Uitspraak ECLI:NL:RBNHO:2019:2030

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht; Arbeidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 13-03-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Noord-Holland op 12-03-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBNHO:2019:2030, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 7448538 AO VERZ 19-1


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Bewindlocatie Zaanstad
Zaaknr./rolnr.: 7448538 \ AO VERZ 19-1Uitspraakdatum: 12 maart 2019
Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:

[verzoeker]

wonende te [woonplaats] verzoekende partij verder te noemen: [verzoeker]gemachtigde: M.A. Woudenberg
tegen

[verweerder]

gevestigd te Zuid-Scharwoude verwerende partijverder te noemen: [verweerder]gemachtigde: mr. R. Muurlink

ECLI:NL:RBNHO:2019:2030:DOC
nl

RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Bewindlocatie Zaanstad
Zaaknr./rolnr.: 7448538 \ AO VERZ 19-1Uitspraakdatum: 12 maart 2019
Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:

[verzoeker]

wonende te [woonplaats] verzoekende partij verder te noemen: [verzoeker]gemachtigde: M.A. Woudenberg
tegen

[verweerder]

gevestigd te Zuid-Scharwoude verwerende partijverder te noemen: [verweerder]gemachtigde: mr. R. Muurlink
procesverloop

1

1.1.
[verzoeker] heeft een verzoek gedaan om [verweerder] onder meer te veroordelen tot betaling van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging. [verweerder] heeft een verweerschrift ingediend.
1.2.
Op 26 februari 2019 heeft een zitting plaatsgevonden. Partijen hebben daar hun standpunten toegelicht en vragen beantwoord. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt. Vóór de zitting hebben partijen bij brieven van 22 en 25 februari 2019 nog stukken toegezonden.
2

2.1.
[verzoeker] , geboren [geboortedatum] 1967, is op 7 mei 2007 in dienst getreden bij [verweerder] .
2.2.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv) heeft bij besluit van 13 november 2018 aan [verweerder] toestemming gegeven voor opzegging van de arbeidsovereenkomst tussen partijen. In dat besluit heeft het Uwv overwogen dat er een redelijke grond is voor ontslag, te weten een bedrijfseconomische noodzaak om de arbeidsplaats van [verzoeker] te laten vervallen, en dat er geen herplaatsing mogelijk is.
2.3.
[verweerder] heeft de arbeidsovereenkomst bij brief van 22 november 2018 opgezegd tegen 8 november 2018. In een brief van 11 december 2018 heeft [verweerder] meegedeeld dat hij bij de opzegging in de brief van 22 november 2018 van een onjuiste termijn voor opzegging was uitgegaan en dat de arbeidsovereenkomst moest worden opgezegd tegen 28 december 2018.
3

3.1.
[verzoeker] heeft, na wijziging en vermeerdering van het verzoek op de zitting, verzocht om [verweerder] te veroordelen tot betaling van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging, tot betaling van een transitievergoeding, en tot betaling van loon, vakantiegeld, niet-genoten vakantiedagen en een eindejaarsuitkering.
3.2.
[verweerder] heeft verweer gevoerd. Hij stelt onder andere dat het gelet op zijn financiële situatie naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om hem te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding. Verder verzoekt [verweerder] om in geval van een veroordeling tot betaling van de transitievergoeding te bepalen dat deze in termijnen kan worden voldaan.
overwegingen

4

4.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of [verweerder] moet worden veroordeeld tot betaling van de door [verzoeker] gevorderde bedragen.
4.2.
Op de zitting is gebleken dat partijen het erover eens zijn dat [verweerder] de arbeidsovereenkomst met de brief van 22 november 2018 onjuist heeft opgezegd en dat [verzoeker] aanspraak heeft op een vergoeding wegens onregelmatige opzegging van € 2.383,56 bruto, te weten een bedrag gelijk aan het loon over de periode van 28 december 2018 tot 27 januari 2019. [verweerder] zal dus worden veroordeeld tot betaling van dat bedrag.
4.3.
Ook is op de zitting vastgesteld dat partijen het erover eens zijn dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd op 28 december 2018 en dat [verzoeker] nog recht heeft op betaling van € 4.414,06 bruto aan loon over de periode van 5 november 2018 tot 28 december 2018. Verder is door [verweerder] erkend dat [verzoeker] nog recht heeft op betaling van € 1.334,80 bruto aan vakantiegeld, op € 743,68 bruto aan eindejaarsuitkering, en op € 452,18 bruto aan niet-genoten vakantiedagen. [verweerder] zal dus ook worden veroordeeld tot betaling van deze bedragen.
4.4.
[verzoeker] heeft verzocht om [verweerder] te veroordelen tot betaling van wettelijke rente over alle hiervoor genoemde bedragen, vanaf het tijdstip van opeisbaarheid. Die vordering is toewijsbaar, omdat [verweerder] te laat heeft betaald en overigens tegen deze vordering geen verweer heeft gevoerd.
4.5.
Over het verzoek van [verzoeker] om [verweerder] te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding overweegt de kantonrechter het volgende.
4.6.
[verzoeker] heeft zijn verzoek ten aanzien van de transitievergoeding aanvankelijk alleen subsidiair gedaan. Op de zitting heeft hij dat verzoek gewijzigd, in die zin dat het ook als een primair verzoek moet worden gezien. [verweerder] heeft tegen die wijziging van het verzoek bezwaar gemaakt. De kantonrechter staat de wijziging van het verzoek echter toe, omdat deze wijziging niet in strijd is met een goede procesorde. Daarbij is van belang dat [verweerder] in voldoende mate verweer heeft kunnen voeren tegen het verzoek, zoals hij ook in het verweerschrift en op de zitting heeft gedaan.
4.7.
Partijen zijn het er op zichzelf over eens dat [verzoeker] in beginsel recht heeft op een transitievergoeding van € 9.137,10 bruto.

4.8.
[verweerder] heeft aangevoerd dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om hem te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding, omdat hij in een zeer slechte financiële situatie verkeert en eigenlijk geen middelen heeft om die vergoeding te betalen.
4.9.
In het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) staat dat een tussen partijen geldende regel, zoals het wettelijk recht op een transitievergoeding, niet van toepassing is, voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn (artikel 6:248 lid 2 BW).
4.10.
De kantonrechter moet met een beroep op deze redelijkheid en billijkheid terughoudend omgaan, zeker als het gaat om een regel van dwingend recht, zoals het wettelijk recht op de transitievergoeding (zie de uitspraak van de Hoge Raad van 5 oktober 2018, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, onder nummer ECLI:NL:HR:2018:1845 ()). Als in de wettelijke regel al een afweging van belangen door de wetgever besloten ligt, zal een beroep op de genoemde redelijkheid en billijkheid alleen in heel uitzonderlijke gevallen kunnen slagen.
4.11.
De wetgever heeft onder ogen gezien dat financiële problemen van een werkgever soms in de weg kunnen staan aan een recht op transitievergoeding of aan de betaling daarvan ineens. Daarom is in de wet bepaald dat de transitievergoeding niet meer verschuldigd is als de werkgever in staat van faillissement is verklaard, aan hem surseance van betaling is verleend of op hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is (artikel 7:673c lid 1 BW). Daarnaast is geregeld dat de transitievergoeding in termijnen kan worden betaald, als de betaling van die vergoeding leidt tot onaanvaardbare gevolgen voor de bedrijfsvoering van de werkgever (artikel 7:673c lid 2 BW).
4.12.
Uit het voorgaande blijkt dat de wetgever in de wettelijke regeling van de transitievergoeding al rekening heeft gehouden met financiële problemen van een werkgever, door het vervallen van het recht op die vergoeding bij faillissement van de werkgever en door betaling in termijnen mogelijk te maken. Dat betekent dat het beroep van [verweerder] op de genoemde redelijkheid en billijkheid alleen kan slagen als sprake is van heel uitzonderlijke omstandigheden. Dat is niet het geval. De financiële problemen van [verweerder] kunnen niet als heel uitzonderlijk worden aangemerkt, omdat dit een vaker voorkomend en algemeen probleem is, waarmee in de wet al rekening is gehouden, zoals hiervoor is overwogen. Dat [verweerder] een eenmanszaak heeft en geen vennootschap maakt daarbij niet uit. [verweerder] heeft op de zitting toegelicht dat zijn onderneming in 2018 nog winst heeft gemaakt, zij het een bescheiden winst, zodat ook geen sprake is van een uitzonderlijk slechte financiële situatie in zijn onderneming.
4.13.
De stelling van [verweerder] dat [verzoeker] een aanbod voor een nieuwe arbeidsovereenkomst voor 17 uur per week heeft afgewezen, kan ook niet leiden tot de conclusie dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [verweerder] de transitievergoeding moet betalen. De regeling van de transitievergoeding is door de wetgever zo opgezet dat voor een aanspraak daarop niet van belang is of de werknemer na het eindigen van de arbeidsovereenkomst werkloos is, dan wel aansluitend een andere baan heeft gevonden. De weigering van een aanbod voor een nieuwe arbeidsovereenkomst kan dus niet meebrengen dat het onaanvaardbaar is dat [verzoeker] aanspraak maakt op een transitievergoeding.
4.14.
Het verzoek van [verweerder] om betaling van de transitievergoeding in termijnen toe te staan, kan wel worden toegewezen. Zoals hiervoor al is opgemerkt, kan de transitievergoeding in termijnen worden betaald, als de betaling van die vergoeding leidt tot onaanvaardbare gevolgen voor de bedrijfsvoering van de werkgever (artikel 7:673c lid 2 BW). Daarbij heeft de wetgever voor ogen gehad dat zich omstandigheden kunnen voordoen waarin de werkgever financieel in de problemen kan komen als hij de transitievergoeding ineens moet betalen (, 2013-2014, 33 818, nr. 3, pag. 114).
4.15.
[verweerder] heeft voldoende aangetoond dat hij in een zodanige financiële situatie verkeert dat betaling ineens van de transitievergoeding tot problemen leidt. Uit de door [verweerder] overgelegde gegevens van de belastingdienst blijkt dat hij de afgelopen jaren een zeer beperkt inkomen heeft gehad, te weten in 2015 € 7.599,00, in 2016 € 10.307,00 en in 2017 € 12.319,00, en dat hij een schuld heeft bij ABN-AMRO van bijna € 50.000,00. Gelet daarop is het verzoek om in termijnen te mogen betalen, gerechtvaardigd.
4.16.
Uit artikel 25 van de Ontslagregeling volgt dat de betaling van de transitievergoeding kan worden toegestaan in termijnen verspreid over een periode van ten hoogste zes maanden na 28 januari 2019. Gelet daarop zal worden bepaald dat [verweerder] de transitievergoeding moet betalen in vijf termijnen van telkens € 1.827,42 bruto (€ 9.137,10 : 5), waarbij de eerste termijn moet worden betaald op 28 maart 2019, de tweede termijn op 28 april 2019, de derde termijn op 28 mei 2019, de vierde termijn op 28 juni 2019, en de vijfde termijn op 28 juli 2019.
4.17.
De wettelijke rente over de transitievergoeding is, ondanks dat betaling in termijnen wordt toegestaan, verschuldigd vanaf 28 januari 2019 en over het bedrag van de transitievergoeding dat nog niet is betaald. Dit volgt dwingend uit de wet (artikel 7:686a lid 1 BW). Dat betekent dat [verweerder] steeds wettelijke rente verschuldigd is over dat deel van de transitievergoeding dat als gevolg van de betalingsregeling nog niet aan [verzoeker] is betaald (zie ook: Nota van toelichting Ontslagregeling, 2015/12685, pag. 29).
4.18.
De proceskosten komen voor rekening van [verweerder] , omdat hij ongelijk krijgt.
beslissing

5

De kantonrechter:

5.1.
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] wegens onregelmatige opzegging te betalen een bedrag van € 2.383,56 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het tijdstip van opeisbaarheid tot de volledige betaling;
5.2.
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] aan loon te betalen een bedrag van € 4.414,06 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het tijdstip van opeisbaarheid tot de volledige betaling;
5.3.
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] aan eindejaarsuitkering te betalen een bedrag van € 743,68 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het tijdstip van opeisbaarheid tot de volledige betaling;
5.4.
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] aan niet-genoten vakantiedagen te betalen een bedrag van € 452,18 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het tijdstip van opeisbaarheid tot de volledige betaling;
5.5.
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] aan vakantiegeld te betalen een bedrag van € 1.334,80 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het tijdstip van opeisbaarheid tot de volledige betaling;
5.6.
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] aan transitievergoeding te betalen een bedrag van € 9.137,10 bruto, in termijnen van telkens € 1.827,42 bruto, waarbij de eerste termijn moet worden betaald op 28 maart 2019, de tweede termijn op 28 april 2019, de derde termijn op 28 mei 2019, de vierde termijn op 28 juni 2019, en de vijfde termijn op 28 juli 2019, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 januari 2019 en over het bedrag van de transitievergoeding dat nog niet is betaald;
5.7
veroordeelt [verweerder] tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [verzoeker] tot en met vandaag vaststelt op € 226,00 aan griffierecht en € 720,00 aan salaris voor de advocaat van [verzoeker] ;
5.8.
verklaart de veroordelingen onder 5.1 tot en met 5.7 van deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
5.9.
wijst het verzoek voor het overige af.
Deze beschikking is gegeven door mr. P.J. Jansen, kantonrechter en op 12 maart 2019 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter