Uitspraak ECLI:NL:RBMNE:2020:65

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 13-01-2020. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Midden-Nederland op 13-01-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBMNE:2020:65, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 16/659711-17 (P)


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrechtZittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16/659711-17 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 13 januari 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Marokko) in 1958, zonder bekende woon-of verblijfplaats in Nederland.

ECLI:NL:RBMNE:2020:65:DOC
nl

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrechtZittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16/659711-17 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 13 januari 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Marokko) in 1958, zonder bekende woon-of verblijfplaats in Nederland.
1

Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 28 september 2018 (regie) en 21 maart 2019 (regie) en op 18 en 19 november en 30 december 2019.

Op 18 en 19 november 2019 heeft de inhoudelijke behandeling plaatsgevonden, waarbij de strafzaak tegen verdachte gelijktijdig, maar niet gevoegd is behandeld met de strafzaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] . Op 30 december 2019 is het onderzoek op de terechtzitting gesloten.

De verdachte is, hoewel de dagvaarding op de juiste wijze is betekend, op geen van de terechtzittingen verschenen en evenmin is een gemachtigd raadsman of raadsvrouw verschenen. Dit vonnis is derhalve bij verstek gewezen.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vorderingen en standpunten van officier van justitie mr. B. Nitrauw.

2

1.
2.
3.
De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

3

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4

Inleiding

Onderliggende strafzaak tegen zeven verdachten heeft betrekking op het onderzoek 09Cosby, dat is gestart naar aanleiding van door de politie ontvangen informatie dat enkele leden van de familie [familie] zich bezig zouden houden met de invoer van hasj. Gedurende het onderzoek zijn daar tegen de verschillende verdachten nog andere verdenkingen van strafbare feiten bijgekomen. Aan alle verdachten is de deelname aan een criminele organisatie ten laste gelegd welke organisatie als doel had het plegen van Opiumwet feiten. In de optiek van het Openbaar Ministerie richtte die organisatie zich op de hasjhandel in Nederland in het algemeen, het opzetten van hennepkwekerijen in Spanje en op de levering van hasj aan coffeeshops in Amsterdam.
Verdachte [verdachte] wordt daarnaast samen met medeverdachten [medeverdachte 5] en [medeverdachte 3] verdacht van het verkopen van hasjiesj gedurende een aantal maanden in eetcafé [eetcafé] (feit 3), dat in eigendom is van medeverdachte [medeverdachte 3] en waar verdachte werkte. Daarnaast wordt verdachte het bezit van een plak hasj van 98,87 gram in zijn kamer boven het eetcafé verweten (feit 2).

4.1
Feiten 2 en 3

De rechtbank is, met de officier van justitie van oordeel dat de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.
Bewijsmiddelen feit 2

Verdachte heeft het onder 2 ten laste gelegde feit bij de politie bekend, er is geen vrijspraak bepleit en het feit is ook door verdachte begaan. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:
Bewijsmiddelen feit 3

Verdachte heeft het onder 3 ten laste gelegde feit bij de politie bekend, er is geen vrijspraak bepleit en het feit is ook door verdachte begaan. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:
Gelet op de hiervoor opgesomde bewijsmiddelen acht de rechtbank bewezen dat verdachte vanaf 16 november 2015 zich schuldig heeft gemaakt aan – kortgezegd – de verkoop van hasjiesj.

-

een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor van verdachte van 19 mei 2019, documentcode 2016-05-12.1337.8192, opgemaakt door de politie Midden-Nederland, inhoudende een , doorgenummerde pagina 2154 e.v.;

een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 10 februari 2016, documentcode 2016021008207310, opgemaakt door de politie Midden-Nederland, betreffende de ter inbeslagname in de woning aan de [adres] te [woonplaats] , doorgenummerde pagina 2454 e.v.;

een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van met nummer 2014203884-41, opgemaakt door de politie Midden-Nederland, doorgenummerde pagina’s 3026 e.v.

-

een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor van verdachte van 19 mei 2019, documentcode 2016-05-12.1337.8192, opgemaakt door de politie Midden-Nederland, inhoudende een , doorgenummerde pagina 2154 e.v.;

een in wettige vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen camerasysteem café [eetcafé] van 28 april 2016, opgemaakt door de politie Midden-Nederland, doorgenummerde pagina’s 42 e.v.

4.2
Vrijspraak feit 1

Onder feit 1 wordt verdachte verweten deel te hebben genomen aan een organisatie gericht op het opzetten van hennepkwekerijen in Spanje, de im- en export van hennep en de handel in hasj.
De rechtbank is, met de officier van justitie, van oordeel dat op grond van de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen het onder 1 ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Voor een bewezenverklaring van een ‘criminele organisatie’ moet worden vastgesteld dat twee of meer personen een samenwerkingsverband hadden, met een zekere duurzaamheid en structuur, en dat dit samenwerkingsverband het oogmerk had bepaalde misdrijven te plegen. Niet vereist is dat alle leden hebben samengewerkt of bekend waren met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is.

Voor een bewezenverklaring van ‘deelneming’ aan een criminele organisatie is vereist dat de verdachte behoort tot het samenwerkingsverband en daarnaast een aandeel heeft in het samenwerkingsverband, dan wel gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie ondersteunt. Daarbij moet worden opgemerkt dat niet iedere bijdrage kan leiden tot het oordeel dat iemand deel uitmaakt van de organisatie. De bijdrage moet een zekere duur en intensiteit hebben. Tot slot moet bewezen kunnen worden dat verdachte opzet had op het deelnemen aan de organisatie. Voldoende daarvoor is dat verdachte in zijn algemeenheid weet dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft.

De rechtbank overweegt het volgende. Op grond van hetgeen de rechtbank hiervoor onder de feiten 2 en 3 heeft vastgesteld acht de rechtbank bewezen dat verdachte samen met anderen gedurende ongeveer 2,5 maand hasjiesj heeft verkocht aan bezoekers van eetcafé [eetcafé] en een plak hasj in bezit heeft gehad. Behoudens het bezit van de hasj en de betrokkenheid bij het verkopen van de hasjiesj, bevat het dossier verder geen bewijs voor enige andere relevante bijdrage van verdachte aan een criminele organisatie. Weliswaar heeft verdachte in opdracht van [medeverdachte 1] eenmaal geld verzonden naar en eenmaal geld ontvangen uit Spanje via een money transfer, maar het dossier bevat geen aanwijzingen dat verdachte zich bewust was van de herkomst en bestemming van het geld of van een criminele organisatie.
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de rol van verdachte, ook gezien de ruime tenlastelegging van feit 1 en de invulling die de officier van justitie hier tijdens de inhoudelijke behandeling aan heeft gegeven, te beperkt en te ver verwijderd was van de bezigheden van de criminele organisatie en aldus niet van voldoende duur en intensiteit was. Op basis van het dossier kan bovendien niet worden vastgesteld dat verdachte zich bewust was van het bestaan van een criminele organisatie en/of behoorde tot een samenwerkingsverband en daarmee opzet had op de deelname. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van deelname aan een criminele organisatie.

5

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

2.op 9 februari 2016 in Utrecht opzettelijk aanwezig heeft gehad 98,87 gram van een materiaal bevattende een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hasjhiesj), zijnde hasjiesj een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;
3.op tijdstippen in de periode van 16 november 2015 tot en met 09 februari 2016 in Utrecht tezamen en in vereniging met een of meer anderen, (telkens) heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt, een hoeveelheid van niet meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.
Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

2. opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;3. medeplegen van handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
7

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8

8.1
De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot:
- een geldboete van € 200,- (ten aanzien van feit 2)- een geldboete van € 2.000,- (ten aanzien van feit 3)- hechtenis van 2 weken geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren (ten aanzien van feit 3).
8.2
Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de draagkracht van verdachte.
Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van één plak hasj en aan het verkopen van hasj gedurende tweeënhalve maand vanuit het eetcafé waar hij werkte. Het ongereguleerd verkopen van drugs brengt een bedreiging voor de volksgezondheid met zich mee en leidt tot onrust in de samenleving. Achter de illegale handel in drugs gaat bovendien een wereld van georganiseerde criminaliteit schuil die wordt gekenmerkt door intimidatie en geweld. Verdachte heeft door drugs te verkopen daaraan een bijdrage geleverd.
Persoon van verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van het de verdachte betreffende strafblad van 15 november 2019 waaruit blijkt dat verdachte - hetzij lang geleden (veroordelingen uit 2004 en ouder) - eerder is veroordeeld. De rechtbank zal dit gegeven in het voordeel noch in het nadeel van verdachte meewegen.
Vaak wordt een bekennende houding van een verdachte in het voordeel van de verdachte meegewogen bij het bepalen van de strafmaat doordat een bekennende verdachte verantwoording neemt voor zijn daden. Verdachte [verdachte] is echter na het afleggen van zijn verklaring bij de politie uit beeld verdwenen en heeft Nederland verlaten, waardoor hij niet beschikbaar was om als getuige te worden gehoord in de zaken van zijn medeverdachten en om bij zijn eigen berechting aanwezig te zijn. Dat getuigt niet van het nemen van verantwoordelijkheid. De bekennende houding van verdachte wordt aldus niet in zijn voordeel betrokken bij de straftoemeting.

Strafoplegging – LOVS-oriëntatiepunten

De oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS gaan voor het voorhanden hebben van een hoeveelheid (tussen de 31 en 100 gram) hasj uit van een geldboete van €200,-.Voor het handelen in softdrugs bestaan geen LOVS-oriëntatiepunten. De rechtbank gaat daarom uit van straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. De rechtbank acht in beginsel voor het verkopen van hasj gedurende de bewezen verklaarde periode een werkstraf voor de duur van 60 uur passend. Omdat de verdachte geen bekende woon- of verblijfplaats in Nederland heeft, wat het uitvoeren van een werkstraf onmogelijk maakt, acht de rechtbank een geldboete van omgerekend € 2.000,- passender.
Overschrijding redelijke termijn

Uitgangspunt is dat binnen twee jaar nadat een verdachte kon vermoeden dat hij voor een strafbaar feit vervolgd zou gaan worden een uitspraak in de strafzaak wordt gedaan. De rechtbank stelt vast dat verdachte op 19 mei 2016 is gehoord als verdachte. Op die datum is de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden aangevangen. Dit is namelijk het moment waarop vanwege de Nederlandse Staat jegens verdachte een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zou worden ingesteld. De behandeling in eerste aanleg is niet binnen twee jaar na aanvang van de redelijke termijn met een eindvonnis afgerond, terwijl niet van bijzondere omstandigheden is gebleken die deze overschrijding rechtvaardigen. De redelijke termijn is met ruim 19 maanden overschreden. De rechtbank zal hiermee bij de strafoplegging rekening houden, in die zin dat zij in plaats van een boete van € 2.000,- een boete van € 1.700 zal opleggen voor feit 3. Voor feit 2 vindt, gelet op de hoogte van de daar op te leggen boete, geen vermindering plaats
Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een geldboete van €1.700,-, te vervangen door 27 dagen hechtenis (feit 3) en een geldboete van €200,- te vervangen door 4 dagen hechtenis (feit 2), passend en geboden is.

9

De officier van justitie heeft gevorderd dat de in beslag genomen plak hasj zal worden onttrokken aan het verkeer. De rechtbank zal de hasj onttrekken aan het verkeer nu feit 2 met betrekking tot de plak hasj is begaan.

10

De beslissing berust op de artikelen 23, 24c, 36b en 36c, 47 en 62 van het Wetboek van Strafrecht, en artikelen 3 en 11 van de Opiumwet, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

beslissing

11

- verklaart het onder 1 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;
- verklaart het onder 2 en 3 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;
- verklaart het onder 2 en 3 bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;- verklaart verdachte strafbaar;
- veroordeelt verdachte voor het onder 2 bewezen verklaarde tot een geldboete van € 200,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 4 dagen;
- veroordeelt verdachte voor het onder 3 bewezen verklaarde tot een geldboete van € 1.700,- bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 27 dagen;
- verklaart het voorwerp G1641363 (1 plak hasj) onttrokken aan het verkeer.
- ( in de uitoefening van een bedrijf of beroep) opzettelijk telen, bereiden,- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren,- het voorhanden hebben van ruimten, gelden en/of andere betaalmiddelen
De rechtbank:

Vrijspraak

Bewezenverklaring

Strafbaarheid

Oplegging straffen

Beslag

Dit vonnis is gewezen door mr. E.J. van Rijssen, voorzitter, mrs. H.F. Koenis en C. van de Lustgraaf, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. Harskamp-Snoeren, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 13 januari 2020.
Bijlage: de gewijzigde tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1.hij in of omstreeks de periode van 01 maart 2015 tot en met 09 februari 2016in de gemeente Utrecht en/of (elders) in Nederland en/of in Spanje,heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit verdachte en/of een ofmeer anderen, te weten (onder andere) [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] ,welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven alsbedoeld in artikel 11 derde, vierde en/of vijfde lid van de Opiumwet en/ofartikel 11a van de Opiumwet, namelijk:
bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren vanhoeveelheden hasjiesj in elk geval een materiaal bevattende een gebruikelijkvast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennepwaaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj en/ofhennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst IIen/of
van hoeveelheden hasjiesj in elk geval een materiaal bevattende eengebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen vanhennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesjen/of hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst IIen/of
verstrekken, vervoeren en/of aanwezig hebben van grote hoeveelhedenhasjiesj in elk geval een materiaal bevattende een gebruikelijk vast mengselvan hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen anderesubstanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj en/of hennep een middel vermeldop de bij de Opiumwet behorende lijst II en/of
en/of gegevens, waarvan hij, verdachte en/of een of meer andereperso(o)n(en) wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat dezebestemd was/waren tot het plegen van een van de in artikel 11 derde en/ofvijfde lid van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten;Art. 11 lid 1 Opiumwet
2.hij op of omstreeks 09 februari 2016 in de gemeente Utrecht opzettelijkaanwezig heeft gehad ongeveer 98,87 gram, in elk geval een hoeveelheid vanmeer dan 30 gram, van een materiaal bevattende een gebruikelijk vast mengselvan hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen anderesubstanties zijn toegevoegd (hasjhiesj), zijnde hasjiesj een middel vermeld opde bij de Opiumwet behorende lijst II;art 3 ahf/ond C Opiumwetart 11 lid 2 Opiumwet
3.hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 09 september2014 tot en met 09 februari 2016 in de gemeente Utrecht tezamen en invereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) heeft verkochten/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, een hoeveelheid van niet meerdan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardigeelementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijntoegevoegd, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwetbehorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3avan die wet;art 3 ahf/ond B Opiumwetart 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht