Uitspraak ECLI:NL:RBNHO:2019:7674

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 11-09-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Noord-Holland op 12-09-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBNHO:2019:7674, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 15/872271-16


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf
Locatie HaarlemmermeerMeervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/872271-16 (P)Uitspraakdatum: 12 september 2019Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 21 maart, 9 juni en 22 augustus 2017 en 19, 20, 21, 22 en 29 augustus 2019 in de zaak tegen:

[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1976 te [geboorteplaats] ,ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres 1] .
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitiemr. M. Kubbinga en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. J. de Vries, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

ECLI:NL:RBNHO:2019:7674:DOC
nl

RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf
Locatie HaarlemmermeerMeervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/872271-16 (P)Uitspraakdatum: 12 september 2019Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 21 maart, 9 juni en 22 augustus 2017 en 19, 20, 21, 22 en 29 augustus 2019 in de zaak tegen:

[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1976 te [geboorteplaats] ,ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres 1] .
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitiemr. M. Kubbinga en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. J. de Vries, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.
1

Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering, ten laste gelegd dat:
- contact onderhouden met een of meer medeverdachte(n) en/of - die [slachtoffer] beticht van oplichting van een of meer klant(en) van garage [garage] en/of (een) ander(en) en/of - achter die [slachtoffer] aangerend en/of die [slachtoffer] vastgepakt en/of geduwd en/of geslagen en/of - die [slachtoffer] (in een ruimte) tegen diens wil vastgehouden en/of opgesloten en/of die [slachtoffer] belet het pand en/of de ruimte waarin die [slachtoffer] verbleef te verlaten en/of - contact onderhouden met [getuige 1] en/of [getuige 2] ten behoeve van het betalen en/of overhandigen van een geldbedrag en/of - die [slachtoffer] bedreigd en/of naar die [slachtoffer] geschreeuwd en/of - die [slachtoffer] naar een voertuig (welke garage [garage] was binnengereden) begeleid en/of (vervolgens) die [slachtoffer] in (genoemd) voertuig (onder dwang) doen of laten plaatsnemen en/of die [slachtoffer] belet het voertuig te verlaten en/of
- die [slachtoffer] (tegen diens wil) verplaatst naar Almere, althans een plaats in Nederland, en/of die [slachtoffer] belet het voertuig waarin hij zich bevond te verlaten en/of- die [slachtoffer] bedreigd en/of- contact onderhouden met een of meer medeverdachte(n) en/of - contact onderhouden met [getuige 1] en/of [getuige 2] ten behoeve van het betalen en/of overhandigen van een geldbedrag en/of- op/nabij NS station Almere Muziekwijk afgesproken met [getuige 2] voor het verkrijgen van geld en/of- die [slachtoffer] vervoerd naar een strandje aan de Strandweg en/of (aldaar) die [slachtoffer] uit het voertuig doen of laten stappen en/of die [slachtoffer] (aldaar) bedreigd en/of met een vuurwapen (op en/of in de richting van die [slachtoffer] ) geschoten en/of een vuurwapen aan die [slachtoffer] getoond en/of fysiek geweld op die [slachtoffer] toegepasten/of (zodoende) een voor die [slachtoffer] bedreigende situatie gecreëerd,
- contact onderhouden met een of meer medeverdachte(n) en/of - die [slachtoffer] beticht van oplichting van een of meer klant(en) van garage [garage] en/of (een) ander(en) en/of - achter die [slachtoffer] aangerend en/of die [slachtoffer] vastgepakt en/of geduwd en/of geslagen en/of - die [slachtoffer] (in een ruimte) tegen diens wil vastgehouden en/of opgesloten en/of die [slachtoffer] belet het pand en/of de ruimte waarin die [slachtoffer] verbleef te verlaten en/of - contact onderhouden met [getuige 1] en/of [getuige 2] ten behoeve van het betalen en/of overhandigen van een geldbedrag en/of - die [slachtoffer] bedreigd en/of naar die [slachtoffer] geschreeuwd en/of - die [slachtoffer] naar een voertuig (welke garage [garage] was binnengereden) begeleid en/of (vervolgens) die [slachtoffer] in (genoemd) voertuig (onder dwang) doen of laten plaatsnemen en/of die [slachtoffer] belet het voertuig te verlaten en/of
- die [slachtoffer] (tegen diens wil) verplaatst naar Almere, althans een plaats in Nederland, en/of die [slachtoffer] belet het voertuig waarin hij zich bevond te verlaten en/of- die [slachtoffer] bedreigd en/of- contact onderhouden met een of meer medeverdachte(n) en/of - contact onderhouden met [getuige 1] en/of [getuige 2] ten behoeve van het betalen en/of overhandigen van een geldbedrag en/of- op/nabij NS station Almere Muziekwijk afgesproken met [getuige 2] voor het verkrijgen van geld en/of- die [slachtoffer] vervoerd naar een strandje aan de Strandweg en/of (aldaar) die [slachtoffer] uit het voertuig doen of laten stappen en/of die [slachtoffer] (aldaar) bedreigd en/of met een vuurwapen (op en/of in de richting van die [slachtoffer] ) geschoten en/of een vuurwapen aan die [slachtoffer] getoond en/of fysiek geweld op die [slachtoffer] toegepasten/of (zodoende) een voor die [slachtoffer] bedreigende situatie gecreëerd,
hij op of omstreeks 1 december 2016 te Wormerveer, gemeente Zaanstad, en/of Almere en/of (elders in) Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een persoon, genaamd [slachtoffer] , wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, met het oogmerk (een) ander(en), te weten [getuige 1] en/of [getuige 2] en/of een of meer ander(en), te dwingen iets te doen, te weten het betalen/overhandigen van een hoeveelheid geld en/of niet te doen,
immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) meermalen, althans eenmaal,

(te Almere en/of elders in Nederland)

(waarna die [slachtoffer] te water is geraakt) ten gevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden;

en/of

hij op of omstreeks 1 december 2016 te Wormerveer, gemeente Zaanstad, en/of Almere en/of (elders in) Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden,

immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) meermalen, althans eenmaal,

(te Wormerveer en/of elders in Nederland)

(te Almere en/of elders in Nederland)

(waarna die [slachtoffer] te water is geraakt) ten gevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden.

2

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3

Op 22 december 2016 wordt het stoffelijke overschot van [slachtoffer] aangetroffen in het water van het Gooimeer tegen de oever van het eiland nabij de Strandweg te Almere Haven.

De politie start een onderzoek dat heeft geleid tot de aanhouding van acht personen, van wie er zeven zijn vervolgd: verdachte en zijn medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] .

Medeverdachten [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] worden verdacht van het gijzelen en/of wederrechtelijk van de vrijheid beroven/beroofd houden van [slachtoffer] in Wormerveer.

Verdachte en medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] wordt hetzelfde verweten in Wormerveer en/of Almere. Bovendien wordt verdachte en zijn medeverdachten de strafverzwarende omstandigheid “de dood ten gevolge hebbend” verweten.

overwegingen

4

4.1.
Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde gijzeling, ten gevolge waarvan [slachtoffer] is overleden. De officier van justitie heeft daartoe samengevat het volgende aangevoerd.
Verdachte kwam op 1 december 2016 omstreeks 15:49 uur met twee mannen in een Chrysler Voyager (hierna: de Chrysler) naar de garage. Op dat moment werd [slachtoffer] reeds van zijn vrijheid beroofd gehouden, respectievelijk gegijzeld, door medeverdachten [medeverdachte 5] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 6] . Verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer] hem ongeveer € 7.000,- schuldig was, dat hij woedend was op [slachtoffer] en dat hij [slachtoffer] een paar klappen heeft gegeven. Getuigen hebben verklaard dat [slachtoffer] door verdachte en de twee mannen werd meegenomen en dat hij in deze situatie niet de vrijheid had om te gaan waar hij wilde. Omstreeks 16:35 uur vertrok de Chrysler uit de garage met daarin [slachtoffer] , verdachte en de twee andere mannen. De Chrysler is met deze inzittenden naar Almere gereden om geld op te halen bij de getuige [getuige 2] .

De officier van justitie heeft in het kader van de ten laste gelegde strafverzwarende omstandigheid, de dood van [slachtoffer] ten gevolge hebbend, het volgende naar voren gebracht. Nadat het slachtoffer [slachtoffer] urenlang van zijn vrijheid was beroofd en gedwongen was verschillende mensen te benaderen voor geld, terwijl dat niet was gelukt, is hij op een koude winterse dag, na zonsondergang naar een afgelegen strand gebracht, is er geweld op hem toegepast (“gesloopt” dan wel een paar klappen) en is hij bedreigd met een vuurwapen. Dit heeft bij hem doodsangst veroorzaakt. Onder die omstandigheden is het aan het handelen van verdachten te wijten dat het slachtoffer er alles aan zal doen om aan zijn belagers te ontkomen. Daarom was het voorzienbaar dat het slachtoffer zelfs op deze koude winterse dag, ondanks dat het donker was, toch het koude water in zou vluchten. Dat dit een situatie was die toch uiterst zorgelijk was en de verdachten zich dit ook realiseerden, blijkt uit het feit dat verdachte in het bijzijn van getuige [getuige 1] (hierna: [getuige 1] ) heeft gezegd dat tegen het slachtoffer is gezegd dat hij eruit moest komen omdat het te koud was. [slachtoffer] is niet uit het water gekomen. Geen van de verdachten heeft hiervan melding gemaakt bij hulpverlenende instanties. Gelet op het vorenstaande gaat de officier van justitie ervan uit dat [slachtoffer] het water in is gevlucht en dat dit kan worden toegerekend aan het handelen van verdachten en voor hen ook voorzienbaar was. Het nalaten om – al dan niet anoniem – hulp in te schakelen is in casu geschikt om het intreden van diens dood te bewerkstelligen en heeft de kans op het intreden van de dood in aanzienlijke mate verhoogd.

4.2.
Standpunt van de verdediging

Verdachte heeft erkend dat hij op 1 december 2016 in de garage was en [slachtoffer] een paar klappen heeft gegeven. Hij heeft verder verklaard dat hij met [slachtoffer] in de Chrysler heeft gezeten en dat zij met twee andere jongens naar Almere zijn gereden met als doel zijn (verdachtes) geld terug te krijgen. Verdachte heeft ook erkend een vuurwapen te hebben getrokken en daarmee op [slachtoffer] te hebben gewezen.
De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit. Het door de raadsman aangevoerde bewijsuitsluitingsverweer zal in overweging 4.3.1. worden besproken.

4.3.
Oordeel van de rechtbank

4.3.1.
Bewijsuitsluitingsverweren

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van getuigen [getuige 3] , [getuige 4] , [getuige 5] , [getuige 1] en [getuige 2] moeten worden uitgesloten van het bewijs, nu deze niet als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt. [getuige 3] , [getuige 4] en [getuige 5] zijn na de uitzendingen van Opsporing Verzocht gehoord. [getuige 3] en [getuige 5] hebben verklaard dat zij alles wat zij weten uit de media hebben gehaald. [getuige 4] heeft zich naar aanleiding van Opsporing Verzocht pas gemeld en is beïnvloed door deze uitzendingen en/of andere mediaberichten. Immers, [getuige 4] dacht vóór de beïnvloeding van de media niet dat [slachtoffer] werd ontvoerd, maar dat [slachtoffer] naar huis werd gebracht. Niemand heeft op 1 december 2016 de moeite genomen om de politie te verwittigen; kennelijk achtte men dat niet noodzakelijk. Tot slot heeft de raadsman aangevoerd dat [getuige 5] evident in strijd met
de waarheid heeft verklaard. Met betrekking tot getuigen [getuige 1] en [getuige 2] heeft de raadsman naar voren gebracht dat het gegeven dat zij op 1 december 2016 geen melding hebben gemaakt van een strafbaar feit jegens [slachtoffer] , terwijl zij hem die dag uitgebreid en in een penibele situatie zouden hebben gesproken, vragen oproept.
De rechtbank is, evenals de raadsman, van oordeel dat de verklaringen die getuige [getuige 3] heeft afgelegd op meerdere onderdelen aantoonbaar onjuist zijn. Zijn verklaringen zijn daarnaast, zowel innerlijk als ten opzichte van ander bewijsmateriaal, dermate inconsistent en tegenstrijdig dat zij de kern van de getuigenverklaring aantasten. Gelet hierop acht de rechtbank de verklaringen van getuige [getuige 3] niet betrouwbaar. Deze verklaringen zullen daarom niet worden gebruikt voor het bewijs.

De rechtbank is, gelijk de raadsman heeft betoogd, van oordeel dat de getuigenverklaringen van [getuige 4] en [getuige 5] , welke op diverse momenten zijn afgelegd, niet op alle onderdelen consistent en verifieerbaar juist zijn. Daarbij staat vast dat [getuige 4] en [getuige 5] informatie over de gebeurtenissen op 1 december 2016 hebben vernomen uit de media, zoals uitzendingen van Opsporing Verzocht. Dat neemt echter niet weg dat beide getuigen verklaren over feitelijke details die zij in de garage hebben waargenomen die niet in de media zijn genoemd. Mede daardoor heeft de rechtbank de overtuiging bekomen dat bedoelde getuigen in de kern uit eigen wetenschap over hun destijds gedane waarnemingen hebben verklaard. Dat de perceptie van de getuigen over de ernst van de situatie in de garage mogelijk is beïnvloed door achteraf verkregen informatie uit de media, maakt in dit geval daarom niet dat bedoelde verklaringen daardoor onvoldoende betrouwbaar zijn te achten om als bewijs te kunnen bezigen. Wel leidt dit ertoe dat de rechtbank bij de beoordeling van dit bewijsmateriaal de nodige behoedzaamheid zal betrachten.

De rechtbank acht daarnaast de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] voldoende betrouwbaar. Voor deze getuigen geldt dat zij beiden over het geheel genomen consistent hebben verklaard, zij het wat betreft [getuige 1] op basis van technisch bewijs niet op alle onderdelen juist te achten. De rechtbank ziet echter geen reden om aan te nemen dat [getuige 1] en [getuige 2] (op onderdelen) opzettelijk in strijd met de waarheid hebben verklaard, dan wel dat zij hun verklaringen op elkaar hebben afgestemd.

4.3.2.
Vrijspraak “de dood ten gevolge hebbend” en gijzeling


Strafverzwarende omstandigheid?

De raadsman van verdachte heeft betoogd dat de dood van [slachtoffer] niet kan worden toegerekend aan verdachte en evenmin voorzienbaar was voor verdachte. Hij voert daartoe het volgende aan. De deskundigen hebben de doodsoorzaak van [slachtoffer] niet kunnen vaststellen. Zonder doodsoorzaak is er wat de verdediging betreft geen causaliteit. Onbekend is gebleven hoe, waaraan, op welk moment of waardoor [slachtoffer] om het leven is gekomen, waardoor redelijke toerekening niet kan plaatsvinden. Het blijft volstrekt onduidelijk hoe [slachtoffer] te water is geraakt. Om te kunnen concluderen dat dit gevolg, het te water raken en daaraan overlijden voorzienbaar was, zal moeten worden vastgesteld hoe dat is gegaan. Informatie over het vluchten en te water raken van [slachtoffer] ontbreekt. Met het te water raken van [slachtoffer] in die omstandigheden heeft verdachte niets te maken. Verdachte heeft weliswaar erkend dat hij op het strand een pistool heeft laten zien om druk uit te oefenen, zodat voorstelbaar is dat [slachtoffer] een poging tot vluchten heeft gedaan, maar daarna loopt de redenering van de officier van justitie spaak. Verdachte betwist dat hij het te water raken van [slachtoffer] heeft gezien of hem in het water heeft gezien. Voor de verklaring van [getuige 1] dat hij verdachte met een derde over [slachtoffer] zou hebben horen spreken, is weinig ondersteunend bewijs. [getuige 1] heeft wisselend verklaard over wat hij precies heeft gehoord en van wie. Vast staat dat [getuige 1] niet op 1 december 2016 omstreeks 19.00 uur bij World of Food geweest kan zijn. De verdediging verzoekt de verklaring van [getuige 1] niet voor het bewijs te gebruiken nu niet is gebleken dat hij geloofwaardig en betrouwbaar heeft verklaard.
De rechtbank overweegt het volgende.

Doodsoorzaak?

Blijkens de conclusie in het proces-verbaal lijkschouw en radiologische scan overledene d.d. 23 december 2016 (FO, p. 65-67) is [slachtoffer] zeer waarschijnlijk overleden door verdrinking.
Blijkens het definitief sturingsverslag Forensische radiologie, door prof. Dr. [naam 1] (radioloog MUMC) en [naam 2] , forensisch radiologisch consulent, d.d. 22 december 2016 (p. 85-86) is sprake van vocht in de borstholte beiderzijds, toegenomen vochtgehalte van de longen.

Blijkens het voorlopig sectieverslag door prof. Dr. [naam 3] (NFI) d.d. 23 dec 2016 (FO, p. 88-89) is bij de sectie op het lichaam van [slachtoffer] vooralsnog geen doodsoorzaak vastgesteld. Indien er geen sprake is van een toxicologische bijdrage aan en/of verklaring van overlijden, gelet op de situatie bij vinding, dient verdrinking als mogelijke doodsoorzaak te worden overwogen. Verdrinking kan middels een sectie niet worden aangetoond en/of uitgesloten, zo staat in dit verslag.

Blijkens het NFI-rapport Toxicologisch onderzoek in lichaamsmateriaal [slachtoffer] d.d. 10 maart 2017, door dr. [naam 4] , apotheker-toxicoloog (FO, p. 175-182) kan op grond van de resultaten van het uitgevoerde toxicologische onderzoek een bijdrage van ethanol (alcohol), drugs, geneesmiddelen en/of bestrijdingsmiddelen aan het overlijden van [slachtoffer] niet worden geconcludeerd en het overlijden niet worden verklaard.

Blijkens het NFI-rapport pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood d.d. 28 juni 2017, door prof. dr. [naam 3] (FO, p. 185-190) is het vocht in de borstholten, gelet op het normale gewicht van longen, mogelijk postmortaal ontstaan. Het kan echter niet worden uitgesloten dat (een deel van) deze vochtophoping en de vochtophoping in de maag in het kader van verdrinking zijn opgetreden. Ook het microscopisch beeld van acuut emphyseem kan optreden in het kader van verdrinking door 'happen naar lucht'. Echter een verdrinking kan middels een sectie niet worden aangetoond of uitgesloten. Er werd geen toxicologische bijdrage aan de toedracht en/of het overlijden gevonden. Er waren, voor zover beoordeelbaar in verband met de postmortale veranderingen, geen aanwijzingen voor ziekelijke orgaanafwijkingen die het intreden van de dood zouden kunnen verklaren of hiervoor van betekenis geweest zouden kunnen zijn. Conclusie: Bij de sectie op het lichaam van [slachtoffer] werd geen anatomische en geen toxicologische doodsoorzaak gevonden. Gelet op de situatie bij vinding dient verdrinking als mogelijke doodsoorzaak te worden overwogen, zo staat in dit rapport.

De rechtbank stelt vast dat bij [slachtoffer] geen anatomische of toxicologische doodsoorzaak is gevonden. De patholoog concludeert dat gelet op de situatie bij vinding verdrinking als mogelijke doodsoorzaak dient te worden overwogen. Deze conclusie ligt in het verlengde van wat in de forensische literatuur wordt beschreven met betrekking tot verdrinking als doodsoorzaak, te weten dat verdrinking als doodsoorzaak niet kan worden vastgesteld bij sectie. Wel kan bij sectie worden uitgesloten dat er sprake is van andere (ziekelijke) aandoeningen of een toxicologische bijdrage en kunnen aanwijzingen worden gevonden voor verdrinking. Blijkens voormeld NFI-rapport is een aantal aanwijzingen voor verdrinking gevonden. Gelet op al het voorgaande en nu een mogelijk alternatieve doodsoorzaak niet is gesteld of gebleken, acht de rechtbank het waarschijnlijk dat [slachtoffer] door verdrinking is komen te overlijden en gaat zij hiervan uit.

Strafrechtelijk causaal verband?

Naar vaste rechtspraak dient bij de beantwoording van de vraag of in strafrechtelijke zin causaal verband bestaat tussen de gedragingen van verdachte en zijn medeverdachten die zij in het kader van het wederrechtelijk van zijn - [slachtoffer] - vrijheid beroofd houden hebben verricht en diens overlijden, te worden bepaald aan de hand van de leer van de ‘redelijke toerekening’.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 27 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT6362, het volgende overwogen over het causale verband:
"Doorgaans is bij de beantwoording van de vraag of in strafrechtelijke zin causaal verband bestaat niet aan twijfel onderhevig dat in de keten van gebeurtenissen de gedraging van de verdachte een noodzakelijke factor is geweest voor het ingetreden gevolg - en staat dat gevolg dus in conditio sine qua non-verband tot de gedraging, welk verband in beginsel als ondergrens van het causaal verband fungeert -, maar gaat het daarbij vooral erom of het ingetreden gevolg redelijkerwijs aan (de gedraging van) de verdachte kan worden toegerekend.

In meer uitzonderlijke gevallen kan niet zonder meer worden vastgesteld dat een gedraging van de verdachte in de keten van gebeurtenissen een noodzakelijke factor is geweest voor het ingetreden gevolg. (...) Een dergelijke onzekerheid behoeft niet per se te leiden tot het oordeel dat het gevolg reeds daarom niet meer redelijkerwijs aan (een gedraging van) de verdachte kan worden toegerekend. In eerdere rechtspraak is onder meer beslist dat in dit verband van belang kan zijn in hoeverre de verdachte met zijn gedragingen de kans op het intreden van het gevolg heeft verhoogd (...), dat enerzijds bepaald meer moet worden vastgesteld dan dat niet kan worden uitgesloten dat het gevolg door de gedraging is veroorzaakt (...), maar dat anderzijds aan het aannemen van het causaal verband niet in de weg behoeft te staan een hoogst onwaarschijnlijke mogelijkheid dat een andere omstandigheid die geen verband houdt met de gedraging van de verdachte tot het gevolg heeft geleid (...) of dat niet geheel kan worden uitgesloten dat latere handelingen van derden mede hebben geleid tot het gevolg (...).

Het bovenstaande komt erop neer dat in gevallen als de onderhavige voor het redelijkerwijs toerekenen van het gevolg aan (een gedraging van) de verdachte ten minste is vereist dat wordt vastgesteld dat dit gedrag een onmisbare schakel kan hebben gevormd in de gebeurtenissen die tot het gevolg hebben geleid, alsmede dat ook aannemelijk is dat het gevolg met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door de gedraging van de verdachte is veroorzaakt. Of en wanneer sprake is van een dergelijke aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid, zal afhangen van de concrete omstandigheden van het geval. Bij de beoordeling daarvan kan als hulpmiddel dienen of in de gegeven omstandigheden de gedraging van de verdachte naar haar aard geschikt is om dat gevolg teweeg te brengen en bovendien naar ervaringsregels van dien aard is dat zij het vermoeden wettigt dat deze heeft geleid tot het intreden van het gevolg (...)."

De rechtbank zal, gelet op het vorenstaande, allereerst nagaan van welke omstandigheden zij op basis van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting uitgaat. Daarbij neemt zij in aanmerking hetgeen hierna onder de bewijsoverwegingen wordt overwogen met betrekking tot het wederrechtelijk beroofd houden van [slachtoffer] . Mede gelet op de verklaring van verdachte, die zij op de volgende punten voldoende betrouwbaar acht, gaat de rechtbank voorts van het volgende uit. Verdachte heeft aan [slachtoffer] een pistool getoond in Almere om druk op hem uit te oefenen en verdachte en twee medeverdachten zijn met [slachtoffer] met de auto naar het strand in Almere Haven gereden. Daar heeft verdachte nogmaals met het pistool op [slachtoffer] gewezen, waarna deze richting de bosjes is gerend. Verdachte, [medeverdachte 1] en een derde persoon hebben hem tevergeefs gezocht. Even later is de auto door een andere persoon dan verdachte verder het strand op gereden om met de koplampen te schijnen, terwijl verdachte met een medeverdachte nog steeds naar [slachtoffer] aan het zoeken was. De auto is toen vast komen te zitten in het zand. De rechtbank is van oordeel dat op basis van het procesdossier en hetgeen ter terechtzitting naar voren is gekomen, niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld wat zich daarna heeft afgespeeld.
Op 22 december 2016 is het stoffelijk overschot van [slachtoffer] aangetroffen tegen de oever van het eiland, tegenover het strand waar voormelde auto was vastgelopen.

Weliswaar heeft [getuige 1] in één van zijn verklaringen naar voren gebracht dat verdachte op 1 december 2016 tussen 18.30 en uiterlijk 19.00 uur in het bijzijn van getuige [getuige 1] heeft gezegd dat tegen het slachtoffer is gezegd dat hij eruit moest komen omdat het te koud was, maar dit zal de rechtbank niet als omstandigheid/bewijs bij de beoordeling betrekken. Dit komt doordat [getuige 1] op dit mogelijk wezenlijke punt inconsistent heeft verklaard. Niet alleen wisselt [getuige 1] in zijn verklaringen van wie hij wat heeft vernomen over het lot van [slachtoffer] , ook blijkt uit de telecomgegevens dat de telefoon van verdachte rond de datum en het tijdstip dat [getuige 1] noemt voor de ontmoeting met verdachte bij World of Food in Amsterdam Zuidoost, een zendmast in Almere aanstraalde. Gelet daarop gaat de rechtbank ervan uit dat een ontmoeting van [getuige 1] met verdachte niet op 1 december 2016 vóór 19.00 uur bij World of Food heeft plaatsgevonden.

De rechtbank kan de vraag of het overlijden van [slachtoffer] redelijkerwijs kan worden toegerekend aan verdachte niet bevestigend beantwoorden. Op grond van de hierboven vermelde omstandigheden en bij gebreke van overig ter zake relevant bewijs is niet duidelijk hoe, waar, wanneer en onder welke verdere omstandigheden [slachtoffer] is verdronken en of verdachte hiervan op de hoogte was. Gelet hierop kan niet worden vastgesteld dat [slachtoffer] overlijden voor verdachte voorzienbaar was. De omstandigheid dat verdachte op het strand nogmaals met zijn pistool op de van zijn vrijheid beroofde [slachtoffer] heeft gewezen waarna [slachtoffer] is gevlucht, is daarvoor onvoldoende. Van belang is dat niet gebleken is dat verdachte [slachtoffer] daarna nog heeft gezien terwijl informatie wat er vervolgens met [slachtoffer] is gebeurd, ontbreekt. Uit de inhoud van de bewijsmiddelen dient méér te blijken ten aanzien van verdachtes gedragingen of nalaten en de omstandigheden waaronder het slachtoffer is verdronken, wil van redelijke toerekening van diens overlijden aan verdachte sprake kunnen zijn.

Conclusie: partiële vrijspraak van strafverzwarende omstandigheid

Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat de strafverzwarende omstandigheid “(waarna die [slachtoffer] te water is geraakt) ten gevolge waarvan die [slachtoffer] die [slachtoffer] is overleden” niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Dit betekent dat de rechtbank verdachte zal vrijspreken van dat onderdeel van de tenlastelegging.
Gijzeling

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder het eerste alternatief/cumulatief, te weten het medeplegen van gijzeling van [slachtoffer] , ten laste is gelegd. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
Bij de beoordeling van de ten laste gelegde gijzeling staat voorop dat de dader het oogmerk moet hebben gehad om dan de gegijzelde te dwingen iets te doen of niet te doen. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is geen sprake van gijzeling zoals bedoeld in artikel 282a van het Wetboek van Strafrecht (Sr), indien de wederrechtelijke vrijheidsberoving strekt tot het dwingen van de gegijzelde zelf en niet van een derde om iets te doen of niet te doen. In deze zaak betekent dit dat verdachte en/of zijn medeverdachten het oogmerk moeten hebben gehad [getuige 1] en/of [getuige 2] te dwingen iets te doen, namelijk het betalen van een geldbedrag.

Uit het dossier volgt dat [slachtoffer] op 1 december 2016, terwijl hij in de kantine van de garage zat, meerdere telefoongesprekken heeft gevoerd met de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] . Zij hebben over deze gesprekken verklaard dat [slachtoffer] hun om geld vroeg. [slachtoffer] zou volgens de getuigen tevens hebben gezegd dat hij werd vastgehouden en dat hij geld moest betalen. Tijdens deze telefoongesprekken nam medeverdachte [medeverdachte 3] de telefoon over van [slachtoffer] en bevestigde hij wat [slachtoffer] aan de getuigen had verteld. Dit wijst erop dat [slachtoffer] onder een bepaalde druk heeft gestaan om te betalen en dat [slachtoffer] de getuigen met klem heeft verzocht om te betalen. Verdachte en de andere medeverdachten ( buiten [medeverdachte 3] ) hebben geen contact gehad met deze getuigen over het betalen van een geldbedrag. De enkele bevestiging van [medeverdachte 3] aan de getuigen dat [slachtoffer] moest betalen en dat hij zolang hij niet betaalde werd vastgehouden, is van onvoldoende gewicht om met recht te concluderen dat verdachte en/of zijn medeverdachten het dat wil zeggen een zware vorm van opzet in de vorm van doelbewustheid, hadden juist anderen dan [slachtoffer] - te weten de getuigen [getuige 1] en/of [getuige 2] - te dwingen te betalen/geld te overhandigen.

Nu het oogmerk om [getuige 1] en/of [getuige 2] te dwingen iets te doen ontbreekt, kan de ten laste gelegde gijzeling niet worden bewezen, zodat verdachte van dat onderdeel van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken.

