Uitspraak ECLI:NL:RBNHO:2019:6010

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 10-07-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Noord-Holland op 09-07-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBNHO:2019:6010, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 15/007347-19


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf
Locatie AlkmaarMeervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/007347-19 (P)Uitspraakdatum: 9 juli 2019Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 25 juni 2019 in de zaak tegen:

[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] .
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitiemr. R.P. Peters en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. M. Berbee, advocaat te Den Helder, naar voren hebben gebracht.

ECLI:NL:RBNHO:2019:6010:DOC
nl

RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf
Locatie AlkmaarMeervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/007347-19 (P)Uitspraakdatum: 9 juli 2019Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 25 juni 2019 in de zaak tegen:

[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] .
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitiemr. R.P. Peters en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. M. Berbee, advocaat te Den Helder, naar voren hebben gebracht.
1

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
Feit 1:

hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 04 december 2000 tot en met 03 december 2004 te Den Helder, in elk geval in Nederland, (telkens) met [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] ), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, (telkens) buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte (telkens):- zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer] gebracht en/of gemeenschap gehad met die [slachtoffer] en/of- zijn, verdachtes, penis in de mond van die [slachtoffer] gebracht en/of die [slachtoffer] hem laten pijpen;
Feit 2:

2

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak.
De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De rechtbank is – met de officier van justitie en de raadsman – van oordeel dat het onder 2 ten laste gelegde feit is verjaard. Het openbaar ministerie wordt dan ook niet-ontvankelijk verklaard in zijn vervolging van het onder 2 ten laste gelegde feit.
De rechtbank stelt vast dat het openbaar ministerie voor het overige ontvankelijk is in zijn vordering en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3

3.1.
Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde feit, met dien verstande dat verdachte dient te worden vrijgesproken voor de periode van 4 december 2000 tot 1 maart 2001.De officier van justitie heeft – kort samengevat – het volgende naar voren gebracht.De verklaring van aangeefster, die consistent en voldoende gedetailleerd is, wordt door meerdere bewijsmiddelen ondersteund. Zo zijn op gegevensdragers van verdachte foto’s van aangeefster aangetroffen en heeft aangeefster haar moeder en vriendin [naam] over het misbruik verteld. Laatstgenoemde kan zich blijkens haar getuigenverklaring herinneren dat zij aangeefster in de buurt van de woning van verdachte heeft afgezet. Daarnaast zijn in de aangifte verschillende details aan te wijzen die kloppen met de werkelijkheid, zoals het soort ondergoed dat verdachte droeg en de omschrijving van zijn bed. Bovendien heeft verdachte het ten laste gelegde grotendeels bekend.
3.2.
Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen met uitzondering van dat deel van de tenlastelegging dat betrekking heeft op het hebben van gemeenschap met aangeefster, aangezien dit door verdachte wordt ontkend. Daarnaast kan naar het oordeel van de raadsman op basis van de stukken in het dossier niet tot een bewezenverklaring van de gehele ten laste gelegde periode worden gekomen.
3.3.
Oordeel van de rechtbank

3.3.1.
Bewijsmiddelen

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen in de bijlage bij dit vonnis vervat.
3.3.2.
Bewijsmotivering

