Uitspraak ECLI:NL:RBMNE:2019:5646

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 28-11-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Midden-Nederland op 28-11-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBMNE:2019:5646, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 16/994003-18 (P)


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

StrafrechtZittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16/994003-18 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 28 november 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,
geboren op [1976] te [geboorteplaats] (Turkije),wonende te [adres] , [woonplaats] .

ECLI:NL:RBMNE:2019:5646:DOC
nl

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

StrafrechtZittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16/994003-18 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 28 november 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,
geboren op [1976] te [geboorteplaats] (Turkije),wonende te [adres] , [woonplaats] .
1

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 18 juli 2018, 12 september 2018, 5 december 2018, 19 februari 2019, 15 mei 2019 (regie- en pro formazittingen), 8, 9 en 28 oktober 2019 (inhoudelijke behandeling). Het onderzoek van de zaak is gesloten op de zitting van 14 november 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officieren van justitie mr. M.O. van Driel en mr. A.M.C.V. Fellinger (hierna in enkelvoud te noemen: de officier van justitie) en van hetgeen verdachte en mr. S. Pijl, advocaat te Amsterdam, alsmede de benadeelde partijen Zilveren Kruis Zorgverzekeringen N.V. en Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V., beiden vertegenwoordigd door mr. I. Punt, naar voren hebben gebracht.

2

De tenlastelegging is op de zitting van 5 december 2018 nader omschreven. Vervolgens is de tenlastelegging op de zitting van 8 oktober 2019 gewijzigd. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat:

feit 1 primair:

verdachte in de periode van 1 januari 2014 tot en met 4 april 2018 in Utrecht, samen met anderen, 31 facturen en 2 zorgovereenkomsten, ten behoeve van het verkrijgen van PGB-vergoedingen, vals heeft opgemaakt

en/of

verdachte van deze facturen en zorgovereenkomsten gebruik heeft gemaakt door die in te dienen bij de Sociale Verzekeringsbank, het Zilveren Kruis en/of andere zorgverzekeraars/zorgkantoren;

feit 1 subsidiair:

[thuiszorg] B.V. in de periode van 1 januari 2014 tot en met 4 april 2018 in Utrecht, samen met anderen, 31 facturen en 2 zorgovereenkomsten, ten behoeve van het verkrijgen van PGB-vergoedingen, vals heeft opgemaakt, en verdachte aan deze gedraging feitelijk leiding heeft gegeven

en/of

[thuiszorg] B.V. van deze facturen en zorgovereenkomsten gebruik heeft gemaakt door die in te dienen bij de Sociale Verzekeringsbank, het Zilveren Kruis en/of andere zorgverzekeraars/zorgkantoren, en verdachte aan deze gedraging feitelijk leiding heeft gegeven;

feit 2 primair:

verdachte in de periode van 1 januari 2014 tot en met 4 april 2018 in Utrecht, samen met anderen, de Sociale Verzekeringsbank, het Zilveren Kruis en/of andere zorgverzekeraars/zorgkantoren en/of de gemeente Utrecht heeft opgelicht voor een bedrag van € 4.673.959,- door middel van het indienen van (onjuiste) zorgovereenkomsten, verantwoordingsformulieren, declaraties en facturen;

feit 2 subsidiair:

[thuiszorg] B.V. in de periode van 1 januari 2014 tot en met 4 april 2018 in Utrecht, samen met anderen, de Sociale Verzekeringsbank, het Zilveren Kruis en/of andere zorgverzekeraars/zorgkantoren en/of de gemeente Utrecht heeft opgelicht voor een bedrag van € 4.673.959,- door middel van het indienen van (onjuiste) zorgovereenkomsten, verantwoordingsformulieren, declaraties en facturen, en verdachte aan deze gedraging feitelijk leiding heeft gegeven;

feit 3 primair:

verdachte in de periode van 1 januari 2014 tot en met heden in Nederland en Turkije, samen met anderen, een gewoonte heeft gemaakt van witwassen, voor een totaalbedrag van € 7.809.269,-;

feit 3 subsidiair:

[thuiszorg] B.V. in de periode van 1 januari 2014 tot en met heden in Nederland en Turkije, samen met anderen, een gewoonte heeft gemaakt van witwassen, voor een totaalbedrag van € 7.809.269,- en verdachte aan deze gedraging feitelijk leiding heeft gegeven.

3

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1 primair, 2 primair en 3 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.
4.2.
Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van alle ten laste gelegde feiten. De raadsvrouw heeft als onderbouwing een aantal standpunten naar voren gebracht. Deze zullen hierna, voor zover relevant, worden besproken onder het oordeel van de rechtbank.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank

4.3.1.
Korte samenvatting van de zaak (onderzoek Mansfield)

[thuiszorg] B.V. (hierna: [thuiszorg] ) was in de periode van 2014 tot en met begin april 2018 een Utrechtse zorgorganisatie. Verdachte en zijn broers [medeverdachte 1] en [verdachte] waren (respectievelijk als zorgcoördinator, directeur en (financieel) manager) werkzaam voor deze organisatie. [thuiszorg] had verschillende cliënten, budgethouders genoemd. Deze budgethouders beschikten over een persoonsgebonden budget (hierna: PGB).
Er zijn verschillende wetten op basis waarvan een PGB kan worden aangevraagd, namelijk (onder meer): de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (geldend tot 31 december 2014), de Wet langdurige zorg, de Wet maatschappelijke ondersteuning en de Zorgverzekeringswet (hierna afgekort als: AWBZ, Wlz, Wmo en Zvw).

Ter verkrijging van gelden uit hoofde van een PGB werden bij het zorgkantoor, de Sociale Verzekeringsbank (SVB) en de zorgverzekeringsmaatschappij zorgovereenkomsten, verantwoordingsformulieren, declaratieformulieren en facturen ingediend. Het Openbaar Ministerie verdenkt verdachte en zijn medeverdachten ervan dat op deze documenten meer zorg werd vermeld dan door [thuiszorg] daadwerkelijk aan zorg werd geleverd. Volgens het Openbaar Ministerie werd vervolgens door verdachte in samenwerking met zijn medeverdachten een deel van het ontvangen PGB-bedrag met de budgethouder gedeeld. Dit zou ook blijken uit de aangetroffen lijsten met namen van budgethouders, bedragen en percentages, welke lijsten door de opsporingsinstanties ‘verdeellijsten’ zijn genoemd. Omwille van de leesbaarheid van dit vonnis zal de rechtbank hierna steeds van verdeellijsten spreken wanneer zij aan deze lijsten refereert.

4.3.2.
Inleidende overwegingen

Kern van het verwijt

De rechtbank stelt vast dat in de strafprocedure veel onderzoek is gedaan naar de verschillende verdeellijsten die bij [thuiszorg] zijn aangetroffen. De kern van het verwijt is echter niet dat er PGB-gelden zijn gedeeld met de budgethouders, maar dat [thuiszorg] niet de uren zorg heeft geleverd zoals die in de facturen en formulieren zijn verantwoord. Bij de beantwoording van de vraag of de verantwoorde zorg daadwerkelijk is geleverd, spelen de verdeellijsten overigens wel een belangrijke rol.
Is de verantwoorde zorg geleverd?

Het is een feit van algemene bekendheid dat bij zorgorganisaties als [thuiszorg] het overgrote deel van de kosten die door de organisatie worden gemaakt, bestaat uit personeelskosten. Wanneer, zoals hierna bij de bespreking van de bewijsmiddelen zal worden toegelicht, een groot deel van de omzet van een dergelijke organisatie wordt gedeeld met de budgethouders is dit naar het oordeel van de rechtbank (minst genomen) een indicatie dat niet alle zorg is verleend.
Daarbij komt dat uit onderzoek van de Inspectie SZW (hierna: de Inspectie) op basis van onder meer roosters, planningen, presentielijsten en verklaringen van personeel volgt dat [thuiszorg] vermoedelijk maximaal 28,1% van de totaal gedeclareerde zorg geleverd heeft. Dit vormt een tweede aanwijzing dat niet alle zorg is geleverd.

In de derde plaats hebben verschillende budgethouders en hun familieleden verklaard, dat door [thuiszorg] geen zorg of niet alle zorg is geleverd.

De rechtbank zal op grond van voornoemde feiten en omstandigheden tot de conclusie komen dat de betrokken instanties PGB-gelden hebben uitgekeerd, terwijl daar niet de zorg tegenover stond die aan hen werd gefactureerd. De rechtbank zal komen tot een bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten. Ten behoeve van de leesbaarheid van het vonnis zal de rechtbank eerst de oplichting (feit 2) behandelen, daarna feit 1 (valsheid in geschrifte) en vervolgens feit 3 (witwassen).

Bij de behandeling van feit 2 zal de rechtbank verschillende bewijsmiddelen opnemen, waaruit kan worden afgeleid dat op de aangetroffen verdeellijsten weergegeven geldbedragen ook daadwerkelijk met de budgethouders werden gedeeld overeenkomstig de op deze lijsten genoemde percentages. Het gaat hierbij onder meer om de verklaringen van budgethouders of hun familieleden, de betalingen aan budgethouders en de verklaring van [verdachte] . De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van [verdachte] voor het bewijs mag worden gebruikt, ondanks dat hij als getuige geen inhoudelijke verklaring heeft afgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank berust het oordeel dat er zorggelden zijn gedeeld niet in overwegende of beslissende mate op de verklaring van [verdachte] .

4.3.3.
Bewijsmiddelen feiten 1, 2 en 3
_1a8aba7a-7260-4b78-aa3f-fe716ff15c30



- 2014: 8,2 % - 2015: 9,6 %- 2016: 11,3 %.Over 2017 en 2018 zijn (nog) geen omzetgegevens van [thuiszorg] beschikbaar.
Op basis van de bevindingen blijkt dat, in de periode van 2014 tot en met 2017, er maximaal 37.904 uren aan individuele zorg (persoonlijke verzorging, individuele begeleiding, verpleging en huishoudelijke hulp) geleverd kan zijn door [thuiszorg] .
4.3.3.1. Inleiding

De rechtbank zal in de volgende paragrafen de bewijsmiddelen opnemen waarop zij haar oordeel baseert. In de eerste plaats wordt in deze bewijsmiddelen ingegaan op de (verschillende) regelgeving betreffende het PGB, op de organisatie [thuiszorg] en op de functies van de verdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte] binnen deze organisatie. Vervolgens worden bewijsmiddelen opgenomen die zien op de aangetroffen verdeellijsten. De rechtbank zal daarna een aantal verklaringen en onderzoeksbevindingen met betrekking tot enkele budgethouders opnemen, waaruit blijkt dat de zorggelden daadwerkelijk werden gedeeld met budgethouders. Ten slotte zullen onderzoeksbevindingen van de Inspectie worden opgenomen, waaruit blijkt dat [thuiszorg] niet alle zorg heeft kunnen leveren die werd gefactureerd en gedeclareerd.
4.3.3.2. Regelgeving PGB

Regelgeving AWBZ

Het PGB is vanaf 1995 tot en met 31 december 2014 door de Nederlandse Staat gefinancierd uit de AWBZ. De uitvoering is neergelegd bij de zorgkantoren.
Het zorgkantoor controleert of de verantwoorde bedragen overeenkomen met het toegekendebudget. Daarna wordt door het zorgkantoor per jaar het definitieve PGB vastgesteld op basis van de ingediende verantwoordingsformulieren en wordt een eindafrekening opgemaakt. Daarnaast is vastgelegd dat in 5% van de gevallen door het zorgkantoor een intensieve controle op de verantwoording plaatsvindt, hetgeen inhoudt dat de onderliggende contracten, declaraties en bewijzen van de betalingen moeten worden overlegd aan het zorgkantoor.
Regelgeving Wlz, Wmo en Zvw

Per 1 januari 2015 is de AWBZ gewijzigd. Zorgtaken vanuit de AWBZ zijn ondergebracht bij nieuwe en bestaande (zorg)wetten, namelijk de Wlz, de Wmo, de Zvw en de Jeugdwet (Jw).
Bij vaststelling van de hoogte van het PGB op basis van de Zvw gaat de zorgverzekeraar uit van het aantal door een wijkverpleegkundige geïndiceerde uren. De budgethouder dient de door hem goedgekeurde declaraties in en de zorgverzekeraar keert het bedrag uit aan de budgethouder. De budgethouder is zelf verantwoordelijk voor de betaling aan de zorgverlener.

De uitvoering van het PGB op basis van de Wlz is neergelegd bij de Zorgkantoren, daar dient een PGB op basis van de Wlz aangevraagd te worden. De uitvoering van het PGB op basis van de Wmo is neergelegd bij de gemeentes. De uitbetaling vanuit het PGB-budget voor Wlz en Wmo vindt plaats via de SVB. De uitbetaling kan plaatsvinden op twee manieren:• De budgethouder spreekt met de zorgverlener een uurloon af. In dat geval betaalt de SVB aan de zorgverlener uit op basis van ingediende facturen. Na controle van de declaratie door de SVB betaalt de SVB de declaraties uit.• De budgethouder spreekt met de zorgverlener een vast maandbedrag af en dit wordt vastgelegd in een zorgovereenkomst. In dat geval betaalt de SVB de zorgverlener automatisch uit en dus niet naar aanleiding van een ingediende declaratie.
Zilveren Kruis heeft op 22 augustus 2018 aangifte gedaan tegen [thuiszorg] , omdat zij door het indienen van valse documenten is bewogen tot het uitkeren, dan wel tot het als juist accorderen, van PGB-gelden.

[getuige 1] , werkzaam bij de gemeente Utrecht, heeft op 28 november 2018 een verklaring afgelegd. Hij merkt in deze verklaring op dat de gemeente een onderzoek is gestart naar enkele budgethouders. Uit dit onderzoek komt onder andere naar voren dat door [budgethouder 1] zorg is gedeclareerd over een periode dat zij in het buitenland verbleef.

4.3.3.3. [thuiszorg]

Organisatie

[thuiszorg] , gevestigd te Utrecht, is voor het eerst ingeschreven in het register van de Kamer van Koophandel op 13 juni 2014. Startdatum van de onderneming is 13 januari 2014. Als enig bestuurder staat geregistreerd [medeverdachte 1] .
Functie [medeverdachte 1]

In het personeelshandboek van [thuiszorg] van 1 oktober 2016 staat dat [medeverdachte 1] directeur is.
[medeverdachte 1] heeft zelf verklaard dat hij de directie ‘doet’ van [thuiszorg] . Hij zit iedere week de vergadering voor.

Functie [medeverdachte 2]

In het personeelshandboek staat bij [medeverdachte 2] “zorgcoördinator” vermeld. Als taken van de zorgcoördinator staan onder meer omschreven:
• Vertegenwoordiging van de organisatie naar de buitenwereld.• Afspraken maken omtrent zorg.• Stelt de zorgteam samen voor de cliënt.• Begeleiden van de begeleiders.
[medeverdachte 2] heeft zelf verklaard dat van hem gezegd kan worden dat hij een leidinggevende functie heeft.

Functie [verdachte]

Bij [verdachte] staat in het personeelshandboek “manager”. Als taken staan onder meer omschreven:
• Bedrijfsvoering: maakt begroting, beheert en bewaakt het budget en onderneemt actie bij evt. overschrijding• Administratieve werkzaamheden• Managen van de financiën en lease• Facturen maken/facturen betalen
[verdachte] heeft in zijn verhoor verklaard dat hij de facturen maakte bij [thuiszorg] . Hij maakte de werkbrieven op basis van de informatie die hij kreeg van [medeverdachte 2] of de afdeling van [medeverdachte 2] . Die werkbrieven waren de basis voor de facturen. Mensen die geen vast maandbedrag hadden, declareerden zelf hun facturen met behulp van DigiD. Van sommige cliënten werd de declaratie door [verdachte] en [medeverdachte 2] gedaan. Zij beschikten hiervoor over de DigiD van de cliënt om dit te kunnen doen. De zorgovereenkomsten werden volgens [verdachte] door [medeverdachte 2] gemaakt.
4.3.3.4. Verdeellijsten

In de bedrijfsadministratie zijn de volgende verdeellijsten aangetroffen:2014: 1 maand (alleen digitaal van januari tot en met mei 2014, tot en met april staan er percentages aangegeven, maar alleen bij januari zijn de bedragen ingevuld. Daarom is alleen januari meegenomen)2015: 1 maand (digitaal van december 2015)2016: 10 maanden (digitaal alle maanden van het jaar behalve november en december)2017: 12 maanden (zowel fysiek als digitaal van alle maanden van het jaar)2018: 3 maanden (digitaal de maanden januari tot en met maart)
Over de onderzoeksperiode van 1 januari 2014 tot en met maart 2018 (totaal 51 maanden) werden derhalve van 27 maanden verdeellijsten aangetroffen waarop bedragen zijn ingevuld.

De gegevens op de verdeellijsten zijn door het onderzoeksteam van de Inspectie gecontroleerd op juistheid. De op de verdeellijst genoemde namen van personen betreffen feitelijk, volgens de overige bescheiden in de bedrijfsadministratie, cliënten van [thuiszorg] . Van deze cliënten werden in de fysieke en digitale bedrijfsadministratie van [thuiszorg] onder meer facturen aangetroffen waarop zorg in rekening werd gebracht. De factuurnummers en factuurbedragen vermeld op deze facturen komen grotendeels overeen met de gegevens zoals die waren vermeld op de verdeellijst. Indien er bankbetalingen hebben plaats gevonden komen deze bedragen grotendeels overeen met de gegevens op de verdeellijsten.

Tijdens één van de verhoren is aan verdachte [verdachte] een lijst getoond die in zijn bureau is aangetroffen, namelijk DOC-006-01 (de rechtbank begrijpt: de fysieke verdeellijsten van 2017). Op de vraag of hetgeen in de laatste kolom staat onder ‘betaald’ de verdeling met de cliënten is, antwoordt [verdachte] bevestigend. [verdachte] zegt dat dit het bedrag is dat naar de cliënten toe is gegaan. De digitale Excel-lijst die is aangetroffen, heeft [verdachte] zelf gemaakt. [verdachte] verklaart verder dat, als er op de lijst een percentage van 40% staat, dit het percentage is dat [thuiszorg] houdt.
Op 6 april 2018 is met een technisch hulpmiddel vertrouwelijke communicatie tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] opgenomen. De opgenomen communicatie was in de Turkse taal en is vertaald door een beëdigde tolk. In dit gesprek zegt [medeverdachte 1] het volgende tegen [medeverdachte 2] : “Hopelijk gaat er geen een van de cliënten iets zeggen. Het zou goed zijn als jij eerst vrijkomen zou.”

De verdeellijsten van 27 maanden zijn door de Inspectie samengevoegd tot één bestand; daaruit is een draaitabel gegenereerd. Uit de draaitabel is op te maken dat door [thuiszorg] 153 uniek identificeerbare budgethouders zijn opgenomen op de verdeellijsten. Niet bij alle 153 budgethouders werd een bedrag genoemd in de kolom ‘Totalen’ onder ‘Uitbetaald aan BH’. In het geval in deze kolommen een bedrag van € 0,- of geen bedrag was ingevuld, zijn deze budgethouders uit de draaitabel verwijderd. Het totaal aantal budgethouders komt daarmee uit op 132. Vervolgens zijn ook de facturen verwijderd waarbij in de kolommen 2014 tot en met 2018 onder ‘Uitbetaald aan BH’ een bedrag van € 0 of een negatief bedrag stond vermeld.

Het totale factuurbedrag met betrekking tot de budgethouders waarmee volgens de verdeellijsten over 27 maanden zorggeld zou zijn gedeeld, komt uit op € 4.673.959,-.

4.3.3.5. [getuige 2]

Budgethouder [getuige 2] heeft vanaf januari 2014 facturen ontvangen van [thuiszorg] . Hij heeft verklaard dat [medeverdachte 2] bij hem thuis kwam om de zorg te bespreken. [getuige 2] ’s ouders waren daarbij. Buiten heeft [medeverdachte 2] toen met hem besproken dat ze het zorggeld zouden gaan delen. Er werd 50/50 gedeeld. De afspraak liep vanaf het moment dat [getuige 2] een PGB ontving. Hij kreeg elke maand € 1.400,-. Dat kreeg hij contant of via de bank. Het contante geld kreeg hij altijd van [medeverdachte 2] , een enkele keer van [medeverdachte 2] neefje.
Tijdens doorzoekingen bij [thuiszorg] werd een lijst aangetroffen met verdeelpercentages. Op deze lijst stond achter de naam [getuige 2] het percentage van 50% vermeld. De factuurbedragen van [thuiszorg] aan [getuige 2] betreffen ongeveer € 2.800,00 per maand. 50% daarvan betreft € 1.400,00.

Uit een Whatsapp-gesprek tussen [getuige 2] en [medeverdachte 2] blijkt het volgende:
10-10-2017

[getuige 2] : Broer, komt het van de maand morgen?
12-10-2017

[medeverdachte 2] : Ik heb het overgemaakt, mijn broer, maar het staat pas morgen op je rekening.
13-10-2017

[getuige 2] : Het staat erop, broer. Bedankt.
Op de bankrekening [rekeningnummer] , op naam van [getuige 2] , is te zien dat er op 13 oktober 2017 € 1.400,00 werd ontvangen, afkomstig van de rekening [rekeningnummer] , op naam van [medeverdachte 2] .

Uit een Whatsapp-gesprek tussen [getuige 2] en ‘ [A] ’ op 3 januari 2017 blijkt het volgende: [A] : Wilde weten als alles oké is met je na die aanslag [getuige 2] : Dankjewel schat gaat goed hoor gelukkig [getuige 2] : Was wel in de buurt maar bij een andere nachtclub [A] : Woon je nu daar? [getuige 2] : Ben al 6 maanden hier maar 15 januari ga ik terug naar nl ik heb hier een bar geopend met me oom en een goede vriend samen Op 1 januari 2017 heeft een aanslag plaatsgevonden in een nachtclub in Istanbul (Turkije). [getuige 2] verbleef kennelijk gedurende een halfjaar in Turkije, terwijl in die periode door [thuiszorg] zorg is gefactureerd aan [getuige 2] .
Voorafgaand aan het huisbezoek van het Zilveren Kruis bij [getuige 2] op 9 november 2017 hadden [medeverdachte 2] en [getuige 2] het volgende gesprek:
8-11-2017

[getuige 2] : Broer, zal ik me scheren? [medeverdachte 2] : Ja doe maar. [medeverdachte 2] : Het is belangrijk dat je er schoon/verzorgd uitziet, want we doen (persoonlijke) zorg. [getuige 2] : Ok broer.
4.3.3.6. [budgethouder 1]

[getuige 3] , de zoon van budgethouder [budgethouder 1] , heeft verklaard dat het klopt dat hij contante bedragen kreeg. Het ging om geldbedragen van rond de € 1.600,-. Hij voelt zich dubbel benadeeld, ook omdat zijn moeder zorg nodig had, maar deze niet volledig is geleverd. Als het geld aan hem werd afgegeven, gebeurde dat door [medeverdachte 2] en één keer door iemand anders.
Op de bankrekening van [getuige 3] zijn in de periode van 2014 tot en met 2017 voor een totaal bedrag van € 8.180,- drie overboekingen vanaf een rekening van [thuiszorg] en één overboeking vanaf een rekening van [medeverdachte 2] aangetroffen.

4.3.3.7. [budgethouder 2]

[getuige 4] , de vader van budgethouder [budgethouder 2] , heeft verklaard dat er geld is gedeeld. Dat gebeurde in de periode van 2014 tot en met februari 2018. De hoogte van de bedragen verschilde, soms € 1.500,- soms € 2.000,-. [medeverdachte 2] nam het initiatief voor deze betalingen; hij kwam met het voorstel. [getuige 4] heeft een keer zijn DigiD-code aan [medeverdachte 2] gegeven. [medeverdachte 2] wilde zelf inloggen.
Op de bankrekening op naam van voornoemde budgethouder [budgethouder 2] is in juli 2014 een overboeking van € 2.400,- van [thuiszorg] en in september 2014 een contante storting van € 2.000,- te zien. Op de bankrekening van [getuige 4] , de vader van [budgethouder 2] , staan 12 ontvangsten afkomstig van de bankrekeningen op naam van [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [verdachte] en [B] , de echtgenote van [verdachte] . Daarnaast werd er ook 36 keer een contant bedrag op deze bankrekening gestort.

Uit een Whatsapp-gesprek tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] op 21 april 2017 blijkt onder meer het volgende: [verdachte] : Ik ga je nu 4000 sturen, wil je dat naar [getuige 4] sturen [medeverdachte 1] : Stuur ook rekeningnummer mee [verdachte] : [getuige 4] [rekeningnummer] [medeverdachte 1] : Goed, ik kom vanavond wel langs kantoor om te betalen
Op de bankrekening van [medeverdachte 1] is te zien dat er op 21 april 2017 € 4.000,00 gestort wordt vanaf de bankrekening op naam van [thuiszorg] B.V., met in de omschrijving ‘Divident uitkering’. Vervolgens is te zien dat er op 21 april 2017 € 4.000,00 gestort wordt naar de bankrekening op naam van [getuige 4] .

4.3.3.8. [budgethouder 3]

[getuige 5] , de man van budgethouder [budgethouder 3] , heeft verklaard dat [medeverdachte 2] hem heeft uitgelegd dat hij een vergoeding kreeg van de Nederlandse overheid, een soort ouderdomsgeld. Er kwam niemand van [thuiszorg] om voor zijn vrouw te zorgen; dat deed [getuige 5] zelf. Het geld werd gestort op de rekening van zijn schoonzoon, [C]. [medeverdachte 2] gaf door als er geld was overgemaakt.
Door [thuiszorg] , [verdachte] en [medeverdachte 2] zijn gedurende negen maanden geldbedragen op de bankrekeningen op naam van [C] gestort die nagenoeg overeenkomen met de hoogte van de bedragen, zoals die genoemd staan bij budgethouder [budgethouder 3] in de kolom ‘te betalen’ of ‘betaald' op de verdeellijsten van 2016 en 2017.

4.3.3.9. [budgethouder 4]

[getuige 6] , de broer van budgethouder [budgethouder 4] , heeft verklaard dat hij in de periode van januari 2017 tot eind maart 2018 een bepaald percentage kreeg. Van het PGB-budget van zijn broer kreeg hij maandelijks 40 procent. Dat was een bedrag van ongeveer € 1.400,-. Hij wist dat de mogelijkheid er was om het PGB-budget met [thuiszorg] te delen. De afspraken hierover heeft [getuige 6] gemaakt met [medeverdachte 2] . [medeverdachte 2] bracht het geld ook bij hem. [getuige 6] heeft verklaard dat zijn broer geen persoonlijke verzorging heeft gehad, maar hij had dat wel nodig. [getuige 6] verleende dat zelf aan zijn broer. Als [thuiszorg] ook de persoonlijke verzorging zou moeten geven, dan hadden ze daar meer personeel voor in moeten zetten. Dat zou kosten met zich meebrengen en dat zou weer betekenen dat [getuige 6] niets zou krijgen. Zijn broer kreeg dus alleen dagbesteding van [thuiszorg] . [medeverdachte 2] wist dat [getuige 6] zonder werk zat en wilde hem helpen. [medeverdachte 2] kwam met het voorstel om hem op papier in dienst te nemen en op deze manier, door hem uit te betalen, het zorggeld te delen. De loonstroken zijn vals, want [getuige 6] heeft daar nooit gewerkt.
Op het bankrekeningnummer op naam van [getuige 6] is op 27 juli 2017 een bedrag van € 1.400,- contant gestort. Dit bedrag komt overeen met het bedrag op de verdeellijst in de maand juli 2017. Op 27 januari 2017 is een bedrag van € 1.150 contant gestort. Dit bedrag komt overeen met het bedrag op de verdeellijst van januari 2017.

4.3.3.10. Geleverde zorg

Personeelskostendruk

Uit onderzoek is gebleken dat in de thuiszorg en aanverwante zorginstellingen personeelskosten de grootste kostenpost vormen. Fors lagere personeelskosten ten opzichte van andere bedrijven in deze branche kunnen een aanwijzing zijn dat geen of minder zorg is geleverd. Diverse instanties houden zich bezig met het analyseren van de financiële gegevens van de groep van verpleeghuizen, verzorghuizen en zorginstellingen. Er zijn geen cijfers bekend van alleen de thuiszorg, maar aangezien de verpleeghuizen en verzorgingshuizen qua zorg veel overeenkomsten hebben met de thuiszorg geven de cijfers wel een goede indicatie over de personeelskostendruk. Deze komt in vrijwel alle publicaties uit op ruim 71%. Dit betekent dus dat er in deze branche gemiddeld ruim 71 % van de omzet wordt geïnvesteerd aan personeelskosten om de zorg te kunnen leveren.Op basis van de belastinggegevens van [thuiszorg] van 2014 tot en met 2016, komt de personeelskostendruk bij [thuiszorg] als volgt uit:
Individuele zorg

Door de Inspectie is onderzoek gedaan naar de geleverde zorg door [thuiszorg] . Daarbij is gebruik gemaakt van de volgende gegevens:
Uit het onderzoek naar de betaalde facturen van [thuiszorg] over de jaren 2014 tot en met 2017 komt naar voren dat 170.830 uren aan begeleiding individueel, persoonlijke verzorging, huishoudelijke hulp en verpleging (is één op één zorg) gefactureerd en betaald zijn.

Op basis van deze getallen (37.904 / 170.830) volgt dat [thuiszorg] vermoedelijk maximaal 22,2 % van de totale uren begeleiding individueel, persoonlijke verzorging, huishoudelijke hulp en verpleging geleverd kan hebben.

Dagbesteding

Daarnaast is onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van cliënten op de dagbesteding. Op basis van de presentielijsten en de planningen komt het maximaal aantal dagdelen te leverendagbesteding in de periode van 2014 tot en met 2017 vermoedelijk uit op 14.664 dagdelen.
Dagbesteding of begeleiding groep wordt gefactureerd en geïndiceerd in dagdelen. Uit hetonderzoek naar de betaalde facturen van [thuiszorg] over de jaren 2014 tot en met 2017,komt dat in totaal 25.894 dagdelen dagbesteding of begeleiding groep gefactureerd en betaald zijn.
Op basis van deze getallen (14.664 / 25.894) volgt dat [thuiszorg] vermoedelijk maximaal 56,6 % van de totale dagdelen dagbesteding of begeleiding groep geleverd kan hebben.

Geleverde zorg in relatie tot omzet

Omdat individuele zorg in uren en dagbesteding/begeleiding groep in dagdelen gefactureerd en geleverd worden, is ook gekeken op welke manier de geleverde zorgvormen hebben bijgedragen aan de omzet. Er is een berekening gemaakt van de omzet die is gebaseerd op zorg, die vermoedelijk maximaal geleverd is door [thuiszorg] in de periode 2014 tot en met 2017. Deze omzet komt uit op een bedrag van € 2.118.898,50. Door [thuiszorg] is op basis van de facturen in de periode van 2014 tot en met 2017 per bank een bedrag van € 7.539228,- ontvangen.
Op basis van deze getallen volgt dat [thuiszorg] vermoedelijk maximaal 28,1 % van detotale zorg geleverd kan hebben.
-

de gegevens met betrekking tot de loonheffingen afkomstig van de Belastingdienst;

de digitale administratie van [thuiszorg] ;

de mutaties op de bankrekeningen van [thuiszorg] ;

de verklaringen die door verdachten en getuigen zijn afgelegd;

AMB-020-03: proces-verbaal van bevindingen telefoon [medeverdachte 1] .

4.3.4.
Bewijsoverweging oplichting

Op grond van de bewijsmiddelen die in de vorige paragraaf zijn uitgewerkt, komt de rechtbank tot de conclusie dat [thuiszorg] niet de uren zorg heeft geleverd zoals die in de facturen en formulieren zijn verantwoord.
De rechtbank baseert haar oordeel, zoals in de inleidende opmerkingen overwogen, op de volgende drie pijlers:

De verdachte heeft ter zitting naar voren gebracht dat de verdeellijsten moeten worden gezien als een overzicht van de inkomsten en kosten per budgethouder. De rechtbank acht dat volstrekt onaannemelijk. In de eerste plaats heeft verdachte eerder, tijdens een verhoor door de Inspectie SZW verklaard dat op de verdeellijsten de bedragen werden bijgehouden die met de budgethouder werden gedeeld. Verder strookt de huidige visie niet met het feit dat de verdeellijsten, behalve een percentage, ook een kolom bevatten met ‘te betalen’. Daarnaast volgt uit verschillende bewijsmiddelen dat bedragen die bij de budgethouders worden genoemd ook daadwerkelijk aan hen werden uitbetaald. Niet alleen de betalingen zelf bevestigen dit beeld, maar ook de verklaringen van de budgethouders en de uitgewerkte tapgesprekken. Gelet op alle bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien is de rechtbank van oordeel dat de verdeellijsten een betrouwbaar beeld geven van wat er met de verschillende budgethouders werd gedeeld.

In het opsporingsonderzoek is door de Inspectie kritisch gekeken naar alle verdeellijsten die zijn aangetroffen. Uiteindelijk heeft de Inspectie alleen de ingevulde verdeellijsten gebruikt, die betrekking hebben op een periode van 27 (niet aaneengesloten) maanden. Alle budgethouders waarbij niet duidelijk was of een bedrag is gedeeld (waarbij geen bedrag of € 0,- was ingevuld) zijn door de Inspectie verwijderd. Kortom: alleen wanneer in de verdeellijst een bedrag is opgenomen dat zou zijn uitbetaald aan de budgethouder is dit in de berekening van de Inspectie meegenomen. De Inspectie komt dan tot een totaalbedrag van € 4.673.959,- aan factuurbedragen, waarvan een deel aan de budgethouders is uitbetaald. Op geen enkele manier is aannemelijk geworden dat een of meer van de geldbedragen die volgens de verdeellijst zijn gedeeld niet aan de betreffende budgethouder zijn uitbetaald. De rechtbank concludeert dan ook dat voor alle facturen over 27 maanden met 132 budgethouders zorggeld is gedeeld.

De Inspectie heeft daarnaast uitgebreid onderzoek gedaan naar de zorg die door [thuiszorg] in de onderzoeksperiode kan zijn geleverd. Daarbij is gekeken naar het personeel dat [thuiszorg] tot haar beschikking had en naar de aanwezigheid van de budgethouders op de dagbesteding. Bij twijfel is door de Inspectie in het voordeel van [thuiszorg] en de verdachten gerekend. Uit dit uitgebreide en gedegen onderzoek komt naar voren dat [thuiszorg] maximaal 28,1% van de zorg die in totaal is gefactureerd heeft kunnen leveren. Dat [thuiszorg] slechts een klein deel van de zorg leverde, wordt ook bevestigd door verschillende budgethouders. Tekenend is de verklaring van [getuige 6] , die opmerkt dat zijn broer wel persoonlijke verzorging nodig had, maar alleen groepsbegeleiding kreeg, omdat [thuiszorg] anders meer personeel in moest zetten en dit tot gevolg zou hebben dat er geen geld meer met [budgethouder 4] kon worden gedeeld.

Al het hiervoor genoemde bewijs wijst erop dat veel minder zorg werd geleverd dan werd gefactureerd en verantwoord. De rechtbank is van oordeel dat dit bewijs ‘schreeuwt’ om een verklaring van de verdachte. Door de verdediging is echter niet aangegeven op welke punten de berekening van de Inspectie van de maximaal verleende zorg door [thuiszorg] niet klopt. Slechts met betrekking tot 11 budgethouders en 31 facturen is door de verdediging onderbouwd verweer gevoerd dat de gefactureerde en verantwoorde zorg ook daadwerkelijk is verleend. Dit verweer zal hierna bij de bespreking van feit 1 (valsheid in geschrift) worden verworpen (met uitzondering van een factuur die niet is meegenomen in de berekening van voornoemd bedrag) en maakt dan ook niet dat dit bedrag van € 4.673.959,- naar beneden zou moeten worden bijgesteld.

De rechtbank komt tot de conclusie dat door [thuiszorg] in de periode van 1 januari 2014 tot en met 4 april 2018 structureel beduidend minder zorg is verleend dan gefactureerd of verantwoord. Door meer zorg te factureren dan werd geleverd, zijn de instanties die het PGB verstrekten opgelicht. Zij hebben op grond van valse facturen, declaraties, zorgovereenkomsten en verantwoordingsformulieren meer PGB-gelden uitgekeerd dan waar de budgethouder daadwerkelijk recht op had. In het geval deze instanties op de hoogte waren geweest dat er een groot deel van de zorg niet werd verleend, dan waren de PGB-gelden niet verstrekt. Uit de structurele manier van werken en de termijn waarover dit is volgehouden, leidt de rechtbank af dat het oogmerk was gericht op wederrechtelijke bevoordeling. Dat de instanties die PGB hebben verstrekt zijn opgelicht, acht de rechtbank dan ook wettig en overtuigend bewezen. Over de rol van verdachte en zijn medeverdachten hierbij zal de rechtbank onder 4.3.7 nader ingaan.

-

de verdeellijsten;

het onderzoek van de Inspectie, waaruit blijkt dat [thuiszorg] met haar personeelsbestand en inzet slechts maximaal 28,1% van de zorg heeft kunnen leveren;

de verklaringen van verschillende budgethouders en hun familieleden, dat door [thuiszorg] geen zorg of niet alle zorg is geleverd.

4.3.5.
Aanvullende bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen valsheid in geschrift







4.3.5.1. Inleidende overwegingen

Van alle door [thuiszorg] opgemaakte stukken heeft het Openbaar Ministerie onder feit 1 met betrekking tot 31 facturen en 2 zorgovereenkomsten de valsheid in geschrifte ten laste gelegd. Al deze facturen en zorgovereenkomsten kunnen volgens het Openbaar Ministerie worden aangemerkt als valse geschriften, omdat deze facturen en zorgovereenkomsten meer zorg vermelden dan daadwerkelijk door [thuiszorg] werd verleend.
De meeste van deze 31 facturen komen voor op een verdeellijst met vermelding van bedragen in de kolommen “factuurbedrag” en “te betalen”. In dat geval gaat de rechtbank ervan uit dat er zorggeld is gedeeld en dat, gelet op de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen, de gedeclareerde zorg niet volledig is verleend. Indien er van een specifieke maand geen verdeellijst is aangetroffen, zal de rechtbank aanvullend bewijs opnemen waaruit blijkt dat er met de budgethouder is gedeeld of dit nader motiveren in een bewijsoverweging. Ook in die gevallen komt de rechtbank tot de conclusie dat de gedeclareerde zorg niet volledig is geleverd.

4.3.5.2. Algemeen bewijsmiddel

Tijdens de doorzoeking op 4 april 2018 van het kantoorpand van [thuiszorg] aan de [adres] in [vestigingsplaats] zijn onder meer 18 ordners met daarin facturen aangetroffen en in beslag genomen. Dit betreffen facturen over de jaren 2014 tot en met (het tot dan toe verstreken gedeelte van) 2018 van [thuiszorg] aan de budgethouders. Deze facturen maken kennelijk deel uit van de boekhouding van [thuiszorg] . Deze facturen zijn ook aangetroffen in de digitale gegevens van [thuiszorg] die eveneens zijn veilig gesteld bij de doorzoeking.Uit deze 18 ordners zijn de facturen geselecteerd van budgethouders die nader onderzochtzijn.
4.3.5.3. Bewijsmiddelen [getuige 2]

Van de maand december 2016 is geen verdeellijst aangetroffen. Op 20 januari 2017 vindt er een overboeking plaats van € 1.400,00 van een bankrekening op naam van [verdachte] naar de bankrekening op naam van budgethouder [getuige 2] . Dit bedrag komt overeen met het bedrag dat op de aangetroffen verdeellijsten bij de overige maanden wordt vermeld. Op deze lijsten staat steeds een bedrag van € 1.400,00 vermeld als het deel voor deze budgethouder.

Van de maand maart 2017 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [getuige 2] staat. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 2.880,00 is en er staat een percentage van 50%. Naast het percentage staat het bedrag € 1.440,00 in de kolom “te betalen”.

4.3.5.4. (Bewijs)overwegingen [getuige 2]

Vrijspraak ten aanzien van DOC-012-02

De rechtbank zal verdachte vrijspreken met betrekking tot de factuur met het kenmerk DOC-12-02, die onder feit 1 als vals geschrift is ten laste gelegd. Deze factuur ziet op de maand januari van 2014. Van deze maand is wel een verdeellijst aangetroffen. Op deze verdeellijst staat de naam van budgethouder [getuige 2] , maar in de kolommen “factuurbedrag” en “te betalen” staan geen bedragen ingevuld. Bovendien is door [getuige 2] verklaard dat er begin 2014 wel enkele weken zorg is verleend door [thuiszorg] . Gelet op het feit dat de rechtbank de aangetroffen verdeellijsten betrouwbaar acht en op deze lijst geen bedragen staan genoemd die met [getuige 2] zouden zijn gedeeld, en gelet op de verklaring van [getuige 2] zelf, kan de rechtbank met onvoldoende zekerheid vaststellen dat reeds in januari 2014 PGB-gelden met [getuige 2] zijn gedeeld. In het dossier bevindt zich ook geen ander bewijs dat steun geeft aan het delen van PGB-gelden met [getuige 2] in deze maand. Nu onvoldoende duidelijk is geworden dat er in deze maand is gedeeld en er in januari 2014 wel enige zorg is verleend aan [getuige 2] is, kan niet worden bewezen dat de in deze maand opgevoerde uren onjuist zijn en er dus sprake is van een vals geschrift.
Voldoende zorg geleverd ten aanzien van DOC-012-05 en DOC-012-07?

De rechtbank volgt de raadsvrouw niet in zijn standpunt dat het aantal uren zorg vermeld op de facturen van [getuige 2] ook daadwerkelijk is geleverd. [getuige 2] heeft in zijn verklaring, waarin hij ook zichzelf belast, aangegeven dat er begin 2014 slechts enkele weken zorg zijn verricht door [thuiszorg] , daarna niet meer. Gelet op deze verklaring en de bewijsmiddelen waaruit blijkt dat er met [getuige 2] zorggelden werden gedeeld en er door [thuiszorg] structureel en substantieel te weinig zorg werd verleend, acht de rechtbank de verklaring van [medeverdachte 2] over het verlenen van zorg aan [getuige 2] volstrekt ongeloofwaardig.
4.3.5.5. Bewijsmiddelen [budgethouder 1]

4.3.5.6. Overwegingen [budgethouder 1]

De raadsvrouw heeft naar voren gebracht dat er aan [budgethouder 1] voldoende zorg is verleend. [getuige 3] heeft namelijk verklaard dat hij 30 uur per week zorg verleende. [D] verleende (op oproepbasis) 2 tot 3 uur zorg per keer, wat volgens de raadsvrouw neerkomt op 14 tot 21 uur zorg per week.
De rechtbank volgt de raadsvrouw niet in dit standpunt. [getuige 3] heeft verklaard dat zijn moeder recht had op ongeveer 30 uur zorg per week. Hij verklaart niet dat die zorg, na zijn contract met [thuiszorg] , voor 30 uur per week door hem werd geleverd. Bovendien verklaart hij in zijn derde verhoor dat er zorggeld werd gedeeld en dat zijn moeder zorg nodig had, maar dat deze zorg niet volledig is geleverd. De rechtbank acht deze derde verklaring betrouwbaar. Niet alleen omdat verdachte met deze verklaring zichzelf belast, maar ook omdat de verklaring overeenkomt met de aangetroffen verdeellijsten en de betalingen aan [getuige 3] . Zijn verklaring bij de rechter-commissaris waarin hij terugkomt op zijn bekennende verklaring acht de rechtbank niet geloofwaardig.

[D] heeft een verklaring afgelegd waarin zij aangeeft dat ze op oproepbasis beschikbaar was. Als ze werd opgeroepen, verleende ze 2 tot 3 uur zorg. De rechtbank overweegt dat uit deze verklaring niet kan worden afgeleid in welke periode dit gebeurde en hoe vaak dit voor is gekomen. De stelling van de raadsvrouw dat zij 14 tot 21 uur per week zorg verleende kan derhalve niet uit deze verklaring worden afgeleid.

Gelet op het voorgaande is in het niet aannemelijk geworden dat aan [budgethouder 1] de hoeveelheid zorg werd verleend, zoals die op de facturen is verantwoord. De drie hierboven genoemde facturen, die ook alle drie op de verdeellijsten staan vermeld, kunnen daarom worden aangemerkt als valse geschriften.

4.3.5.7. Bewijsmiddelen [budgethouder 2]

Op 28 maart 2014 vindt er een overboeking plaats van € 1.800,00 van de bankrekening op naam van [budgethouder 2] naar de bankrekening op naam van [thuiszorg] . Op 11 en 22 april 2014 vinden er contante stortingen plaats van in totaal € 730,00 op het rekeningnummer op naam van [getuige 4] .

[getuige 4] heeft verklaard dat er vanaf het begin elke maand geld is gedeeld, vanaf 2014 tot en met februari 2018.

Van de maand december 2015 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 2] staat. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 1.680,00 is en er staat een percentage van 30%. Twee kolommen naast het percentage staat een bedrag van € 1.176,00.

In de maand december 2016 vinden er twee contante stortingen plaats op de rekening van [getuige 4] van respectievelijk € 900,- en € 700,-.

In de administratie van [thuiszorg] is een zorgovereenkomst aangetroffen tussen [thuiszorg]Thuiszorg en budgethouder [budgethouder 2] . Namens [thuiszorg] is de overeenkomst getekend door [verdachte] , namens [budgethouder 2] heeft [getuige 4] de overeenkomst getekend als gemachtigd vertegenwoordiger. In de overeenkomst is vastgelegd dat de zorginstelling een vast maandbedrag van € 3.466,00 ontvangt vanaf augustus 2016. De zorginstelling verleent een vast aantal uren zorg per week, te weten 20 uur. De zorgovereenkomst is op 1 maart 2016 gedateerd. Uit de zorgovereenkomst blijkt dat het gaat om werkzaamheden op grond van de Wlz, namelijk “pv+bi+bg” (de rechtbank begrijpt: persoonlijke verzorging, begeleiding individueel en begeleiding groep).
4.3.5.8. Bewijsoverweging [budgethouder 2]

Ontbrekende verdeellijsten

Van de maand april 2014 is weliswaar een verdeellijst aangetroffen, maar deze bleek onvolledig te zijn. Op grond van de bewijsmiddelen staat echter vast dat er ook in deze maand zorggeld is gedeeld met [getuige 4] . In de eerste plaats wordt door [getuige 4] zelf verklaard dat er vanaf het begin iedere maand zorggeld werd gedeeld. Daarnaast blijkt dat er in april 2014, nadat het PGB-geld voor de maand april 2014 is overgemaakt, twee stortingen plaatsvinden op de rekening van [getuige 4] .
Ook voor wat betreft de factuur van december 2016 acht de rechtbank voldoende bewijs aanwezig voor de conclusie dat er zorggeld is gedeeld. Van deze maand is weliswaar geen verdeellijst aangetroffen, maar gelet op de hiervoor genoemde verklaring van [getuige 4] en de contante stortingen die in december 2016 zijn gedaan op de rekening van [getuige 4] , is de rechtbank van oordeel dat ook in deze maand zorggeld is gedeeld.

Voldoende zorg verleend?

De raadsvrouw heeft betoogd dat er aan [budgethouder 2] voldoende zorg is verleend. Zo verklaart zijn vader, [getuige 4] , dat er 25 uur per week aan zorg werd geleverd. Daarnaast verklaart [getuige 7] dat zij constant met [budgethouder 2] bezig was als zij op de groep werkzaam was. Dat was 2 dagen per week. Ook [getuige 8] verklaart aan [budgethouder 2] zorg te hebben verleend als hij op de groep aanwezig was.
Uitgaande van de verklaring van [getuige 4] , ging [budgethouder 2] 20 tot 25 uur per week naar de dagbesteding. Anders dan bij de individuele zorg, kan voor een dagdeel (4 uur) aan dagbesteding slechts 1 uur worden gefactureerd. Per week zou in dat geval dus ongeveer 6 uur gedeclareerd kunnen worden en per maand ongeveer 24 uur. Op de facturen van december 2015 en december 2016 wordt echter bijna het dubbele aan uren gedeclareerd. De rechtbank concludeert dan ook dat de uren aan groepsbegeleiding zoals die gedeclareerd zijn, onjuist zijn.

Wat betreft de individuele begeleiding overweegt de rechtbank het volgende. [getuige 4] heeft verklaard dat de individuele begeleiding van [budgethouder 2] nooit langer duurde dan een uur. Soms was dat drie dagen per week. Hij kan zich niet herinneren dat dit wel eens vaker dan één keer op een dag gebeurde. Dat komt neer op ongeveer 12 uur aan individuele zorg per maand. Uit de verklaringen van [getuige 8] en [getuige 7] komt weliswaar naar voren dat er ook tijdens de dagbesteding individuele zorg werd verleend, maar blijft geheel onduidelijk hoeveel dat was en in welke verhouding dat stond tot de groepsbegeleiding die ook in rekening werd gebracht. In elk geval blijkt hieruit in het geheel niet dat per maand ruim 40 uur aan individuele zorg kon worden gedeclareerd, zoals in april 2014 en december 2016 is gedaan.

Zorgovereenkomst een vals geschrift?

Zoals hiervoor uiteen is gezet, blijkt uit de getuigenverklaringen dat aan [budgethouder 2] ongeveer 24 uur per maand aan groepsbegeleiding en ongeveer 12 uur per maand aan individuele begeleiding zou zijn verleend. In de zorgovereenkomst is opgenomen dat aan [budgethouder 2] per week 20 uur aan zorg werd verleend. Dat zou volgens de overeenkomst bestaan uit persoonlijke verzorging, begeleiding individueel en begeleiding groep. Zoals blijkt uit de voorgaande overwegingen bestond de begeleiding van [budgethouder 2] voornamelijk uit groepsbegeleiding. De rechtbank concludeert dat de zorg die per maand is gedeclareerd, te weten ruim 86 uur, niet door [thuiszorg] geleverd is. Daarom kan ook de zorgovereenkomst worden aangemerkt als een vals geschrift.
4.3.5.9. Bewijsmiddelen [budgethouder 5]

Van de maand januari 2014 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 5] staat vermeld. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 2.030,00 is en er staat een percentage van 31%. Twee kolommen naast het percentage staat een bedrag van € 1.400,00.

Van de maand december 2015 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 5] staat. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 400,00 is en er staat een percentage van 30%. Twee kolommen naast het percentage staat een bedrag van € 280,00.

Van de maand maart 2017 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 5] staat. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 5.859,60 en er staat een percentage van 45%. Naast het percentage staat het bedrag € 3.222,78 in de kolom “te betalen”.

4.3.5.10. Bewijsoverweging [budgethouder 5]

Voldoende zorg verleend?

De raadsvrouw heeft naar voren gebracht dat [budgethouder 5] , de budgethouder, heeft verklaard dat ze (de rechtbank begrijpt: medewerkers van [thuiszorg] ) iedere dag langs kwamen en 3 tot 4 uur zorg verleenden. [getuige 9] is in januari 2017 begonnen bij [thuiszorg] en heeft verklaard dat zij 12 uur per week zorg verleende. [D] werkte bij [budgethouder 5] op oproepbasis, tussen de 2 en 3 uur per dag.
De rechtbank stelt allereerst vast dat de drie facturen die betrekking hebben op budgethouder [budgethouder 5] alle drie voorkomen op een verdeellijst. De rechtbank gaat er dus vanuit dat de bedragen die op de verdeellijsten staan genoemd, daadwerkelijk met de budgethouder (of een familielid) zijn gedeeld. Uitgangspunt is derhalve dat de gedeclareerde zorg niet volledig is verleend.

De verklaringen van de zorgverleners die door de raadsvrouw worden genoemd, hebben geen betrekking op de eerste factuur; zij waren immers nog niet werkzaam bij [thuiszorg] in 2014. De enige verklaring die de factuur van januari 2014 zou moeten onderbouwen, is dus de verklaring van [budgethouder 5] zelf. De rechtbank is van oordeel dat met deze verklaring zeer terughoudend dient te worden omgegaan. In de eerste plaats omdat zij, als budgethouder, zelf partij is bij de afspraak om zorggeld te delen. In de tweede plaats omdat uit de inhoud van het verhoor blijkt dat zij op veel vragen geen helder en consistent antwoord geeft en een aantal vragen niet lijkt te begrijpen. Zij heeft in haar verhoor ook aangegeven dat zij niet weet vanaf welk moment [thuiszorg] bij haar langs kwam. Los van de vraag of haar verklaring bruikbaar is, is het dus allerminst duidelijk of haar verklaring dat er 3 tot 4 uur zorg werd verleend ook betrekking heeft op de maand januari 2014.
Wat betreft de tweede factuur is niet door de raadsvrouw onderbouwd dat deze uren, die – nu het gaat om groepsbegeleiding – als dagdelen moeten worden gezien, aan groepsbegeleiding zouden zijn verleend.

De derde factuur die in de tenlastelegging wordt genoemd betreft 135 uur aan persoonlijke verzorging. Deze uren kunnen niet worden verantwoord aan de hand van de verklaringen van de zorgverleners [getuige 9] en [D] . De enkele verklaring van [budgethouder 5] , die verder geen steun vindt in andere verklaringen, vormt een onvoldoende onderbouwing dat de zorg in maart 2017 (volledig) is verleend. In dit verband verwijst de rechtbank naar de opmerkingen die hiervoor over de betrouwbaarheid en bruikbaarheid van deze verklaring zijn gemaakt.

De rechtbank concludeert dat voor de drie ten laste gelegde facturen geldt dat de gefactureerde zorg niet (volledig) door [thuiszorg] is verleend, zodat deze facturen als valse geschriften kunnen worden aangemerkt.

4.3.5.11. Bewijsmiddelen [budgethouder 6]

Van de maand januari 2014 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 6] staat. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 2.565,00 is en er staat een percentage van 30%. In de kolom “te betalen” staat een bedrag van € 1.795,00.

Van de maand maart 2017 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 6] staat. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 3.798,48 is en er staat een percentage van 30%. In de kolom “te betalen” staat een bedrag van € 2.658,94.

4.3.5.12. Bewijsoverweging [budgethouder 6]

Ontbrekende verdeellijst

Van de maand december 2016 is geen verdeellijst aangetroffen. De rechtbank is echter van oordeel dat uit de bewijsmiddelen volgt dat er ook in deze maand zorggeld is gedeeld met budgethouder [budgethouder 6] . Van de 27 verdeellijsten die zijn aangetroffen, komt budgethouder [budgethouder 6] op 24 lijsten voor. Van de overige drie maanden, augustus en september 2017 en maart 2018, is geen factuur opgemaakt (AMB-041-03). Het is om die reden verklaarbaar dat [budgethouder 6] op die lijsten niet voorkomt. Er kan dan ook met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat er in de gehele periode waarover facturen zijn opgemaakt, dus ook in december 2016, zorggeld met [budgethouder 6] werd gedeeld.
Voldoende zorg verleend?

De raadsvrouw heeft naar voren gebracht dat door budgethouder [budgethouder 6] is verklaard dat zij zowel in de ochtend, middag als avond zorg ontving.
De rechtbank acht deze verklaring van [budgethouder 6] onvoldoende betrouwbaar om hieruit af te leiden dat zij, ondanks het feit dat er structureel zorggeld met [budgethouder 6] werd gedeeld en [thuiszorg] te weinig personeel had om de gefactureerde zorg te kunnen bieden, wel de overeengekomen zorg ontving. [budgethouder 6] weet van geen één van haar zorgverleners een naam te noemen, terwijl dat wel van haar kon worden verwacht. Bovendien ontkent zij dat zij bedragen van [thuiszorg] ontving, terwijl uit getapte gesprekken tussen haar en haar zoon, [E] , het tegendeel blijkt. Ten slotte verklaart van de gehoorde zorgverleners alleen [D] zorg te hebben verleend aan [budgethouder 6] . Dit zou op oproepbasis zijn geweest, zonder vaste tijden. Dit is, mede gelet op de dagelijkse zorg die [budgethouder 6] gelet op haar verklaring nodig heeft, onvoldoende om hieruit af te leiden dat bovengenoemde gefactureerde zorg volledig is geleverd.

4.3.5.13. Bewijsmiddelen [budgethouder 3]

Van de maand oktober 2016 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 3] staat. Op deze lijst staat dat het factuurbedrag € 1.689,60 is (dit bedrag wijkt af van het bedrag dat op de factuur staat) en er staat een percentage van 40%. Naast het percentage staat het bedrag € 1.013,76 in de kolom “te betalen”.

Op 9 januari 2017 vindt er een overboeking plaats van € 1.000,00 van de bankrekeningop naam van verdachte [verdachte] naar de bankrekening op naam van [C] , de schoonzoon van de budgethouder.
Van de maand januari 2017 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 3] staat. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 1.201,56 is en er staat een percentage van 40%. Naast het percentage staat het bedrag € 720,94 in de kolom “te betalen”.

4.3.5.14. Bewijsoverweging [budgethouder 3]

Ontbrekende verdeellijst

Van de maand december 2016 is geen verdeellijst aangetroffen. Gelet op de betaling van € 1.000,- op 9 januari 2017 neemt de rechtbank echter aan dat er ook in deze maand zorggeld is gedeeld. Uit de verdeellijsten blijkt dat [thuiszorg] een percentage van 40% hield en dus 60% uitbetaalde aan de budgethouder. Een percentage van 60% van het factuurbedrag van december 2016 komt nagenoeg overeen met het bedrag dat op 9 januari 2017 is overgemaakt naar de rekening van [C] , de schoonzoon van de budgethouder.
Voldoende zorg verleend?De raadsvrouw heeft naar voren gebracht dat, nu deze budgethouder niet is gehoord, slechts beperkt kan worden vastgesteld of zij de geleverde zorg heeft ontvangen en wie haar zorgverleners waren.
De rechtbank concludeert dat niet is gebleken dat in dit geval de gefactureerde zorg wel is geleverd. Integendeel, de 68-jarige echtgenoot van de budgethouder, [getuige 5] , heeft verklaard dat [medeverdachte 2] hem vertelde dat hij recht had op een vergoeding van de overheid, maar dat [thuiszorg] daar administratiekosten voor rekende en belasting over betaalde. De echtgenoot verklaart dat hij niet weet hoe dat allemaal geregeld is in Nederland, maar [medeverdachte 2] kennelijk wel. Volgens deze echtgenoot is er niemand geweest om voor zijn vrouw te zorgen; hij deed dat zelf. Daarnaast weegt de rechtbank mee dat geen van de zorgverleners heeft verklaard zorg te hebben geleverd aan [budgethouder 3] .

4.3.5.15. Bewijsmiddelen [budgethouder 7]

Van de maand maart 2017 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 7] staat. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 6.007,80 is en er staat een percentage van 50%. Naast het percentage staat een bedrag van € 3.003,90.

Van de maand juni 2017 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 7] staat. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 5.814,00 is en er staat een percentage van 74,20%. Naast het percentage staat een bedrag van € 1.500,00.

Van de maand september 2017 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 7] staat. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 3.333,36 is en er staat een percentage van 70%. Naast het percentage staat een bedrag van € 1.000,00.

In de administratie van [thuiszorg] zijn verder declaratieformulieren aangetroffen, die betrekking hebben op maart, juni en september 2017, waarmee PGB gedeclareerd kan worden bij zorgverzekeraar Zilveren Kruis.

4.3.5.16. Bewijsoverweging [budgethouder 7]

De raadsvrouw heeft betoogd dat, nu de budgethouder niet is gehoord en er wel veel zorg is verleend door de dochter van de budgethouder, niet de conclusie niet kan worden getrokken dat de declaraties en de facturen vals zijn.
De eerste factuur ziet op maart 2017 en betreft 160 uur persoonlijke verzorging. Deze zorg zou door de dochter van de budgethouder zijn verleend. Uit het dossier volgt dat de dochter tegelijkertijd een dienstverband voor 110 uur per maand op een kinderdagverblijf had. Gelet op het daarmee totaal aantal door de dochter te werken uren die maand, acht de rechtbank het niet aannemelijk dat de dochter alle gefactureerde uren zorg heeft verleend. Ten tijde van de tweede en derde factuur (juni en september 2017) verrichtte de dochter door ziekte geen zorgwerkzaamheden meer voor haar moeder. Van de gehoorde zorgverleners heeft alleen [D] verklaard werkzaamheden voor deze budgethoudster te hebben verricht. De hulpverlening bestond – kort gezegd – uit het voeren van gesprekken op oproepbasis; er was geen sprake van huishoudelijke hulp of persoonlijke dienstverlening. Op grond van het vorenstaande concludeert de rechtbank dat de gefactureerde zorg niet is geleverd.

4.3.5.17. Bewijsmiddelen [budgethouder 8]

Van de maand december 2015 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 8] staat. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 2.030,00 is en er staat een percentage van 33%. Naast het percentage staat een bedrag van € 1.360,10.

Van de maand maart 2017 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 8] staat. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 1.600,00 is en er staat een percentage van 33%. Naast het percentage staat een bedrag van € 1.072,00.

4.3.5.18. Bewijsoverweging [budgethouder 8]

Ontbrekende verdeellijst

Van de maand december 2016 is geen verdeellij