Uitspraak ECLI:NL:RBMNE:2020:103

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 15-01-2020. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Midden-Nederland op 10-01-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBMNE:2020:103, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is UTR 19/952


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLANDuitspraak in de enkelvoudige kamer van 10 januari 2020 in de zaak tussen
Zittingsplaats Almere

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/952

ECLI:NL:RBMNE:2020:103:DOC
nl

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLANDuitspraak in de enkelvoudige kamer van 10 januari 2020 in de zaak tussen
Zittingsplaats Almere
Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/952

[eiseres] B.V., te [vestigingsplaats] , eiseres(gemachtigde: J. Heetebrij)
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Almere, verweerder(gemachtigde: mr. A. Teunisse).
procesverloop

Procesverloop

Met de beschikking van 25 oktober 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres een bedrag van € 66.112,20 aan leges in rekening gebracht voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verlenen van een omgevingsvergunning.

Met het besluit van 21 januari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft vervolgens beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 4 november 2019. Eiseres is vertegenwoordigd door [A] en bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Tijdens de behandeling op de zitting is gebleken dat de aanvraag om de omgevingsvergunning geen onderdeel uitmaakt van het dossier. Verweerder is daarom in de gelegenheid gesteld om de aanvraag van eiseres alsnog te overleggen en te onderzoeken of de typering van het bouwwerk in de aanvraag invloed heeft op de hoogte van de vastgestelde leges. Met de brief van 18 november 2019 heeft verweerder de aanvraag van eiseres overgelegd en de rechtbank geïnformeerd dat partijen geen overeenstemming hebben bereikt over de hoogte van de leges. Eiseres heeft hier op 20 november 2019 op gereageerd.

Vervolgens hebben partijen toestemming gegeven voor het sluiten van het onderzoek zonder nadere zitting. De rechtbank heeft het onderzoek op 8 januari 2020 gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiseres heeft bij verweerder een omgevingsvergunning aangevraagd voor de bouw van een bedrijfspand. Verweerder heeft de gevraagde omgevingsvergunning aan eiseres verleend. Voor het in behandeling nemen van de aanvraag heeft verweerder overeenkomstig zijn Verordening op de heffing en invordering van leges 2018 (de Legesverordening) de leges geheven zoals vermeld onder Procesverloop. Met behulp van de bij de Legesverordening behorende ‘Tabel bouwkosten legesberekening’ (normkostentabel) heeft verweerder het bouwproject van eiseres getypeerd als ‘showroom’ en daarmee de bouwkosten voor het pand bepaald op € 615,- per m³. Verweerder is uitgegaan van 15.120 m³ te bebouwen kubieke meters. De bouwkosten van € 2.494.800,- die hier uit volgen liggen ten grondslag aan de geheven leges voor de aangevraagde omgevingsvergunning.
2. Partijen zijn het er over eens dat het bedrag aan leges is vastgesteld op basis van de Legesverordening en de normkostentabel die als bijlage bij de Legesverordening is gevoegd. In de Legesverordening en de normkostentabel heeft verweerder de bouwkosten van projecten vastgesteld aan de hand van het bouwvolume (in m³) en het soort project. Verweerder kijkt dus niet naar de werkelijke bouwkosten. De hoogte van de leges is vervolgens een percentage van de bouwkosten die volgens de Legesverordening en normkostentabel gelden voor een bepaald project. Tussen partijen is niet in geschil dat deze methode voor het vaststellen van het bedrag aan leges door verweerder voor iedereen wordt toegepast.
3. Partijen zijn het niet eens over de hoogte van de leges die voor het bouwproject moet worden geheven. Zij verschillen over het antwoord op de vraag welk type bouwwerk uit de normkostentabel op het bouwwerk van eiseres van toepassing is. Dit is van invloed op de bouwkosten per m³ en daarmee op de hoogte van de leges. Eiseres heeft eerst op de zitting aangevoerd dat verweerder haar bouwwerk ten onrechte heeft getypeerd als ‘showroom’. Volgens eiseres heeft zij een omgevingsvergunning aangevraagd voor een bedrijfspand en blijkt dit ook uit de aanvraag.
4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voor het vaststellen van de leges het bouwwerk van eiseres ten onrechte getypeerd als ‘showroom’. Leges worden door verweerder geheven voor door het gemeentebestuur verstrekte diensten. In het geval van de aanvraag van een omgevingsvergunning zien de geheven leges specifiek op het in behandeling nemen van de aanvraag. Dit volgt ook uit de Legesverordening van verweerder (artikel 2 en artikel 2.3 van de Legesverordening). Uit de aanvraag van eiseres van 4 juli 2018 volgt dat de aanvraag ziet op het bouwen van een nieuw bedrijfspand in Almere. Uit de aanvraag is niet op te maken dat er sprake is van het bouwen van een showroom. Dat, zoals verweerder stelt, de feitelijke realisatie en inrichting van het pand wel is te kwalificeren als een showroom doet daar niet aan af. De leges worden immers geheven voor het in behandeling nemen van de aanvraag. Op basis van deze aanvraag had verweerder het bouwwerk van eiseres volgens de normkostentabel niet kunnen kwalificeren als ‘showroom’. De beroepsgrond slaagt. Het beroep is daarom gegrond.
5. De rechtbank dient aansluitend te bezien welk vervolg aan deze uitkomst wordt gegeven. Daarbij staat voorop dat de bestuursrechter bij een (te verwachten) vernietiging van een besluit op kenbare wijze de mogelijkheden tot definitieve beslechting van het geschil behoort te onderzoeken. Dit houdt in dat de bestuursrechter eerst dient na te gaan of de rechtsgevolgen van een te vernietigen besluit in stand kunnen worden gelaten dan wel of zijzelf in de zaak kan voorzien. Ligt een van deze mogelijkheden redelijkerwijs niet binnen bereik, dan dient de bestuursrechter na te gaan of een – formele dan wel informele – bestuurlijke lus een reële mogelijkheid is. De rechtbank ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. Het is immers aan verweerder om te beoordelen hoe de aanvraag van eiseres op basis van de normkostentabel wel moet worden gekwalificeerd. De rechtbank ziet voorts geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen. Verweer zal, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, een nieuwe beslissing op de bezwaren van eiseres moeten nemen. De rechtbank ziet aanleiding om te bepalen dat dit besluit binnen acht weken na verzending van deze uitspraak moet zijn genomen.
6. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaald de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 345,- vergoedt.
7. Van proceskosten die volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.
Inleiding

De omvang van geschil

Beoordeling door de rechtbank

beslissing

Beslissing


De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.A.C. de Vaan, rechter, in aanwezigheid van mr. C.H. Verweij, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 januari 2020.
griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

-

verklaart het beroep gegrond;

vernietigd het bestreden besluit;

draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 345,- aan eiseres te vergoeden.

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.