Uitspraak ECLI:NL:RBNHO:2020:2181

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 25-03-2020. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Noord-Holland op 23-03-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBNHO:2020:2181, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 19-010205


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf
Locatie HaarlemMeervoudige strafkamer
Registratienummer: 19-010205Parketnummer: 15-870508-15Uitspraakdatum: 23 maart 2020
Beschikking

ECLI:NL:RBNHO:2020:2181:DOC
nl

RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf
Locatie HaarlemMeervoudige strafkamer
Registratienummer: 19-010205Parketnummer: 15-870508-15Uitspraakdatum: 23 maart 2020
Beschikking

procesverloop

1

Op 27 november 2019 is op de griffie van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, ingekomen een door mr. Y. Moszkowicz, advocaat te Utrecht, ingediend bezwaarschrift, van
[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1977 te [geboorteplaats] ,ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] ,thans gedetineerd in [PI] ,
hierna verdachte.

Het bezwaarschrift is op 9 maart 2020 achter gesloten deuren in raadkamer behandeld. Hierbij waren aanwezig verdachte, zijn raadsman, mr. Y. Moszkowicz voornoemd, en de officier van justitie, mr. M. Kubbinga.

overwegingen

2

De raadsman heeft namens verdachte op grond van artikel 182 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) bij brief van 7 november 2018 de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank verzocht om onderzoekshandelingen te verrichten, bestaande uit het horen als getuige van:- [naam 1]- [naam 2]- [naam 3]- [naam 4]- [naam 5]- [naam 6]- [naam 7]- [naam 8]- [naam 9]- [naam 10]- [naam 11]- [naam 12]- [naam 13]- [naam 14]- [naam 15]- [naam 16]- [naam 17] .
De rechter-commissaris heeft dit verzoek bij beschikking van 13 november 2019 afgewezen onder de volgende motivering:

De rechter-commissaris stelt voorop dat de verdediging geen belang heeft bij haar verzoektot het horen van getuigen voor zover zij aan die, blijkens de onderbouwing van het verzoek,vragen wil stellen die betrekking hebben op de uitvoer van verdovende middelen. In deeerste plaats is van belang dat aan verdachte thans geen uitvoer van verdovende middelen tenlaste is gelegd, maar witwassen. In de tweede plaats is van belang dat dit verband houdt methet feit dat verdachte op 11 december 2015 in het Verenigd Koninkrijk is veroordeeld tot eengevangenisstraf van 24 jaren wegens drugsinvoer in de periode van 1 april 2014 tot 17 juni2015, welke periode de in onderhavige zaak ten laste gelegde periode overlapt. Verdachteheeft in de Engelse zaak een bekennende verklaring afgelegd, welke verklaring (vertaald)aan onderhavig strafdossier is toegevoegd. Ook al blinkt die (vertaalde) verklaring intaalkundig opzicht niet uit, toch kan eruit worden begrepen dat verdachte zijn wezenlijke rolin het meermalen in vereniging met anderen over de grens brengen van verdovende middelenvanaf april 2014 tot zijn aanhouding op 16 juni 2015 in rechte heeft erkend. Het verzoek isin zoverre dus onvoldoende gemotiveerd.
Voorts wenst de verdediging vragen te stellen aan getuigen met betrekking tot debedrijfsvoering van [B.V. 1] , zodat zou kunnen wordenaangetoond dat het bedrijf geen dekmantel was, maar er daadwerkelijk mensen mee werdenvervoerd en legale inkomsten mee werden gegenereerd. De rechter-commissaris merkt op dathet dossier vooral aanwijzingen bevat dat de ambulances van [B.V. 1] werden gebruikt voor het vervoer van verdovende middelen. De verdediging heeft onvoldoende duidelijk gemaakt waarom nader onderzoek naar de bedrijfsvoering van [B.V. 1] is geboden, zeker nu verdachte zich in onderhavig onderzoek louter op zijn zwijgrecht heeft beroepen en de door de verdediging namens verdachte overgelegde administratie voor de officier van justitie zonder nadere uitleg die ontbreekt, onvoldoende houvast voor nader onderzoek biedt.
Ook voor zover de verdediging betoogt dat bepaalde in de tenlastelegging opgenomenbedragen en/of voertuigen niet afkomstig zijn uit enig misdrijf, maar legale inkomsten uiteen van de (andere) ondernemingen van verdachte betreffen, is het verzoek in hoofdlijnenonvoldoende onderbouwd.
De verdediging heeft wel concreet gesteld dat verdachte legale inkomsten heeft genoten uitzijn bedrijf [B.V. 2] De verdediging wil in dit kader medeoprichter [naam 12] , alsmede de chauffeurs [naam 13] en [naam 14] als getuige horen. Hierbijwordt er door de verdediging op gewezen dat [naam 12] in zijn bij de politie afgelegde verklaringheeft aangegeven dat het bedrijf daadwerkelijk werkzaam is geweest en omzet heeftgedraaid. Deze onderbouwing kan evenwel niet tot de slotsom leiden dat er eenverdedigingsbelang bestaat bij het horen van de genoemde getuigen, omdat die eerdereverklaring van [naam 12] daarvoor juist geen houvast biedt.
De verdediging wil [naam 9] onder meer vragen of hij de administratie van verdachte vrijwillig heeft overhandigd en of het de volledige administratie betrof. De rechter-commissaris wijst in dit verband naar de eerder door [naam 9] bij de politie afgelegde verklaring (dossierpagina’s 991 en 992) waarin hijzelf alsmede verbalisant expliciet benoemen dat het afstaan van de administratie “geheel vrijwillig” is gedaan. Ook blijkt eruit dat het gaat om “de administratieve stukken die u ( [naam 9] ) heeft van [verdachte] , dan wel van zijn bedrijven”. Dit wordt vervolgens nog door [naam 9] tot op zekere hoogte gespecificeerd. Uit het verzoek wordt niet duidelijk waarom de verdediging hier nog vragen over heeft. Verder wil de verdediging [naam 9] horen over de BTW afdracht. De vraag of uit een enander kan worden afgeleid dat verdachte opzettelijk onterecht BTW in rekening heeft gebracht of dat dergelijk opzet heeft ontbroken, is evenwel geen vraag die rechtens zal moeten worden beantwoord. Verdachte wordt er in het strafdossier van beschuldigd dat de facturen volledig valselijk zijn opgemaakt. Het kennelijk onterecht in rekening brengen van BTW lijkt de rechter-commissaris hierbij geen factor van (substantieel) belang te zijn.
Voor zover onderdelen in het voorgaande toch niet expliciet of impliciet in voldoende mate aan de orde zijn geweest, is het verzoek onvoldoende onderbouwd.

Bevoegdheid en ontvankelijkheid

Op 27 november 2019 heeft de raadsman tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend. De rechtbank is bevoegd tot afdoening van het bezwaar. Het bezwaarschrift is tijdig ingediend en verzoeker is derhalve ontvankelijk in zijn bezwaar.
Standpunten

In raadkamer heeft de raadsman, onder verwijzing naar de onderbouwing van de getuigenverzoeken en van het bezwaarschrift, zich op het standpunt gesteld dat het bezwaarschrift gegrond verklaard moet worden.
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het bezwaar, gelet op de bekennende verklaring van verdachte in de Engelse strafzaak.

Beoordelingskader

De verdediging kan de rechter-commissaris verzoeken bepaalde onderzoekshandelingen te verrichten op de voet van artikel 182 Sv. In het Wetboek van Strafvordering wordt geen maatstaf genoemd aan de hand waarvan de rechter-commissaris dergelijke verzoeken dient te beoordelen. Blijkens de parlementaire geschiedenis ( 2009/10, 32177, 3, p. 16) moet een relevantiecriterium worden gehanteerd: ‘De rechter-commissaris wijst het verzoek af, indien de gevraagde onderzoekshandeling niet kan bijdragen aan enige in de zaak te nemen beslissing’. In eerdere uitspraken van deze rechtbank op bezwaarschriften op grond van artikel 182, zesde lid, Sv is als maatstaf gehanteerd of de verdachte door afwijzing van een verzoek redelijkerwijs in zijn verdediging wordt geschaad (zie bijvoorbeeld Rb. Noord-Holland 19 augustus 2013, ECLI:NL:RBNHO:2013:7332). Ook andere rechtbanken hanteren deze maatstaf. Bij de beoordeling van het onderhavige bezwaarschrift zal de rechtbank deze maatstaf toepassen.
Daarmee wordt dezelfde maatstaf toegepast als in het geval de officier van justitie of rechtbank een verzoek tot oproeping van een getuige voor het onderzoek ter terechtzitting beoordeelt (art. 264, eerste lid, sub c resp. 288, eerste lid, sub c Sv). De rechtbank acht de jurisprudentie van de Hoge Raad met betrekking tot de betekenis van dit zogenoemde ‘criterium van verdedigingsbelang’ dan ook van overeenkomstige toepassing. Met betrekking tot de betekenis van dit criterium overwoog de Hoge Raad in zijn arrest van 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, 2014/441:

2.4.
In beginsel heeft de verdachte het recht om ter terechtzitting alle getuigen te doen horen wier verhoor hij in het belang van zijn verdediging acht. Volgens het tegenwoordige Nederlandse stelsel van strafvordering kan de verdachte dat recht effectueren door zelf getuigen mee te brengen naar de terechtzitting. Voor het overige is hij aangewezen op het openbaar ministerie tot wiens taak het behoort getuigen op te roepen. Het openbaar ministerie kan weigeren te voldoen aan een door of namens de verdachte gedaan verzoek tot oproeping van getuigen. Door of namens de verdachte kan vervolgens ter terechtzitting het oordeel van de rechter over die weigering worden ingeroepen. Het openbaar ministerie - en in geval van diens weigering of verzuim de opgegeven getuigen op te roepen: de rechter - kan die oproeping weigeren op onder meer de grond dat de verdachte daardoor redelijkerwijs niet in zijn verdediging wordt geschaad (hierna ook aan te duiden als "verdedigingsbelang").

2.5.
In de rechtspraak en de doctrine wordt aangenomen dat die maatstaf het openbaar ministerie onderscheidenlijk de rechter ertoe noopt een verzoek tot oproeping van getuigen te beoordelen vanuit de gezichtshoek van de verdediging en met het oog op het belang van de verdediging bij de inwilliging van het verzoek. Dit brengt mee dat alleen dan kan worden gezegd dat de verdachte door afwijzing van het verzoek redelijkerwijs niet in zijn verdediging wordt geschaad, indien de punten waarover de getuige kan verklaren, in redelijkheid niet van belang kunnen zijn voor enige in zijn strafzaak te nemen beslissing dan wel redelijkerwijze moet worden uitgesloten dat die getuige iets over bedoelde punten zou kunnen verklaren.

2.6.
Enerzijds impliceert deze regeling een terughoudend gebruik door het openbaar ministerie onderscheidenlijk de rechter van zijn bevoegdheid tot afwijzing van het verzoek, doch anderzijds veronderstelt zij dat het verzoek door de verdediging naar behoren wordt gemotiveerd. Zo is afwijzing van het verzoek goed denkbaar als het verzoek niet dan wel zo summier is onderbouwd dat de rechter buiten staat is het verzoek te toetsen aan de maatstaf van het verdedigingsbelang. Van de verdediging mag worden verlangd dat zij ten aanzien van iedere van de door haar opgegeven getuigen motiveert waarom het horen van deze getuige van belang is voor enige in de strafzaak uit hoofde van de art. 348 en 350 Sv te nemen beslissing. Te denken valt in dit verband aan het opgeven van de redenen voor het doen horen van de zogenoemde getuigen à décharge wier verklaringen kunnen strekken tot staving van de betwisting van het tenlastegelegde, of het doen horen van getuigen à charge die in het vooronderzoek zijn gehoord, teneinde deze personen of hun afgelegde verklaringen op geloofwaardigheid en betrouwbaarheid te toetsen.’
De vragen van de artikelen 348 en 350 Sv worden beantwoord op de grondslag van de tenlastelegging. Bij de beoordeling of het horen van een getuige redelijkerwijs relevant kan worden geacht voor de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv, is daarom een belangrijke vraag welke gedragingen ten laste zijn gelegd. Wanneer het horen van een getuige wordt verzocht in verband met het bewijs van het ten laste gelegde feit, zoals in de onderhavige zaak het geval is, zal voldoende aannemelijk moeten worden dat hetgeen de getuige kan verklaren invloed zal kunnen hebben op de beantwoording van de bewijsvraag door de rechtbank. Het is aan de verdediging om die relevantie voldoende concreet te onderbouwen.

In de onderhavige zaak is sprake van verzoeken om ontlastende getuigen te horen. Wanneer het criterium van het verdedigingsbelang van toepassing is, mag het verzoek om een ontlastende getuige te horen worden afgewezen wanneer niet aannemelijk is geworden dat de einduitspraak van de rechtbank gunstiger voor de verdachte zou uitvallen wanneer hetgeen de getuige zou kunnen verklaren door de rechtbank zou worden aangenomen. Daarbij kan van belang zijn in welke mate het procesdossier steun geeft aan de ten laste gelegde feiten. Dit is in overeenstemming met de jurisprudentie van het Europees Hof voor d Rechten van de Mens (EHRM 14 februari 2008, appl.no. 66802/01 (Dorokhov/Rusland), § 74).

Beoordeling van de gegrondheid van het bezwaarschrift

Aan verdachte is (gewoonte)witwassen ten laste gelegd. Verdachte wordt ervan beschuldigd dat hij – kort gezegd – contante betalingen en stortingen heeft gedaan en dat hij, eveneens met contant geld, auto’s heeft verworven, terwijl de contante geldbedragen uit misdrijf afkomstig waren. De tenlastelegging heeft derhalve niet betrekking op andere strafbare feiten waarvoor het procesdossier aanknopingspunten biedt, in het bijzonder de handel in drugs, het gebruik van de (ambulance)voertuigen daarbij, het opmaken van valse facturen of het niet hebben afgedragen van BTW.
De verzochte getuigen zouden blijkens de onderbouwing van de getuigenverzoeken en van het bezwaarschrift kunnen verklaren over het gebruik van de ambulances, over de bedrijfsvoering en boekhouding van de bedrijven van verdachte en over de geldstromen tussen deze bedrijven. Zonder nadere motivering, die de rechtbank niet heeft aangetroffen in de onderbouwing van de getuigenverzoeken en evenmin in de onderbouwing van het bezwaarschrift en de mondelinge toelichting daarop tijdens de zitting, is niet aannemelijk geworden waarom hetgeen de getuigen zouden kunnen verklaren, relevant zou kunnen zijn voor de beoordeling door de rechtbank van de ten laste gelegde witwasgedragingen.

Dat belang is niet evident. Bij het delict witwassen moet aangenomen kunnen worden dat sprake is van gelden of goederen die afkomstig zijn uit misdrijf. Het zou tegen die achtergrond relevant kunnen zijn om getuigen te ondervragen die zouden kunnen verklaren over de legale herkomst van de contante bedragen. De rechtbank is van oordeel dat de verdediging onvoldoende heeft onderbouwd waarom enige verzochte getuige hierover een verklaring zou kunnen afleggen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de politie de bedrijfsvoering en boekhouding van [B.V. 1] minutieus heeft onderzocht en tot de conclusie is gekomen dat geen van de ambulanceritten die in de boekhouding voorkomen daadwerkelijk is uitgevoerd. Verdachte heeft een document opgesteld waarin volgens hem de herkomst van de contante bedragen wordt verklaard. Nader onderzoek door de politie op grond van dat document heeft niet tot een andere conclusie geleid, terwijl verdachte desgevraagd heeft geweigerd om mee te werken aan dat nadere onderzoek door vragen van de politie te beantwoorden. De rechter-commissaris is in zijn beschikking niet vooruitgelopen op hetgeen de getuigen zouden kunnen verklaren. Het oordeel van de rechter-commissaris dat het belang van de verdediging bij ondervraging van de verzochte getuigen niet aannemelijk is geworden, acht de rechtbank niet onbegrijpelijk.

Slotsom

De rechter-commissaris heeft alle getuigenverzoeken afgewezen. De daartegen aangevoerde bezwaren acht de rechtbank ongegrond.
beslissing

3

De rechtbank:

verklaart het bezwaarschrift ongegrond.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Deze beslissing is op 23 maart 2020 gegeven en uitgesproken in raadkamer doormr. B. de Wilde, voorzitter,mr. M. Visser en mr. C.A.M. van der Heijden, rechters,in tegenwoordigheid van de griffiers mr. J. Dommershuijzen en mr. R. Winter,en ondertekend door de oudste rechter en de griffier mr. Dommershuijzen.
Tegen deze beslissing staat voor zowel verdachte als de officier van justitie geen rechtsmiddel open