4.3.3.
Bewijsoverweging

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het eerste alternatief/cumulatief (impliciet subsidiair) ten laste gelegde feit, met uitzondering van de strafverzwarende omstandigheid, op grond van de bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.
Het wederrechtelijk van de vrijheid beroofd houden

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting staat naar het oordeel van de rechtbank het volgende vast. Op 1 december 2016 kwam [slachtoffer] tussen 12:21 uur en 12:36 uur binnen bij de garage [garage] in Wormerveer. [medeverdachte 5] heeft [slachtoffer] op de grond geduwd en geduwd tegen een bak met gereedschappen, waardoor [slachtoffer] zichtbaar pijn had. Vervolgens moest [slachtoffer] van [medeverdachte 5] plaatsnemen in de kantine van de garage. Toen [slachtoffer] op een gegeven moment de kantine wilde verlaten schreeuwde [medeverdachte 5] tegen hem: “Blijf zitten”. Op dat moment waren [medeverdachte 5] en zijn garagemedewerkers aanwezig. Van [medeverdachte 5] mochten de garagemedewerkers [slachtoffer] niet naar buiten brengen. Ook werd door [medeverdachte 5] erop gecontroleerd dat [slachtoffer] de kantine niet verliet. Gelet op voornoemde omstandigheden was er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een zodanige situatie dat [slachtoffer] zich niet kon onttrekken aan de situatie, zodat sprake is van het wederrechtelijk van de vrijheid beroven van [slachtoffer] door [medeverdachte 5] .
Uit de bewijsmiddelen blijkt verder dat [medeverdachte 5] omstreeks 12:43 uur telefonisch contact heeft gehad met [medeverdachte 4] . Omstreeks 12:47 uur heeft [medeverdachte 4] zijn vriendin getuige [getuige 6] gebeld, die vervolgens [medeverdachte 6] heeft gebeld. [medeverdachte 6] heeft verklaard dat zij van [getuige 6] had gehoord dat [slachtoffer] in de garage in Wormerveer was. [getuige 6] heeft verklaard dat zij van [medeverdachte 4] had gehoord dat [slachtoffer] in de garage was. Omstreeks 12:48 uur heeft er telefonisch contact plaatsgevonden tussen [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] . Vervolgens kwamen [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] rond 13:00 uur bijna gelijktijdig de garage binnen.

Vanaf ongeveer 12:00 uur hebben er meerdere telefonisch contacten plaatsgevonden tussen verdachte en [medeverdachte 1] . Vanaf 12:38 uur verplaatsten de telefoonnummers van verdachte en [medeverdachte 1] zich gelijktijdig van Almere naar de omgeving van Amsterdam. De rechtbank gaat ervan uit dat verdachte en [medeverdachte 1] zich op dat moment bij elkaar voegden in de Chrysler van [medeverdachte 1] . Omstreeks 12:40 uur voerde verdachte een Telegram-gesprek met een derde persoon over ‘in actie gaan’. Uit de telecomgegevens in combinatie met dit Telegram-gesprek leidt de rechtbank af dat deze derde persoon vanaf ongeveer 13:00 uur zich bij verdachte en [medeverdachte 1] voegde in Diemen.

Vanaf 13:48 uur tot ongeveer 15:55 uur hebben er meerdere telefonische contacten plaatsgevonden tussen [medeverdachte 4] en verdachte. In de telecomgegevens is te zien dat de telefoon van verdachte zich in die periode verplaatst van Diemen naar Assendelft, in de omgeving van Wormerveer. De rechtbank leidt hieruit af dat verdachte door [medeverdachte 4] ervan op de hoogte is gebracht dat [slachtoffer] in de garage aanwezig was. Omstreeks 15:55 uur arriveerde de Chrysler met verdachte, [medeverdachte 1] en een andere man in de garage. Tientallen seconden daarvoor was er contact tussen de telefoons van [medeverdachte 4] en verdachte. Nadat voor hen de overheaddeur was geopend, reed de Chrysler achteruit de garage in. In de garage heeft verdachte [slachtoffer] geslagen en naar [slachtoffer] geschreeuwd. [slachtoffer] moest van [medeverdachte 5] de Chrysler in stappen; hij werd in de auto gezet. Vervolgens reed de Chrysler met daarin verdachte, [slachtoffer] , [medeverdachte 1] en een ander weg van de garage. Tussen 15:54 uur en 16:38 uur is zichtbaar dat de verbindingen van het telefoonnummer van verdachte en het telefoonnummer van [medeverdachte 1] worden afgewikkeld via een zendmast die dekking geeft aan de locatie van de garage.

Omstreeks 16:35 uur vertrok de Chrysler met verdachte, [medeverdachte 1] , de andere man én [slachtoffer] uit de garage in de richting van Almere. Uit de telecomgegevens volgt dat verdachte na het vertrek bij de garage tot ’s avonds laat meermalen telefonisch contact heeft gehad met [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] . Daarnaast blijkt uit de telecomgegevens in samenhang met andere bewijsmiddelen dat [slachtoffer] na het vertrek bij de garage meermalen telefonisch contact heeft gehad met [getuige 2] om een afspraak te maken bij het station Muziekwijk in Almere voor het verkrijgen van geld. Rond 18:00 uur had [getuige 2] op die plek een ontmoeting met twee mannen, die zeiden dat ze geld kwamen halen. Omdat [getuige 2] geen geld gaf, zijn de mannen weer weggegaan. Ook had [slachtoffer] na het vertrek uit de garage telefonisch contact met [getuige 1] . [getuige 1] heeft verklaard dat [slachtoffer] niet wist waar hij was of waar hij naartoe ging. [medeverdachte 3] heeft tegen [getuige 1] gezegd dat [slachtoffer] door drie mannen was meegenomen.

Vervolgens zijn verdachte, [medeverdachte 1] , de andere man en [slachtoffer] in de Chrysler naar het strand aan de Strandweg in Almere Haven gegaan. Aldaar zijn [slachtoffer] en verdachte uit de Chrysler gestapt en heeft verdachte een vuurwapen aan [slachtoffer] getoond en daarmee op hem gewezen, opdat hij niet zou vluchten. [slachtoffer] is op een gegeven moment toch weggerend.

Uit al deze omstandigheden leidt de rechtbank af dat [slachtoffer] onder zodanige druk heeft gestaan dat hij zich niet vrij voelde om zich aan de situatie in de garage en daarna in de auto te onttrekken. [slachtoffer] werd in beide situaties geconfronteerd met een getalsmatige en fysieke overmacht. Hij moest plaatsnemen in de Chrysler, waar hij op de achterbank moest zitten naast verdachte. Vervolgens zijn verdachte, [medeverdachte 1] en de andere man met [slachtoffer] naar Almere gereden, waar aan [slachtoffer] tweemaal een vuurwapen is getoond en met dat wapen op [slachtoffer] is gewezen. De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat [slachtoffer] door verdachte en zijn medeverdachten wederrechtelijk van zijn vrijheid beroofd is gehouden.

Medeplegen door verdachte

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van medeplegen sprake moet zijn geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten. Het accent ligt daarbij op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handeling heeft verricht. In beginsel is sprake van medeplegen indien de intellectuele en/of materiële bijdrage van verdachte van voldoende gewicht is. Daarbij kan mede in aanmerking worden genomen de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict, en het belang van de rol van verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.
De rechtbank is – gelet op het feitelijke verloop zoals hiervoor onder het kopje ‘het wederrechtelijk van de vrijheid beroofd houden’ weergegeven – van oordeel dat de handelingen die verdachte heeft verricht, gericht zijn geweest op een samenwerking met zijn medeverdachten bij het van de vrijheid beroofd houden van [slachtoffer] . Verdachte heeft een wezenlijke bijdrage geleverd aan het wederrechtelijk van de vrijheid beroofd houden van [slachtoffer] door het vormen, samen met zijn medeverdachten, van een getalsmatige overmacht in de garage en vervolgens een getalsmatige en fysieke overmacht in de Chrysler. Voorts heeft verdachte met medeverdachten telefoongesprekken gevoerd over de aanwezigheid van [slachtoffer] in de garage en heeft verdachte [slachtoffer] in de garage geslagen. Derhalve is sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten bij het wederrechtelijk van zijn vrijheid beroofd houden van [slachtoffer] .

4.4.
Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het eerste alternatief/cumulatief (impliciet subsidiair) ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat
hij op 1 december 2016 te Wormerveer, gemeente Zaanstad, en/of Almere ,

tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid beroofd heeft gehouden,

immers hebben hij, verdachte, en/of zijn mededaders,

te Wormerveer

te Almere

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

- contact onderhouden met een of meer medeverdachte(n) en/of - die [slachtoffer] geslagen en/of naar die [slachtoffer] geschreeuwd en/of - die [slachtoffer] naar een voertuig welke garage [garage] was binnengereden begeleid en/of vervolgens die [slachtoffer] in genoemd voertuig doen plaatsnemen en
- die [slachtoffer] verplaatst naar Almere en/of- die [slachtoffer] bedreigd en/of- contact onderhouden met medeverdachten en/of - contact onderhouden met [getuige 2] ten behoeve van het betalen en/of overhandigen van een geldbedrag en/of- op/nabij NS station Almere Muziekwijk afgesproken met [getuige 2] voor het verkrijgen van geld en/of- die [slachtoffer] vervoerd naar een strandje aan de Strandweg en/of aldaar die [slachtoffer] uit het voertuig laten stappen en/of een vuurwapen aan die [slachtoffer] getoond. De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.
5

Het bewezenverklaarde levert op:
het medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroofd houden.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

6

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.
overwegingen

7

7.1.
Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren en zes maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
7.2.
Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd.
7.3.
Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen. Op 1 december 2016 werd [slachtoffer] in een garage in Wormerveer van zijn vrijheid beroofd gehouden. In de namiddag kwam verdachte met medeverdachte [medeverdachte 1] en een andere man in de garage. Verdachte heeft [slachtoffer] geslagen en hij heeft tegen hem geschreeuwd. Vervolgens hebben verdachte, medeverdachte [medeverdachte 1] en de andere man [slachtoffer] tegen zijn wil meegenomen in de Chrysler en zijn zij uiteindelijk naar het strand in Almere Haven gereden, waar verdachte aan [slachtoffer] ten tweede male een vuurwapen heeft getoond en met dat wapen op hem heeft gewezen. Al die tijd werd [slachtoffer] van zijn vrijheid beroofd gehouden. De wederrechtelijke vrijheidsberoving door verdachte en zijn medeverdachten heeft meerdere uren geduurd. Met zijn handelen heeft verdachte [slachtoffer] pijn gedaan en angst aangejaagd. De rechtbank rekent het verdachte en zijn medeverdachten aan dat zij geen respect hebben getoond voor de persoonlijke vrijheid en de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] . Kennelijk hebben verdachte en zijn medeverdachten gemeend [slachtoffer] op die intimiderende wijze te kunnen bewegen geld aan verdachte af te dragen. Een dergelijke vorm van eigenrichting kan niet worden getolereerd.
De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van het bewezenverklaarde de oplegging van een vrijheidsbenemende straf rechtvaardigt.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank gelet op het op naam van verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 5 juli 2019, waaruit blijkt dat verdachte reeds eerder is veroordeeld, maar niet voor een soortgelijk feit. In 2018 is verdachte veroordeeld en is aan hem een strafbeschikking opgelegd wegens het overtreden van de Wegenverkeerswet. Nu het in deze zaak bewezen verklaarde feit is gepleegd vóór deze veroordelingen, zal de rechtbank bij het bepalen van de strafmaat rekening houden met het bepaalde in artikel 63 Sr.

De rechtbank houdt voorts rekening met het feit dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in dit geval is overschreden. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling van een zaak ter terechtzitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de verdachte en zijn advocaat op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld (vgl. ECLI:NL:HR:2008:BD2578). Gelet op de tijd die is verstreken tussen de aanvang van de redelijke termijn op 22 december 2016 toen verdachte in verzekering werd gesteld en het eindvonnis van deze rechtbank op 12 september 2019 is bedoelde termijn met ongeveer negen maanden overschreden. De rechtbank is van oordeel dat deze overschrijding niet aan verdachte valt toe te rekenen of dat anderszins is gebleken van bijzondere omstandigheden. De rechtbank zal de geconstateerde overschrijding verdisconteren in de strafmaat in die zin, dat in plaats van een overwogen meer dan 10 % hogere straf, de hierna vermelde straf wordt opgelegd. Daarbij heeft de rechtbank ook in matigende zin meegewogen dat verdachte reeds langere tijd in zijn vrijheid beperkt is geweest door het hem opgelegde elektronisch toezicht (bijna drie maanden) en het reclasseringstoezicht (anderhalf jaar) tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte. Tot slot weegt de rechtbank mee dat het reclasseringstoezicht positief is afgerond.
Nu de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt, zal de op te leggen straf zeer aanzienlijk lager zijn dan de eis van de officier van justitie. Gelet op alle bovenstaande factoren is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden passend en geboden is. Daarnaast zal de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden opleggen met een proeftijd van twee jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd opnieuw schuldig te maken aan een strafbaar feit.

8

De benadeelde partij [moeder slachtoffer] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 300,00, ingediend tegen verdachte wegens materiële schade, bestaande uit kosten voor de rouwdienst van haar zoon [slachtoffer] , die zij als gevolg van de ten laste gelegde feiten zou hebben geleden.
Verdachte zal worden vrijgesproken ter zake van het ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt, te weten van het strafverzwarende deel “de dood ten gevolge hebbend”. Dit maakt dat vergoeding van de kosten van deze rouwdienst, hoe beperkt van omvang deze ook zijn, niet mogelijk is, reeds omdat de benadeelde partij vanwege de partiële vrijspraak op dit punt niet in de vordering kan worden ontvangen.
9

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:artikelen 14a, 14b, 14c, 47, 63 en 282 van het Wetboek van Strafrecht.
beslissing

10

De rechtbank:





Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder het eerste alternatief/cumulatief impliciet primair is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het eerste alternatief/cumulatief, impliciet subsidiair, ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4.4. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 5. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een voor de duur van , met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot , ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte voor het einde van de op 2 (twee) jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart de benadeelde partij [moeder slachtoffer] in de vordering.

Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen doormr. P.H.B. Littooy, voorzitter,mr. N.O.P. Roché en mr. D.D.M. Hazeu, rechters,in tegenwoordigheid van de griffier mr. Z.T. Pronk,en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 12 september 2019.
Bijlage

De bewijsmiddelen

De hierna vermelde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 19 augustus 2019, zakelijk weergegeven inhoudende:

Ik ben met de Chrysler in Wormerveer terechtgekomen, maar ik reed zelf niet. Toen ik bij de garage aankwam, zag ik [medeverdachte 6] buiten staan. Zij heeft mij naar binnen gebracht. Daar zat [slachtoffer] . Het klopt dat ik die dag met mijn eigen telefoon heb gezocht op Google naar de [adres garage] in Wormerveer. In de garage heb ik [slachtoffer] een klap gegeven want ik was woedend. Ik heb aan [slachtoffer] gevraagd wanneer hij me zou betalen want hij had mij opgelicht. Op uw vraag hoe het kan dat ik op ongeveer op hetzelfde moment als [slachtoffer] van Wormerveer naar Almere reed, antwoord ik dat ik in de Chrysler zat. We waren met meerdere mensen. Ik zat achterin. In Almere Haven stond ik met [slachtoffer] buiten . Voordat we naar buiten gingen heb ik nog een pistool voor hem getrokken om te zeggen dat hij geen geintjes moest maken. Het was een echt pistool. Ik wilde mijn geld hebben. Ik wilde dat hij naast mij zou staan. Als hij hem peert, duikt hij altijd onder. Ik heb het pistool voor het eerst laten zien aan [slachtoffer] bij het station in de buurt, na de ontmoeting met [getuige 2] . Ik heb op het strandje het wapen op hem gewezen. Ik stond toen met hem buiten en op een gegeven moment is hij hem gepeerd. Toen hij wegrende, rende hij richting de bosjes.
Het proces-verbaal van bevindingen opgemaakt door [verbalisant 1] d.d. 13 februari 2017 (ZD1, p. 408, 409 en 411), zakelijk weergegeven inhoudende:

Door de politie Eenheid Amsterdam is een Apple iPhone 4 A1332 in beslag genomen onder [verdachte] , geboren [geboortedatum] te [geboorteplaats] . Door verbalisant [verbalisant 2] is deze telefoon onderzocht en uitgelezen. Hieruit blijkt onder andere dat:• Telefoonnummer in telefoon: [telefoonnummer 1 verdachte] .
Donderdag 1 december 2016:

Ik zie dat de gebruiker van de telefoon, via WhatsApp, waar hij staat ingevoerd als ,de volgende berichten uitwisselt met een persoon met het telefoonnummer [telefoonnummer 1] , ingevoerd als ' [naam 5] '.
Om 15:44 uur zie ik dat de gebruiker van de telefoon op Google Maps zoekt naar respectievelijk [straatnaam] en [adres garage] . Ik zie dat de gebruiker direct hierna Google Maps gebruikt.De tweede reis gaat van “ huidige locatie”: [adres 3] Oostzaan, naar de: [adres 2] Assendelft. Daarna gaat de reis naar de [adres garage] in Wormerveer.
Op 8-12-2016 voeren ' [naam 6] ' en ' [bijnaam verdachte] ' een Telegram gesprek.
Datum Tijd (let op UTC) Gebruikers ID Naam Inhoud

8-12-2016 12:01:17 (UTC+0), [nummer 1] ( [bijnaam verdachte] ): [naam 7] is faja van dat filmpje 8-12-2016 12:01:34 (UTC+0), [nummer 2] ( [naam 6] ): Welk filmpje8-12-2016 12:01:37 (UTC+0), [nummer 1] ( [bijnaam verdachte] ): Gelukkig stond ik er niet op 8-12-2016 12:01:44 (UTC+0), [nummer 1] ( [bijnaam verdachte] ): Van [medeverdachte 3]8-12-2016 12:02:10 (UTC+0), [nummer 2] ( [naam 6] ): Jullie waren er ook8-12-2016 12:02:28 (UTC+0), [nummer 1] ( [bijnaam verdachte] ): Ja man wij hebben hem meegenomen 8-12-2016 12:02:40 (UTC+0), [nummer 1] ( [bijnaam verdachte] ): Hij. Moest mij ook lappen8-12-2016 12:03:01 (UTC+0), [nummer 2] ( [naam 6] ): [naam 7] heeft gefilmd
8-12-2016 12:03:40 (UTC+0), [nummer 2] ( [naam 6] ): Heeft hij betaald 8-12-2016 12:03:48 (UTC+0), [nummer 1] ( [bijnaam verdachte] ) : Nee man8-12-2016 12:04:46 (UTC+0) , [nummer 1] ( [bijnaam verdachte] ): Op hem 8-12-2016 12:04:53 (UTC+0), [nummer 2] ( [naam 6] ): 8-12-2016 12:05:21 (UTC+0), [nummer 1] ( [bijnaam verdachte] ): Filmpje fuck up8-12-2016 12:05:24 (UTC+0), [nummer 2] ( [naam 6] ): Hij moest jullie allemaal betalen 8-12-2016 12:05:56 (UTC+0), [nummer 1] ( [bijnaam verdachte] ) : Die chick8-12-2016 12:06:14 (UTC+0), [nummer 1] ( [bijnaam verdachte] ): Heeft alleen 2 kop gehad
Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] d.d. 7 december 2016 (ZD1, p. 80-82), zakelijk weergegeven inhoudende:

Op 1 december 2016 heb ik [slachtoffer] in de ochtend gesproken. Hij zou naar [medeverdachte 5] gaan. [medeverdachte 5] heeft een garage op de [adres garage] in Wormerveer. Rond 13:30 uur die middag werd ik gebeld door [slachtoffer] . Toen hoorde ik hem zeggen: “ [getuige 1] , ze houden me vast”. Ik vroeg: “Hoezo houden ze je vast?” [slachtoffer] zei toen: “Ik zit in de problemen, ik heb wat gedaan en nu houden ze me vast en laten me niet gaan voordat ik betaal”.Ik vroeg: “Wie houdt je vast?” “ [medeverdachte 3] ”. Ik kreeg [medeverdachte 3] aan de lijn. Ik hoorde [medeverdachte 3] zeggen dat [slachtoffer] hem geld moest betalen; hij noemde € 4.500,-. Ik hoorde [medeverdachte 3] zeggen: “Ik hou hem hier vast zolang hij niet betaalt”. Ik zei toen tegen [medeverdachte 3] : “Ik kan je € 2.000,- geven”. [medeverdachte 3] is toen naar Kikkenstein gekomen, maar zonder [slachtoffer] . Toen [medeverdachte 3] bij me was, hoorde ik hem zeggen dat hij moet betalen. Hij zei dat hij hem daar had gelaten. Ik heb toen € 2.000,- gegeven.Rond 16:15/16:30 uur was ik daar, in Wormerveer. Daar aangekomen zag ik [medeverdachte 5] . Ik vroeg waar is [slachtoffer] ? Ik hoorde [medeverdachte 5] zeggen dat hij is meegenomen. Ik heb [slachtoffer] toen gebeld. Ik hoorde hem zeggen dat hij op de snelweg reed. Hij wist niet waar ze heen gingen. Dat wilde ook niemand in de auto tegen hem zeggen.
Het proces-verbaal uitwerking 2e verhoor verdachte [verdachte] d.d. 29 december 2016 (PD-V03, p. 29-30), zakelijk weergegeven inhoudende:

Ik heb (de rechtbank begrijpt:) [slachtoffer] gezien bij die garage. In de garage heb ik hem een klap gegeven. Ik was boos op hem. Hij moest mij ook schulden betalen en hij had me ook iets geflikt met een auto. Ik moest 7.000 euro van hem hebben. Hij heeft mij opgelicht, een auto.
Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] d.d. 9 december 2016 (ZD1, p. 86), zakelijk weergegeven inhoudende:

