Uitspraak ECLI:NL:RBNHO:2019:3177

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 16-04-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Noord-Holland op 12-04-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBNHO:2019:3177, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is C/15/280793 FT RK 18-1539


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en InsolventieZittingsplaats Haarlem
Rekestnummer: C/15/280793 FT RK 18-1539Insolventienummer: F 14/09/155
Beschikking van de meervoudige kamer voor burgerlijke zaken d.d. 12 april 2019

op het verzoek ingevolge artikel 73 Faillissementswet (Fw) van:

ECLI:NL:RBNHO:2019:3177:DOC
nl

RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en InsolventieZittingsplaats Haarlem
Rekestnummer: C/15/280793 FT RK 18-1539Insolventienummer: F 14/09/155
Beschikking van de meervoudige kamer voor burgerlijke zaken d.d. 12 april 2019

op het verzoek ingevolge artikel 73 Faillissementswet (Fw) van:

1

wonende te [woonplaats], 2. , wonende te [woonplaats],3. ,wonende te [woonplaats],4. ,5. ,6. , te [woonplaats],7. , te [woonplaats],8. , wonende te [woonplaats],9. , wonende te [woonplaats],10. , te [woonplaats],11. te [woonplaats],12. , te [woonplaats]13. ,te [woonplaats]
verzoekers,advocaat mr. J.M.R. Vlaar te Budel,
tot ontslag van

Mr. B. Breederveld,

in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [A.] (hierna: [A.]),kantoorhoudende te Alkmaar,
1

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:- het verzoek strekkende tot het ontslag van de curator d.d. 26 oktober 2018 met rekestnummer C15/280793 FT RK 18-1539, met bijlagen;- de reactie van de rechter-commissaris op voormeld verzoek tot ontslag curator d.d. 20 november 2018;- het verkort proces-verbaal van 14 december 2018;- het verkort proces-verbaal van 15 maart 2019;- de beslissing van de wrakingskamer van deze rechtbank van 15 maart 2019;- het proces-verbaal van de (voortgezette) behandeling van 15 maart 2019 en de daarin genoemde stukken.
1.2.
De rechtbank stelt vast dat mr. Vlaar ter zitting heeft verklaard dat [verzoeker12] niet langer als een van de verzoekers moet worden aangemerkt. Voorts stelt zij vast dat met de gezamenlijke schuldeisers verenigd in vereniging [verzoeker4] hier zijn bedoeld de ter zitting verschenen schuldeisers De Lange, [verzoeker9], [C.], [verzoeker1] en [D.].
2

2.1.
Het verzoek ex artikel 73 Fw strekt tot ontslag van de curator. Verzoekers baseren hun verzoek – samengevat – op de volgende gronden:
arabic

De curator heeft een vordering van [A.] op de ING bank wegens onrechtmatig handelen niet gestuit;

De curator heeft een vordering van [A.] wegens het leggen van onrechtmatig gelegd beslag niet gestuit;

De curator heeft geweigerd een cessie van vorderingen van [A.] op [E.] aan [verzoeker2]/[verzoeker12] af te ronden/te voltooien;

De curator heeft toegestaan dat een pand van [F.] is leeg gesloopt.

3

3.1.
De curator stelt zich op het standpunt dat het verzoek tot ontslag moet worden afgewezen. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft hij zijn beleid en handelen ten aanzien van de afwikkeling van de faillissementsboedel nader toegelicht.
4

4.1.
De rechter-commissaris heeft haar visie op het verzoek tot ontslag van de curator gegeven bij brief van 20 november 2018. Concluderend meent de rechter-commissaris dat er geen enkele aanleiding is voor het ontslag van de curator anders dan in het kader van beëindiging van het faillissement van [A.].
overwegingen

5

Inleiding

5.1.
Ingevolge artikel 73 Fw kan de rechtbank de curator ontslaan hetzij op voordracht van de rechter-commissaris, hetzij op een met redenen omkleed verzoek van een of meer schuldeisers, de commissie uit hun midden, of de gefailleerde. Nu niet is gebleken dat de vereniging [verzoeker5] een van de schuldeisers is in het faillissement van [A.] en ook niet is gebleken namens welke met name genoemde schuldeisers van [A.] zij in deze procedure is verschenen, zal zij niet ontvankelijk worden verklaard in het verzoek.
5.2.
Als uitgangspunt bij de beoordeling van het onderhavige verzoek geldt dat de faillissementscurator voor zover deze bij de uitoefening van zijn taak niet is gebonden aan regels, in beginsel een ruime mate van vrijheid toekomt (Hoge Raad 9 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2067). Bij het gebruikmaken van die vrijheid behoort een curator te handelen zoals in redelijkheid mag worden verlangd van een over voldoende inzicht en ervaring beschikkende curator die zijn taak met nauwgezetheid en inzet verricht. De curator dient zich te richten naar het belang van de boedel, maar het is in beginsel aan zijn inzicht overgelaten op welke wijze en langs welke weg dat belang het beste kan worden gediend (HR 19 april 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2047 (Maclou)).
5.3.
Het boedelbelang is dus een belangrijk richtsnoer voor de curator. De rechtbank stelt voorop dat in de stellingen van verzoekers in het algemeen geen helder onderscheid wordt gemaakt tussen de verschillende (rechts)personen die een rol spelen in het door hen gepresenteerde feitencomplex. Een gevolg hiervan is dat de strikte scheiding die de curator in beginsel dient te maken tussen het boedelbelang en de andere belangen door verzoekers niet wordt gevolgd en kennelijk ook niet altijd wordt begrepen. Bij de beoordeling van het verzoek tot ontslag van de curator zal de rechtbank evenwel gelet op het hiervoor gemelde toetsingskader deze strikte scheiding wel moeten hanteren.
Ten aanzien van ontslaggrond 1

5.4.
Volgens verzoekers heeft de ING bank onrechtmatig jegens [A.] gehandeld, omdat zij samen met [G.], [H.] en [I.], voorafgaande aan de veiling afspraken heeft gemaakt omtrent de verdeling van de opbrengst van de veiling. Er was sprake van een vooropgezet plan om het faillissement van [A.] te bewerkstelligen via deze veiling. Voorts is fraude gepleegd bij de verdeling van de veilingopbrengst en is sprake geweest van onrechtmatige overboekingen door de bank van gelden van [A.]. Dit alles leidt tot onrechtmatig handelen van de ING bank, aldus verzoekers.
5.5.
De rechtbank stelt ten aanzien van de verwijten jegens de ING bank voorop dat de ING bank uit hoofde van haar positie als pandhouder en separatist verregaande bevoegdheden had, bijvoorbeeld bij de aanwijzing van beheerders in het kader van het in beheer nemen van de goederen waar het pand op rustte, in dit geval de bloembollen en knollen die zich in de gronden, op de terreinen en in de gebouwen van [A.] bevonden (verder: de bollenkraam). Zo stond het de ING bank in het kader van deze bevoegdheden vrij om [H.] en [I.] als beheerders van de bollenkraam aan te stellen en afspraken te maken over de voldoening van de kosten die beide in dit verband zouden maken.Mede in het licht hiervan en in het licht van de stellingen van de curator, hebben verzoekers hun stelling dat de ING bank in hoedanigheid van pandhouder onrechtmatig jegens [A.] heeft gehandeld onvoldoende gemotiveerd onderbouwd. Hetzelfde heeft te gelden voor de stelling dat de ING bank fraude heeft gepleegd bij de verdeling van de veilingopbrengst. De enkele algemene verwijzing naar een groot aantal producties waaruit een en ander zou moeten blijken is daarvoor onvoldoende. Niettemin is de rechtbank ook na bestudering van deze producties niet gebleken dat sprake is geweest van een vooropgezet plan om via de uitwinning van het pandrecht het faillissement van [A.] te bewerkstelligen dan wel van fraude bij de verdeling van de veilingopbrengst. Voor zover het faillissement na de uitwinning van het pandrecht onafwendbaar was, regardeert dit de ING bank als pandhouder niet. Dit geldt te meer nu ook in deze procedure niet is gebleken dat de ING bank een reële kans om het faillissement van [A.] definitief te voorkomen heeft geblokkeerd. Ten aanzien van de vermeende onrechtmatige overboekingen hebben verzoekers niet onderbouwd dat de ING bank zelf over de rekening van [A.] zou hebben beschikt.
5.6.
Het voorgaande betekent niet dat de (wijze van) uitwinning van het pandrecht niet jegens bepaalde (rechts)personen onrechtmatig zou kunnen zijn, maar dat oordeel valt buiten het door de curator te behartigen boedelbelang. Bovendien komt een curator een vordering uit onrechtmatige daad jegens een derde slechts toe als sprake is van een vordering van de gezamenlijke schuldeisers (HR 14 januari 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4521 (Peeters/Gatzen)). De curator heeft niet weersproken gesteld dat hij enkele schuldeisers heeft gewezen op de mogelijkheid om zelf een actie op grond van onrechtmatige daad jegens de ING bank in te stellen.

5.7.
Voor zover de curator zich op het standpunt heeft gesteld dat de vermeende vordering op de ING bank slechts ten goede zou komen aan de tweede en/of derde pandhouder en dat dit ook een reden zou zijn om geen actie te ondernemen jegens de ING bank, valt die afweging binnen de aan de curator toekomende vrijheid bij de uitoefening van zijn taak, zoals hiervoor in overweging 5.2 vermeld. Verzoekers hebben gesteld dat de curator in het faillissement van [verzoeker2] (derde pandhouder) inmiddels stappen heeft ondernomen richting de ING bank. Dit is een aanwijzing dat de curator een alleszins te billijke afweging heeft gemaakt.
Ontslaggrond 2

5.8.
Verzoekers verwijten de curator dat hij een vordering op mr. A.J.J. Sweens q.q., curator in de faillissementen van [J.] en [K.] en [L.], wegens onrechtmatig onder [A.] gelegd beslag en wegens afpersing van [A.] niet heeft gestuit. De curator heeft evenwel terecht aangevoerd dat al vóór het faillissement door [A.] met mr. Sweens q.q. een vaststellingsovereenkomst is gesloten, waarbij partijen hebben verklaard niets meer van elkaar te vorderen te hebben en waarbij zij elkaar over en weer volledige en onherroepelijke kwijting hebben verleend voor de onderwerpen die in geschil zijn in de bodemprocedure, waaronder het bedoelde beslag. Hieruit volgt al dat er geen vordering is van [A.] op mr. Sweens q.q. die door de curator zou kunnen worden gestuit. Voor zover verzoekers menen dat de vaststellingsovereenkomst vernietigd zou moeten worden hebben zij dat standpunt mede gelet op datgene dat partijen bij het aangaan van de vaststellingsovereenkomst hebben geregeld andermaal onvoldoende onderbouwd.
Ontslaggrond 3

5.9.
Verzoekers verwijten de curator dat hij de beoogde cessie (voor EUR 1,-) van een vermeende vordering van [A.] op [E.] aan [verzoeker2]/[verzoeker12] niet heeft willen voltooien, zodat uiteindelijk aan deze cessie geen gevolg is gegeven, terwijl dit wel is afgesproken. De curator heeft als verweer aangevoerd dat alleen reële vorderingen kunnen worden overgedragen en dat daarvan naar zijn oordeel geen sprake is.
5.10.
De rechtbank stelt vast dat op geen enkele manier gebleken is dat het oordeel van de curator dat geen sprake is van reële vorderingen van [A.] op Kneppers of diens vennootschap Greenworks B.V. onjuist is. Dit betekent dat het ervoor moet worden gehouden dat [A.] geen vorderingen heeft op [E.] die aan [verzoeker2]/[verzoeker12] zouden kunnen worden overgedragen. Dat [A.] zelf destijds kennelijk anders meende en al voor het faillissement tot afspraken voor een cessie van bedoelde vorderingen zou zijn gekomen, maakt dit niet anders. Ingevolge artikel 37 Fw staat het de curator bovendien vrij om die afspraken niet gestand te doen.
Ontslaggrond 4

5.11.
Verzoekers hebben gesteld dat de curator heeft toegestaan dat een pand van [F.] is leeg gesloopt. Wat er ook zij van de juistheid van deze stelling regardeert deze vermeende leegsloop alleen [F.] en niet [A.] en haar gezamenlijke schuldeisers. Zonder nadere onderbouwing, die niet is gegeven, valt daarom niet in te zien waarom de omstandigheid dat de curator zou hebben toegestaan dat het pand van [F.] is leeg gesloopt ook indien juist een reden zou zijn om de curator te ontslaan.
Conclusie

5.12.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat er geen deugdelijke reden is aangevoerd om de curator te ontslaan. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.
beslissing

6

De rechtbank
6.1.
verklaart de gezamenlijke schuldeisers verenigd in vereniging [verzoeker5] niet ontvankelijk in het verzoek;
6.2.
wijst het verzoek tot ontslag van de curator af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. W.S.J. Thijs, P.M. Wamsteker en H. de Jong in het openbaar uitgesproken op 12 april 2019 in tegenwoordigheid van de griffier.