Uitspraak ECLI:NL:RBNHO:2019:181

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht; Arbeidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 11-01-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Noord-Holland op 07-01-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBNHO:2019:181, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 7313519


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Bewindlocatie Zaanstad
Zaaknr./rolnr.: 7313519 \ AO VERZ 18-67Uitspraakdatum: 7 januari 2019
Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:

[verzoekster]

wonende te [woonplaats] verzoekende partij verder te noemen: [verzoekster]gemachtigde: mr. N.R. Schaap
tegen

de besloten vennootschap,gevestigd te Wormerveer verwerende partijverder te noemen: Bartexgemachtigde: mr. J. Blokker

ECLI:NL:RBNHO:2019:181:DOC
nl

RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Bewindlocatie Zaanstad
Zaaknr./rolnr.: 7313519 \ AO VERZ 18-67Uitspraakdatum: 7 januari 2019
Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:

[verzoekster]

wonende te [woonplaats] verzoekende partij verder te noemen: [verzoekster]gemachtigde: mr. N.R. Schaap
tegen

de besloten vennootschap,gevestigd te Wormerveer verwerende partijverder te noemen: Bartexgemachtigde: mr. J. Blokker
procesverloop

1

1.1.
[verzoekster] heeft een verzoek gedaan om toekenning van een billijke vergoeding. Bartex heeft een verweerschrift en een tegenverzoek ingediend.
1.2.
Op 3 december 2018 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. [verzoekster] heeft pleitaantekeningen overgelegd. Voorafgaand aan de zitting hebben partijen bij brieven van 28, 29 en 30 november 2018 nog stukken toegezonden.
2

2.1.
[verzoekster] , geboren [geboortedatum] 1992, is op 21 juni 2016 in dienst getreden bij Bartex. De laatste functie die [verzoekster] vervulde, is die van grafisch vormgever, met een salaris van € 2.346,10 bruto per maand. Voorafgaand aan de indiensttreding heeft [verzoekster] vanaf 29 oktober 2015 in dezelfde functie voor Bartex gewerkt via een uitzendbureau.
2.2.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv) heeft bij besluit van 10 juli 2018 aan Bartex toestemming gegeven voor opzegging van de arbeidsovereenkomst tussen partijen. In dat besluit heeft het Uwv overwogen dat er een redelijke grond is voor ontslag, te weten een bedrijfseconomische noodzaak om de arbeidsplaats van [verzoekster] te laten vervallen, en dat er geen herplaatsing mogelijk is.
2.3.
Bartex heeft de arbeidsovereenkomst bij brief van 26 juli 2018 opgezegd tegen 31 augustus 2018.
3. Het verzoek en het verweer

3.1.
[verzoekster] heeft, na wijziging van haar verzoek op de zitting, verzocht om ten laste van Bartex een billijke vergoeding toe te kennen van € 30.000,00 bruto. Volgens [verzoekster] moet een billijke vergoeding worden toegekend, omdat Bartex geen redelijke grond had voor opzegging van de arbeidsovereenkomst. [verzoekster] heeft daarbij aangevoerd dat er geen bedrijfseconomische noodzaak was voor haar ontslag, dat haar arbeidsplaats niet is vervallen, dat er in strijd is gehandeld met het zogenoemde afspiegelingsbeginsel, en dat er een mogelijkheid was tot herplaatsing.
3.2.
Bartex verweert zich en stelt dat het verzoek moet worden afgewezen. Bartex voert daartoe aan dat zij voldoende heeft aangetoond dat er een bedrijfseconomische noodzaak was voor het ontslag van [verzoekster] en dat er geen herplaatsingsmogelijkheden zijn.
overwegingen

4

4.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of aan [verzoekster] de door haar verzochte billijke vergoeding moet worden toegekend.
4.2.
In het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) staat dat de kantonrechter aan [verzoekster] een billijke vergoeding kan toekennen, als Bartex de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd in strijd met de wettelijke regels daarvoor (artikel 7:682 lid 1, onderdeel b, BW).
4.3.
De wettelijke regels waaraan Bartex zich bij een opzegging moet houden, komen erop neer dat Bartex een redelijke grond moet hebben voor die opzegging en dat herplaatsing van [verzoekster] binnen een redelijke termijn niet mogelijk is (artikel 7:669 lid 1 BW). Eén van de redelijke gronden voor opzegging is de noodzaak om arbeidsplaatsen te laten vervallen als gevolg van bedrijfseconomische omstandigheden (artikel 7:669 lid 3, onderdeel a, BW). Nadere wettelijke regels daarvoor staan in de zogenoemde Ontslagregeling.
4.4.
Naar het oordeel van de kantonrechter is voldoende gebleken dat Bartex een redelijke grond heeft voor opzegging, namelijk een bedrijfseconomische noodzaak om de arbeidsplaats van [verzoekster] te laten vervallen. Daarbij is het volgende van belang.
4.5.
Uit de stukken die Bartex heeft overgelegd, blijkt dat haar onderneming vanaf 2015 te maken heeft met een sterke afname van de omzet en met een toename van het verlies. De omzet was in 2015 nog ongeveer 2 miljoen euro, in 2016 ongeveer 1.4 miljoen euro en in 2017 ongeveer 1.1 miljoen euro. Het verlies is opgelopen van € 123.811,00 in 2016 naar € 478.988,00 in 2017. Onder die omstandigheden is het redelijk en begrijpelijk dat Bartex maatregelen neemt om op de kosten te besparen, door het laten vervallen van arbeidsplaatsen. Daartoe bestond gelet op de hiervoor genoemde financiële situatie van Bartex ook een bedrijfseconomische noodzaak. [verzoekster] heeft op de zitting kritische opmerkingen gemaakt over de door Bartex overgelegde stukken. Maar die opmerkingen van [verzoekster] gaan niet over het teruglopen van de omzet of het oplopen van de winst. Die opmerkingen kunnen daarom niet afdoen aan de bedrijfseconomische noodzaak voor Bartex om maatregelen te nemen.
4.6.
Bartex heeft toegelicht dat zij ervoor heeft gekozen om de functie van [verzoekster] te laten vervallen, omdat dit de meest directe manier was om te bezuinigen op de kosten. De werkzaamheden van [verzoekster] als grafisch ontwerper kunnen volgens die toelichting namelijk op projectbasis worden uitbesteed. Daardoor wordt per jaar een besparing bereikt van ongeveer€ 25.000,00. Verder heeft Bartex uitgelegd dat een zusteronderneming, Wildtex B.V., opdrachten heeft ingetrokken, waardoor verschillende grafische werkzaamheden van [verzoekster] zijn vervallen. Bartex heeft een e-mail van 8 juni 2018 overgelegd waaruit de intrekking van de opdrachten blijkt. De kantonrechter kan die toelichting en de uitleg van Bartex volgen. De door Bartex genomen maatregel om de arbeidsplaats van [verzoekster] te laten vervallen, is gelet daarop ook gericht op een doelmatige bedrijfsvoering. Daarbij weegt mee dat Bartex ruimte moet krijgen om haar onderneming zo in te richten dat het voortbestaan daarvan op langere termijn verzekerd is. Daarmee is niet alleen het belang van Bartex gediend, maar ook het belang van het behoud van werkgelegenheid in het algemeen.
4.7.
[verzoekster] stelt terecht dat Bartex gelet op de stukken deel uitmaakt van een groep van ondernemingen, zoals bedoeld in de Ontslagregeling. Bartex vormt namelijk samen met Bartex Beheer B.V., Wildtex Beheer B.V., Wildtex B.V. en Cameleon B.V. een economische eenheid, waarin groepsmaatschappijen organisatorisch zijn verbonden en een centrale leiding hebben (artikel 1, onderdeel e, Ontslagregeling).
4.8.
Volgens [verzoekster] moet bij de beoordeling van de bedrijfseconomische noodzaak van het ontslag gekeken worden naar alle ondernemingen in die groep als geheel. Dat standpunt van [verzoekster] is niet juist. Ook als een onderneming deel uitmaakt van een groep, moet de noodzaak voor het vervallen van arbeidsplaatsen worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden die van toepassing zijn op de onderneming waar de arbeidsplaatsen vervallen. Dat volgt ook uit de Ontslagregeling (artikel 3 Ontslagregeling). Ook de rechtspraak gaat hiervan uit (zie de uitspraak van de Hoge Raad van 13 juli 2018, gepubliceerd op www.rechtspraak. nl onder nummer ECLI:NL:HR:2018:1212 ()). De noodzaak van het vervallen van arbeidsplaatsen moet dus worden beoordeeld aan de hand van de bedrijfseconomische omstandigheden van Bartex en niet van de groep waartoe Bartex behoort. Daarbij neemt de kantonrechter in aanmerking dat Bartex een zelfstandige bedrijfsvoering heeft en haar bedrijfseconomische omstandigheden afzonderlijk kunnen worden beoordeeld.
4.9.
Ook als de kantonrechter de bedrijfseconomische noodzaak van het ontslag van [verzoekster] wel zou beoordelen op basis van de gehele groep ondernemingen, blijft het oordeel dat er een noodzaak is voor dat ontslag. Vast staat namelijk dat Bartex Beheer B.V. en Wildtex Beheer B.V. geen andere bedrijfsactiviteiten hebben dan het voeren van beheer. Cameleon B.V. heeft helemaal geen activiteiten en is een ‘lege’ vennootschap. Voor Wildtex B.V. is op of rond 12 november 2018 faillissement aangevraagd.
4.10.
De stelling van [verzoekster] dat Bartex in strijd handelt met het zogenoemde afspiegelingsbeginsel, gaat niet op. Het afspiegelingsbeginsel geldt voor een geval waarin de te vervallen arbeidsplaatsen uitwisselbare functies zijn. In zo’n geval komen per leeftijdsgroep binnen een categorie uitwisselbare functies de werknemers met het kortste dienstverband het eerst voor ontslag in aanmerking (artikel 11 Ontslagregeling). Een functie is uitwisselbaar met een andere functie, als die functies vergelijkbaar zijn wat betreft inhoud, vereiste kennis, vaardigheden en competenties, niveau en beloning (artikel 13 Ontslagregeling). De functie van [verzoekster] is die van grafisch vormgever. Er is maar één grafisch vormgever bij Bartex en binnen de groep van ondernemingen waartoe Bartex behoort. De functie van [verzoekster] is dus niet uitwisselbaar met andere functies. Het afspiegelingsbeginsel geldt daarom niet in dit geval.
4.11.
[verzoekster] heeft erop gewezen dat zij in de loop van de tijd allerlei verschillende werkzaamheden is gaan doen. Maar daarmee is de functie van [verzoekster] als grafisch ontwerper geen uitwisselbare functie geworden. Partijen zijn het niet eens over de precieze aard en inhoud van de feitelijke werkzaamheden van [verzoekster] . Vast staat wel dat grafische werkzaamheden nog steeds een wezenlijk deel uitmaken van de functie van [verzoekster] . [verzoekster] heeft dat in haar verzoek en op de zitting ook erkend. Ook heeft zij op de zitting erkend dat een door haar met name genoemde collega, met een korter dienstverband, geen grafische werkzaamheden kan verrichten. De functie van [verzoekster] is gelet daarop hoe dan ook uniek en niet uitwisselbaar.
4.12.
Bartex kan de arbeidsovereenkomst alleen opzeggen als herplaatsing van [verzoekster] binnen een redelijke termijn niet mogelijk is (artikel 7:669 lid 1 BW). Bij de beoordeling of een passende functie beschikbaar is bij Bartex of een onderneming van de groep waartoe Bartex behoort, waarin [verzoekster] kan worden herplaatst, moet worden gekeken naar arbeidsplaatsen waarvoor een vacature bestaat of binnen redelijke termijn een vacature zal ontstaan (artikel 9 lid 1, onderdeel a, Ontslagregeling). [verzoekster] heeft niet gesteld of toegelicht dat er zulke vacatures zijn. Er is ook niet gebleken dat er vacatures zijn of zullen ontstaan bij Bartex of één van de groepsondernemingen. De kantonrechter begrijpt dat [verzoekster] daarnaast stelt dat er een mogelijkheid tot herplaatsing is, omdat haar werk inmiddels zou zijn overgenomen door een student-stagiair. Daarbij is volstaan met een verwijzing naar een heel korte e-mail van een ex-collega. Daarmee is die stelling van [verzoekster] onvoldoende toegelicht en onderbouwd. Een student-stagiair verricht bovendien in het algemeen werkzaamheden die naar zijn aard tijdelijk zijn en niet structureel. Gelet daarop hoeft de arbeidsplaats van de student-stagiair, voor zover daarvan al sprake is, op grond van de Ontslagregeling niet te worden betrokken bij de herplaatsing (artikel 9, eerste lid, onderdeel b, Ontslagregeling). Om dezelfde reden was Bartex ook niet gehouden om eerst de arbeidsrelatie met de student-stagiair te beëindigen (artikel 17 Ontslagregeling).
4.13.
De conclusie is dat de opzegging niet in strijd is met de wettelijke regels daarvoor. Toekenning van een billijke vergoeding is alleen al daarom niet mogelijk. De kantonrechter zal het verzoek van [verzoekster] dan ook afwijzen.
4.14.
De proceskosten komen voor rekening van [verzoekster] , omdat zij ongelijk krijgt. De proceskosten worden vastgesteld op basis van de Aanbeveling schikking en proceskosten Wwz (te vinden op www.rechtspraak.nl). Dat leidt tot toekenning aan Bartex van een bedrag van € 600,00 aan kosten voor de advocaat van Bartex.
beslissing

5

De kantonrechter:

5.1.
wijst het verzoek af;
5.2
veroordeelt [verzoekster] tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van Bartex tot en met vandaag vaststelt op € 600,00 aan kosten voor de advocaat van Bartex;
5.3.
verklaart de veroordeling onder 5.2 van deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. P.J. Jansen, kantonrechter en op 7 januari 2019 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter