Uitspraak ECLI:NL:RBMNE:2020:1100

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 25-03-2020. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Midden-Nederland op 25-03-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBMNE:2020:1100, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is C/16/495172 / HL RK 20-2


Bron: Rechtspraak

center
100
463bea6d-a3ce-4a21-bf45-65f89337e897
2
13
image/png

center
100
26ccb881-b370-45cf-9a0f-6e9f0b7fb4e3
2
523
image/png

1. de naamloze vennootschap2. ,
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel rechthandelskamer
locatie Lelystad

zaaknummer / rekestnummer: C/16/495172 / HL RK 20-2

Beschikking van 25 maart 2020

in de zaak van

[verzoeker]

wonende te [woonplaats] ,verzoeker,advocaat mr. E.P.J. Appelman te Alkmaar
en

ING BANK N.V.

gevestigd te Leeuwarden,advocaat mr. T.J.P. Jager te Amsterdam,
wonende te [woonplaats] ,verschenen in persoon,belanghebbenden.
Verzoeker zal hierna [verzoeker] genoemd worden. Belanghebbenden zullen hierna ING Bank en [belanghebbende sub 2] genoemd worden.

ECLI:NL:RBMNE:2020:1100:DOC
nl

center
100
463bea6d-a3ce-4a21-bf45-65f89337e897
2
13
image/png

center
100
26ccb881-b370-45cf-9a0f-6e9f0b7fb4e3
2
523
image/png

1. de naamloze vennootschap2. ,
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel rechthandelskamer
locatie Lelystad

zaaknummer / rekestnummer: C/16/495172 / HL RK 20-2

Beschikking van 25 maart 2020

in de zaak van

[verzoeker]

wonende te [woonplaats] ,verzoeker,advocaat mr. E.P.J. Appelman te Alkmaar
en

ING BANK N.V.

gevestigd te Leeuwarden,advocaat mr. T.J.P. Jager te Amsterdam,
wonende te [woonplaats] ,verschenen in persoon,belanghebbenden.
Verzoeker zal hierna [verzoeker] genoemd worden. Belanghebbenden zullen hierna ING Bank en [belanghebbende sub 2] genoemd worden.

1

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift ingekomen ter griffie op 9 januari 2020;- producties 10 tot en met 12 van [verzoeker] ingekomen ter griffie op 17 februari 2020; - het verweerschrift ingekomen ter griffie op 18 februari 2020; - de mondelinge behandeling op 26 februari 2020 alwaar zijn verschenen: - [verzoeker] en zijn echtgenote [A] ;- mr. Appelman voornoemd; - mr. D.J. Posthuma, kantoorgenoot van mr. Jager voornoemd; - [B] , medewerker bijzonder beheer van ING Bank; - de pleitnota van [verzoeker] ; - de aantekeningen van ING Bank; - het schriftelijke betoog van [verzoeker] ; - productie 13 van [verzoeker] ingekomen ter griffie op 26 februari 2020.
1.2.
Ten slotte is beschikking bepaald op heden.
2

2.1.
In 2006 heeft [verzoeker] een doorlopend krediet afgesloten voor een bedrag van € 2.250,00. Het doorlopend krediet is opgelopen naar een bedrag van € 7.000,00.
2.2.
[verzoeker] is in 2011 afgestudeerd en diende toen te beginnen met het aflossen van de schuld.
2.3.
Op 1 december 2011 is met betrekking tot het krediet in het Centraal Krediet Informatiesysteem (hierna CKI) van het Bureau Krediet Registratie (hierna BKR) een codering A (achterstand) geregistreerd en op 12 januari 2012 een bijzonderheidscode 3 (bedrag van € 250,00 of meer is afgeboekt).
2.4.
In maart 2015 had [verzoeker] € 300,00 van de schuld voldaan. De gemachtigde van ING Bank heeft bij brief van 7 april 2015 een betalingsregeling bevestigd. Vanaf 2016 heeft [verzoeker] versneld afgelost.
2.5.
[verzoeker] heeft de schuld uiteindelijk op 19 juni 2017 geheel voldaan.
2.6.
[verzoeker] heeft zijn bezwaar tegen de BKR-registraties voorgelegd aan de Geschillencommissie BKR.
2.7.
Tijdens de procedure bij de Geschillencommissie heeft ING Bank de bijzonderheidscode 2 ((restant)vordering geheel opeisbaar) per 8 december 2011 aan het CKI toegevoegd.
2.8.
De Geschillencommissie heeft op 14 oktober 2019 uitspraak gedaan en de klacht ten aanzien van het geschil over de bijzonderheidscode 3 gegrond verklaard.
2.9.
ING Bank heeft de bijzonderheidscode 3 verwijderd.
2.10.
[verzoeker] heeft zich op 7 november 2019 tot ING Bank gewend met het verzoek om een nieuwe belangenafweging.
2.11.
Bij brief van 15 november 2019 heeft ING Bank het verzoek afgewezen.
2.12.
Bij mail van 7 januari 2020 heeft ING Bank een herhaald verzoek om een nieuwe belangenafweging nogmaals afgewezen.
3

3.1.
[verzoeker] verzoekt de rechtbank bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:
Primair:

ING Bank te veroordelen binnen drie dagen na het vonnis () de registratie in het CKI met contractnummer [contractnummer] van [verzoeker] te verwijderen;
Subsidiair:

ING Bank te bevelen binnen drie dagen na het vonnis () de genoemde (bijzonderheids)coderingen A2 en A3 in het CKI met contractnummer [contractnummer] van [verzoeker] te verwijderen;

Meer subsidiair:

De duur van de BKR-registratie met (bijzonderheids)codering A2 te beperken tot twee en een half jaar en ING Bank te bevelen deze (bijzonderheids)codering gelet op de afloop van voornoemde termijn te (doen laten) verwijderen per december 2019;

Uiterst subsidiair:

Een beslissing te nemen als de rechtbank juist acht;

Primair en (uiterst) subsidiair:

Te bepalen dat ING Bank de veroordeling zal nakomen op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 voor iedere dag dat ING Bank deze veroordeling niet nakomt, met een maximum van € 50.000,00;
met veroordeling van ING Bank in de proceskosten.

3.2.
ING Bank voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid, dan wel verzoekt de vorderingen van [verzoeker] af te wijzen, met veroordeling van [verzoeker] in de kosten van de procedure en in de nakosten.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna ingegaan.
overwegingen

4

ontvankelijkheid

4.1.
ING Bank heeft als meest verstrekkend verweer aangevoerd dat [verzoeker] niet ontvankelijk is in zijn verzoek. [verzoeker] heeft daartegenover gesteld dat het bindend advies van de Geschillencommissie niet in de weg staat aan de mogelijkheid om een verzoek tot verwijdering in rechte af te dwingen omdat de bepalingen uit de AVG van dwingend recht zijn en de BKR-registratie van [verzoeker] dient te worden gekwalificeerd als (verwerking) van persoonsgegevens in de zin van artikel 2 AVG. [verzoeker] heeft hierbij verwezen naar overweging 141 van de AVG. Hierin staat dat iedere betrokkene het recht dient te hebben om een klacht in te dienen bij één toezichthoudende autoriteit.
4.2.
De rechtbank overweegt als volgt. Niet in geschil is dat [verzoeker] zich uit eigen beweging heeft gewend tot de Geschillencommissie BKR, dat er een bindend advies is gegeven door de Geschillencommissie BKR en dat [verzoeker] geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om bezwaar te maken tegen het bindend advies.
4.3.
Uit jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) kan worden afgeleid dat het Nederlandse systeem van een marginale toets van een vaststellingsovereenkomst, zoals bepaald in artikel 7:904 BW, voldoende is voor het door het EHRM beoogde effectieve recht op toegang tot de rechter, omdat partijen zichzelf hebben verbonden aan het bindend advies en het bindend advies door een neutrale derde is gegeven. Geschilbeslechting door Geschillencommissies is in Nederland ingesteld als volwaardig alternatief voor een gerechtelijke procedure. Door zich te wenden tot de Geschillencommissie BKR heeft [verzoeker] zich vrijwillig gebonden aan het oordeel van de Geschillencommissie BKR. [verzoeker] heeft hierdoor zijn recht op een gerechtelijke procedure vrijwillig prijsgegeven.
4.4.
Voor [verzoeker] staat slechts de mogelijkheid open een vordering in rechte in te stellen tot vernietiging van het bindend advies van de Geschillencommissie BKR. [verzoeker] heeft echter geen vordering tot vernietiging van het bindend advies ingesteld, maar een verzoekschrift bij de rechtbank ingediend voor een hernieuwde beoordeling ten gronde. Het staat [verzoeker] echter niet vrij om aangaande hetzelfde onderwerp nog eens het oordeel van de burgerlijke rechter te vragen in een verzoekschriftprocedure. [verzoeker] zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn verzoeken.
inhoudelijk

4.5.
Ten overvloede overweegt de rechtbank dat in het geval [verzoeker] wel ontvankelijk zou zijn geweest in zijn verzoek, het verzoek evenmin toewijsbaar zou zijn geweest.
4.6.
Bij de beoordeling is het volgende tot uitgangspunt genomen. ING Bank is aanbieder van krediet in de zin van artikel 1:1 van de Wet financieel toezicht (Wft). Op grond van artikel 4:32 Wft neemt ING Bank als aanbieder van krediet deel aan de registratie van door aanbieders aan consumenten en zakelijke klanten verstrekte kredieten. De registratie wordt uitgevoerd door het BKR en valt onder de werking van de AVG. ING Bank is op grond van de Wft verplicht om deel te nemen aan een stelsel van kredietregistratie. Het CKI is het enige in Nederland bestaande stelsel van kredietregistratie. ING Bank moet zich houden aan het door BKR vastgestelde Algemeen Reglement CKI. De persoonsgegevens van de kredietnemer zijn dan ook geregistreerd op grond van een wettelijke plicht. Uit het Algemeen Reglement CKI van het BKR blijkt dat de doelstelling van het BKR tweedelig is. Enerzijds richt het BKR zich voor de consument op het voorkomen van overkreditering en andere financiële problemen en anderzijds voor zakelijke klanten op het beperken van financiële risico’s bij kredietverlening. Er moet daarom beoordeeld worden of de registratie voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Daarnaast moeten de belangen van [verzoeker] tegen die van ING Bank worden afgewogen.
4.7.
[verzoeker] heeft het volgende aangevoerd over zijn belang. [verzoeker] woont in een woning in [woonplaats] die op naam staat van zijn moeder, [belanghebbende sub 2] . [verzoeker] wil de woning van [belanghebbende sub 2] kopen, maar door zijn BKR-registratie kan hij geen hypotheek afsluiten. [verzoeker] heeft nu een stabiel inkomen. Hij heeft belang bij het kopen van de woning aangezien zijn zoon op school zit in [woonplaats] , [verzoeker] in Amsterdam werkt en zijn sociale leven en dat van zijn partner en zoon zich in [woonplaats] afspelen. Daarnaast heeft [belanghebbende sub 2] een zwaarwegend indirect belang. Zij heeft belang bij verkoop van de woning, zodat zij een gelijkvloerse woning kan kopen in verband met haar gezondheid.
4.8.
Naar het oordeel van de rechtbank weegt het belang van [verzoeker] om een hypotheek te kunnen krijgen, niet op tegen het belang van potentiele kredietverstrekkers om op basis van volledige informatie een afweging te kunnen maken bij het al dan niet aangaan van een hypotheek met [verzoeker] . [verzoeker] woont nu in de woning van [belanghebbende sub 2] en heeft dus een dak boven zijn hoofd. Aangezien koop geen huur breekt, kan [belanghebbende sub 2] de woning (in verhuurde staat) verkopen. Niet in geschil is dat de meldingen en registratie bij het BKR op juiste gronden hebben plaatsgevonden. Daarnaast is het krediet pas op 19 juni 2017 volledig afbetaald. Ten slotte geldt dat ook indien het indirecte belang van [belanghebbende sub 2] zou worden meegewogen dit belang onvoldoende onderbouwd is. Uit de door [verzoeker] overgelegde stukken blijkt dat de huisarts het ‘wenselijk’ acht dat [belanghebbende sub 2] een gelijkvloerse woning kan betrekken. Er is derhalve niet onderbouwd dat sprake is van een noodzaak.
4.9. [verzoeker] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van deze procedure veroordeeld. De kosten aan de zijde van ING Bank worden begroot op - griffierecht € 304,00- salaris advocaat ( 2 punten x tarief € 543,00)Totaal € 1.390,00
4.10.
De nakosten, waarvan ING Bank betaling vordert, zullen op de in het dictum weergegeven wijze worden begroot.
beslissing

5

De rechtbank
5.1.
verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn verzoeken;
5.2.
veroordeelt [verzoeker] in de kosten van dit geding, aan de zijde van ING Bank begroot op € 1.390,00;
5.3.
veroordeelt [verzoeker] , onder de voorwaarde dat hij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door ING Bank volledig aan deze beschikking voldoet, in de kosten die zijn ontstaan na deze beschikking, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat;
5.4.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.M. van Jaarsveld en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2020.