Uitspraak ECLI:NL:RBMNE:2020:480

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 12-02-2020. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Midden-Nederland op 12-02-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBMNE:2020:480, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 16/155343-19 (P)


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

StrafrechtZittingsplaats Lelystad
Parketnummer: 16/155343-19 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 12 februari 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,
geboren op [1992] te [geboorteplaats] (Polen),wonende te [adres] , [woonplaats] , inschrijfadres: [adres] , [woonplaats] (Polen).

ECLI:NL:RBMNE:2020:480:DOC
nl

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

StrafrechtZittingsplaats Lelystad
Parketnummer: 16/155343-19 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 12 februari 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,
geboren op [1992] te [geboorteplaats] (Polen),wonende te [adres] , [woonplaats] , inschrijfadres: [adres] , [woonplaats] (Polen).
1

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 2 oktober 2019, 18 december 2019 en 29 januari 2020. Op laatstgenoemde datum vond de inhoudelijke behandeling plaats.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. D.C. Smits en van hetgeen verdachte en zijn raadsman mr. J.M. dan Dam, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht.

2

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er in het kort op neer dat verdachte:

primair

op 29 juni 2019 in Dronten heeft geprobeerd [A] opzettelijk van het leven te beroven;

subsidiair:

op 29 juni 2019 in Dronten [A] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht;

meer subsidiair:

op 29 juni 2019 in Dronten geprobeerd heeft [A] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

3

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4

4.1
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.
4.2
Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde.
4.3
Het oordeel van de rechtbank

Op basis van het dossier kan het volgende worden vastgesteld. Op 29 juni 2019 rond 01:50 uur is bij de politie een melding binnen gekomen van een geweldsincident op de [adres] in [woonplaats] . Ter plaatse werd het slachtoffer [A] (hierna: [A] ) bloedend aangetroffen op de gang van de eerste verdieping. [A] bleek steekverwondingen te hebben. In kamer [nummer] van het gebouw, de kamer van het slachtoffer en van verdachte, werden bij het bed van [A] bloedsporen aangetroffen. Vanaf deze kamer liep een bloedspoor door de gang naar de plek waar het slachtoffer is aangetroffen. Verder bleek dat de kamerdeur van kamer [nummer] op slot gedraaid was en dat het raam van de kamer open was.

[A] heeft verklaard dat hij op 29 juni 2019 rond 01:00 uur klaar was met werk. Verdachte heeft verklaard dat [A] rond 01:40 de kamer binnenkwam. Zowel [A] als verdachte hebben verklaard dat zij toen ruzie hebben gehad, omdat [A] het licht aandeed en daardoor verdachte wakker maakte. [A] heeft verklaard dat hij daarna is gaan douchen, in een doucheruimte buiten de (slaap)kamer. Hij heeft verder verklaard dat hij van het steekincident geen enkele herinnering heeft. Verdachte heeft verklaard dat hij na de ruzie de kamer heeft verlaten en [A] daarna niet meer heeft gezien. Hij is nog teruggekomen in de kamer om zijn jas te pakken, heeft toen de deur op slot gedraaid en is vervolgens naar buiten gegaan om te wandelen in het park. Rond 06:10 uur is verdachte, nadat hij zag dat de politie was vertrokken, teruggekeerd naar het wooncomplex, waar hij vervolgens door de politie is aangehouden. Verdachte en [A] (onder andere als getuige ter terechtzitting) hebben verklaard dat zij allebei een sleutel van de kamer hebben en dat de beheerder van het wooncomplex ook een sleutel van de kamer heeft.
Hoewel het voorgaande diverse aanwijzingen bevat die erop zouden kunnen duiden dat het verdachte kan zijn geweest die [A] gestoken heeft - de ruzie tussen beiden en het feit dat er ook bloed van [A] aanwezig is in de kamer waar hij en verdachte op enig moment samen waren - is de rechtbank van oordeel dat dit in de gegeven omstandigheden niet met een voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld. Een bewijsconstructie waarbij ‘het niet anders kan zijn dan dat verdachte het feit heeft gepleegd’ is in deze ook niet mogelijk. De rechtbank komt tot die conclusie op basis van de volgende omstandigheden:

Gelet op het voorgaande, en met name het ontbreken van redengevend forensisch bewijs, is de rechtbank van oordeel dat het ten laste gelegde niet overtuigend kan worden bewezen, zodat verdachte vrijgesproken dient te worden.

Omdat verdachte integraal wordt vrijgesproken is de voorlopige hechtenis bij afzonderlijke beslissing van 30 januari 2020 opgeheven.

-

[A] weet niet wie hem gestoken heeft (en is er stellig over dat het niet verdachte is geweest);

er zijn geen getuigen die iets gezien hebben van het incident, een en ander in combinatie met de uiteenlopende plekken in het gebouw waar bloedsporen van [A] zijn aangetroffen;

het (steek)wapen is niet aangetroffen, zodat deze niet op sporen is/kon worden onderzocht;

er is niet (microscopisch) onderzocht of verdachte bloed aan zijn handen heeft gehad (en dit er eventueel heeft afgewassen);

er is geen bloedsporenonderzoek aan de kleding van verdachte verricht;

er is geen onderzoek gedaan aan het open raam in de kamer van het slachtoffer en verdachte of daar mogelijk dadersporen aanwezig waren.

beslissing

5

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart het ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door mr. N.P.J. Janssens, voorzitter, mrs. A.W.M. van Hoof en M. Ferschtman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.J. van Klompenburg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 12 februari 2020.
Mr. A.W.M. van Hoof is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

hij, op of omstreeks 29 juni 2019 te Dronten ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [A] opzettelijk van het leven te beroven,die [A] met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen, althans eenmaal, in zijn borst(streek) en/of bovenarm, althans in het (boven)lichaam) heeft gestoken en/of gesneden en/of geprikt,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij, op of omstreeks 29 juni 2019 te Dronten aan [A] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een klaplong en/of steekwond(en), heeft toegebracht door die [A] met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen, althans eenmaal, in zijn borst(streek) en/of bovenarm, althans in het (boven)lichaam) te steken en/of te snijden en/of te prikken;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij, op of omstreeks 29 juni 2019 te Dronten ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf omaan [A] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [A] met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen, althans eenmaal, in zijn borst(streek) en/of bovenarm, althans in het (boven)lichaam) heeft gestoken en/of gesneden en/of geprikt,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.