De rechtbank stelt voorop dat zedenzaken zich doorgaans kenmerken door het feit dat in de regel slechts twee personen aanwezig zijn bij de veronderstelde seksuele handelingen: het veronderstelde slachtoffer en de veronderstelde dader. Wanneer dan zoals in dit geval de veronderstelde dader, te weten verdachte, het hebben van gemeenschap alsmede de frequentie en intensiteit van de seksuele handelingen ontkent, leidt dat ertoe dat op die punten alleen de verklaring van het veronderstelde slachtoffer, als wettig bewijs beschikbaar is. Op grond van het bepaalde in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is echter de enkele verklaring van het veronderstelde slachtoffer onvoldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Hier staat echter tegenover dat in zedenzaken een geringe mate van steunbewijs in combinatie met de verklaringen van het veronderstelde slachtoffer reeds voldoende wettig bewijs van het ten laste gelegde kan opleveren.
In deze zaak doet zich het volgende voor.Aangeefster heeft in haar verklaringen consistent, eenduidig en zeer gedetailleerd verklaard over de aan verdachte verweten ontuchtige handelingen. Zij heeft verklaard dat zij vanaf haar 12e tot en met haar 21e jaar ongeveer wekelijks in de woning bij verdachte seksueel is misbruikt. Dit seksueel misbruik omvatte mede, doch niet altijd, seksueel binnendringen. Verdachte heeft zijn penis in de vagina van aangeefster gebracht en heeft aangeefster hem laten pijpen. Verdachte heeft verklaard dat hij een enkele keer seksueel contact met aangeefster heeft gehad. Hij erkent dat hij zijn penis in de mond en (deels) in de vagina van aangeefster heeft gebracht. Ter zitting heeft verdachte verklaard dat de seksuele contacten met aangeefster slechts tot een aantal keren beperkt zijn gebleven. Hoewel het dossier geen bewijsmiddel afkomstig uit een van aangeefster onafhankelijke bron bevat dat de ontuchtige handelingen op de door aangeefster aangegeven wijze hebben plaatsgevonden, biedt het dossier wel verklaringen die de door aangeefster afgelegde verklaringen en haar weergave van de gebeurtenissen - op onderdelen - ondersteunen.
Allereerst heeft verdachte erkend dat hij ontuchtige handelingen bij aangeefster heeft gepleegd. Hoewel verdachte erkent dat er sprake is geweest van seksueel binnendringen, ontkent hij enkel dat hij gemeenschap met aangeefster heeft gehad.In de tweede plaats wordt de aangifte ondersteund door de seksueel getinte foto's van aangeefster die op gegevensdragers bij verdachte zijn aangetroffen. Verdachte heeft erkend dat hij die foto's heeft gemaakt.Tot slot vindt de rechtbank steunbewijs in de bevindingen uit het onderzoek die overeenkomen met de door aangeefster verklaarde details. De rechtbank wijst op de door aangeefster gegeven omschrijving van het bed van verdachte en diens ondergoed, en op de fles massageolie met kaneelgeur die tijdens een doorzoeking in de slaapkamer van verdachte is aangetroffen. Over die specifieke fles en die olie heeft aangeefster herhaaldelijk verklaard.
Naast deze steunverklaringen betrekt de rechtbank in haar beoordeling nog het volgende. Aangeefster heeft meerdere verklaringen afgelegd die elk op zich zeer gedetailleerd zijn en onderling consistent en eenduidig. Zij heeft tevens verklaard waarom het haar geruime tijd heeft gekost om tot een aangifte te komen. Verdachte daarentegen heeft wisselend en op onderdelen tegenstrijdig verklaard. Zo heeft hij in zijn eerste verklaring alle betrokkenheid bij het seksueel misbruik ontkend. Bij gelegenheid van latere verhoren heeft verdachte een deels bekennende verklaring afgelegd en ter terechtzitting heeft verdachte verklaard zich thans veel niet meer te kunnen herinneren. Verdachte heeft eerst ter zitting naar voren gebracht dat dit geheugenverlies komt door een medische oorzaak. De rechtbank stelt vast dat een medische onderbouwing hiervan ontbreekt. Bezien in het licht van al het vorenstaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de verklaringen van aangeefster betrouwbaar zijn en dat daaraan meer waarde gehecht moet worden dan aan de verklaringen van verdachte. De rechtbank volgt de verklaringen van aangeefster dan ook geheel over de door haar weergegeven gebeurtenissen. Ten aanzien van het moment waarop het seksueel misbruik is begonnen, volgt de rechtbank eveneens aangeefster in haar verklaring. Daarom is de rechtbank, met de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat het misbruik in ieder geval in de periode van 1 maart 2001 en 3 december 2004 heeft plaatsgevonden.
Uit de bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is overwogen, komt naar voren dat verdachte gedurende een periode van ruim drieënhalf jaar aangeefster seksueel heeft misbruikt. Gelet op de consistente verklaringen van aangeefster die op essentiële onderdelen door verdachte zijn erkend en tevens overeenkomen met overige bevindingen uit het onderzoek, is de rechtbank van oordeel dat de door aangeefster afgelegde verklaringen voldoende steun vinden in het overige gebezigde bewijsmateriaal.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit in voornoemde pleegperiode heeft begaan.

3.4.
Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:
hij in de periode van 01 maart 2001 tot en met 03 december 2004 te Den Helder telkens met [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] ), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, telkens buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte telkens:- zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer] gebracht en/of gemeenschap gehad met die [slachtoffer] en- zijn, verdachtes, penis in de mond van die [slachtoffer] gebracht en/of die [slachtoffer] hem laten pijpen.

Hetgeen aan verdachte onder 1 meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4

Het bewezenverklaarde levert op:
Met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.
overwegingen

6

6.1.
Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft de officier van justitie acht geslagen op de richtlijnen van het Openbaar Ministerie.
6.2.
Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht verdachte te veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 240 uur in combinatie met een (grotendeels) voorwaardelijke gevangenisstraf. Ter onderbouwing van dat standpunt heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte ten gevolge van de onderhavige strafzaak zijn baan is kwijtgeraakt en hij in een isolement is terechtgekomen. Verder heeft de raadsman verzocht rekening te houden met het aanzienlijke tijdsverloop, aangezien het ten laste gelegde dateert uit de periode 2001 tot en met 2004.Ten slotte heeft de raadsman aangevoerd dat gevaar voor herhaling niet aanwezig is.
6.3.
Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.De rechtbank heeft vastgesteld dat verdachte zich gedurende een periode van bijna vier jaar lang een - in het begin van die periode - twaalfjarig, zeer kwetsbaar meisje veelvuldig seksueel heeft misbruikt. Kwetsbaar vanwege de zeer jonge leeftijd van het slachtoffer en door het (destijds) recentelijk overlijden van haar zusje en het daarmee gepaard gaande verdriet binnen het gezin. Verdachte was op de hoogte van die kwetsbaarheid en hij heeft hiervan op zeer grove wijze misbruik gemaakt. Verdachte heeft het slachtoffer wekelijks naar zijn huis laten komen om vervolgens vergaande seksuele handelingen bij en met haar te verrichten. Als het slachtoffer niet wilde langskomen dreigde hij met zelfmoord of het verspreiden van naaktfoto’s van het slachtoffer. Verdachte heeft zijn eigen lustgevoelens laten prevaleren en daarmee de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer ernstig geschonden. Juist verdachte die ten tijde van het misbruik de functie van stadswacht bekleedde, en daarmee tot taak had de veiligheid van de gemeente te waarborgen, behoort te weten dat hij met zijn handelen de grenzen van het slachtoffer en die van de wet buitengewoon ver heeft overschreden. De ervaring leert dat dergelijk seksueel grensoverschrijdend gedrag ernstige schadelijke effecten kan hebben op de ontwikkeling van slachtoffers. Het is de rechtbank gebleken dat dit helaas ook geldt voor het thans volwassen slachtoffer. Ter terechtzitting heeft zij op indringende wijze verklaard over de ernstige fysieke en psychische gevolgen die het misbruik bij haar teweeg heeft gebracht, gevolgen waar zij mogelijk de rest van haar leven mee te kampen heeft. Zo lijdt zij aan PPEA (Psychogene Pseudo-epileptische Aanvallen), is zij op haar 19e levensjaar volledig arbeidsongeschikt verklaard en is haar vertrouwen in de mens dusdanig beschaamd dat zij haar kinderwens heeft laten varen.
Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet ophet op naam van verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 16 mei 2019, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder ter zake van strafbare feiten onherroepelijk is veroordeeld.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het over verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapportage, gedateerd 19 februari 2019, opgemaakt door J.P. Wouda, werkzaam bij Reclassering Nederland. Dit rapport houdt – kort samengevat – onder meer in dat betrokkene in beperkte mate aan het onderzoek heeft willen meewerken. Het recidiverisico op het gebied van zeden wordt ingeschat als laag. De eventuele aanwezigheid van risico- en/of beschermende factoren voor delictgedrag zijn niet uit het onderzoek naar voren gekomen, mede vanwege de weigering van verdachte om referenten te mogen raadplegen. Betrokkene staat, los van de mogelijke noodzaak daartoe, niet open voor behandeling en/of interventies.Geadviseerd wordt aan verdachte een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen.
Gelet op het voorgaande en de ernst van het feit is de rechtbank van oordeel dat een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats is. De onvoorwaardelijke gevangenisstraf die de rechtbank oplegt is hoger dan de straf die de officier van justitie heeft geëist, omdat de rechtbank van oordeel is dat die eis onvoldoende recht doet aan de aard en ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, te weten jarenlang en met hoge frequentie seksueel misbruik, alsmede de ernst van de seksuele handelingen die verdachte heeft verricht en laten verrichten. In hetgeen de raadsman heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding de hiervoor bedoelde straf te matigen. Daarbij merkt de rechtbank op dat het lange tijdsverloop tussen de pleegperiode en de uiteindelijke aangifte waarop de raadsman in zijn pleidooi heeft gewezen geen omstandigheid is die bij het bepalen van de straf in het voordeel van verdachte zou moeten worden meegewogen.

7

Onttrekking aan het verkeer

De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten een camera, harde schijf en tablet/computer, dienen te worden onttrokken aan het verkeer. Die voorwerpen behoren aan verdachte toe en zijn aangetroffen bij gelegenheid van het onderzoek naar het door hem begane feit. Nu zich op voornoemde voorwerpen materiaal bevindt waarop aangeefster in ondergoed is te zien, is de rechtbank van oordeel dat het ongecontroleerde bezit van voormelde in beslag genomen voorwerpen in strijd met het algemeen belang te achten is.
8

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 20.000,- ingediend tegen verdachte wegens immateriële schade die zij als gevolg van het ten laste gelegde zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. Ter terechtzitting heeft mr. A. Koopsen als raadsvrouw van de benadeelde partij de vordering mondeling toegelicht en onder meer gesteld dat verdachte ingevolge artikel 6:99 van het Burgerlijk Wetboek volledig aansprakelijk kan worden gehouden voor alle door het slachtoffer geleden schade. Daaraan doet niet af de voorgeschiedenis van het slachtoffer, waaruit blijkt dat zij, afgezien van het jarenlange seksueel misbruik door verdachte, nog meer ellende heeft meegemaakt.
Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen tot een bedrag van € 10.000,- met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige dient de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht de vordering te matigen tot een bedrag van € 5.000,- met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Daartoe heeft de raadsman gewezen op de Smartengeldgids en de bedragen die doorgaans in vergelijkbare zaken door het Schadefonds worden uitgekeerd. De raadsman heeft voorts opgemerkt dat niet kan worden vastgesteld dat alle gevolgen die in de toelichting op de vordering worden genoemd, als gevolgen van het onder 1 ten laste gelegde kunnen worden aangemerkt, nu uit het dossier blijkt dat zich in het leven van het slachtoffer verschillende, andere traumatische ervaringen hebben voorgedaan.
Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat vast staat dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks schade heeft geleden. Daarbij komt de rechtbank vergoeding van de immateriële schade billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting. De rechtbank ziet, mede in aanmerking gekomen de ernst van het feit en de lichamelijke en geestelijke gevolgen voor het slachtoffer zoals bij de strafmotivering reeds is gebleken, geen aanleiding om het gevorderde schadebedrag te matigen. De vordering zal dan ook in zijn geheel worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 3 december 2004 tot aan de dag der algehele vergoeding.
Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder 1 bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: ontucht met een persoon tussen de 12 en 16 jaar, meermalen gepleegd] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.
9

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:artikelen 36b, 36d, 36f, 57 en 245 van het Wetboek van Strafrecht.
beslissing

10

De rechtbank:

Verklaart het openbaar ministerie ter zake van het onder 2 ten laste gelegde feit niet-ontvankelijk in zijn vervolging.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het onder 1 bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van bestaande uit immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 3 december 2004 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van , bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Onttrekt aan het verkeer:

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen doormr. D.D.M. Hazeu, voorzitter,mr. H.H.E. Boomgaart en mr. G.D. Kleijne, rechters,in tegenwoordigheid van de griffier mr. L. Bähr,en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 9 juli 2019.
-

Camera (A4.01.004);

Harde schijf (A3.01.002);

Tablet/computer (A4.01.009).