Uitspraak ECLI:NL:RBNHO:2020:1482

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 28-02-2020. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Noord-Holland op 28-02-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBNHO:2020:1482, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 20.000105 en 20.000106


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf
Locatie AlkmaarEnkelvoudige raadkamer
Registratienummers: 20.000105 en 20.000106 Parketnummer: [parketnummer]Uitspraakdatum: 28 februari 2020
Beschikking

ECLI:NL:RBNHO:2020:1482:DOC
nl

RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf
Locatie AlkmaarEnkelvoudige raadkamer
Registratienummers: 20.000105 en 20.000106 Parketnummer: [parketnummer]Uitspraakdatum: 28 februari 2020
Beschikking

procesverloop

1

Op 19 december 2019 is op de griffie van de rechtbank Noord-Holland ingekomen een door mr. G. Lieffijn, advocaat, ingediend verzoekschrift ex art. 89 en 591a Sv. (oud) van

[verzoeker]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , domicilie kiezende te (1786 PP), Den Helder, Luchthavenweg 16, ten kantore van mr. G. Lieffijn, voornoemd.
Het verzoekschrift strekt tot toekenning van een vergoeding ten laste van de Staat ten bedrage van

De officier van justitie is in de gelegenheid gesteld, 6 januari 2020, om te reageren op het verzoek, maar heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt.

De rechtbank heeft de raadsman per mail, d.d. 12 februari 2020, geïnformeerd voornemens te zijn de verzochte vergoeding wegens beperking in de vrijheid gedurende 277 dagen af te wijzen, nu de wet niet voorziet in een vergoeding wegens beperking van de vrijheid wegens opgelegde bijzondere voorwaarden. Tevens is de raadsman verzocht mee te delen of hij het standpunt in een mondelinge behandeling nader wilde toelichten.

De raadsman heeft op 24 februari 2020 via email aangegeven zich te refereren aan het oordeel van de rechtbank over de vraag of het i.c. gaat om een beneming of een beperking van de vrijheid voor een aantal uren per dag. Hij verzocht daarvan een beschikking te geven.

-

€ 315,-, ter zake van de schade die verzoeker stelt te hebben geleden tengevolge van ten onrechte ondergane verzekering;

€ 1.385,-, wegens beperking in de vrijheid wegens opgelegde bijzondere voorwaarden gedurende 277 dagen;

€ 280,-, wegens de kosten van bijstand met betrekking tot het opstellen en indienen van het onderhavige verzoekschrift.

2

1. contactverboden met aangeefster, een getuige (vriendin van aangeefster) en twee medeverdachten;2. een avondklok van 19.00 — 07.00 uur;3. een locatieverbod voor twee locaties;4. een meldplicht bij G.I. Jeugd- en gezinsbeschermers;5. het zich houden aan aanwijzingen van G.I. Jeugd- en Gezinsbeschermers.
In het verzoekschrift wordt het verzoek als volgt onderbouwd.

Ten aanzien van verzoeker golden de volgende bijzondere voorwaarden:

Naar de mening van verzoeker hebben deze bijzondere voorwaarden tezamen aan hem gedurende de periode van voorlopige hechtenis per dag ongeveer twee uren zijn vrijheid ontnomen. In combinatie met de algemene voorwaarden heeft verzoeker een beperking van de vrijheid ondergaan waarvoor hij een schadevergoeding wenst van € 5,- per dag. Het aantal dagen betreft 277. Als vergoeding over de periode van de geschorste voorlopige hechtenis vraagt verzoeker derhalve € 1.385,-.

Verzoeker heeft vanaf het eerste begin consistent het verwijt van wederrechtelijke vrijheidsberoving in vereniging en de beschuldiging van feitelijke aanranding der eerbaarheid in vereniging ontkend. Uit de nadere verhoren van aangeefster en haar vriendin, op verzoek van de verdediging en in het bijzijn van onder meer de rechter-commissaris, is de indruk ontstaan dat de verklaringen van aangeefster en haar vriendin voor wat betreft de gestelde onvrijwilligheid van aangeefster onbetrouwbaar zijn. Naar de mening van verzoeker is hij de dupe geworden van de verklaringen van aangeefster en haar vriendin bij de politie.

Het bevel tot voorlopige hechtenis kan niet mede gebaseerd zijn geweest op een verdenking die voortvloeide uit feiten en omstandigheden die met verzoeker zelf te maken hadden in de zin van bijvoorbeeld zijn procesopstelling. Ook de voortduring van de voorlopige hechtenis is niet aan de opstelling of het handelen van verzoeker te wijten.

overwegingen

3

De strafzaak tegen verzoeker is geëindigd door een brief van de officier van justitie van 9 december 2019 aan verzoeker waarin deze meedeelt dat de strafzaak is geseponeerd.
Het door verzoeker ondertekende verzoekschrift is tijdig ingediend.

Verzoeker is op 21 januari 2019 in verzekering gesteld en op 24 januari 2019 voorgeleid aan de rechter-commissaris. Die heeft een bevel bewaring gegeven, maar ook bepaald dat de voorlopige hechtenis zou worden geschorst met ingang van het moment waarop de inverzekeringstelling zou eindigen. Aan die schorsing waren algemene en bijzondere voorwaarden verbonden.

Op de voet van het bepaalde in de artikelen 533, 534 en 530 van het Wetboek van Strafvordering kan de gewezen verdachte – indien de strafzaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht – aanspraak maken op vergoeding van de door deze tengevolge van ondergane verzekering en voorlopige hechtenis geleden schade, respectievelijk de gemaakte kosten van een advocaat, zo daartoe althans gronden van billijkheid aanwezig zijn, alle omstandigheden in aanmerking genomen.

De rechtbank acht in dit geval, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig voor toekenning van een vergoeding. Dat geldt voor de drie dagen die verzoeker in verzekering heeft doorgebracht.

Met betrekking tot de verzochte vergoeding wegens beperking in de vrijheid wegens opgelegde bijzondere voorwaarden overweegt de rechtbank als volgt.

Artikel 5, vijfde lid, van het Europeens Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (verder: EVRM) houdt in dat eenieder die een arrestatie of een gevangenhouding heeft ondergaan, die in strijd is met de bepalingen van het artikel, een recht tot schadevergoeding toekomt. Uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (verder: EHRM) volgt dat voor de beoordeling van de vraag of de rechtbank een verzoek tot schadevergoeding dient toe te wijzen, met name de concrete situatie van de betrokkene uitgangspunt moet zijn bij de beoordeling van de vraag of hij van zijn vrijheid is beroofd. Dit uitgangspunt heeft het EHRM steeds herhaald. Hierbij is een aantal factoren van belang, zoals de aard, duur, effecten en wijze van tenuitvoerlegging, alsmede de mate waarin de betrokkene autonoom kan functioneren en de mogelijkheid heeft eigen keuzes te maken. Uit de jurisprudentie volgt dat het EHRM per concreet geval oordeelt of al dan niet sprake is van een vrijheids, die onder het regime van artikel 2 van het Vierde Protocol van het EVRM valt, dan wel van een vrijheids die onder artikel 5 EVRM valt (vgl. Gerechtshof Amsterdam, ECLI:NL:GHAMS:2016:5698).

De rechtbank is van oordeel dat de aan verzoeker opgelegde avondklok – zonder nadere toelichting, die ontbreekt – niet als vrijheidsbeneming in de zin van artikel 5 EVRM dient te worden beschouwd, ook niet in combinatie met de andere bijzondere voorwaarden. Dit rechtbank zal dit deel van het verzoek daarom afwijzen.
Het verzoek zal dan ook worden ingewilligd op de wijze als hieronder is aangegeven.

beslissing

4

De rechtbank:

Kent aan verzoeker ten laste van de Staat een vergoeding toe van (zegge: vijfhonderd vijfennegentig euro), welk bedrag als volgt is samengesteld:€ 315,- wegens een verblijf van 3 dagen op een politiebureau;€ 280,- wegens de kosten van een raadsman voor de opstelling en indiening van het verzoekschrift.
Wijst het verzoek voor het overige af.

Beveelt de uitbetaling door de griffier van deze rechtbank van de bij deze beschikking aan verzoeker toegekende vergoeding op de derdengeldrekening van verzoekers advocaat, bankrekeningnummer [rekeningnummer] ten name van [rekeninghouder] , onder vermelding van “schadevergoeding [verzoeker] – parketnummer [parketnummer] .”

5

Deze beschikking is gegeven door mr. L.J. Saarloos, rechter, in tegenwoordigheid van M. Dambrink, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 28 februari 2020.
Informatie bij deze beschikking

Voor zover er in deze uitspraak een bedrag is toegewezen kan de opdracht tot uitbetaling van dit bedrag pas worden gegeven nadat de beslissing onherroepelijk is geworden. Bijgaande beschikking is op dit moment nog niet onherroepelijk; de officier van justitie heeft 14 dagen de tijd om hoger beroep in te stellen en voor de verzoekende partij is binnen een maand (30 dagen) na betekening van deze uitspraak hoger beroep mogelijk. Genoemde termijnen kunnen worden bekort wanneer ter griffie afstand wordt gedaan van het recht op het instellen van hoger beroep.

U kunt op de volgende wijze ter griffie afstand doen van het recht op het instellen van hoger beroep:

-

(als verzoeker) in persoon bij de informatiebalie van onze rechtbank;

(als advocaat) in persoon bij de informatiebalie van onze rechtbank, indien u verklaart daartoe door verzoeker te zijn gevolmachtigd;

(in het geval dat noch verzoeker noch de advocaat in de gelegenheid is om in persoon bij de informatiebalie afstand te doen) door aan een medewerker van de strafgriffie daartoe een schriftelijke bijzondere volmacht te verlenen.