Uitspraak ECLI:NL:RBNHO:2019:116

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 08-01-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Noord-Holland op 02-01-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBNHO:2019:116, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 6875099 \ CV EXPL 18-3432


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventielocatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 6875099 \ CV EXPL 18-3432Uitspraakdatum: 2 januari 2019
Vonnis in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
Corendon Dutch Airlines B.V.

gevestigd te Lijndenopposanthierna te noemen Corendongemachtigde mr. M.E. Futselaar
tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
Claimingo B.V.

gevestigd te Utrechtgeopposeerdehierna te noemen Claimingogemachtigde mr. R. van Schendel

ECLI:NL:RBNHO:2019:116:DOC
nl

RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventielocatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 6875099 \ CV EXPL 18-3432Uitspraakdatum: 2 januari 2019
Vonnis in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
Corendon Dutch Airlines B.V.

gevestigd te Lijndenopposanthierna te noemen Corendongemachtigde mr. M.E. Futselaar
tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
Claimingo B.V.

gevestigd te Utrechtgeopposeerdehierna te noemen Claimingogemachtigde mr. R. van Schendel
procesverloop

1

1.1.
Claimingo heeft bij inleidende dagvaarding van 6 februari 2018 een vordering tegen Corendon ingesteld. Corendon is bij verstekvonnis van de kantonrechter van deze rechtbank in de zaak met kenmerk 6650224 CV EXPL 18-1152 van 14 maart 2018 veroordeeld.

1.2.
Bij dagvaarding van 13 april 2018 is Corendon in verzet gekomen van een vonnis van de kantonrechter van deze rechtbank van 4 januari 2018 in de zaak met kenmerk 6501446 CV EXPL 17-10771.
1.3.
Claimingo heeft hierop schriftelijk gereageerd, waarna Corendon een schriftelijke reactie heeft gegeven.
2

2.1.
[passagier 1], [passagier 2] en [passagier 3] (hierna: de passagiers) hebben met Corendon een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan Corendon de passagiers diende te vervoeren van Malaga (Spanje) naar Amsterdam-Schiphol op 21 juli 2017 met vluchtnummer CND594, hierna: de vlucht.

2.2.
De vlucht is door Corendon vertraagd uitgevoerd.

2.3.
Claimingo heeft door middel van cessie de vordering van de passagiers op Corendon gekocht. Claimingo heeft bij brieven van 27 september 2017 en 25 oktober 2017 compensatie van Corendon gevorderd in verband met voornoemde vertraging.

2.4.
Corendon heeft geweigerd tot betaling over te gaan.

2.5.
Claimingo heeft bij inleidende dagvaarding van Corendon, naast nevenvorderingen, betaling gevorderd van € 1.200,00. Claimingo heeft aan de vordering ten grondslag gelegd de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). Claimingo heeft gesteld dat Corendon vanwege de vertraging van de vlucht gehouden is haar, als rechtsopvolgster van de passagiers, te compenseren conform artikel 7 van de Verordening tot een bedrag van € 400,00 per passagier.

2.6.
Corendon is door de kantonrechter bij verstek veroordeeld tot betaling van het gevorderde. Ook de nevenvorderingen zijn toegewezen.
2.7.
Corendon vordert, in de verzetdagvaarding, het verstekvonnis van 14 maart 2017 () te vernietigen, de passagiers te veroordelen tot terugbetaling van al hetgeen door Corendon naar aanleiding van het verstekvonnis is betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling, althans vanaf de datum van de verzetdagvaarding en om de passagiers niet-ontvankelijk te verklaren, althans de vordering af te wijzen, met veroordeling van de passagiers in de proceskosten en de nakosten. .
2.8.
Daartoe voert Corendon aan dat de vordering van de minderjarige passagier [passagier 3] niet rechtsgeldig is gecedeerd, omdat niet valt te verifiëren of passagiers [passagier 2] en [passagier 1] de wettelijk vertegenwoordigers van [passagier 3] zijn en op de akte van cessie alleen een handtekening staat die niet overeenkomt met die van passagier [passagier 2]. Corendon stelt voorts (subsidiair) dat van passagiers [passagier 1] en [passagier 3] geen boekingsbescheiden zijn overgelegd. Van deze passagiers is niet gebleken dat zij een bevestigde boeking voor de onderhavige vlucht hadden, waardoor niet is gebleken dat hun vordering onder de werkingssfeer van de Verordening valt. De vordering van [passagier 1] en [passagier 3] dient daarom te worden afgewezen. Indien de passagiers en/of Claimingo ontvankelijk zijn in hun vordering, maken zij volgens Corendon geen aanspraak op compensatie, omdat de aankomstvertraging van de vlucht minder dan drie uur bedraagt.
overwegingen

3

3.1.
De kantonrechter stelt voorop dat Corendon in de verzetdagvaarding heeft vermeld op te komen tegen het vonnis van 4 januari 2018 zoals hierboven genoemd onder overweging 1.2. Corendon heeft echter bij de verzetdagvaarding een kopie van het hierboven onder 1.1. vermelde vonnis van 14 maart 2018 gevoegd en de verzetdagvaarding is inhoudelijk tegen dit vonnis gericht. De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat in de verzetdagvaarding sprake is van een verschrijving en dat Corendon in verzet komt tegen het vonnis van 14 maart 2018.
3.2.
Ten aanzien van de vordering van Claimingo voor het deel dat betrekking heeft op de minderjarige [passagier 3], oordeelt de kantonrechter dat Claimingo niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Claimingo stelt dat passagiers [passagier 1] en [passagier 2] de wettelijk vertegenwoordigers zijn van [passagier 3] en dat passagier [passagier 2] de akte van cessie van [passagier 3] heeft ondertekend. Claimingo heeft dit gemotiveerd betwist. Hiertegenover heeft Claimingo niet onderbouwd dat passagiers [passagier 1] en [passagier 2] de wettelijk vertegenwoordigers zijn van [passagier 3] en dat de akte van cessie van laatstgenoemde door (één van) zijn wettelijk vertegenwoordigers is ondertekend. Nu Claimingo dat heeft nagelaten, kan niet worden vastgesteld dat de vordering van [passagier 3] rechtsgeldig aan Claimingo is overgedragen. In zoverre slaagt het verzet tegen het verstekvonnis.

3.3.
Corendon heeft aangevoerd dat van [passagier 1] geen boekingsbescheiden zijn overlegd. De kantonrechter stelt vast dat uit de door de passagiers overgelegde e-mail van 26 mei 2017 voldoende blijkt dat de passagiers een bevestigde boeking hadden voor de onderhavige vlucht. Corendon heeft dit op zichzelf ook niet betwist. Gelet hierop neemt de kantonrechter als vaststaand aan dat is voldaan aan artikel 3, lid 2 sub a van de Verordening. Dit deel van het verzet slaagt daarom niet.

3.4.
Corendon heeft voorts aangevoerd dat de vordering van Claimingo voor het deel dat betrekking heeft op passagiers [passagier 1] en [passagier 2] moet worden afgewezen, omdat de vertraging op de eindbestemming minder dan drie uur bedroeg. De geplande aankomsttijd was volgens Corendon 21:45 uur en de daadwerkelijke aankomsttijd was 22:44z (00:44 uur lokale tijd). De passagiers bevestigen dat het toestel om 00:44 lokale tijd “on blocks” was. Volgens hen was de geplande aankomsttijd echter 21:35 uur (de kantonrechter begrijpt: lokale tijd). Weliswaar hebben de passagiers in de inleidende dagvaarding ook een aankomsttijd van 15:55 uur lokale tijd vermeld, maar de kantonrechter gaat ervan uit dat dit een verschrijving is. De passagiers hebben immers bij de inleidende dagvaarding een schema van “dutch plane spotters.nl” gevoegd, waarin als geplande aankomsttijd 21:35 uur staat vermeld. De passagiers hebben hiermee voldoende gesteld en onderbouwd dat de vertraging van de vlucht drie uur of meer bedroeg. Hiertegenover heeft Corendon onvoldoende aangetoond dat de vertraging minder dan drie uur was. De geplande aankomsttijd van 21:45 uur (de kantonrechter begrijpt: lokale tijd) die Corendon stelt, blijkt niet uit de door haar overgelegde Journey Log. In dat stuk is de verwachte/geplande aankomsttijd van de vlucht wit gemaakt. Voorts is gesteld noch gebleken dat het tijdstip waarop het toestel “on blocks” was ook gelijk was aan het tijdstip dat de passagiers het toestel konden verlaten (Germanwings-arrest van het Hof van 4 september 2014, ECLI:EU:C:2014:2141). Ook indien de geplande aankomsttijd 21:45 lokale tijd was en het toestel 00:44 uur “on blocks” was, moet er daarom van worden uitgegaan dat de passagiers niet eerder dan 3 uur na de geplande aankomsttijd het toestel konden verlaten. Nu Corendon voor het overige geen verweer heeft gevoerd, is de conclusie dat passagiers [passagier 1] en [passagier 2] recht hebben op compensatie ad € 400,00 per passagier. De gevorderde wettelijke rente over de toe te wijzen compensatie is als onvoldoende gemotiveerd weersproken eveneens toewijsbaar.

3.5.
De passagiers hebben een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van toepassing is. Daarom zal de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn toetsen aan de eisen zoals deze zijn geformuleerd in het rapport Voorwerk II. Corendon heeft deze vordering gemotiveerd betwist. De passagiers hebben twee aan Corendon gestuurde brieven overgelegd. Zij hebben hiermee onvoldoende aangetoond en onderbouwd dat de verrichte werkzaamheden meer hebben omvat dan de verzending van een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten moet daarom worden afgewezen.

3.6.
Gelet op het voorgaande is het verzet gedeeltelijk gegrond. De kantonrechter zal het vonnis van 14 maart 2018 vernietigen en met inachtneming van hetgeen in dit vonnis is overwogen opnieuw beslissen. De vordering van Corendon in verzet tot terugbetaling van hetgeen zij op grond van het verstekvonnis heeft voldaan, is niet toewijsbaar, nu Corendon niet heeft gesteld dat en/of welk bedrag zij reeds uit hoofde van het verstekvonnis van 14 maart 2018 heeft betaald.
3.7.
Nu beide partijen deels in het gelijk en deels in het ongelijk zijn gesteld, zal de kantonrechter de proceskosten compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

beslissing

4

De kantonrechter:

4.1.
verklaart het verzet gedeeltelijk gegrond en vernietigt het verstekvonnis van 14 maart 2018 en opnieuw beslissend:
4.2.
verklaart Claimingo niet-ontvankelijk in haar vordering voor het deel dat betrekking heeft op de minderjarige [passagier 3];
4.3.
veroordeelt Corendon tot betaling aan Claimingo van € 800,00 te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 12 oktober 2017 tot aan de dag van de gehele betaling;
4.4.
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
4.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
4.6.
wijst de vordering voor het overige af.
Dit vonnis is gewezen door W. Aardenburg, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter