Uitspraak ECLI:NL:RBNHO:2019:180

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht; Arbeidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 11-01-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Noord-Holland op 03-01-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBNHO:2019:180, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 7378016


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Bewindlocatie Zaanstad
Zaaknr./rolnr.: 7378016 \ VV EXPL 18-104Uitspraakdatum: 3 januari 2019
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak (vonnis) van de kantonrechter in kort geding in de zaak van:

[eiser]

wonende te [woonplaats]eiser, verder te noemen: [eiser] gemachtigde: mr. C. Sesver
tegen

[gedaagde]

zaakdoende te [plaats] gedaagde, verder te noemen: [gedaagde]gemachtigde: R. Heiliegers

ECLI:NL:RBNHO:2019:180:DOC
nl

RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Bewindlocatie Zaanstad
Zaaknr./rolnr.: 7378016 \ VV EXPL 18-104Uitspraakdatum: 3 januari 2019
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak (vonnis) van de kantonrechter in kort geding in de zaak van:

[eiser]

wonende te [woonplaats]eiser, verder te noemen: [eiser] gemachtigde: mr. C. Sesver
tegen

[gedaagde]

zaakdoende te [plaats] gedaagde, verder te noemen: [gedaagde]gemachtigde: R. Heiliegers
beslissing

1

1.1.
De kantonrechter zal de vordering van [eiser] tot loondoorbetaling vanaf 6 november 2018 toewijzen. De vordering van [eiser] tot betaling van overuren zal worden afgewezen. Deze beslissing berust op de volgende gronden.
1.2.
[eiser] is wegens ziekte ongeschikt voor zijn werk op en na 6 november 2018. Daarover bestaat geen discussie. [eiser] heeft daarom recht op loondoorbetaling tijdens ziekte. Dat volgt uit de wet, het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) (artikel 7:629 lid 1 BW). [gedaagde] heeft erkend dat [eiser] recht heeft op 100% van het loon, namelijk € 2.300,00 bruto per maand.
1.3.
[gedaagde] heeft aan [eiser] een loonstop opgelegd (artikel 7:629 lid 3 BW). Die loonstop is onterecht, want er is niet gebleken dat [eiser] heeft geweigerd om mee te werken aan zijn re-integratie. Partijen hebben tot eind oktober 2018 via mediation geprobeerd om een geschil over re-integratie op te lossen. Dat is niet gelukt en de mediation is eind oktober 2018 gestaakt. Daarna is namens [gedaagde] in een e-mail van 2 november 2018, die bij de stukken zit, meteen een loonstop opgelegd. Dat kon [gedaagde] niet op die manier doen. Als [gedaagde] na het mislukken van de mediation de re-integratie weer wilde oppakken, door bijvoorbeeld een gesprek met [eiser] of werkhervatting door [eiser] , had zij [eiser] daarvoor eerst weer moeten oproepen of daartoe moeten sommeren. Dat heeft zij niet gedaan. [gedaagde] heeft op de zitting gezegd dat er na het beëindigen van de mediation en vóór de e-mail van 2 november 2018 nog een oproep of sommatie is gedaan aan [eiser] , maar dat is in deze procedure niet aannemelijk gemaakt. Daar zijn ook geen stukken van overgelegd. Omdat de loonstop onterecht is, heeft [eiser] recht op loondoorbetaling.
1.4.
De gevorderde wettelijke verhoging zal worden gematigd tot 10% en de wettelijke rente wordt toegewezen vanaf het moment van opeisbaarheid van het loon. [gedaagde] zal ook worden veroordeeld om salarisspecificaties te verstrekken vanaf 6 november 2018, omdat [gedaagde] hiertoe verplicht is en tegen deze vordering geen apart verweer is gevoerd. De dwangsom zal worden toegewezen tot € 100,00 per dag en met een maximum van € 10.000,00.
1.5.
De vordering van overuren wordt afgewezen. Dit kort geding is niet geschikt voor een beoordeling van die vordering, omdat er onvoldoende duidelijkheid is over de feiten en er sprake is van gecompliceerde berekeningen. Ook is er geen spoedeisend belang bij deze vordering, omdat het gaat om betaling van overuren die gemaakt zouden zijn vanaf 2013 tot november 2017.
1.6.
De gevorderde kosten van het deskundigenoordeel van het UWV worden afgewezen, omdat daarvoor geen wettelijke grond bestaat. Ook staat in de toepasselijke CAO Retail dat [eiser] deze kosten zelf moet dragen.
1.7.
Omdat partijen allebei deels ongelijk krijgen, zal worden bepaald dat partijen ieder de eigen proceskosten moeten dragen.

1.8.
De kantonrechter zal dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals door [eiser] gevorderd.
beslissing

2

De kantonrechter:

2.1.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van het verschuldigde salaris van € 2.300,00 bruto per maand, vermeerderd met alle emolumenten, vanaf 6 november 2018 tot aan de dag dat de dienstbetrekking rechtsgeldig beëindigd zal zijn;

2.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] salarisspecificaties vanaf 6 november 2018 te verstrekken, op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag met een maximum van € 10.000,00, voor elke dag dat [gedaagde] na betekening van dit vonnis hieraan niet voldoet;

2.3.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van de wettelijke verhoging over het salaris onder 2.1 wegens vertraging in de betaling daarvan, met een maximum van 10%;

2.4.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van de wettelijke rente over het salaris onder 2.1, vanaf het opeisbaar worden van dat salaris tot aan de dag van gehele betaling;

2.5.
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

2.6.
verklaart deze uitspraak uitvoerbaar bij voorraad;

2.7.
wijst de vordering voor het overige af.Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Jansen en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter