeervoorzieningen in relatie tot de andere voorzieningen.
11. Partijen hebben, behoudens door verweerder aangedragen latere planologische ontwikkelingen, geen andere feiten of omstandigheden aangedragen voor de beantwoording van de vraag in welke mate ten tijde van de vaststelling van het oude bestemmingsplan mogelijke planologische uitwerkingen naar aard en omvang binnen de ruimtelijke kenmerken van de omgeving en het geldende planologische beleid zouden passen. De door verweerder aangedragen latere planologische ontwikkelingen laat de rechtbank bij de vaststelling van de redelijke verwachting van de invulling van de uit te werken bestemming buiten beschouwing omdat verweerder niet heeft onderbouwd dat die latere ontwikkelingen in 1984 al te verwachten waren.
12. Tegen de achtergrond van de onder 10 vermelde feiten en omstandigheden kan niet worden geconcludeerd, zoals verweerder in wezen betoogt, dat uitwerking van de bestemming van het planschadeperceel met een parkeerbestemming een (geheel) onredelijke verwachting was. Er was immers al een parkeerplaats op die plek en die parkeerplaatsen worden (kennelijk) ook bedoeld in de passage in de toelichting: “De mogelijkheid is opengehouden om boven het grote parkeerterrein ten zuiden van de halteplaats (150 parkeerplaatsen) een dek te plaatsen.” Dat neemt echter niet weg dat een heel concrete visie op de exacte invulling van de gronden met de bestemming verkeersdoeleinden 4 in de toelichting niet is opgenomen. Bovendien was sprake van een groot aantal verschillende, conflicterende bestemmingen. De uitwerkingsregels zelf geven over de voorgenomen exacte invulling van het planschadeperceel ook geen uitsluitsel. Wel valt uit de toelichting nog af te leiden dat een commerciële bestemming voor parkeren door anderen dan gebruikers van het openbaar vervoer, zoals eiseres 1 voorstond met parkeervoorzieningen ten behoeve van kantoren, niet te verwachten was nu in een van de passages, zoals hiervoor al aangehaald, over het parkeren ten behoeve van “park & ride” is vermeld: “Gebruik ten behoeve van andere functies zal slechts beperkt mogelijk en moeten zijn.” Dat wijst er op dat parkeervoorzieningen op de gronden met de bestemming verkeersdoeleinden 4 bij het station alleen voorzien waren met het oog op parkeren ten behoeve van het openbaar vervoer en niet ten behoeve van kantoren in de buurt. De conclusie is echter dat in 1984 uitwerking van de bestemming van het planschadeperceel tot parkeren wel redelijkerwijs te verwachten was en dus in de planschadevaststelling moet worden betrokken.
13. Verweerder heeft op de tweede zitting aangevoerd dat door planologische ontwikkelingen rondom het planschadeperceel het causaal verband tussen de schade die wordt veroorzaakt door het nieuwe bestemmingsplan in vergelijking tot het oude bestemmingsplan, is komen te ontbreken. Hij wijst onder meer op de aanleg van de hoge-snelheidslijn op een deel van het (voormalige) parkeerterrein direct naast het planschadeperceel en de andere veranderingen op het terrein rond het station. Dat causaliteitsverweer treft geen doel. De gewijzigde bestemming van aangrenzende gronden kan er immers niet aan afdoen dat door het nieuwe bestemmingplan de (uit te werken) mogelijke parkeerbestemming voor het planschadeperceel is vervangen door een groenbestemming. De gevolgen van die bestemmingswijziging en daardoor veroorzaakte schade, vloeien niet voort uit die andere planologische ontwikkelingen. Anders gezegd, als de wijziging van de bestemming door het nieuwe bestemmingsplan wordt weggedacht dan zou er geen schade zijn opgetreden, terwijl ook verweerder zelf – in navolging van [stichting] – wel aanneemt dat de nieuwe bestemming schade veroorzaakt. Er is dus wel causaal verband tussen de vaststelling van het nieuwe bestemmingsplan en door eiseres 1 geleden schade. Dat neemt niet weg dat die ontwikkelingen wel een rol kunnen spelen bij de vraag of de schade geheel of gedeeltelijk binnen het normale maatschappelijke risico valt en daarom voor rekening van eiseres 1 moet blijven. Daar komt de rechtbank later nog op terug. De rechtbank merkt wel al op dat tussen partijen niet (langer) in geschil is, dat de (schade als gevolg van de) bestemmingsplanwijziging voor eiseres 1 ten tijde van de aankoop van het planschadeperceel niet voorzienbaar was.
14. [stichting] heeft de waarde van de grond onder het nieuwe bestemmingsplan gewaardeerd. Zij waardeert het kadastrale perceel van 2150 m² op € 2500. Zij is daarbij van de (verkeerde) veronderstelling uitgegaan dat al die 2150 m² grond door het nieuwe bestemmingsplan thans de bestemming groen hebben gekregen. Uit de wijze van waardering kan echter worden afgeleid dat [stichting] de waarde van het planschadeperceel van 1835 m² onder het nieuwe bestemmingsplan begroot op (1835/2150 maal 2500 =) € 2133, 73. [stichting] is immers bij die waardering voor het gehele kadastrale perceel uitgegaan van een nieuwe bestemming groen. Eiseres 1 heeft die waardering wel betwist, maar haar standpunt niet met een taxatie van een deskundige of anderszins onderbouwd. De rechtbank ziet daarom geen grond van een andere waarde dan € 2.133,73 uit te gaan voor de waarde van het planschadeperceel onder het nieuwe bestemmingsplan.
15. De waardering van [stichting] , waarop verweerder het bestreden besluit heeft gebaseerd, biedt, zo volgt uit de eerdere overwegingen, geen goede grondslag voor de waardebepaling van het planschadeperceel op de peildatum onder het oude bestemmingsplan, reeds omdat [stichting] van onjuiste planologische mogelijkheden is uitgegaan. Er is ook geen grond om de schadeberekeningen van eiseres 1 te volgen. Zij heeft de waardering van het planschadeperceel en daarmee haar schadeberekening gebaseerd op een waardering van de exploitatiemogelijkheden van het planschadeperceel als parkeergarage. Zij ging er van uit dat zij onder het oude bestemmingsplan een commercieel te exploiteren parkeergarage kon realiseren ten behoeve van kantoren in de omgeving. Zoals hiervoor is overwogen, was dat geen redelijkerwijze te verwachten uitwerking van het bestemmingplan, omdat alleen parkeren ten behoeve van het openbaar vervoer (park & ride) een reële ontwikkeling was. Daarom heeft eiseres 1 haar waardering van het planschadeperceel onder het oude bestemmingsplan ook niet aannemelijk gemaakt.
16. De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of zij dan over voldoende waarderingsgegevens beschikt om die waarde te bepalen. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend. Niet is immers in geschil dat eiseres 1 het kadastrale perceel in 2012 heeft aangekocht voor € 52.500. In het kader van de waardering voor de Wet waardering onroerende zaken, zo heeft eiseres 1 onbestreden gesteld, is toen ook uitgegaan van een vergelijkbare waarde. De waardering in het kader van die wet is op zichzelf niet bepalend voor planschadeberekening omdat niet altijd duidelijk is of bij de marktgegevens die aan woz-waarderingen ten grondslag liggen, de maximale planologische mogelijkheden in die verkoopprijzen zijn betrokken. In dit geval ziet de rechtbank gelet op de kort voor de peildatum op 13 december 2012 tot stand gekomen koopprijs, geen aanleiding er aan te twijfelen dat een redelijk denkend en handelend koper, die dus op de hoogte was van het planologisch regime, die door eiseres 1 betaalde koopprijs op de peildatum zou hebben geboden. Hieruit blijkt genoegzaam dat de waarde van het planschadeperceel per m² kan worden geschat op (52.500/2150=) € 24,42, zodat de waarde van het planschadeperceel (1835 m²) op de peildatum € 44.808,14 bedroeg.
17. De waardevermindering van het planschadeperceel door de planologische maatregel bedraagt dus € 44.808,14 minus € 2.133,73 = € 42.674,41.
18. Op grond van artikel 6.2 Wro moet vervolgens nog worden onderzocht of sprake is van schade die geheel of gedeeltelijk voor rekening van eiseres 1 moet blijven omdat de schade onder het normale maatschappelijke risico valt. Voor de beoordeling of daarvan sprake is, moet rekening worden gehouden met alle van belang zijnde omstandigheden van het geval. Van belang is daarbij of sprake was van een in de lijn der verwachting liggende normale maatschappelijke ontwikkeling waarmee eiseres 1 rekening had kunnen houden. Daarbij komt betekenis toe aan de mate waarin de ontwikkeling tot de groenbestemming naar haar aard past binnen de ruimtelijke structuur van de omgeving van het stationsgebied en het in een reeks van jaren gevoerde planologische beleid.
19. Ter zitting heeft verweerder de (planologische) ontwikkelingen rond het planschadeperceel geschetst. Daaruit komt naar voren dat het aanvankelijke parkeerterrein op en rond het planschadeperceel in de loop van de tijd aanzienlijk kleiner is geworden door onder meer de aanleg van de hoge-snelheidslijn, dat het driehoekige perceel nu aan de lange zijden ligt ingeklemd tussen de spoorlijn en een weg, waar geen toegang toe is, en dat de functie voor parkeren door de aanleg van de busbaan aan de korte zijde van de driehoek al was bemoeilijkt. De andere voorzieningen rond het station waren inmiddels op grond van het oude bestemmingsplan – anders dan de bestemming van het planschadeperceel - kennelijk wel uitgewerkt. Onder het oude bestemmingsplan was “groen” ook een van de mogelijke bestemmingen in de uitwerking. De nieuwe bestemming lag gelet op al deze omstandigheden in de lijn der verwachting van de normale maatschappelijke ontwikkeling. Eiseres 1 is door de bestemmingswijziging, gelet op het hiervoor vastgestelde waardeverschil, echter wel ernstig benadeeld. Ook deze omstandigheid moet in de beoordeling onder artikel 6.2 Wro worden betrokken.
20. Verweerder had in navolging van [stichting] 20 % van het schadebedrag als maatstaf voor de berekening genomen voor de bepaling van het deel van de schade dat voor rekening van eiseres 1 moet blijven omdat de schade onder het normale maatschappelijke risico valt. Die wijze van vaststelling van de omvang van het maatschappelijk risico kan gelet op deze omstandigheden de terughoudende toetsing in rechte doorstaan.
21. De rechtbank komt tot de conclusie dat de schadeloosstelling moet worden bepaald op € 42.674,41 minus 20% is € 34.239,53, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 maart 2017.
22. Het beroep van eiseres 1 tegen het bestreden besluit is daarom gegrond en de rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen, behoudens voor zover, zo is niet in geschil, terecht proceskosten voor de bezwaarfase zijn toegekend. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien en zal verweerder veroordelen tot betaling van het hiervoor genoemde bedrag aan schadeloosstelling.
23. Omdat eiseres 1 op goede gronden beroep had ingesteld tegen het besluit op bezwaar van 11 januari 2018 en de rechtbank het beroep van eiseres 1 tegen het bestreden besluit gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres 1 het door haar betaalde deel van het griffierecht vergoedt.
24. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres 1 gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.837,50 (2 punten voor het indienen van het beroepschrift en de gronden tegen het bestreden besluit en 1,5 punt voor het tweemaal verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).
loweralpha

Op 24 mei 1984 heeft de gemeenteraad van Haarlemmermeer het bestemmingsplan Hoofddorp–Beukenhorst, vastgesteld, hierna aan te duiden als: het oude bestemmingsplan. Gedeputeerde staten van Noord-Holland hebben het plan op 9 juli 1985 goedgekeurd. Het plan is, na beroep, op 27 november 1986 onherroepelijk geworden.

In het oude bestemmingsplan (artikel 6, vierde lid) is aan gronden nabij het spoorwegstation Hoofddorp en gelegen langs het spoor de bestemming “verkeersdoeleinden 4” toegekend. De gronden zijn – met name - bestemd voor: wegen, vrije busbanen, voet- en fietspaden, opstelplaatsen voor bussen, taxistandplaatsen, parkeervoorzieningen (waarvoor maximale afmetingen zijn aangegeven), een rijwielstalling, voorzieningen ten behoeve van het wachten, een kiosk en groenvoorzieningen en de daarvoor nodige of daarin passende bouwwerken. De voorschriften in het bestemmingsplan bevatten in artikel 6, vijfde lid, een verplichting voor verweerder tot uitwerking van deze bestemming. Bouwen en aanleggen mag volgens die uitwerkingsbepaling uitsluitend geschieden volgens een vastgesteld en goedgekeurd uitwerkingsplan.

Nadien zijn voor de gronden met verkeersdoeleinden 4 nabij het station een of meer (deel)uitwerkingsplannen vastgesteld en bestemmingen en voorzieningen als onder c genoemd gerealiseerd. Een deel van deze gronden, te weten een strook direct naast het reeds bestaande spoor, is op basis van het Tracébesluit HSL-Zuid van 15 april 1998 herbestemd en ingericht voor een hoge-snelheidstreinverbinding.

Eiseres 1 heeft op 13 december 2012 een koopovereenkomst gesloten over en is op 2 augustus 2013 eigenaar geworden van een perceel grond nabij station Hoofddorp, kadastraal nummer [#] , met een oppervlak van 2150 m² (hierna: het kadastrale perceel) voor een koopprijs van € 52.500. Het kadastrale perceel ligt geheel in de gronden met de bestemming verkeersdoeleinden 4 van het oude bestemmingsplan. Eiseres 1 heeft het kadastrale perceel verworven om daar parkeervoorzieningen te realiseren ten behoeven van kantoren in de omgeving. Zij wil die parkeervoorzieningen commercieel exploiteren.

De gemeenteraad heeft op 6 juni 2013 het bestemmingsplan “Hoofddorp Graan voor Visch Zuid” vastgesteld, hierna: het nieuwe bestemmingsplan. Het nieuwe bestemmingsplan is op 28 augustus 2013 in werking getreden. Die datum zal de rechtbank hierna ook als peildatum voor de schadevaststelling aanduiden.

Van het kadastrale perceel valt een deel van 1835 m² onder het nieuwe bestemmingsplan (hierna aan te duiden als: het planschadeperceel). Aan het planschadeperceel is onder het nieuwe bestemmingsplan de bestemming ”groen” toegekend waaronder zijn begrepen: groenvoorzieningen, wandel- en fietspaden, speelvoorzieningen en bergbezinkbassins. De overige 315 m² van het kadastrale perceel vallen onder een ander bestemmingsplan en zijn in gebruik als (onderdeel van) een busbaan.

Eiseres 2 is op 6 oktober 2014 voor 4/5 deel mede-eigenaar geworden van het kadastrale perceel.

Verweerder heeft [stichting] advies gevraagd over de aanvraag van eisers om planschadevergoeding. Medewerkers van dat bureau (hierna aan te duiden als: [stichting] ) hebben op juli 2017, 23 augustus 2018 en 20 november 2018 aan verweerder advies uitgebracht.

Wettelijk kader

Artikel 6.1:1 Burgemeester en wethouders kennen degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in het tweede lid genoemde oorzaak, op aanvraag een tegemoetkoming toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven (…).2 Een oorzaak als bedoeld in het eerste lid is: a. een bepaling van een bestemmingsplan, (…), niet zijnde een bepaling als bedoeld in (…) artikel 3.6, eerste lid, (…)Artikel 6.2:1 Binnen het normale maatschappelijke risico vallende schade blijft voor rekening van de aanvrager.
Het beroep van eiseres 2

Het beroep tegen het besluit van 11 januari 2018

Het beroep tegen het bestreden besluit

De maximale planologische mogelijkheden onder het oude bestemmingsplan

Omvang van de schade

Normaal maatschappelijke risico

Conclusie ten aanzien van het bestreden besluit

Proceskosten

beslissing

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan op 20 maart 2010 door mr. R.H.M. Bruin, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Degen, griffier

Als gevolg van maatregelen die zijn getroffen naar aanleiding van het covid-19virus is deze uitspraak niet in het openbaar uitgesproken. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

-

verklaart het beroep van eiseres 2 ongegrond;

verklaart het beroep van eiseres 1 tegen het besluit van 11 januari 2018 niet-ontvankelijk;

verklaart het beroep van eiseres 1 tegen het bestreden besluit gegrond;

vernietigt het bestreden besluit, behalve voor zover aan eiseres 1 daarbij een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase is toegekend;

herroept het primaire besluit, veroordeelt verweerder tot betaling van een schadeloosstelling van € 34.239,53, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 maart 2017 tot aan de dag van volledige betaling, en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;

draagt verweerder op het door haar betaalde deel van het griffierecht van € 169,- aan eiseres 1 te vergoeden;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres 1 in beroep tot een bedrag van € 1.837,50.

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

_194da5ec-7ec2-45d5-a365-c14d7e04ed70
1

Vergelijk de uitspraak van de Raad van State van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2582.

_869709cd-9603-4adc-af10-4041bf274e1a
2

Overweging 8.10 van de uitspraak van de Raad van State van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2582.