Uitspraak ECLI:NL:RBNHO:2019:4834

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 05-06-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Noord-Holland op 06-06-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBNHO:2019:4834, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 15/242811-18


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf
Locatie AlkmaarMeervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/242811-18 (P)Uitspraakdatum: 6 juni 2019
Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 23 mei 2019 in de zaak tegen:

[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] ,
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitiemr. A.M.H.G. Peters en van hetgeen verdachte en zijn raadsvrouw, mr. N. El Farougui, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

ECLI:NL:RBNHO:2019:4834:DOC
nl

RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf
Locatie AlkmaarMeervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/242811-18 (P)Uitspraakdatum: 6 juni 2019
Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 23 mei 2019 in de zaak tegen:

[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] ,
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitiemr. A.M.H.G. Peters en van hetgeen verdachte en zijn raadsvrouw, mr. N. El Farougui, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.
1

- " Ik kan [slachtoffer 1] wel vermoorden" en/of- " Mochten jullie mij hierin belemmeren zeg ik het alvast ik sloop iedereen die op mij pad komt";
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Feit 1

hij (op een of meerdere tijdstip(pen)) in of omstreeks de periode van 26 november 2018 tot en met 27 november 2018 te Alkmaar, althans in Nederland, [slachtoffer 1] en/of medewerkers van het Jan Arentsz (via een of meerdere e-mails) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door (naar het algemene e-mail adres van het "Jan Arentsz") de volgende teksten en/of berichten te sturen
Feit 2

hij (op een of meerdere tijdstip(pen)) in of omstreeks de periode van 27 november 2018 tot en met 28 november 2018 te Alkmaar een wapen van categorie II, onder 5 van de Wet wapens en munitie, te weten een stroomstootwapen, zijnde een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos konden worden gemaakt of pijn kon worden toegebracht voorhanden heeft gehad;
Feit 3

hij (op een of meerdere tijdstip(pen)) in of omstreeks de periode van 4 oktober 2018 tot en met 7 oktober 2018 te Hengelo, gemeente Hengelo (O), althans in Nederland [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door een of meerdere voicemailbericht(en) op de telefoon van die [slachtoffer 2] in te spreken, bevattende de tekst(en):"ik kan jou wel vermoorden" en/of"ik sloop jou" en/of"ik ga jou fucking hard slopen" althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking.
2

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

overwegingen

3

3.1.
Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het onder 3 ten laste gelegde feit en tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten.

3.2.
Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft de rechtbank ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde primair verzocht verdachte vrij te spreken en heeft hiertoe het volgende aangevoerd. Uit het procesdossier blijkt niet dat e-mailberichten met de ten laste gelegde teksten van verdachte afkomstig zijn. Daarnaast kan de verklaring van verdachte afgelegd tijdens de inverzekeringstelling niet aan het bewijs bijdragen, omdat uit het procesdossier blijkt dat verdachte op dat moment op de hoogte was van de verdenking en erg in de war was. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht verdachte vrij te spreken ten aanzien van het eerste gedachtestreepje, omdat deze zinsnede slechts een emotionele uitdrukking is en geen strafrechtelijke bedreiging.
Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat het in de woning van verdachte aangetroffen stroomstootwapen, niet mag bijdragen aan het bewijs omdat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). Volgens de raadsvrouw was de doorzoeking onrechtmatig, omdat een machtiging van de rechter-commissaris daartoe ontbreekt. Voorts is niet gebleken van toestemming van de officier van justitie tot doorzoeking. De verbalisanten mochten, nu zij alleen een machtiging tot binnentreden ter aanhouding van verdachte hadden, uitsluitend zoekend rondkijken. Het onrechtmatige handelen van de politie levert daarmee niet alleen een inbreuk op artikel 8 EVRM op, maar ook een inbreuk op het vertrouwen dat de burger in zijn algemeenheid, en dus ook de verdachte, moet kunnen hebben in het handelen van de politie in een rechtsstaat. Ook die omstandigheid levert voor verdachte nadeel op. De enig passende sanctie op het vormverzuim is dan ook dat het onrechtmatig verkregen bewijs dient te worden uitgesloten, aldus de raadsvrouw van verdachte.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde feit heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit, wegens het ontbreken van voldoende wettig bewijs.

3.3.
Oordeel van de rechtbank

3.3.1.
Vrijspraak feit 3

Naar het oordeel van de rechtbank biedt het dossier onvoldoende wettig bewijs voor hetgeen verdachte onder 3 ten laste is gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.
De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Volgens het tweede lid van artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering kan het bewijs dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan niet uitsluiteind worden gebaseerd op de verklaring van één getuige, ook niet in het geval de rechtbank geen reden heeft om aan de betrouwbaarheid van die getuige te twijfelen. Om tot een bewezenverklaring te komen dient de verklaring van aangever voldoende steun te vinden in ander bewijsmateriaal. Voor die andere bronnen geldt dat die niet allemaal terug te voeren mogen zijn tot dezelfde bron, in de regel (de verklaring van) aangever.

Blijkens het procesdossier bestaat het bewijs voor dit feit uit de aangifte van [slachtoffer 2] , voorzien van een door (dezelfde) aangever opgesteld geschrift inhoudende de transcripties van de voicemailberichten met teksten zoals ten laste gelegd. Daarnaast is er een rapport van het Centraal Informatiepunt Onderzoek Telecommunicatie (hierna: CIOT), waaruit volgt dat het telefoonnummer genoemd door aangever op naam staat van verdachte. De rechtbank is van oordeel dat, nu de transcripties van de voicemailberichten zijn opgemaakt door aangever zelf, dat geschrift op zichzelf niet kan dienen als steunbewijs, omdat het afkomstig is uit dezelfde bron, namelijk aangever. Ten aanzien van het rapport van het CIOT is de rechtbank van oordeel dat dit evenmin als direct steunbewijs tot het ten laste gelegde kan dienen, omdat niet objectief is vastgesteld dat met het in de aangifte genoemde telefoonnummer (in de ten laste gelegde periode) naar aangever is gebeld, laat staan dat het verdachte is geweest die met dat nummer heeft gebeld.

3.3.2.
Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.

3.3.3.
Nadere bewijsoverwegingen feit 1 en 2

Ten aanzien van feit 1

Blijkens het proces-verbaal van aangifte (pagina’s 47-51) staan in het eerste e-mailbericht van 26 november 2018 aan de Jan Arentsz school onder andere de volgende teksten: “hallo, ik ben een oud leerling van jullie”, “waar ik het meest mee zit is dat ik een explosie heb meegemaakt door een leraar op kamp waarbij ik een medeleerling heb moeten blussen met zand en mijn handen” en “ik eis 20.000 euro van jullie op rekeningnummer: [rekeningnummer] ten name van [naam] ”. Dit e-mailbericht is afgesloten met “met vriendelijke groet, [naam] ”. De daarop volgende in de aangifte opgenomen e‑mailberichten, met de bedreigende ten laste gelegde woorden, zijn steeds afkomstig van hetzelfde e-mailadres met naam “ [naam] ” en de e-mailberichten zijn steeds afgesloten met “ [naam] ”, “ [naam] ” of “ [naam] ”. De rechtbank stelt vast dat deze namen steeds deels overeenkomen met de naam van verdachte. Uit het proces-verbaal van bevindingen van 29 november 2018 (pagina’s 15-17) volgt dat de heer [slachtoffer 1] en [aangever] hebben verklaard dat verdachte een oud-leerling is van de Jan Arentsz school en dat hij aanwezig is geweest bij een brand op het strand van Castricum tijdens een kampuitje. Ook in die zin past de inhoud van voornoemde e‑mailberichten derhalve bij de persoon van verdachte. Daar komt nog bij dat in het e‑mailbericht dat op 27 november 2018 aan [aangever] is verzonden, de volgende tekst is opgenomen: “Ik heb een wijkagentje bij me deur gehad ik heb hem maar even goed duidelijk gemaakt. Je mag het leger de ME speciale interventie teams enz naar me huis sturen ik ben niet bang en ga nooit stoppen met deze strijd het maakt het alleen maar erger. Had die kloteviool maar geen wasbenzine moeten gooien op het vuur”. Uit voornoemd proces-verbaal van bevindingen blijkt dat op 27 november 2018 een wijkagent bij het huis van verdachte langs is geweest en daar heeft gesproken met een man die op het balkon van dit huis stond. Gesteld noch gebleken is dat er iemand anders dan verdachte in deze woning verbleef, zodat het er voor moet worden gehouden dat de man op het balkon, waar de verbalisant mee heeft gesproken, verdachte betrof.
Verdachte heeft bij de inverzekeringstelling verklaard: “Hoezo bedreiging? Ik wil mijn geld. De school moet betalen, dat is wat ik wil”. Deze verklaring heeft dezelfde strekking als de hiervoor genoemde e-mailberichten aan de Jan Arentsz school. Verdachte heeft ter terechtzitting geen (nadere) verklaring willen afleggen.

Gelet op de voorgaande feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang beschouwd, is de rechtbank van oordeel dat verdachte degene moet zijn geweest die de e‑mailberichten heeft verstuurd.

Ten aanzien van het subsidiair gevoerde verweer van de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat het dreigen door verdachte met de ten laste gelegde woorden “ik kan [slachtoffer 1] wel vermoorden” mede gelet op de context waarin hij deze uitlating heeft gedaan, de ernst van zijn overige woorden onderstreept en daarmee ook bedreigend is in de zin van artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van feit 2

De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is geweest van een onrechtmatige doorzoeking van de woning van verdachte en overweegt hiertoe als volgt.

Uit het proces-verbaal van bevindingen van 5 december 2018 blijkt dat de verbalisanten de woning van verdachte zijn binnengetreden teneinde hem als verdachte aan te houden. In de woning treffen de verbalisanten meerdere geopende, lege jerrycans aan en zien zij diverse briefjes met warrige teksten, maar ook een briefje met een opvallende tekst: “Geld voor aanval op camera!”. Eerder was bij de politie bekend geworden dat verdachte had gedreigd met het plegen van een aanslag. Die informatie in combinatie met de aangetroffen jerrycans en teksten maakt dat naar het oordeel van de rechtbank er voldoende grond was voor een redelijk vermoeden dat wapens of munitie in de woning aanwezig waren, zoals vereist in artikel 49 Wet Wapens en Munitie. Er is dan ook geen sprake van een vormverzuim als bedoeld in art. 359a Sv. De rechtbank verwerpt daarom het verweer dat strekt tot bewijsuitsluiting.

3.4.
Bewezenverklaring

- " Ik kan [slachtoffer 1] wel vermoorden" en- " Mochten jullie mij hierin belemmeren zeg ik het alvast ik sloop iedereen die op mij pad komt";
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

Feit 1

hij op meerdere tijdstippen in de periode van 26 november 2018 tot en met 27 november 2018 te Alkmaar, [slachtoffer 1] en/of medewerkers van het Jan Arentsz via e‑mails heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door de volgende berichten te sturen
Feit 2

hij op 28 november 2018 te Alkmaar een wapen van categorie II, onder 5 van de Wet wapens en munitie, te weten een stroomstootwapen, zijnde een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos konden worden gemaakt of pijn kon worden toegebracht, voorhanden heeft gehad.
Hetgeen aan verdachte onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van feit 2

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezen verklaarde zou ontbreken. Het bewezen verklaarde is derhalve strafbaar.

5

In het kader van de beoordeling van de strafbaarheid van verdachte heeft de rechtbank kennis genomen van de volgende rapportages:

In het Pro Justitia rapport, inhoudende een psychiatrisch onderzoek, opgemaakt door deskundige [psychiater] is, onder meer, zakelijk weergegeven, opgenomen:

Er is naar alle waarschijnlijkheid sprake van een psychotische kwetsbaarheid (ongediffe­ rentieerde psychotische stoornis), die samenhangt met de onveilige jeugd, traumatische ervaringen, kwetsbare identiteit en een stoornis in middelengebruik (weed, cocaïne en alcohol).

Ook ten tijde van het ten laste gelegde was dit het geval en dit beïnvloedde de gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde.

Betrokkene was in zijn denken en handelen verminderd in staat adequate gedragskeuzes te maken. Hij is wantrouwend en voelt zich vanuit zijn pathologie gediscrimineerd en onrecht aangedaan. Onder invloed van middelen worden deze gevoelens verder aangewakkerd.

Onderzoeker adviseert betrokkene het ten laste gelegde -indien bewezen- in verminderde mate toe te rekenen. Gezien de ingewikkelde diagnostiek met verschillende variabelen en het beperkte zicht op betrokkenes belevingswereld, als ook de aard en ernst van bijvoorbeeld het middelengebruik, is het niet goed mogelijk dit verder te preciseren.

In het Pro Justitia rapport, inhoudende een psychologisch onderzoek, opgemaakt door deskundigen [psycholoog 1] en [psycholoog 2] is, onder meer, zakelijk weergegeven, opgenomen:

Bij betrokkene is sprake van een ziekelijke stoornis tot uiting komend in psychotische symptomen, welke lijken te ontstaan onder hevige druk wanneer de coping te kort schiet en waarin het middelengebruik mogelijk een luxerende rol speelt. Classificerend kan daarom worden gesproken van een ongespecificeerde schizofreniespectrum of andere psychotische stoornis.

Ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde, indien bewezen, was sprake van bovengenoemde problematiek. De beschreven problematiek heeft een bepalende rol gespeeld in de totstandkoming van het ten laste gelegde.

In de periode rondom het ten laste gelegde wordt betrokkene beschreven als toenemend verward, geagiteerd en dreigend. Direct na zijn aanhouding wordt hij door de crisisdienst beoordeeld als psychotisch. Dit maakt aannemelijk dat ook ten tijde van het ten laste gelegde sprake was van een psychotisch toestandsbeeld, waardoor de realiteitstoetsing onder druk is komen te staan, betrokkene gepreoccupeerd was met de brandstichting in 2006 en hij niet volledig in staat was zijn keuzen en gedragingen in vrijheid te bepalen. Geadviseerd wordt hem daarom het ten laste gelegde bij bewezenverklaring in ten minste verminderde mate toe te rekenen.

De rechtbank kan zich vinden in deze conclusies en komt aldus tot het oordeel dat het feit verdachte is toe te rekenen, zij het in verminderde mate.Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.
-

het Pro Justitia rapport opgemaakt door psychiater [psychiater] , gedateerd 3 maart 2019;

het Pro Justitia opgemaakt door GZ-psycholoog (supervisant) [psycholoog 1] en GZ-psycholoog (supervisor) [psycholoog 2] .

overwegingen

6

6.1.
Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte niet weer terug hoeft naar de gevangenis en heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 226 dagen, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 113 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. De officier van justitie heeft daarbij gevorderd dat aan de proeftijd de bijzondere voorwaarden worden verbonden zoals geadviseerd door de reclassering in het advies van 21 mei 2019 en dat deze voorwaarden dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.

6.2.
Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft ten aanzien van de straf primair verzocht verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van hoogstens vier weken met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht en heeft hiertoe het volgende aangevoerd.

Bij de strafoplegging dient rekening te worden gehouden met de psychische kwetsbaarheid van verdachte en dat de ten laste gelegde feiten in verminderde mate aan hem kunnen worden toegerekend. Daarnaast heeft verdachte al geruime tijd in voorlopige hechtenis gezeten en heeft de [gemeente] de huurachterstand alsmede de huur tijdens zijn voorarrest betaald op de voorwaarde dat verdachte meewerkt aan schuldhulpverlening. Dit traject is inmiddels in gang gezet en een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou dit traject doorkruisen.

Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht aan verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, met uitzondering van de klinische opname en zonder de dadelijke uitvoerbaarheidsverklaring.

Meer subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht de voorwaarde ten aanzien van de klinische opname voor hoogstens zes maanden op te leggen.

6.3.
Oordeel van de rechtbank

- het op naam van verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 14 maart 2019, waaruit blijkt dat verdachte eerder voor bedreiging door de strafrechter is veroordeeld;- de Pro Justitia rapportages, zoals genoemd onder 5.;- het reclasseringsadvies gedateerd 21 mei 2019, opgesteld door [reclasseringwerker] , waarin geadviseerd wordt tot oplegging van een (deels) voorwaardelijke straf met de volgende bijzondere voorwaarden:
Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich meermalen schuldig gemaakt aan bedreigingen aan het adres van medewerkers van de school genaamd Jan Arentsz. Dit is een ernstig feit dat bij een grote groep mensen voor veel angst heeft gezorgd en ook overigens veel impact heeft gehad. De schoolleiding en de politie hebben deze berichten heel serieus genomen en de [aangever] heeft in haar aangifte aangegeven dat er onrust heerste op school. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een stroomstootwapen. Dit is eveneens een ernstig feit, want verboden wapenbezit brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van anderen met zich mee.
Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

• Meldplicht bij reclassering• Opname in een zorginstelling• Ambulante behandeling (met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname)• Drugsverbod• Alcoholverbod• Contactverbodmet de dadelijke uitvoerbaarheid van die voorwaarden en het toezicht daarop.
Tevens heeft de rechtbank gelet op de straffen die in soortgelijke gevallen plegen te worden opgelegd, hetgeen haar weerslag heeft gevonden in de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht.

Alles afwegend acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier weken, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden. Nu verdachte reeds langere tijd in voorarrest heeft doorgebracht, namelijk 104 dagen, ziet de rechtbank geen ruimte om verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden op te leggen zoals door de officier van justitie is gevorderd en door de deskundigen is geadviseerd. Dat verdachte door de rechtbank derhalve niet tot enige behandeling wordt verplicht, ontslaat hem uiteraard niet van zijn eigen verantwoordelijkheid om hulp te zoeken voor zijn problematiek. Ter terechtzitting heeft verdachte in dat verband verklaard dat hij in een schuldsaneringstraject zit en hulp krijgt vanuit de GGZ.

7

Uit het Pro Justitia rapport van [psychiater] volgt dat het recidiverisico onbehandeld wordt ingeschat als hoog. Er is weinig probleembesef en nauwelijks inzicht in de problematiek. Door [psycholoog 1] en [psycholoog 2] is aangegeven dat bij betrokkene nog steeds een zekere rancune en boosheid voelbaar is, van waaruit het voorstelbaar is dat betrokkene in de toekomst opnieuw tot grensoverschrijdend gedrag kan komen als de druk op hem te ver op loopt. Copingvaardigheden schieten vanuit de beschreven pathologie te kort, het toegenomen middelengebruik kan dan verdere ontremming in de hand werken en er is onvoldoende steun, holding en structuur vanuit zijn netwerk om hem te helpen de spanningen en frustraties op een meer gezonde manier te kanaliseren. Dit maakt dat het risico op recidive wordt ingeschat als matig tot hoog. Er is in zeer beperkte mate sprake van beschermende factoren. De problemen gerelateerd aan werk, woning, beperkt sociaal netwerk zijn stress verhogend waarbij betrokkene niet in staat wordt geacht hier op een adequate manier mee om te gaan. Wanneer de stress te hoog oploopt, vergroot dit de kans op recidive (psychische ontregeling). Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat ter beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van strafbare feiten naast gevangenisstraf tevens een vrijheidsbeperkende maatregel dient te worden opgelegd voor de duur van drie jaren, inhoudende dat verdachte op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met docenten en medewerkers van Scholengemeenschap Jan Arentsz.

Op grond van het voorgaande en alle omstandigheden overziend dient er naar het oordeel van de rechtbank ernstig rekening mee te moeten worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen jegens bepaalde personen. Daarom beveelt de rechtbank, gelet op artikel 38v, vierde lid, Wetboek van Strafrecht, dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

8

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:Artikelen 38v, 38w, 57, 285 van het Wetboek van Strafrecht.Artikelen 26 en 55 van de Wet Wapens en Munitie.
beslissing

9

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 3 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de onder 1 en 2 bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van .

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Legt op de dat de veroordeelde voor de duur van op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met docenten en medewerkers van Scholengemeenschap Jan Arentsz. Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 1 (één) week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.

Beveelt dat de opgelegde maatregel is.

Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen doormr. P. van Steijnen, voorzitter,mr. M. Goedhuis-Visser en mr. R.P. Boon, rechters,in tegenwoordigheid van de griffier A.D. Renshof,en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 6 juni 2019.
mr. M. Goedhuis-Visser is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.