Opeens dacht ik dat ik niets meer had gehoord van [slachtoffer] . Het was toen ongeveer 15:40 uur. Ik heb toen [slachtoffer] gebeld. [slachtoffer] nam gewoon de telefoon op. Ik hoorde dat [slachtoffer] zei dat hij gewoon nog in de garage was bij [medeverdachte 5] . Ik zei dat hij de telefoon aan [medeverdachte 3] moest geven. Ik kreeg [medeverdachte 3] aan de telefoon. [medeverdachte 3] zei toen dat er nu weer iemand binnen was gekomen die [slachtoffer] nu weer vasthield. Ik ben toen in de auto gestapt en ik ben naar Wormerveer gereden. Daar aangekomen sprak ik met [medeverdachte 5] , de eigenaar van de garage. Ik groette hem en ik sprak met [medeverdachte 3] . Ik vroeg waar [slachtoffer] was. [medeverdachte 3] zei dat ze hem hadden meegenomen. [medeverdachte 3] zei dat ene [verdachte] hem had meegenomen. [medeverdachte 3] zei dat het om een andere schuld zou gaan van tussen € 8.000,- à € 10.000,-. Ik liep toen weg en belde [slachtoffer] op. [slachtoffer] nam op. Ik vroeg waar hij was. [slachtoffer] zei dat hij in een auto zat. Ik vroeg waar hij was. Hij zei op de snelweg. Ik vroeg of ik hem kon ontmoeten. [slachtoffer] kon niet teveel zeggen. De telefoon werd later ook van [slachtoffer] afgepakt.
Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] d.d. 29 december 2016 (ZD1, p. 110), zakelijk weergegeven inhoudende:

Ik heb denk ik rond 15.30 uur nog naar [slachtoffer] gebeld. Ik kreeg [slachtoffer] aan de telefoon en vroeg waar hij was. [slachtoffer] zei dat hij nog steeds daar was en dat ze hem niet lieten gaan. Ik vroeg wie hem niet liet gaan en ik zei dat hij [medeverdachte 3] moest geven. Ik kreeg [medeverdachte 3] aan de telefoon. Ik zei tegen [medeverdachte 3] dat we een afspraak hadden en ik vroeg waarom ze [slachtoffer] nog steeds vasthielden. Toen zei [medeverdachte 3] dat er iemand anders was binnengekomen, met zijn drieën en dat die [slachtoffer] nu vasthielden. Ik ben toen van mijn werk weggegaan en naar de garage in Wormerveer gereden. Toen ik bij de garage in Wormerveer was zag ik [medeverdachte 3] en vroeg aan hem waar [slachtoffer] was. [medeverdachte 3] zei dat ze [slachtoffer] meegenomen hadden. Ik zei toen: Wie heeft hem meegenomen, jij had hem toch. [medeverdachte 3] zei toen dat ene [verdachte] hem had meegenomen en dat ze met zijn drieën waren. Ik heb vervolgens weer het telefoonnummer van [slachtoffer] gebeld. [slachtoffer] nam op en ik vroeg waar hij was en waar hij naar toe ging. Ik hoorde dat hij in een auto zat. [slachtoffer] zei dat hij dat niet wist.
Het proces-verbaal van bevindingen opgemaakt door [verbalisant 3] d.d. 2 januari 2017 met bijlage “Transcriptie verhoor verdachte [medeverdachte 3] 13 december 2016” (PD V02, p. 53, 63, 65-66), zakelijk weergegeven inhoudende:

Opeens zag ik een jongen die ik ken, [verdachte] , en twee jongens binnen komen in de garage. Die twee jongens en die [verdachte] gingen met die jongen praten. Ze zijn aan het discussiëren dat hij moet betalen.
Het proces-verbaal van bevindingen opgemaakt door [verbalisant 3] d.d. 10 januari 2017 met bijlage “Transcriptie verhoor verdachte [medeverdachte 3] 14 december 2016” (PD V02, p. 154-155), zakelijk weergegeven inhoudende:

Toen [verdachte] en die jongens in Wormerveer verschenen, was er een beetje boosheid. Ze wilden hun geld. U vraagt mij hoe dat ging. Op die jongen in praten: “Waar is mijn geld!” Beetje schreeuwen. [verdachte] zei: “Ik wil mijn geld”. Dat heb ik gehoord. Ze stonden eigenlijk naast hem, voor hem, met hem te praten.
Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 3] rechtmatigheid inverzekeringstelling en vordering tot inbewaringstelling door de rechter-commissaris 19 december 2016 (los stuk), zakelijk weergegeven inhoudende:

Het proces-verbaal van bevindingen opgemaakt door [verbalisant 3] d.d. 2 januari 2017 met bijlage “Transcriptie verhoor verdachte [medeverdachte 6] 13 december 2016” (PD V04, p. 48-49), zakelijk weergegeven inhoudende:

Volgens mij gaf [verdachte] hem een klap. Ik heb hem ook drie klappen gegeven.
Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] d.d. 22 maart 2017 (ZD1, p. 129- 130), zakelijk weergegeven inhoudende:

Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] d.d. 1 februari 2017 (ZD1, p. 157), zakelijk weergegeven inhoudende:

Toen werd [slachtoffer] naar binnen gezet. In dat hokje, de kantine beneden. [medeverdachte 5] had hem naar binnen gestuurd en hij mocht niet weg. Hij probeerde ook weg te lopen en hij had ook pijn aan zijn arm, want hij viel op zijn arm en toen werd hij geduwd. Hij wilde opstaan en toen werd er geschreeuwd. Hij viel op de grond. Hij werd door [getuige 3] geholpen om op te staan en toen werd hij de kantine in gestuurd door [medeverdachte 5] . Hij werd aan zijn vest/jas vastgehouden en toen werd hij naar binnen gesleurd.Toen [slachtoffer] opeens opstond, hoorde ik [medeverdachte 5] naar het schreeuwen. Hij moest blijven zitten. [medeverdachte 5] schreeuwde dat. Dat heb ik gehoord. Ik was met [getuige 3] bij een auto aan het kijken en toen zag ik dat er een auto naar binnen reed. Het was een grijze Chrysler. Hij kwam achteruit binnen rijden. [slachtoffer] moest in de auto stappen. Het was niet echt dat hij werd gestuurd maar hij moest wel in de auto zitten. [medeverdachte 5] stond achter hem en die zette hem gewoon een beetje in de auto neer, hij moest in de auto stappen. Hij stapte rechtsachter in met een schuifdeur. [slachtoffer] was in shock. Er zaten twee mensen voorin. Toen de auto aan kwam rijden werd de deur open gedaan zodat hij naar binnen kon rijden. De deur is daarna meteen weer dicht gedaan met een knop aan de zijkant. De deur werd weer open gedaan en de auto is weg gereden met [slachtoffer] en de twee personen voorin.
Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] door de rechter-commissaris d.d. 5 februari 2018 (losse aanvullende stukken), zakelijk weergegeven inhoudende:Op aanvullende vragen van mr. Kleczweski:
Op een aanvullende vraag van de rechter-commissaris.

Ik heb gezien dat [slachtoffer] een beetje agressief in de Chrysler werd geduwd. Mr. de Vries vraagt wat ik daarmee bedoel. Dat hij geduwd werd, een beetje hardhandig.
Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 7] d.d. 23 juni 2017 (ZD1, p. 285-287), zakelijk weergegeven inhoudende:

Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 7] door de rechter-commissaris d.d. 6 februari 2018 (losse aanvullende stukken), zakelijk weergegeven inhoudende:

Over dat nummer eindigend op [telefoonnummer medeverdachte 1] : als ik dat nummer toen aan de politie heb gegeven dan zal dat kloppen. Mr. Mühren vraagt of ik mij telefonische contacten van 1 december 2016 kan herinneren tussen mijn nummer en het nummer eindigend op [telefoonnummer medeverdachte 1] . Ik