Uitspraak ECLI:NL:RBMNE:2020:1107

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 26-03-2020. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Midden-Nederland op 26-03-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBMNE:2020:1107, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is NL19.13550


Bron: Rechtspraak


1. in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van2. in haar hoedanigheid van curator in het faillissement van ,
vonnis

_

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht Zittingsplaats Utrecht
zaaknummer: NL19.13550
Vonnis van 26 maart 2020

[eiser] ,wonende te [woonplaats] ,eiser, hierna te noemen: [eiser] ,advocaat mr. H.A.J. Stollenwerck te Maastricht, tegen
[ziekenhuis] BV,wonende te Amstelveen,
wonende te Amerongen,verweerders, hierna samen te noemen: de curatoren, advocaat mr. B.A. van Schelven te Utrecht.

ECLI:NL:RBMNE:2020:1107:DOC
nl

1. in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van2. in haar hoedanigheid van curator in het faillissement van ,
vonnis
_

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht Zittingsplaats Utrecht
zaaknummer: NL19.13550
Vonnis van 26 maart 2020

[eiser] ,wonende te [woonplaats] ,eiser, hierna te noemen: [eiser] ,advocaat mr. H.A.J. Stollenwerck te Maastricht, tegen
[ziekenhuis] BV,wonende te Amstelveen,
wonende te Amerongen,verweerders, hierna samen te noemen: de curatoren, advocaat mr. B.A. van Schelven te Utrecht.
1

1.1.
[eiser] heeft een procesinleiding met bijlagen ingediend en daarmee een vordering ingesteld tegen de curatoren. De curatoren hebben in een verweerschrift (met bijlagen) verweer gevoerd. [eiser] heeft een nader stuk ingediend. De mondelinge behandeling was op 13 februari 2020. Daarbij waren aanwezig de heer [eiser] , bijgestaan door mr. Stollenwerck en de heer Nowee en mevrouw Van der Schee, bijgestaan doormr. Van Schelven. Ter zitting is afgesproken dat mr. Stollenwerck de spreekaantekeningen die hij ter zitting heeft voorgedragen en die door de rechter zijn geparafeerd, in het digitale systeem zal uploaden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van de mondelinge behandeling. Aan het eind van de mondelinge behandeling heeft de rechter meegedeeld dat schriftelijk uitspraak wordt gedaan.
2

2.1.
[eiser] werkte van 21 september 2009 tot 1 maart 2019 als reumatoloog in het [ziekenhuis] (hierna: het [ziekenhuis] ). In de periode van 21 september 2009 tot 1 januari 2012 werkte hij daar als vrijgevestigd specialist in maatschapsverband (hierna: de vrijgevestigde periode). Van 1 maart 2012 tot 1 mart 2019

werkte hij op basis van een arbeidsovereenkomst met het [ziekenhuis] (hierna: de loondienstperiode).

2.2.
Op 25 oktober 2018 is het [ziekenhuis] in staat van faillissement verklaard en zijn de curatoren belast met het beheer en de vereffening van de boedel.

2.3.
Op 1 maart 2019 zijn in het kader van de doorstart van het [ziekenhuis] alle activa en de bedrijfsvoering overgedragen aan Ziekenhuis St Jansdal (hierna:St Jansdal). De curatoren zijn daarbij met St Jansdal overeengekomen dat St Jansdal de dossiers zal bewaren van de patiënten die in het [ziekenhuis] werden behandeld.
2.4.
[eiser] werkt nu als reumatoloog bij de Stichting [stichting] (hierna: [stichting] ).

2.5.
[eiser] vordert primair dat de rechtbank St Jansdal opdracht geeft om digitale kopieën te verstrekken van de reumatologiedossiers van alle patiënten die hij in het [ziekenhuis] heeft behandeld in de periode van 21 september 2009 tot 1 maart 2019. Subsidiair vordert hij de kopieën van deze patiëntendossiers over de vrijgevestigde periode van 21 september 2009 tot 1 januari 2012. [eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat hij moet voldoen aan zijn plicht de dossiers van de patiënten die hij heeft behandeld te bewaren gedurende een in de wet bepaalde termijn.

2.6.
De curatoren hebben tegengesproken dat zij verplicht zijn om de gevraagde kopieën van de patiëntendossiers aan [eiser] te verstrekken.

overwegingen

3

3.1.
St Jansdal is geen partij in deze procedure. De rechtbank neemt aan dat het gaat om een verschrijving van [eiser] in het petitum van zijn vordering. Uit proceseconomisch oogpunt leest de rechtbank de vordering van [eiser] zo dat rechtbank de curatoren opdraagt er voor te zorgen dat St Jansdal kopieën van de dossiers aan [eiser] verstrekt. Door lezing van de vordering op deze manier worden de curatoren niet in hun belang geschaad. Het debat tussen partijen is ook steeds zo gevoerd.
Het wettelijk kader

3.2.
Afdeling 7.7.5 BW – de Wet geneeskundige behandelingsovereenkomst (hierna: Wgbo) – regelt de juridische relatie tussen de patiënt en de hulpverlener.

3.3.
In artikel 7:446 BW is de hulpverlener gedefinieerd. Op grond van dit artikel is de hulpverlener een natuurlijk persoon of een rechtspersoon die zich in de uitoefening van een geneeskundig beroep of bedrijf tegenover de patiënt (als opdrachtgever) verbindt tot het verrichten van geneeskundige handelingen. De hulpverlener is degene die de behandelovereenkomst met de patiënt is aangegaan; dus ook een kliniek of ziekenhuis kan in juridische zin hulpverlener zijn. Een natuurlijk persoon wordt alleen aangemerkt als hulpverlener in de zin van de wet als hij als beroepsbeoefenaar zelfstandig – dus niet in dienst van een natuurlijke persoon of een rechtspersoon – zijn praktijk uitoefent. Dit betekent voor de juridische verhouding tussen patiënt en hulpverlener het volgende:
-

de arts die in loondienst van het ziekenhuis werkt, is geen hulpverlener als bedoeld in de Wgbo, omdat de patiënt de behandelingsovereenkomst enkel met het ziekenhuis sluit en niet met de behandelend arts (zie ook Asser/Tjong Tjin Tai 7-IV 2018/396 en Kamerstukken II 1989/90, 21561, 3 pagina 27);

de arts die als beroepsbeoefenaar zelfstandig de praktijk in het ziekenhuis uitoefent, is wel hulpverlener als bedoeld in de Wgbo, omdat de patiënt in dat geval zowel met de arts als met het ziekenhuis een behandelingsovereenkomst sluit. In dat geval zijn zowel de arts als het ziekenhuis hulpverlener als bedoeld in de Wgbo.

3.4.
Artikel 7:454 BW legt de hulpverlener de verplichting op om een patiëntendossier in te richten en de in het dossier aanwezige stukken te bewaren, gedurende ten minste twintig jaar nadat deze stukken zijn vervaardigd (tot 1 januari 2020 was deze bewaartermijn vijftien jaar). In artikel 7:456 BW is bepaald dat de hulpverlener de patiënt op diens verzoek inzage verstrekt in en afschrift van het dossier.

3.5.
Het patiëntendossier is het geheel van gegevens die op de patiënt betrekking hebben. Het bijhouden en het bewaren van deze gegevens in het dossier is van belang voor een goede hulpverlening aan de patiënt, voor de overdracht van de behandeling aan andere hulpverleners en toekomstige behandelingen, en voor de beoordeling van de behandeling bij aansprakelijkstellingen en in tuchtprocedures. Bij het bijhouden van het dossier en dus ook bij de plicht tot het bewaren daarvan gedurende een bepaalde periode staat het belang van de patiënt voorop.

3.6.
Verder is van belang dat de patiëntgegevens bijzondere persoonsgegevens zijn in de zin van artikel 9 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (Verordening 2016/79/EU; hierna: AVG)) en de daarbij behorende Uitvoeringswet AVG (Wet van 16 mei 2018, Stb. 2018, 144; hierna: UAVG). Het uitgangspunt is dat het verwerken van deze gegevens verboden is, (artikel 9.1 AVG) tenzij een ontheffingsgrond voor dat verbod aanwezig is (artikel 9.2 AVG). Een ontheffingsgrond is bijvoorbeeld dat de patiënt daarvoor uitdrukkelijk toestemming heeft gegeven (artikel 22.2.a UAVG) of de ontheffing voor zorgverleners in artikel 30.3.a Uitvoeringswet AVG. Dit artikel bepaalt dat hulpverleners, instellingen of voorzieningen voor gezondheidszorg of maatschappelijke dienstverlening patiëntgegevens mogen verwerken voor zover dat noodzakelijk is met het oog op een goede behandeling of verzorging van de betrokkene dan welhet beheer van de betreffende instelling of beroepspraktijk. Verder bepaalt artikel 30.4 UAVG dat patiëntgegevens uitsluitend mogen worden verwerkt door personen die uit hoofde van hun ambt, beroep of wettelijk voorschrift dan wel krachtens een overeenkomst tot geheimhouding zijn verplicht.
De patiëntendossiers van het [ziekenhuis] na het faillissement

3.7.
De curatoren hebben toegelicht dat zij in het kader van hun beheertaak van de failliete boedel geen hulpverlener zijn als bedoeld in de Wgbo, maar dat zij wel verplicht zijn er voor te zorgen dat wordt voldaan aan de op het [ziekenhuis] rustende bewaarplicht van de patiëntendossiers op grond van artikel 7:454 BW. De curatoren zijn daarmee de ‘verwerkingsverantwoordelijke’ in de zin van de AVG voor de patiëntendossiers, maar zij laten deze dossier- en bewaarverplichtingen op grond van een verwerkersovereenkomst uitvoeren door St Jansdal. St Jansdal is daarmee ‘verwerker’ in de zin van de AVG. Dat betekent dat St Jansdal de medische dossiers alleen mag verwerken op instructie van de curatoren en niet voor eigen doeleinden mag iken. Er is dus geen

sprake van overdracht van de dossiers (en de bewaarplicht) aan St Jansdal en dit ziekenhuis is in dit kader ook geen ‘hulpverlener’ in de zin van de Wgbo. In het kader van de verwerkersovereenkomst heeft St Jansdal een apart IT-systeem ingericht waarin de medische dossiers van het [ziekenhuis] gescheiden van de medische dossiers van St Jansdal worden bewaard. Als een patiënt toestemming geeft aan het [ziekenhuis] om zijn of haar patiëntendossier over te dragen aan een andere zorgaanbieder, zullen de curatoren St Jansdal instrueren dat te doen. Op de website van het [ziekenhuis] wordt uitgelegd dat de patiëntendossiers bij St Jansdal worden bewaard en er kan een formulier worden gedownload waarmee de patiënt kan verzoeken zijn dossier over te dragen aan zijn nieuwe behandelaar.

3.8.
Bij de beoordeling van dit geschil gaat de rechtbank uit van de hiervoor weergegeven feitelijke gang van zaken, zoals door de curatoren is geschetst en toegelicht. [eiser] heeft deze niet tegengesproken. [eiser] heeft ook niet aangevoerd dat deze manier van bewaren in strijd is met de bewaarplicht en/of de geheimhoudingsplicht van de hulpverlener of dat patiëntengegevens worden verwerkt in strijd met de regels van de AVG. Ook de rechtbank ziet geen aanknopingspunt om te oordelen dat deze wijze van bewaren in strijd is met een wettelijk voorschrift.

3.9.
Verder is niet in geschil dat de dossiers van de patiënten die na het faillissement van het [ziekenhuis] bij [eiser] in behandeling zijn gebleven aan hem zijn overgedragen en dat dit ook zal gebeuren met de dossiers van zijn vroegere patiënten die zich alsnog/opnieuw bij hem zullen melden voor behandeling.
Het arrest van de Hoge Raad van 25 mei 2012 (ECLI:NL:HR2012:BV8508)

3.10.
[eiser] beroept zich op het arrest van de Hoge Raad van 25 mei 2012 (hierna: het arrest), waarin is overwogen (punt 3.3. van het arrest):“(…). In cassatie is uitgangspunt dat zowel (naam specialist) als de Kliniek dient te worden aangemerkt als (zelfstandig) hulpverlener ter zake van de hiervoor in 3.2.1. bedoelde patiënten.Art.7:454 BW legt op iedere hulpverlener de verplichting om een dossier in te richten en te bewaren. Op grond van art. 7:456 dient de hulpverlener aan de patiënt desgevraagd zospoedig mogelijk inzage in of afschrift van het dossier te geven. Uit deze bepalingen vloeit voort dat iedere hulpverlener dient te beschikken over de dossiers van patiënten voor zover deze door hem als hulpverlener zijn behandeld, hetgeen meebrengt dat hij in zoverre (in beginsel) recht heeft op in ieder geval een kopie van die dossiers. In geval als het onderhavige, waarbij verschillende hulpverleners uiteengaan is daarom geen sprake van onnodig kopiëren van patiëntendossiers (…).”
In dit arrest leidt de Hoge Raad het recht op een kopie-dossier af van de hoedanigheid van hulpverlener als bedoeld in de Wgbo. De rechtbank maakt daarom bij de beoordeling van het recht van [eiser] op kopieën onderscheid tussen de loondienstperiode en de vrijgevestigde periode
De loondienstperiode

3.11.
Zoals hiervoor in 3.3 is overwogen, is de arts in loondienst geen hulpverlener als bedoeld in de Wgbo. Voor de periode dat [eiser] in loondienst bij het

[ziekenhuis] werkte, rust op hem dus niet de verplichting om de dossiers van patiënten die hij in die periode heeft behandeld te bewaren. Volgens [eiser] moet er echter een uitzondering worden gemaakt op dit uitgangspunt, vanwege de bijzondere omstandigheid dat het ziekenhuis failliet is gegaan. Daardoor is volgens hem onvoldoende gewaarborgd dat de dossiers gedurende de gehele bewaartermijn voldoende zorgvuldig worden bewaard. Dit maakt volgens [eiser] dat hij ook over de loondienstperiode in deze faillissementssituatie van het ziekenhuis gekwalificeerd moet worden als hulpverlener in de zin van artikel 7:446 BW.

3.12.
De rechtbank volgt deze redenering van [eiser] niet. Het faillissement van het [ziekenhuis] brengt geen wijziging in de juridische relatie tussen [eiser] en de patiënten die hij in zijn loondienstperiode bij dit ziekenhuis behandelde. Door het faillissement is [eiser] dan ook niet (met terugwerkende kracht) te kwalificeren als hulpverlener in juridische zin en evenmin is een bewaarplicht voor [eiser] ontstaan. De zorg van [eiser] of als gevolg van het faillissement ook in de toekomst de bewaarplicht van patiëntendossiers voldoende zorgvuldig zal worden nagekomen gedurende de gehele looptijd, is onvoldoende reden om af te wijken van de hoofdregel dat de arts in loondienst geen hulpverlener is in de zin van de Wgbo en op hem dus geen bewaarplicht rust.

3.13 .
De rechtbank heeft geen reden om er aan te twijfelen dat door de maatregelen van de curatoren ook voor de lange termijn is gewaarborgd dat de dossiers worden bewaard. De Autoriteit Persoonsgegevens die toezicht houdt op de naleving van de wettelijke regels voor bescherming van persoonsgegevens, heeft er mee ingestemd dat bij faillissement van een ziekenhuis de curator gedurende de wettelijke bewaartermijn de zorg draagt van de patiëntendossiers, totdat deze worden overgedragen aan de (opvolgend) hulpverlener. Verder is van belang dat de curatoren voor de bewaarplicht op de lange termijn afspraken hebben gemaakt met de Minister van Medische Zorg, waarbij is toegezegd dat het Ministerie voor Volksgezondheid Welzijn en Sport (VWS) de kosten zal dragen voor het bewaren en toegankelijk houden van de dossiers voor het geval gedurende de bewaartermijn de bewaarplicht niet is overgegaan op een (opvolgend) hulpverlener (zie TK 2018-2019, 31016, nr 13 pagina 11 onder het kopje “medisch dossier”). Met deze afspraken wordt tegemoet gekomen aan de zorg van [eiser] dat het [ziekenhuis] als hulpverlener in de zin van de Wgbo eventueel ophoudt te bestaan, in het (volgens de curatoren onwaarschijnlijke) geval dat het faillissement definitief zou worden afgewikkeld voordat de bewaartermijn van alle patiëntendossiers zou zijn verstreken.

3.14.
[eiser] heeft ook niet duidelijk gemaakt dat en waarom bij hem de bewaarplicht beter zou zijn gewaarborgd. In dit verband hebben de curatoren er op gewezen dat [eiser] nog slechts enkele jaren van zijn pensioen is verwijderd, zodat het aannemelijk is dat de bewaartermijn van tenminste een aantal patiëntendossiers nog enige tijd doorloopt terwijl hij niet meer als reumatoloog werkzaam is. Ook dan is het de vraag waar deze dossiers bewaard moeten worden. De door [eiser] genoemde optie dat [stichting] deze verplichting dan op zich zal nemen, biedt geen betere garantie dan de bewaring bij St Jansdal. Bij dit alles moet bovendien niet uit het oog worden verloren dat het hier niet gaat om dossiers van patiënten die bij [eiser] onder behandeling zijn gebleven of in de toekomst weer bij hem in behandeling komen. Voor die patiënten geldt dat het patiëntendossier aan [eiser] is of wordt overgedragen. Het gaat dus enkel om dossiers van patiënten die in het verleden door [eiser] zijn behandeld en van wie de behandeling na het faillissement niet bij hem (en

evenmin elders) is voortgezet. [stichting] (en de eventuele opvolger van [eiser] daar) heeft dus net zo min een (behandel)relatie met deze patiënten als St Jansdal.

3.15.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat [eiser] in de loondienstperiode geen aanspraak kan maken op een digitale kopie van de patiëntendossiers uit deze periode.
De vrijgevestigde periode

3.16.
De curatoren hebben er op gewezen dat [eiser] geen stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij in de vrijgevestigde periode voor eigen rekening en risico overeenkomsten sloot met zijn patiënten. Daarom is volgens de curatoren niet komen vast te staan dat hij destijds (zelfstandig) hulpverlener was in de zin van de Wgbo. [eiser] heeft naar voren gebracht dat hij in deze periode in maatschapsverband met een andere reumatoloog werkte en met het [ziekenhuis] een (standaard) Toelatingsovereenkomst had gesloten. Hij beschikt echter niet meer over stukken waarmee hij de rechtsverhouding kan aantonen tussen hem en het [ziekenhuis] en tussen hem en de patiënten die hij destijds behandelde, aldus [eiser] .

3.17.
Hoewel dat op basis van de beschikbare gegevens niet met zekerheid kan worden vastgesteld, gaat de rechtbank voor de beoordeling van dit geschil uit van de veronderstelling dat [eiser] gedurende de vrijgevestigde periode hulpverlener was als bedoeld in de Wgbo, zodat voor hem in die periode een bewaarplicht gold. In die p.eriode rustte de bewaarplicht dus zowel op [eiser] als op het [ziekenhuis] .

3.18.
De vrijgevestigde periode van [eiser] werd gevolgd door de loondienstperiode. Partijen verschillen er over van mening wat het gevolg daarvan is voor de bewaarplicht van de patiëntendossiers. Volgens [eiser] betekent dit dat de bewaarplicht moet worden opgeknipt: hij heeft – tezamen met het [ziekenhuis] – de bewaarplicht voor de patiëntendossiers in de periode dat hij vrijgevestigd was en het [ziekenhuis] heeft alleen de bewaarplicht voor de patiëntendossiers voor de daarop volgende loondienstperiode. De curatoren stellen zich op het standpunt dat op het moment dat [eiser] in loondienst is gaan werken, de geneeskundige behandelingsovereenkomsten met alle door [eiser] in de vrijgevestigde periode behandelde patiënten en daarmee dus ook de bewaarplicht van de dossiers van die patiënten zijn ‘overgegaan’ op het [ziekenhuis] .

3.19.
Bij de beoordeling van deze standpunten over de bewaarplicht maakt de rechtbank onderscheid tussen:
Patiënten van wie de behandeling is voortgezet in de loondienstperiode

-

patiënten van wie de behandeling is begonnen toen [eiser] vrijgevestigd was en van wie de behandeling is voortgezet in de loondienstperiode (maar die thans niet meer bij [eiser] en evenmin elders in behandeling zijn); en

patiënten van wie de behandeling is begonnen toen [eiser] vrijgevestigd was en definitief was geëindigd vóórdat [eiser] in loondienst ging werken.

3.20.
In de vrijgevestigde periode wordt aangenomen dat patiënten een geneeskundige behandelingsovereenkomst sloten met zowel [eiser] als het IJsselmeerziekenhu De

bewaarplicht rustte daarmee op het [ziekenhuis] en [eiser] gezamenlijk, maar het is aannemelijk dat er feitelijk maar één patiëntendossier was. Voorheen was dit een fysiek dossier, later waren de dossiers digitaal. Door de overgang van [eiser] van vrijgevestigd arts naar een arts in loondienst veranderde er niets aan die feitelijke situatie. Er bleef één dossier in het ziekenhuis en [eiser] kon dit inzien als dat nodig was voor de behandeling van zijn patiënten (of anderszins).

3.21.
[eiser] was in zijn loondienstperiode geen hulpverlener (meer). [eiser] stelt dat de bewaarplicht voor de dossiers van de patiënten die op het moment dat hij in loondienst ging nog bij hem onder behandeling waren, ook in de toekomst op hem zou blijven rusten, maar dan uitsluitend voor dat deel van het dossier dat in de vrijgevestigde periode is opgebouwd. Naar het oordeel van de rechtbank is deze stelling niet logisch en zou een dergelijke gang van zaken leiden tot een voor de patiënt onoverzichtelijke ‘opsplitsing’ van zijn patiëntendossier. Bovendien dient een dergelijke ‘opsplitsing’ geen enkel doel. Voor inzage in het (volledige) patiëntendossier kan de voormalig patiënt van [eiser] zich tot (de curatoren van) het [ziekenhuis] wenden. Op het [ziekenhuis] rust immers voor de gehele behandelperiode (en dus voor het volledige patiëntendossier) een bewaarplicht. Net zo als bij patiënten wiens behandeling pas is aangevangen in de loondienstperiode. De rechtbank ziet niet in op welke manier het belang van de patiënt gediend zou zijn bij de mogelijkheid om zich daarnaast voor inzage in een beperkt deel van het patiëntendossier – namelijk uitsluitend dat deel van het dossier dat dateert uit de vrijgevestigde periode van [eiser] – ook tot [eiser] te kunnen wenden. De patiënt krijgt daarmee immers de beschikking over een patiëntendossier dat per definitie onvolledig is. De redenering van [eiser] zou bovendien meebrengen dat voor het verschaffen van informatie aan de patiënt onderscheid moet worden gemaakt tussen de vrijgevestigde periode en de periode in loondienst bij het [ziekenhuis] . Voor de patiënt is het onderscheid tussen loondienst of vrijgevestigd echter vaak niet eens duidelijk en bovendien is een dergelijk onderscheid ook vanuit het onderliggende belang van de bewaarplicht voor de patiënt, niet goed verklaarbaar.

3.22.
Op grond van het voorgaande volgt de rechtbank de redenering van de curatoren dat de bewaarplicht van de dossiers van de patiënten die [eiser] reeds behandelde op het moment dat hij in loondienst is gaan werken, vanaf dat moment uitsluitend en in zijn geheel op het [ziekenhuis] rustte. Illustratief is de vergelijking met de situatie waarin een hulpverlener het dossier op verzoek van een patiënt aan een opvolgend hulpverlener heeft overgedragen. In dat geval rust de bewaarplicht voor het na de overdracht op de hulpverlener die de behandeling heeft overgenomen en niet langer op zijn voorganger (zie ook Asser/Tjong Tjin Tai 7-IV 2018/429). Dat betekent dat op [eiser] vanaf het moment dat hij in loondienst ging werken – en hij dus geen hulpverlener meer was als bedoeld in de Wgbo – niet langer de juridische plicht rustte om de dossiers van de patiënten van wie de behandeling werd te bewaren, maar deze plicht vanaf dat moment uitsluitend nog op het [ziekenhuis] rustte. Ook voor deze categorie patiëntendossiers geldt dus dat [eiser] geen aanspraak kan maken op afgifte van een digitale kopie.
Patiënten van wie de behandeling geëindigd was voor de overgang naar loondienst

3.23.
Het gaat hier om patiënten van wie de behandeling definitief was geëindigd ten tijde van de overgang van de vrijgevestigde periode naar de periode van loondienst. Dit

moet worden onderscheiden van de situatie dat de behandeling is geëindigd omdat de patiënt naar een andere hulpverlener is overgestapt. Die situatie is voor dit geschil niet van belang, omdat in dat geval het dossier en daarmee de bewaarplicht (voor het ) aan de opvolgend hulpverlener wordt overgedragen.

3.24.
In de periode vóórdat [eiser] in loondienst ging werken, waren [eiser] en het [ziekenhuis] beiden hulpverlener in de zin van de Wgbo en het valt niet goed in te zien waarom de bewaarplicht voor die afgebakende periode uitsluitend op het [ziekenhuis] zou rusten. Het argument dat het dossier zou worden ‘opgesplitst’ met het onwenselijke gevolg dat er verschillende perioden zijn te onderscheiden, zoals hiervoor in 3.21 is besproken, is niet aan de orde. De rechtbank zal ervan uitgaan dat de bewaarplicht voor de dossiers van deze categorie patiënten op [eiser] en het [ziekenhuis] gezamenlijk rust.

3.25.
Dan is vervolgens de vraag of de bewaarplicht van [eiser] voor deze dossiers leidt tot toewijzing van de vordering van [eiser] tot het verstrekken van kopieën van deze patiëntendossiers.

3.26 .
[eiser] baseert zijn recht op afgifte van de kopieën van de dossiers op het arrest van de Hoge Raad (zie hiervoor in 3.10). In het arrest is geoordeeld dat de vrijgevestigde arts in kwestie recht had op kopieën van de dossiers van zijn voormalig patiënten. Uit het arrest blijkt dat het uitgangspunt is dat de hulpverlener moet kunnen beschikken over de dossiers van de patiënten die hij heeft behandeld om zo aan zijn bewaarplicht te kunnen voldoen en de patiënt desgevraagd zo spoedig mogelijk inzage in of afschrift van het dossier te kunnen verstrekken. In beginsel heeft de hulpverlener in zoverre recht op kopieën van die dossiers. Er zijn echter omstandigheden denkbaar die meebrengen dat de bewaarplicht van een hulpverlener niet zonder meer recht geeft op een kopie van de betreffende patiëntendossiers. Het arrest van de Hoge Raad biedt ook die ruimte. In de bijzondere omstandigheden van dit geval, is de rechtbank van oordeel dat [eiser] in de verhouding tussen hem en de curatoren geen recht heeft op een kopie van de dossiers van de patiënten die hij in zijn vrijgevestigde periode heeft behandeld. Dit oordeel is gebaseerd op het volgende.

3.27.
De situatie in de zaak van [eiser] verschilt op essentiële punten van die waarover de Hoge Raad heeft geoordeeld. Allereerst ging het in het arrest van de Hoge Raad om een vrijgevestigde hulpverlener die steeds als zodanig aan de instelling in kwestie verbonden was geweest. Voor [eiser] geldt (de veronderstelling) dat hij weliswaar de eerste 2 jaar en 4 maanden als de vrijgevestigd hulpverlener aan het ziekenhuis verbonden is geweest, maar dat hij het grootste deel van zijn werkzame periode bij het ziekenhuis – namelijk 7 jaar en 2 maanden – in loondienst is geweest. Dit maakt dat voor de bewaarplicht van de dossiers van de patiënten die hij in die hele periode heeft behandeld een tamelijk ingewikkeld en bovendien arbitrair onderscheid moet worden gemaakt tussen de hiervoor in 3.19 genoemde verschillende categorieën patiënten. Voor de dossiers van de patiënten die [eiser] uitsluitend in zijn vrijgevestigde periode heeft behandeld geldt wél een bewaarplicht, terwijl dit níet geldt voor de dossiers van de patiënten die hij (ook) in zijn periode in loondienst heeft behandeld. Daarbij gaat het naar verwachting maar om een beperkt aantal patiëntendossiers ten aanzien waarvan [eiser] daadwerkelijk een bewaarplicht heeft. Een reumatoloog behandelt over het algemeen immers patiënten met een chronische aandoening. Het aantal patiënten waarvan de behandeling heeft plaatsgevonden in de vrijgevestigde

periode tussen 21 september 2009 en 1 januari 2012 en op 1 januari 2012 (definitief) was geëindigd, zal waarschijnlijk klein zijn. In het arrest van de Hoge Raad waar [eiser] zich op baseert, zijn deze complicerende aspecten niet meegewogen bij het recht van de hulpverlener op kopieën van de patiëntendossiers.

3.28.
Bovendien gaat het bij [eiser] niet om de beëindiging van de samenwerking tussen twee hulpverleners, maar om de afwikkeling van een faillissement waarbij een groot aantal artsen en patiënten betrokken is. De curatoren hebben toegelicht dat het vanwege het faillissement gaat om ca. 500.000 dossiers van patiënten die in behandeling waren bij ca. 120 medisch specialisten. Dit maakt dat het tijdrovend is en hoge kosten met zich brengt als aan elke hulpverlener kopieën zouden moeten worden verstrekt van de dossiers van alle patiënten die de hulpverlener heeft behandeld. Bovendien geldt voor het overgrote deel van de medische specialisten dat zij – net als [eiser] – aanvankelijk als vrijgevestigd specialist aan het ziekenhuis waren verbonden en op een later moment bij het ziekenhuis in loondienst zijn gegaan. Ook voor deze specialisten moet dus voor de beoordeling van de bewaarplicht en het eventueel daarmee gepaard gaande recht op kopieën, onderscheid worden gemaakt tussen de vrijgevestigde periode en de loondienstperiode. Daarbij komt dat in veel dossiers meerdere hulpverleners bij de behandeling van een patiënt betrokken zijn (geweest), zodat per dossier beoordeeld moet worden welk gedeelte van dat dossier in kopie ter beschikking van de betreffende hulpverlener zou moeten worden gesteld. Dit zou leiden tot onverantwoord hoge kosten ten laste van de failliete boedel, aldus de curatoren. Ook dit bijzondere aspect is in het eerdergenoemde arrest van de Hoge Raad niet meegewogen.

3.29.
Vanzelfsprekend dient een hulpverlener te kunnen voldoen aan de verplichtingen die op grond van de Wgbo op hem rusten en moet hij in dat kader ook kunnen voldoen aan het verzoek van een patiënt om inzage in- of afschrift van zijn dossier. Hiertoe dient een hulpverlener te allen tijde toegang tot patiëntendossiers te hebben als dat nodig is. Daarvoor is echter niet onder alle omstandigheden noodzakelijk dat de hulpverlener ook daadwerkelijk beschikt over kopieën van de dossiers. Zoals hiervoor is overwogen, is met de door de curatoren gekozen constructie gewaarborgd dat alle patiëntendossiers van patiënten die in het [ziekenhuis] zijn behandeld, gedurende de hele bewaartermijn worden bewaard. Ook is geregeld hoe deze patiënten inzage in- of een afschrift van hun dossier kunnen krijgen als zij daarom vragen. Op dezelfde wijze is het voor [eiser] mogelijk om toegang te krijgen tot de patiëntendossiers van de patiënten die hij in zijn vrijgevestigde periode als hulpverlener heeft behandeld. Op die wijze is het voor hem dus ook mogelijk om te voldoen aan zijn verplichtingen als hulpverlener, waaronder zijn bewaarplicht die door bewaring van de dossiers bij St Jansdal onder verantwoordelijkheid van de curatoren voldoende is geborgd. De rechtbank herhaalt nogmaals dat een onderscheid met de dossiers van patiënten die [eiser] (mede) in zijn loondienstperiode heeft behandeld – en ten aanzien waarvan hij dus geen bewaarplicht heeft – ook in dit opzicht niet goed verklaarbaar en evenmin functioneel zou zijn.

3.30.
[eiser] stelt als voornaamste belang om over een kopie van deze dossiers te kunnen beschikken dat als een voormalig patiënt zich bij hem meldt met acute klachten, hij onmiddellijk informatie nodig heeft om te kunnen beoordelen welke diagnose in het verleden is gesteld en welke behandeling toen heeft plaatsgevonden. Dit argument maakt naar het oordeel van de rechtbank echter niet dat voorbij moet worden gegaan aan de hiervoor genoemde bezwaren tegen het op voorhand verstrekken van kopieën van deze categorie dossiers aan [eiser] . Dit probleem kan zich voordoen, maar is vergelijkbaar met

de situatie dat een patiënt zich met een acuut probleem wendt tot een andere behandelaar. In die gevallen is in het algemeen aanvaard dat die andere behandelaar met (veronderstelde) toestemming van de patiënt inzage krijgt in het dossier dat zich bevindt bij de hulverlener met de bewaarplicht. Dit geldt op dezelfde manier voor [eiser] ten aanzien van de dossiers die bij St Jansdal worden bewaard. Verder is van belang - naast de door de curatoren genoemde praktische bezwaren - dat uit oogpunt van privacy van de patiënten het aantal kopieën van een dossier zo beperkt mogelijk blijft. Bovendien heeft [eiser] ter zitting aangegeven dat hij er zelf geen zicht op heeft welke (en hoeveel) patiënten hij (uitsluitend) in de vrijgevestigde periode heeft behandeld. Zoals eerder overwogen, gaat dat naar verwachting om een heel beperkt aantal dossiers dat overigens moeilijk te traceren zal zijn. Vervolgens zou in de betreffende dossiers nog moeten worden nagegaan of het dossier uitsluitend het reumatologisch dossier betreft of dat het dossier ook andersoortige medische informatie bevat die dan eerst nog moet worden verwijderd voordat het dossier in kopie aan [eiser] zou kunnen worden verstrekt. De rechtbank is met de curator van oordeel dat dit– binnen het kader van het faillissement – zou leiden tot een voor de curatoren praktisch vrijwel onuitvoerbare en bijzonder kostbare taak.
3.31.
Alles overziend is de rechtbank van oordeel dat het feit dat [eiser] in de vrijgevestigde periode hulpverlener was en er daarom op hem en het [ziekenhuis] in die periode een gezamenlijke bewaarplicht rustte, er niet toe leidt dat de curatoren verplicht zijn hem kopieën te verstrekken van deze categorie patiëntendossiers.
Slotsom

3.32.
Al hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de slotsom dat de vorderingen van [eiser] worden afgewezen.

3.33.
[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de curator worden begroot op:
-

griffierecht 297,00

salaris advocaat (2 punten × tarief € 543,00) Totaal € 1.383,00

beslissing

4

De rechtbank
4.1.
wijst de vorderingen af,

4.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van de curatoren tot op heden begroot op € 1.383,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van veertien dagen na dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

4.3.
veroordeelt [eiser] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in

art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

4.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. Wilken en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2020.