Uitspraak ECLI:NL:RBNHO:2019:2020

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 13-03-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Noord-Holland op 13-03-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBNHO:2019:2020, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 1517385318


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf
Locatie AlkmaarMeervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/173853-18 Uitspraakdatum: 13 maart 2019Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 26 en 27 februari 2019 in de zaak tegen:

[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres] .
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.S. Heij en van hetgeen verdachte en zijn raadsman mr. J.S. Dallinga, advocaat te Alkmaar, naar voren hebben gebracht.

ECLI:NL:RBNHO:2019:2020:DOC
nl

RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf
Locatie AlkmaarMeervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/173853-18 Uitspraakdatum: 13 maart 2019Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 26 en 27 februari 2019 in de zaak tegen:

[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres] .
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.S. Heij en van hetgeen verdachte en zijn raadsman mr. J.S. Dallinga, advocaat te Alkmaar, naar voren hebben gebracht.

1

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 1 september 2018 te Anna Paulowna, gemeente Hollands Kroon als verkeersdeelnemer, namelijk als (beginnend) bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, merk Peugeot, type 206, [kenteken] ), daarmede rijdende over de weg, de Sportlaan, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door

- na voorafgaand gebruik van alcoholhoudende drank en/of een of meer verdovende middelen - roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, met een niet toegestane en/of (zeer onverantwoord) hoge snelheid, een (gevaarlijke) inhaalmanoeuvre uit te voeren kort voor een bocht naar rechts en/of die bocht naar rechts met (onverminderd) hoge snelheid in te rijden en/of de controle over het door hem bestuurde motorrijtuig kwijt te raken,

waarna dat motorrijtuig is opgebotst of aangereden tegen een boom en/of een verkeerspaal aan de rechterzijde van die weg,waardoor drie inzittenden van het motorrijtuig, te weten [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] werden gedood en/of inzittende [slachtoffer 4] zwaar lichamelijk letsel (te weten een gebroken nekwervel, een gescheurde rechter oorlel, een armfractuur, (een) hoofdwond (en) en knieletsel) of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekteof verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan,

terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, tweede en/of vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994.

2

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3

De rechtbank moet de vraag beantwoorden of verdachte in strafrechtelijke zin verantwoordelijk is voor het verkeersongeval en de gevolgen ervan en zo ja, wat een passende straf is.

4

4.1
Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit, met dien verstande dat sprake is van schuld in de zin van roekeloosheid.
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte ten tijde van het ongeval de bestuurder was van zijn eigen auto, de Peugeot 206. Daartoe heeft de officier van justitie gewezen op de verklaringen van vijf ooggetuigen die verdachte achter het stuur hebben zien stappen, welke verklaringen worden ondersteund door forensisch bewijs, bestaande uit DNA-sporen op de airbags en rondom de bestuurdersstoel van de Peugeot. Volgens de officier van justitie is uit onderzoek van verdachtes bloed gebleken dat hij ten tijde van het ongeval onder invloed was van alcohol en THC, de werkzame stof in wiet en hasj.Wat betreft het rijgedrag volgt in de visie van de officier van justitie uit het dossier dat verdachte kort voor een bocht een auto heeft ingehaald terwijl deze een fietser inhaalde. Volgens de officier van justitie kan worden vastgesteld dat de snelheid van de Peugeot die door verdachte werd bestuurd, rond de 90 kilometer per uur of hoger lag, gebaseerd op diverse getuigenverklaringen en de bevindingen van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI). De officier van justitie heeft betoogd dat het weggedrag van verdachte een wedstrijdachtig karakter had. Uit getuigenverklaringen komt het beeld naar voren dat verdachte zich uitgedaagd voelde doordat een auto waarin bekenden van hem zaten met piepende banden en vol gas wegreed. Verdachte wilde ondanks alle belemmerende factoren per se en met hoge snelheid deze auto voorbij en had er kennelijk alles voor over om te laten zien wie de snelste was. Hoewel uit het dossier niet kan worden afgeleid dat er een afspraak was om te gaan racen met bijvoorbeeld een start en een finish, heeft verdachte er door zijn rijgedrag een race van gemaakt. Verdachte heeft zich door dit gedrag buiten de deelname aan het normale verkeer geplaatst. Door zo te handelen is door verdachte een zeer ernstig gevaar in het leven geroepen, waarvan verdachte zich bewust was of had moeten zijn. Al deze gedragingen en omstandigheden tezamen maken in de visie van de officier van justitie dat aan de zijde van verdachte sprake is geweest van roekeloos rijgedrag.
4.2
Standpunt van de verdediging

Verdachte zegt niet te weten of hij de bestuurder was van de Peugeot ten tijde van het ongeval. De raadsman heeft primair vrijspraak bepleit, nu wel wettig maar niet overtuigend kan worden bewezen dat verdachte de bestuurder was van de Peugeot ten tijde van het ongeval. Daartoe heeft de raadsman, samengevat weergegeven, aangevoerd dat uit forensisch onderzoek niet volgt wie de auto heeft bestuurd. Er is geen sporenmateriaal dat in dit verband kan dienen als bewijs, integendeel, er zijn forensische sporen aangetroffen die een contra-indicatie opleveren voor de conclusie dat verdachte de bestuurder was. Voorts zijn er niet onderzochte ongevalssporen. Gelet hierop zijn de getuigenverklaringen die verdachte aanwijzen als bestuurder onvoldoende om te kunnen spreken van overtuigend bewijs. Op basis van het dossier kan niet met zekerheid worden vastgesteld dat verdachte de bestuurder was. In het geval de rechtbank op grond hiervan niet komt tot een vrijspraak, heeft de raadsman verzocht nader vergelijkend mitochondriaal DNA-onderzoek te gelasten naar de haren in de voorruit van de Peugeot, waarvan na eerder onderzoek is gebleken dat die niet geschikt waren voor autosomaal DNA-onderzoek. Subsidiair heeft de raadsman naar voren gebracht dat verdachte kan worden verweten te hard te hebben gereden terwijl hij onder invloed was van alcohol en softdrugs en de controle over het voertuig te hebben verloren. Die verkeersovertredingen tezamen zijn naar de mening van de raadsman, waarbij hij verwijst naar een drietal rechtbankuitspraken, niet voldoende om tot bewijs van roekeloosheid te komen. De raadsman heeft daarbij opgemerkt dat op basis van het dossier wel kan worden vastgesteld dat te hard is gereden, namelijk 57 kilometer per uur of harder, maar niet dat sprake is van een gereden snelheid van 90 km per uur of meer, zoals de officier van justitie heeft betoogd. De raadsman heeft zich voor het overige gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
4.3
Oordeel van de rechtbank

4.3.1
Bewijsoverwegingen

Bestuurder van het voertuig

Voor de beantwoording van de vraag of verdachte schuld heeft gehad aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994), dient allereerst de vraag te worden beantwoord of verdachte de bestuurder was van het voertuig (de Peugeot 206) dat betrokken was bij het eenzijdig verkeersongeval.De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt. De bij het ongeval betrokken Peugeot is eigendom van verdachte en hij is na het ongeval ter plaatse gewond aangetroffen. De rechtbank leidt hieruit af dat verdachte zich in de auto bevond ten tijde van het ongeval. Verdachte was eerder, op de avond van 31 augustus 2018, met anderen bij het gemeentehuis in Anna Paulowna. Vanaf die locatie zijn kort voor het ongeval de Volkswagen Golf (hierna: VW Golf) met [getuige] als bestuurder en de Peugeot 206 vertrokken. Drie inzittenden van de VW Golf, één inzittende van de Peugeot en één andere aanwezige bij het gemeentehuis hebben verklaard dat verdachte bij vertrek van de Peugeot als bestuurder in deze auto zat, dat [slachtoffer 4] op de bijrijdersstoel zat en dat [slachtoffer 2] , [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] op de achterbank zaten. Twee inzittenden van de VW Golf hebben vlak voor het ongeval, namelijk op het moment dat de Peugeot 206 deze auto inhaalde, gezien dat verdachte nog steeds op de bestuurdersstoel zat. De getuigenverklaringen zijn alle gedetailleerd, consistent en komen met elkaar overeen, ook als het gaat om wie op welke plek in de auto zat. Verder volgt uit de verklaringen dat tussen het wegrijden bij het gemeentehuis en de plek van het ongeval, een afstand van ongeveer 500 meter, niet is gestopt, zodat naar het oordeel van de rechtbank kan worden uitgesloten dat onderweg van plek is gewisseld. De rechtbank is van oordeel dat de aangetroffen sporen in de auto geen contra-indicatie vormen voor de conclusie dat verdachte ten tijde van het ongeval de bestuurder was van de auto. Weliswaar is er in de bemonsteringen van sporen op en om de bestuurdersstoel (waaronder de airbag) naast materiaal van verdachte materiaal van een andere inzittende aangetroffen en is in de bemonstering van sporen op de airbag aan de bijrijderszijde materiaal van verdachte en twee anderen aangetroffen, doch hieruit volgt niet dat verdachte de bestuurder was, noch dat verdachte de bestuurder niet kan zijn geweest. Bij dat oordeel betrekt de rechtbank de verklaring van deskundige ing. K.M. Hagendoorn, werkzaam bij het NFI, afgelegd ter zitting van 26 februari 2019, dat bij een ongeval als het onderhavige en dan met name het moment dat de auto gaat roteren nadat de auto de boom heeft geraakt, de inzittenden van die auto in principe alle kanten op kunnen bewegen (voorwaarts, achterwaarts, zijwaarts, schuin) en zelfs onderling van plek kunnen wisselen. Het is daarom geenszins uit te sluiten dat bloed van de inzittenden op verschillende plekken in de auto terecht is gekomen. Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding om aan de betrouwbaarheid van de waarnemingen van de getuigen te twijfelen.Gelet op voorgaande omstandigheden acht de rechtbank bewezen dat verdachte de auto bestuurde ten tijde van het ongeval.
Voorwaardelijk verzoek

De rechtbank overweegt dat nu niet vaststaat waar in de auto de donor zat van de haren die zijn aangetroffen in de voorruit - mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen omtrent de bewegingen van de inzittenden van de Peugeot ten tijde van het ongeval - nader onderzoek aan die haren, zoals wederom is verzocht door de raadsman, geen bijdrage kan leveren aan de beantwoording van de vraag wie als bestuurder heeft opgetreden. Het verzoek wordt daarom afgewezen.
Mate van schuld

Vervolgens moet de vraag worden beantwoord of verdachte schuld heeft aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW 1994. Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen moet worden bewezen dat verdachte zich in het verkeer zodanig heeft gedragen dat het aan zijn schuld te wijten is dat een verkeersongeval heeft plaatsgevonden. Het juridische begrip ‘schuld’ (culpa) houdt in dat minimaal sprake moet zijn van een aanmerkelijke mate van onvoorzichtigheid/onoplettendheid. Roekeloosheid is in dit verband de zwaarste, aan opzet grenzende, schuldvorm.
Bij de vraag of sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994 komt het aan op het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Daarbij geldt dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld (vlg. HR 19 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2414)

De rechtbank stelt op basis van het dossier het volgende vast. Verdachte - een beginnend bestuurder - reed in zijn Peugeot 206 op de Sportlaan te Anna Paulowna achter een grijze VW Golf. De Sportlaan is een klinkerweg zonder middenstreep en de toegestane maximumsnelheid ter plaatse is 50 kilometer per uur. Vlak voor een flauwe bocht naar rechts, voor de kruising van de Sportlaan met de J.C. Geerligslaan, heeft verdachte de VW Golf ingehaald, die op zijn beurt een fietser inhaalde. Verdachte is de macht over het stuur verloren, het linker achterwiel van de auto van verdachte is kort na de kruising tegen de linker opsluitband (trottoirband) gekomen, waarna de auto met de rechterzijde tegen een verkeerspaal en vervolgens een boom aan de rechterkant van de weg is aangereden. De auto heeft door deze impact een rotatie gemaakt. Vier van de inzittenden zijn uit de auto geslingerd en op straat of in de bosschages naast de weg terecht gekomen.
De rechtbank is gelet op de verklaringen van de getuigen [slachtoffer 4] , [getuige] en [getuige] , zoals opgenomen in de bijgevoegde bewijsmiddelenbijlage, van oordeel dat verdachte ten tijde van het inhalen van de VW Golf en vlak daarna met een veel hogere snelheid heeft gereden dan de ter plaatse toegestane 50 kilometer per uur. De rechtbank acht bewezen dat verdachte met een snelheid van tussen de 80 à 90 kilometer per uur heeft gereden, waarbij de rechtbank uit gaat van de voornoemde verklaringen van getuigen [getuige] en [getuige] die in de VW Golf zaten en op de kilometerteller hebben gekeken. Voorts betrekt de rechtbank hierbij het NFI rapport snelheidsbepaling van 13 november 2018 en de toelichting van deskundige Hagendoorn hierop ter zitting, waaruit volgt dat de kans groot is dat de snelheid van de auto bij de botsing met de boom tussen de 57 en 77 kilometer per uur lag en dat het waarschijnlijk is dat in het traject vóór de botsing sprake is geweest van enige snelheidsafname. De deskundige heeft aangegeven dat een gereden snelheid van 90 kilometer per uur voor het insturen van de flauwe bocht naar rechts mogelijk is. Uit de verklaringen van [getuige] en [getuige] blijkt verder dat verdachte niet heeft geremd voor de bocht en dus met een onverminderd hoge snelheid de bocht in is gereden. De rechtbank merkt de inhaalmanoeuvre aan als gevaarlijk, gelet op de gereden snelheid, het wegdek, het feit dat het kort voor een flauwe bocht was en mede gelet op het feit dat de auto die werd ingehaald op dat moment een fietser inhaalde.
Zowel uit de verklaring van verdachte ter zitting afgelegd, als uit onderzoek van het bloed van verdachte volgt dat hij onder invloed van alcohol en THC was ten tijde van het besturen van de auto en dat de waardes voor (de combinatie van) alcohol en cannabis in zijn bloed hoger waren dan voor een beginnend bestuurder waren toegestaan.

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat alle aan verdachte ten laste gelegde gedragingen bewezen zijn en dat verdachte schuld heeft aan het ongeval in de zin van artikel 6 WVW 1994. De rechtbank zal hierna beoordelen van welke mate van schuld sprake is.

De officier van justitie heeft bewezenverklaring van roekeloosheid bepleit. Roekeloosheid is de zwaarste vorm van schuld en grenst aan opzet. De betekenis van roekeloosheid in de zin van de wet is specifiek en valt niet noodzakelijkerwijs samen met wat in het normale spraakgebruik onder roekeloos wordt verstaan. Deze mate van schuld is voorbehouden aan gevallen waarin sprake is van buitengewoon onvoorzichtig gedrag van verdachte waardoor een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, waarvan verdachte zich bewust was of had moeten zijn. Uit rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat de enkele vaststelling dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een of meer in artikel 175, derde lid, WVW 1994 genoemde, zelfstandig strafverhogende gedragingen, zoals te hard rijden, gevaarlijk inhalen of rijden onder invloed, niet volstaat voor het oordeel dat sprake is van roekeloosheid in de zin van artikel 6 WVW 1994. Het gaat bij roekeloosheid in voornoemde zin om het nemen van onaanvaardbare risico’s met ernstige gevolgen, van welke onaanvaardbaar risico’s de verdachte zich bewust moet zijn geweest, maar waarbij de verdachte op zeer lichtzinnige wijze ervan uit is gegaan dat deze risico’s zich niet zullen realiseren of zich om de gevolgen van zijn handelingen niet heeft bekreund. Er moet sprake zijn van zeer bijzondere omstandigheden, waaruit een bepaalde laakbare mate van onverschilligheid ten aanzien van de veiligheid van medeweggebruikers kan worden afgeleid en/of waarbij verdachte zich met zijn gedraging(en) buiten de orde van het normale verkeer heeft geplaatst.
Zoals blijkt uit hetgeen hiervoor is overwogen heeft verdachte in ernstige mate de maximumsnelheid overschreden, heeft hij gevaarlijk ingehaald en is hij met onverminderd hoge snelheid een bocht ingereden, terwijl hij onder invloed van middelen verkeerde. Hoewel verdachte door dit gedrag zeer onvoorzichtig en gevaarzettend heeft gehandeld en onaanvaardbare risico’s op ernstige gevolgen in het leven heeft geroepen, is de rechtbank van oordeel dat dit niet een zo uitzonderlijk geval betreft dat dit past binnen de schuldcategorie “roekeloos”, zoals deze categorie in de jurisprudentie van de Hoge Raad wordt omschreven. De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier niet kan worden afgeleid dat feitelijk sprake was van een wedstrijd en dat de gedragingen van verdachte met name daarop waren gericht. Naar het oordeel van de rechtbank valt het rijgedrag van verdachte onder de schuldgradatie “zeer onvoorzichtig en onoplettend”.

Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van de ten laste gelegde roekeloosheid. De rechtbank komt tot het oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zeer onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden.

4.3.2
Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 1 september 2018 te Anna Paulowna, gemeente Hollands Kroon als verkeersdeelnemer, namelijk als beginnend bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, merk Peugeot, type 206, [kenteken] ), daarmede rijdende over de weg, de Sportlaan, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door

- na voorafgaand gebruik van alcoholhoudende drank en verdovende middelen - zeer onvoorzichtig en onoplettend, met een niet toegestane en onverantwoord hoge snelheid, een gevaarlijke inhaalmanoeuvre uit te voeren kort voor een bocht naar rechts en die bocht naar rechts met onverminderd hoge snelheid in te rijden en de controle over het door hem bestuurde motorrijtuig kwijt te raken,waarna dat motorrijtuig is aangereden tegen een boom en een verkeerspaal aan de rechterzijde van die weg,waardoor drie inzittenden van het motorrijtuig, te weten [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] werden gedood en inzittende [slachtoffer 4] zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken nekwervel, een gescheurde rechter oorlel, een armfractuur en een hoofdwond werd toegebracht, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994.
Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5

Het bewezenverklaarde levert op:
overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, vijfde lid, van deze wet, meermalen gepleegd

en

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, vijfde lid, van deze wet.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

6

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.
overwegingen

7

7.1
Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van vijf jaar met aftrek van de tijd dat het rijbewijs van verdachte reeds is ingevorderd en ingehouden.Bij het bepalen van haar strafeis heeft de officier van justitie als uitgangspunt genomen dat verdachte als beginnend bestuurder onder invloed van alcohol en THC roekeloos rijgedrag heeft vertoond en een ongeval heeft veroorzaakt waarbij drie minderjarige jongens om het leven zijn gekomen en zijn minderjarige – toenmalige – vriendin zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. De officier van justitie heeft gesteld dat verdachte geen enkele verantwoordelijkheid heeft genomen en een berekenende houding heeft aangenomen, hetgeen zij heeft meegewogen in haar eis. De officier van justitie ziet geen reden een deels voorwaardelijke straf te eisen en acht gelet op de ernst van de gedragingen en de gevolgen een forse gevangenisstraf passend. Tot slot heeft de officier van justitie - gelet op de aard en ernst van het feit en de gronden die nog onverkort aanwezig zijn - gevorderd de schorsing van de voorlopige hechtenis bij uitspraak op te heffen.
7.2
Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat het geheugenverlies door verdachte niet wordt geveinsd en dat geen sprake is van een berekenende proceshouding. Het is heel goed mogelijk dat verdachte door de traumatische gebeurtenis niet meer weet wat er is gebeurd, zoals ook wordt aangegeven door GZ-psycholoog K. Oostra in het Pro Justitia rapport van 5 november 2018.Uit de reclasseringsrapportages volgt dat verdachte is aangewezen op langdurige psychische hulp. Gelet hierop is naar het oordeel van de raadsman een deels voorwaardelijke straf passend.Tot slot heeft de raadsman verzocht de schorsing van de voorlopige hechtenis niet op te heffen, nu de huidige situatie ten opzichte van de situatie ten tijde van de schorsing niet is veranderd; de vrees voor herhaling is er niet of is in te dammen met de bij de schorsing opgelegde voorwaarden.
7.3
Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede door de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.Verdachte, pas sinds 4 november 2016 in het bezit van een rijbewijs om een auto te besturen, heeft de avond van 31 augustus 2018 met bekenden doorgebracht bij het gemeentehuis in Anna Paulowna, alwaar hij alcohol heeft gedronken en wiet heeft gerookt. Vervolgens is hij als bestuurder in zijn auto gestapt en weggereden met vier jonge passagiers. Slechts enkele honderden meters verder heeft verdachte met hoge snelheid een voor hem rijdende auto kort voor een bocht ingehaald en heeft hij de macht over het stuur verloren. Met dergelijk rijgedrag heeft verdachte er op geen enkele wijze blijk van gegeven dat hij zijn verantwoordelijkheid als bestuurder voor zijn inzittenden én medeweggebruikers heeft genomen. Verdachte is als gevolg van zijn rijgedrag uiteindelijk tegen een paal en een boom aangereden. Drie van de inzittenden, [slachtoffer 3] (16 jaar), [slachtoffer 1] (15 jaar) en [slachtoffer 2] (16 jaar) zijn hierna uit de auto geslingerd en ter plaatse overleden en één inzittende, [slachtoffer 4] , is als gevolg van het ongeval zwaar gewond geraakt.
De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij door zeer onvoorzichtig en onoplettend te rijden een verkeersongeval heeft veroorzaakt waardoor drie jonge jongens uit het leven zijn gerukt en een jong meisje zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Verdachte heeft de nabestaanden van de overleden jongens daarmee groot en onherstelbaar leed aangedaan. Drie gezinnen moeten hun (stief)zoon en broer missen. Hun levens zijn compleet veranderd. De ouders van [slachtoffer 3] , [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben ter terechtzitting op indrukwekkende wijze verwoord wat het verlies van hun kind met hen doet. Daarnaast hebben de ouders van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] beschreven hoe zij op de plaats van het ongeval, die door een van hen is omschreven als een oorlogsgebied, zijn geconfronteerd met de directe gevolgen. De ouders van [slachtoffer 2] en de vader van [slachtoffer 3] hebben moeten meemaken dat de reanimatie van hun zoon werd gestaakt. [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] zijn in hun armen overleden. Ook [slachtoffer 4] wordt nog dagelijks herinnerd aan het ongeluk, de fysieke pijn en het feit dat zij drie van haar vrienden heeft verloren. Uit de verklaringen blijkt dat het voor de nabestaanden en ook [slachtoffer 4] bijzonder zwaar is dat verdachte geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor het ongeval. Voor de ouders van [slachtoffer 1] is het onverteerbaar dat verdachte op enig moment heeft verklaard dat de 15-jarige [slachtoffer 1] heeft gereden.Het ongeval heeft ook in de gemeenschap van Anna Paulowna, waar alle slachtoffers deel van uitmaakten, heel veel emoties losgemaakt.
Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank gelet op:

De rechtbank heeft bij het bepalen van de strafsoort en de duur van de straf onder meer acht geslagen op de oriëntatiepunten straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). De rechtbank is van oordeel dat gelet op de mate van schuld van verdachte aan het ongeval en het feit dat als gevolg daarvan drie personen zijn overleden en een persoon zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen, uit het oogpunt van vergelding en preventie, uitsluitend een straf die een aanzienlijke periode van onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt, passend en geboden is. De rechtbank beseft dat geen enkele straf recht zal doen aan het gemis dat de nabestaanden, overige familie en vrienden van de drie omgekomen jongens hun leven lang nog zullen ervaren.Aan de andere kant houdt de rechtbank bij de strafoplegging rekening met de nog zeer jonge leeftijd van verdachte.De rechtbank is, in navolging van hetgeen GZ- psycholoog Oostra daarover heeft gerapporteerd, niet gebleken dat het geheugenverlies van verdachte samenhangt met de traumatische gebeurtenis dan wel onderdeel uitmaakt van een proceshouding, zodat hier bij het bepalen van de straf niet in strafverzwarende zin rekening mee wordt gehouden. Gelet op het feit dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring komt van roekeloosheid komt de rechtbank tot een lagere straf dan door de officier van justitie is geëist. De duur van de op te leggen vrijheidsbenemende straf en het ontbreken van de directe noodzaak om bijzondere voorwaarden te stellen brengen de rechtbank ertoe geen voorwaardelijk strafdeel op te leggen.
De rechtbank acht het tevens passend en geboden dat verdachte de rijbevoegdheid wordt ontzegd voor na te noemen duur.

In de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit, alsmede de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf, ziet de rechtbank aanleiding de schorsing van de voorlopige hechtenis per heden op te heffen.

- het op naam van verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 5 december 2018, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder ter zake van een verkeersdelict is veroordeeld, maar in 2015 als minderjarige een transactie heeft geaccepteerd voor een verkeersdelict, te weten het verlaten van de plaats ongeval; - het psychologisch rapport gedateerd 5 november 2018 voornoemd, waaruit blijkt dat bij verdachte ten tijde van het ongeval geen sprake was van een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, zodat het bewezenverklaarde volledig aan verdachte kan worden toegerekend en er geen directe noodzaak is tot het adviseren van een interventie in de vorm van begeleiding of behandeling; - het over verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport gedateerd 23 november 2018 van C.S. Pruis, werkzaam bij Reclassering Nederland, waaruit volgt dat de kans op recidive als laag wordt ingeschat.
8

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht;artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
beslissing

9

De rechtbank:




Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4.3.2 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 5. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van .

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van met aftrek overeenkomstig artikel 179, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Heft op de schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen doormr. S.I.A.C. Angenent-Bakker, voorzitter,mr. M.E. Francke en mr. H.E. van Harten, rechters,in tegenwoordigheid van de griffier mr. N. de Roo,en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 13 maart 2019.
Bewijsmiddelenbijlage

De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 26 februari 2019:

Ik word [naam] genoemd. De Peugeot 206 met [kenteken] is mijn auto.Ik heb op 31 augustus 2018 in de avond bier gedronken en geblowd.
Het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 4] bij de rechter-commissaris d.d. 11 februari 2019.

We reden veel te hard, we gingen heel snel [getuige] voorbij, die reed voor ons. Dat was net voor de bocht.

Ik heb niet gemerkt dat de bestuurder van de Peugeot voor de bocht remde. Ik werd vooral in mijn stoel gedrukt.Op een gegeven moment was het klaar en de groep ging vertrekken. Ik stapte in de grijze Golf. Ik ben op de passagiersstoel gaan zitten. Ik heb [getuige] achterin laten stappen. [getuige] is als bestuurder bij ons in de auto gestapt.

Ik zag dat [verdachte] op de bestuurdersstoel zat. [slachtoffer 4] zat op de bijrijdersstoel. [slachtoffer 1] zat achter de bestuurdersstoel en [slachtoffer 3] zat rechts achterin. Ik zag dat [slachtoffer 2] vervolgens in de auto werd gelaten door [slachtoffer 4] , en [slachtoffer 2] ging in het midden zitten achterin.

De ramen van onze auto stonden een klein stukje open. Toen wij bij de drempel waren ter hoogte van de Robijn hoorde ik de piepende banden van de auto en ik hoorde dat die auto veel toeren maakte. Ik weet dat de auto van [verdachte] een sportuitlaat en sport luchtfilter heeft. Ik herkende het geluid van die auto. Ik keek achterom en je zag dat de auto van [verdachte] op ons in liep. Ik zag aan de lichten van de auto van [verdachte] dat hij hard van de drempel reed omdat deze op en neer stuiterde. Op een gegeven moment haalt de auto van [verdachte] ons in. Wij reden op de rechterrijstrook en zij op de linkerrijstrook tegen het verkeer in. Wij reden ongeveer 80 à 90 km per uur. Ik weet dat omdat ik op de kilometerteller keek. Ik keek naar links. Ik zag dat [verdachte] achter het stuur zat. Ik zag dat hij zijn linkerhand bovenop het stuur had. Ik weet dat [verdachte] altijd zo in zijn auto zit. Ik zie dat [verdachte] ons voorbij rijdt. Ik voel dat [getuige] maximaal remt omdat wij op de bocht afreden. Ik zie dat de auto van [verdachte] gewoon doorgaat. Ik hoor dat de auto van [verdachte] blijft versnellen. Ik zie de achterlichten van [verdachte] zijn auto, maar ik zie geen remlichten. Ik zie [verdachte] de bocht insturen. Omdat er een deuk in het wegdek zit zag ik dat er vonken van de uitlaat afkwamen. Ik zag dat het linker achterwiel tegen de linker stoeprand aan kwam. Hierdoor kreeg de auto weer grip en schiet de auto naar de rechterkant van de weg. Ik zag dat de auto eerst tegen een verkeerspaal aan kwam en vervolgens tegen een boom. Ik zag dat de auto om zijn eigen as draaide. Ik zag dat achterklep van de auto open ging door de klap en door de slinger los kwam en over de weg schoot. Ik zag dat er mensen uit de auto geslingerd werden. Tijdens dit ongeval hoorde ik de gehele tijd een hoog toerental van de motor van de Peugeot, totdat de motor afsloeg.

Het proces-verbaal van verhoor [getuige] d.d. 2 september 2018 (p. 162-164).

Ik zag dat de Peugeot van [verdachte] haaks voor mijn auto stond. Ik zag [verdachte] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in de Peugeot stappen. Ik zag dat [verdachte] achter het stuur ging zitten. Ik zag dat [slachtoffer 4] de stoel van de bijrijder naar voren deed. Ik zag dat [slachtoffer 1] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] achterin in de Peugeot stapten. Ik weet zeker dat [slachtoffer 2] in het midden zat.

Ik reed met piepende banden weg, het pleintje af en vervolgens de Sportlaan op. Ik zag dat de Peugeot met [verdachte] achter het stuur meteen achter mij aan kwam. Ik reed ongeveer 60 kilometer per uur toen ik in mijn binnenspiegel de Peugeot van [verdachte] kort achter mij zag. Ik zag dat rechts voor mij een fietser reed. Ik wilde de fietser inhalen, waardoor ik licht opschoof naar links. Ik zag vervolgens dat [verdachte] met zijn Peugeot naast mij kwam. Ik was nog steeds opbouwend in mijn snelheid. Vlak voor de T-splitsing met de J.C. Geerligslaan zag ik dat [verdachte] inmiddels schuin links voor mij reed. Ik reed op dat moment tussen de 80 en 90 kilometer per uur. Dit zag ik omdat ik op mijn kilometerteller keek. Omdat er een bocht aan kwam begon ik met remmen. [verdachte] was op dat moment net voorbij mijn auto. Ik zag dat de Peugeot op mij uitliep. Ik heb op geen moment remlichten van de auto van [verdachte] zien branden. Ik zag dat de Peugeot van [verdachte] net na de kruising met de J.C. Geerligslaan aan de linkerzijde van de weg de stoep raakte. Ik zag dat de auto vervolgens als het ware haaks op de Sportlaan kwam, met de neus naar de linkerzijde van de weg. Ik zag dat de Peugeot over de Sportlaan richting de rechterzijde van de weg schoof en dat de Peugeot met de rechter achterzijde tegen een boom klapte. Ik zag de klep van de kofferbak van de auto afvliegen. Ik zag mensen door de lucht vliegen.Op een gegeven moment stond ik bij het zebrapad. Ik zag dat [verdachte] naar mij toe kwam. Dit was heteerste moment dat ik [verdachte] zag na het ongeval. Ik zag dat de zijkant van het gezicht van [verdachte] onder het bloed zat.
Het proces-verbaal van verhoor [getuige] d.d. 2 september 2018 (p. 142-144).

Ik zag bij het gemeentehuis dat [verdachte] achter het stuur zat van de Peugeot. Ik zag ook dat [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] al achterin de Peugeot zaten. Vervolgens zag ik dat [slachtoffer 4] voor [slachtoffer 2] de passagiersstoel naar voren deed zodat [slachtoffer 2] kon instappen.
Toen wij over de Sportlaan reden zag ik via de achteruitrijspiegel dat [verdachte] met zijn auto ons wilde gaan inhalen. Ik hoorde dat de auto van [verdachte] veel geluid ging maken, het klonk alsof hij het gaspedaal geheel indrukte.Net op het moment dat wij de fietser inhaalde, zag ik dat [verdachte] nog steeds achter het stuur zat en ons inhaalde. Nadat [verdachte] ons had ingehaald zag ik dat er een bocht aankwam naar rechts.
Het proces-verbaal van verhoor [getuige] d.d. 2 september 2018 (p. 146-149).

In de nacht van 31 augustus 2018 omstreeks 23:55 uur reed ik op de fiets over de Ruijsdaellaan te Anna Paulowna gemeente Hollands Kroon en sloeg rechtsaf de Sportlaan op. Ik zag onder een overkapping bij het oude gemeentehuis twee auto's staan. Die jongens kwamen bij mij achterop en ik zag dat ze naast elkaar reden en mij aan het inhalen waren. Toen ben ik linksaf geslagen de Jonkerlaan in en zij waren toen ter hoogte van de sporthal.Ik hoorde hen alleen maar gassen. Op het moment dat ik linksaf geslagen was hoorde ik een harde klap. Ze reden heel hard.
Het proces-verbaal van verhoor [getuige] d.d. 10 september 2018 (p. 283-284).

[slachtoffer 4] stapte in op de bijrijdersstoel. [slachtoffer 2] , [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] zaten achterin en [verdachte] zat achter het stuur. Ik weet zeker dat [verdachte] achter het stuur zat, ik heb namelijk nog even bij de auto naar binnen gekeken om die jongens gedag te zeggen en zag [verdachte] achter het stuur zitten met die drie jongens op de achterbank.
Een proces-verbaal rijden onder invloed d.d. 10 september 2018 (p. 193-195).

Op zaterdag 1 september 2018 om 02:34 uur, heeft de arts, [naam] [verdachte] bloed afgenomen conform Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer.
Ik, [verbalisant] heb de bloedmonsters overeenkomstig het bepaalde in het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, gewaarmerkt, direct verpakt en verzegeld, alsmede het bloedafnameformulier voorzien van een genummerde en op naam gestelde SIN-sticker "Analyse" met het [nummer] en SIN-sticker "Tegen Onderzoek" met het [nummer] . De corresponderende Sporen Identificatie Nummers (SIN-stickers) zijn op dit proces-verbaal aangebracht. De SIN sticker op het proces-verbaal vermeldt het [nummer] en de naam: [verdachte] .

Een deskundigenrapportage, te weten het NFI rapport 'Alcohol en drugs in het verkeer' d.d. 1 oktober 2018 (p. 197-198).

Te onderzoeken materiaal: [nummer] Bloed van [verdachte] .

Tabel Resultaten onderzoek in bloed van [verdachte] .

Een deskundigenrapportage, te weten het NFI rapport 'Snelheidsbepaling naar aanleiding van een eenzijdig verkeersongeval in Anna Paulowna op 1 september 2018' d.d. 13 november 2018 (ongenummerd).

Algemeen

De snelheidsbepaling is te betrekken op de bij het ongeval op de Sportlaan - gelegen binnen de bebouwde kom van Anna Paulowna - betrokken personenauto, de Peugeot 206 voorzien van het [kenteken] .
Uit ter plaatse aangetroffen sporen is gebleken dat de betrokken Peugeot kort na het passeren van het kruispunt met de J.C. Geerligslaan, met het linker achterwiel de linker opsluitband (stoeprand) heeft geraakt. De aangetroffen sporen kort na het kruispunt met de J.C. Geerligslaan zijn gegeven de voertuigbeweging waarschijnlijk afgetekend door de linker voorband. Dit wijst op een scheefstand van het voertuig (drifthoek) tijdens het aftekenen van de sporen, waaruit kan worden afgeleid dat op het moment van het contact met de opsluitband, de achterzijde van de Peugeot 'uitbrak' ten opzichte van de voorzijde. Vervolgens is de Peugeot grofweg 40 meter verder in de rechtsgelegen groenstrook geraakt en met de rechterzijde tegen een boom gebotst. Hieruit volgt een zeker S- vormig traject wat erop wijst dat de bestuurder van de Peugeot op/kort na het kruispunt met de J.C. Geerligslaan kennelijk de macht over het stuur is verloren en dat een (over)correctie ervoor heeft gezorgd dat de Peugeot aan de rechterzijde in de groenstrook is geraakt.
De berekening is gericht op het bepalen van de snelheid van de Peugeot bij de botsing met de boom. Op grond van de aftekening van de banden- en krassporen ter hoogte van de opsluitband bij de lantaarnpaal (aan de linkerzijde van de weg) is een globale voertuigbeweging te reconstrueren tot aan de boom. Het is waarschijnlijk dat in dit traject van enige snelheidsafname sprake is geweest, deze snelheidsafname is echter niet te kwantificeren. Het resultaat van de berekening moet in dat licht worden gezien als een onderschatting voor de snelheid waarmee het kruispunt met de J.C. Geerligslaan werd gepasseerd.

Conclusie

Een proces-verbaal Onderzoek plaats ongeval d.d. 30 september 2018 (p. 56, 57, 59, 65, 66-70).

6

colA

colB

colC

colD

colE

colF

Aangewezen stof

Meetbare stof

Grenswaarde indien enkelvoudig gebruikt

Grenswaarde indien in combinatie gebruikt

Eindresultaat in bloed

[nummer]

Rapportage eenheid

alcohol

ethanol

0,50 of 0,20

0,20

0,49

Milligram per milliliter

cannabis

THC

3,0

1,0

1,8

Microgram per liter

1.2.
Beknopte ongevalsbeschrijving

Op 1 september 2018, omstreeks 00:06 uur vond er op de Sportlaan te Anna Paulowna, gemeente Hollands Kroon, een verkeersongeval plaats. Bij dit ongeval was een personenauto betrokken. Deze personenauto reed in nagenoeg oostelijke richting. Kort na een flauwe bocht naar rechts (na het kruispunt met de J.C. Geerligslaan) raakte het betrokken voertuig de linker trottoirband. Vervolgens botste het voertuig tegen een boom in de rechterberm.
Bij dit ongeval was betrokken een vierwielige personenauto van het merk Peugeot, type 206, voorzien van het [kenteken] .

Bij dit ongeval waren de volgende personen betrokken: [verdachte] Licht gewond Tenaamgestelde voertuig [slachtoffer 4] Zwaar lichamelijk letsel [slachtoffer 3] Overleden [slachtoffer 1] Overleden [slachtoffer 2] Overleden
2.2.
Omschrijving plaats ongeval

De Sportlaan was gelegen binnen de bebouwde kom van Anna Paulowna, gemeente Hollands Kroon. De wettelijk toegestane maximum snelheid bedraagt ter plaatse 50 kilometer per uur.
De Sportlaan betreft een weg die niet ingedeeld kan worden in een wegcategorie. Van diversecategorieën zijn enkele basiskenmerken, volgens de richtlijnen van het CROW, aanwezig. Daarmeevalt de weg onder een “grijze weg”. De wegstructuur betreft een open verharding. Er is geenasmarkering aanwezig, er zijn kantstrepen aangebracht.
2.3
referentiepunt of 0-punt.

Ten behoeve van diverse afstandsmetingen, met name die betrekking hadden op de respectievelijkeeindposities en de aangetroffen sporen, werd de lantaarnpaal met reclamezuil als referentiepunt (of 0-punt) aangemerkt.
2.5.
Sporen op het wegdek

1. Een krasspoor op de - gezien de gereden richting - linker trottoirband, zeer waarschijnlijk afkomstig van de linkerachtervelg van de betrokken Peugeot. Het spoor paste namelijk in het totale aangetroffen sporenbeeld. Voorts werd op het aan de lantaarnpaal bevestigde reclamebord, op circa 70 cm hoogte vanaf het wegdek gemeten, een beschadiging aangetroffen. Deze beschadiging was te herleiden naar een beschadiging welke aan de linker zijkant van de verongelukte Peugeot werd aangetroffen. 2 Een krasspoor op de - gezien de gereden richting - rechter trottoirband. Om het krasspoor zijn tevens bandensporen zichtbaar, gevolgd door een rijspoor in de berm. Dit spoor is vermoedelijk afkomstig van een der rechterwielen van het betrokken voertuig. 3 Een sporenbeeld, vermoedelijk afkomstig van een der rechter wielen. Het spoor vangt aan met een bandenspoor op het wegdek, vervolgens zijn er krassporen op de trottoirband zichtbaar en het spoor eindigt met bandafdrukken op het trottoirband. 4 Een deel van de remschrijf, afkomstig van het rechterachterwiel. Deze schijf was vermoedelijk tijdens de botsing met de boom afgebroken. 5 Aangevende de markering van de betrokken boom. De beschadiging aan de boom was het gevolg van de botsing met vermoedelijk de rechterzijde van de betrokken Peugeot. De schade verliep tot een hoogte van 1,5 meter. 6 Een afgebroken bord, conform model L2 van de Bijlage I van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990. 7 Diverse sporen, waaronder een bandenspoor en een krasspoor. De aanvang van deze sporen lag op een afstand van 52 meter van het 0-punt. 8 Aluminium krasspoor, afkomstig van het rechtervoorwiel. Het spoor loopt door tot het rechtervoorwiel van de betrokken Peugeot. Het krasspoor, benoemd bij spoornummer 7 is vermoedelijk het beginpunt van dit krasspoor. 9 De achterklep van het betrokken voertuig was afgebroken en werd door ons aangetroffen op het linker trottoir, ter hoogte van de voetgangersoversteekplaats.10 De aangewezen positie waar de bijrijdster, betrokkene [slachtoffer 4] , werd aangetroffen. Op deze locatie is tevens een goudkleurig horlogeband aangetroffen.
- gebroken onderarm links waarvoor operatie- gebroken nekwervel waarvoor 12 weken halskraag
Een schriftelijk bescheid, te weten een schouwverslag d.d. 1 september 2018, opgemaakt door [naam] , forensisch arts KNMG (p. 350-351).

[slachtoffer 1] Overlijdensdatum 01-09-2018
Conclusie: niet natuurlijke dood
Een schriftelijk bescheid, te weten een schouwverslag d.d. 1 september 2018, opgemaakt door [naam] , forensisch arts KNMG (p. 352-353).

Overlijdensdatum 01-09-2018
Er is sprake van HET (hoog energetische trauma) hierdoor de letsels aan het hoofd met forse hersenbeschadiging met de dood als gevolg.Conclusie: niet natuurlijke dood
Een schriftelijk bescheid, te weten een schouwverslag d.d. 1 september 2018, opgemaakt door [naam] , forensisch arts KNMG (p. 354-355).

Overlijdensdatum 01-09-2018
Er is sprake van HET (hoog energetische trauma) hierdoor de letsels aan het hoofd met forse hersenbeschadiging met de dood als gevolg.Conclusie: niet natuurlijke dood
Een schriftelijk bescheid, te weten een geneeskundige verklaring d.d. 25 oktober 2018 (p. 125).

[slachtoffer 4]
De volgende letsels zijn geconstateerd:

Verwacht herstel duurt minimaal een jaar.

Een schriftelijk bescheid, te weten een brief opgemaakt door [naam] , arts-assistent neurologie d.d. 1 september 2018 (p. 126-127).

Patiënt naam: [slachtoffer 4]
Een schriftelijk bescheid, te weten een brief opgemaakt door [naam] , arts-assistent kindergeneeskunde d.d. 12 september 2018 (p. 128-129)

Patiënt naam: [slachtoffer 4]
Er was sprake van een laceratie oor rechts waarvoor operatieve correctie op 1/9.

Het proces-verbaal rijden onder invloed d.d. 10 september 2018 (p. 193-196).

Datum afgifte: 4 november 2016Datum eerste afgifte: 4 november 2016Bijzonderheden: Rijbewijs op naam van [verdachte]