Uitspraak ECLI:NL:RBMNE:2019:4660

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 08-10-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Midden-Nederland op 08-10-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBMNE:2019:4660, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 16/001676-19


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

StrafrechtZittingsplaats Lelystad
Parketnummer: 16/001676-19

Vonnis van de meervoudige kamer van 8 oktober 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,
geboren op [1987] te [geboorteplaats] (Polen),ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [adres] , [woonplaats] ,thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te Krimpen aan den IJssel.

ECLI:NL:RBMNE:2019:4660:DOC
nl

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

StrafrechtZittingsplaats Lelystad
Parketnummer: 16/001676-19

Vonnis van de meervoudige kamer van 8 oktober 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,
geboren op [1987] te [geboorteplaats] (Polen),ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [adres] , [woonplaats] ,thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te Krimpen aan den IJssel.
1

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 10 april 2019, 9 juli 2019 en 24 september 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. R. Leuven en van hetgeen verdachte en zijn raadsman mr. J.C. Duin, advocaat te Hoorn, alsmede de benadeelde partij [slachtoffer] en zijn advocaat mr. J.A.C. de Bruin naar voren hebben gebracht.

2

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Primair

op 3 januari 2019 te Lelystad heeft geprobeerd [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven door met een mes in zijn lichaam te steken en/of te snijden;

Subsidiair

op 3 januari 2019 te Lelystad aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht door [slachtoffer] met een mes in zijn lichaam te steken en/of te snijden;

Meer subsidiair

op 3 januari 2019 te Lelystad heeft geprobeerd aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door [slachtoffer] met een mes in zijn lichaam te steken en/of te snijden.

3

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4

4.1
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.
4.2
Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte van het hem primair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken wegens een gebrek aan wettig en overtuigend bewijs.
4.3
Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen
_b906139a-a632-4530-8837-0f24f9fc4c0e

[slachtoffer] heeft aangifte gedaan en op 16 januari 2019 in een verhoor het volgende verklaard:Op 3 januari 2019 was ik in het hotel waar ik woon (de rechtbank begrijpt: in Lelystad). Toen begonnen we te vechten. Daarna kwam ik bij. Ik zag dat [verdachte] mij had neergestoken. Ik heb het mes gezien. [verdachte] bleef op mij insteken.
Op 3 januari 2019 is er een geneeskundige verklaring betreffende [slachtoffer] opgesteld door arts Nosewick waarin het volgende is beschreven:Uitwendig waargenomen letsel: steekverwoningen 1 heup links, 2 rug links, 3 oksel links.
Verdachte heeft op de terechtzitting van 24 september 2019 onder meer het volgende verklaard:Op 3 januari 2019 was ik in Lelystad. Nadat ik in de lobby was geweest van het hotel ben ik weer terug naar buiten gegaan. Er ontstond een worsteling met [slachtoffer] . Ik zag na het incident bloed aan mijn handen.
Bewijsoverwegingen

De verklaringen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2] .

Anders dan de officier van justitie heeft betoogd zal de rechtbank de verklaringen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2] niet voor het bewijs gebruiken. De rechtbank stelt vast dat de verklaringen van deze getuigen zoals afgelegd bij de politie en de rechter-commissaris op essentiële onderdelen wezenlijk van elkaar verschillen. Dit ziet onder meer op de vraag wat er in de auto met aangever zou zijn besproken, of aangever op enig moment in de auto heeft plaatsgenomen en op welk moment er een mes bij verdachte zou zijn gezien. De rechtbank acht deze verklaringen dan ook niet betrouwbaar en zal deze terzijde schuiven.
Het scenario van verdachte

De raadsman heeft betoogd dat verdachte geen opzet had op het steken, laat staan doden, van aangever. De verklaring van aangever dat verdachte het mes heeft getrokken is onjuist. Het was aangever zelf die het mes trok en toen verdachte zich daartegen wilde verdedigen is aangever per ongeluk gewond geraakt, aldus de raadsman.
De rechtbank acht de verklaring van verdachte niet aannemelijk en overweegt daartoe als volgt.

Allereerst stelt de rechtbank vast dat verdachte op de terechtzitting van 24 september 2019 wisselend heeft verklaard over wanneer hij heeft waargenomen dat het voorwerp in kwestie een mes betrof. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat verdachte ter terechtzitting niet nader heeft kunnen uitleggen hoe hij het mes, dat aangever zou hebben getrokken, heeft kunnen afpakken zonder zichzelf daarbij te verwonden. Tot slot stelt de rechtbank vast dat aangever blijkens de hiervoor genoemde geneeskundige verklaring drie steekverwondingen heeft opgelopen. Verdachte heeft verklaard dat hij met zijn armen waarin het mes zich bevond heeft gezwaaid en gemaaid om zich af te weren. Bij zulke handelingen is het hoogstwaarschijnlijk dat er snijverwondingen ontstaan. De verwondingen van aangever, die bestaan uit drie steekwonden, ondersteunen daarmee niet de verklaring van verdachte. Gelet op deze drie punten, in samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van verdachte niet aannemelijk is. Dit verweer wordt verworpen. Dit betekent dat de rechtbank uitgaat van de verklaring van aangever, waaruit blijkt dat verdachte degene is geweest die tijdens het gevecht een mes heeft getrokken.

Voorwaardelijk opzet op de dood

Anders dan de raadsman heeft betoogd is de rechtbank van oordeel dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van aangever.
Van voorwaardelijk opzet is sprake als verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden. Zie in dit verband de uitspraak van de Hoge Raad van 25 maart 2003 (ECLI:NL:HR:2003:AE9049).

Aanmerkelijke kans

De rechtbank stelt vast dat verdachte driemaal heeft gestoken in het bovenlichaam van aangever. Het is een algemene ervaringsregel dat door het steken met een mes in het bovenlichaam, waarin zich vitale organen bevinden, de aanmerkelijke kans bestaat dat dit de dood van het slachtoffer tot gevolg kan hebben. De rechtbank is daarom van oordeel dat de kans dat aangever door dit handelen van verdachte zou komen te overlijden als aanmerkelijk moet worden beoordeeld.
Bewuste aanvaarding

Sommige gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het, behoudens contra-indicaties, niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.
De rechtbank overweegt dat het handelen van verdachte, namelijk het tijdens een gevecht trekken van een mes en daarmee steken in het bovenlichaam, naar zijn uiterlijke verschijningsvorm kan worden aangemerkt als zozeer gericht op het toebrengen van dodelijk letsel dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat aangever zou komen te overlijden.

Op grond van de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen en gelet op voornoemde overwegingen is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging doodslag zoals aan hem primair ten laste is gelegd.

5

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

op 3 januari 2019 te Lelystad ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet meerdere malen met een mes in de linkerzij, de linkeroksel en de rug van die [slachtoffer] heeft gestoken, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6

6.1
Het standpunt van de verdedigingDoor en namens de verdachte is ter terechtzitting betoogd dat verdachte heeft gehandeld in een situatie van noodweer. Er was sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van het lijf van verdachte op het moment dat hij door aangever werd aangevallen. De verdediging daartegen door verdachte was proportioneel en noodzakelijk. Verdachte moet dan ook worden ontslagen van alle rechtsvervolging, aldus de raadsman.
6.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich primair op het standpunt dat er geen sprake was van een noodweersituatie nu de verklaring van verdachte niet aannemelijk is. Niet aangever maar verdachte was de agressor. Subsidiair stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat indien er al sprake was van een noodweersituatie, de handelingen van verdachte, te weten het meermalen steken met een mes, niet voldoen aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Er was immers in dat geval alleen sprake van een vuistslag gegeven door aangever.

6.3
Het oordeel van de rechtbankDe rechtbank stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op de rechtvaardigingsgrond noodweer moet worden vastgesteld dat het begane feit was geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of een anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, waaronder onder omstandigheden mede is begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor een dergelijke aanranding.
De rechtbank stelt de volgende gang van zaken vast, waarbij als uitgangspunt is genomen de opgemaakte processen-verbaal van bevindingen met betrekking tot de camerabeelden:

Verdachte en aangever hebben op 3 januari 2019 een woordenwisseling gehad op de kamer van [A] in het hotel in Lelystad. Verdachte en aangever zijn uiteindelijk naar buiten gegaan (hierna: moment 1). Aangever droeg een wit shirt. Verdachte droeg een grijs vest. Aangever is buiten naar verdachte toegelopen en heeft uitgehaald naar verdachte. Hierna heeft er kort een handgemeen plaatsgevonden. Verdachte is weer naar binnen gegaan. Aangever is uiteindelijk ook naar binnen gelopen en heeft de telefoon van verdachte afgepakt. Aangever is toen weer naar buiten gelopen (hierna: moment 2). Verdachte is daarna ook weer naar buiten gelopen. Aangever heeft verdachte toen een duw gegeven en verdachte bewoog hierdoor naar achter. Aangever liep vervolgens naar verdachte toe en toen heeft er een worsteling tussen beiden plaatsgevonden. Aangever belandde uiteindelijk zittend op het wegdek. Later blijkt aangever driemaal te zijn gestoken in zijn bovenlichaam.

Op grond van deze feiten en omstandigheden stelt de rechtbank vast dat verdachte tussen het moment van het begin van het gevecht in moment 2 tot het moment dat aangever op het wegdek gaat zitten aangever driemaal heeft gestoken met een mes dat hij bij zich had. De rechtbank stelt eveneens vast dat verdachte in de worsteling is geslagen door aangever, nu bij verdachte na afloop letsel op zijn hoofd is geconstateerd.

Ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van lijf, eerbaarheid of goed

De rechtbank heeft reeds hiervoor vastgesteld dat aangever in moment 2 als eerste een duw heeft gegeven aan verdachte en vervolgens weer op verdachte is afgelopen. De rechtbank stelt dan ook vast dat er sprake was een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding tegen het lijf van verdachte, waartegen hij zich mocht verdedigen.
Noodzakelijke en geboden verdediging

De rechtbank stelt vast dat verdachte door te steken met een mes in het lichaam van aangever niet heeft voldaan aan de eisen van proportionaliteit. Zoals reeds vastgesteld was aangever ongewapend en heeft aangever verdachte ‘alleen’ geslagen. Noch uit de camerabeelden zoals hiervoor benoemd noch uit enig ander stuk uit het dossier blijkt dat er sprake was van een zodanig nijpende situatie voor verdachte dat hij zich niettemin met een mes had mogen verdedigen. Er was dan ook sprake van een andere situatie dan volgt uit de door de raadsman aangehaalde jurisprudentie. De reactie van verdachte om naar aanleiding van dit fysieke contact een mes te trekken en vervolgens driemaal met dat mes in het lichaam van verdachte te steken is naar het oordeel van de rechtbank niet proportioneel.
Gelet op het voorgaande faalt het beroep op noodweer.

Er is verder geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:

poging doodslag.


7

7.1
Het standpunt van de officier van justitieDe officier van justitie is van mening dat er geen aanknopingspunten zijn voor een geslaagd beroep op de schulduitsluitingsgrond noodweerexces, nu de verklaring van verdachte onaannemelijk is.
7.2
Het standpunt van de verdedigingDoor en namens de verdachte is op de terechtzitting een beroep gedaan op de schulduitsluitingsgrond noodweerexces. Het handelen van verdachte is een gevolg geweest van een hevige gemoedsbeweging bij verdachte. Verdachte kreeg van aangever een klap in het gezicht en hij was bang dat hem iets ernstigs zou worden aangedaan.
7.3
Het oordeel van de rechtbankDe rechtbank stelt voorop dat een overschrijding van de grenzen van een noodzakelijke verdediging niet strafbaar is indien zij het onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging door de aanranding veroorzaakt. Bij de beantwoording van die vraag komt betekenis toe aan de mate waarin de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden alsmede aan de aard en intensiteit van de hevige gemoedsbeweging.
De rechtbank acht het aannemelijk dat verdachte door de fysieke aanval vanuit aangever een bepaalde mate van angst heeft ervaren. De rechtbank acht echter, gelet op het dossier en hetgeen is verhandeld op de terechtzittingen, niet aannemelijk geworden dat verdachte door het handelen van aangever in een zodanig hevige gemoedsbeweging verkeerde dat dit de overschrijding van de grenzen van een noodzakelijk verdediging, namelijk het driemaal steken met een mes, verontschuldigt.

Gelet op het voorgaande faalt het beroep op noodweerexces.

Er is verder geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8

8.1
De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van drie jaren, met aftrek van het voorarrest.
8.2
Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht een lagere gevangenisstraf op te leggen dan door de officier van justitie is geëist. Ter onderbouwing daarvan heeft de raadsman verwezen naar uitspraken in naar zijn oordeel gelijksoortige zaken.
8.3
Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van het feit

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een ernstig misdrijf. Verdachte heeft driemaal met een mes gestoken in het bovenlichaam van het slachtoffer. Verdachte heeft hiermee een zeer grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer, zelfs zodanig dat het slachtoffer daaraan had kunnen overlijden. Het slachtoffer heeft hierbij ernstig letsel opgelopen waaronder inwendige bloedingen, een ribfactuur en blijvend zenuwletsel. Blijkens de schriftelijke slachtofferverklaring van het slachtoffer heeft deze gebeurtenis ook psychisch een zeer grote impact op het slachtoffer.
De rechtbank houdt in het voordeel van verdachte rekening met de omstandigheid dat verdachte dit feit heeft gepleegd na een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Verdachte werd geduwd door het slachtoffer en het slachtoffer kwam vervolgens weer op hem aflopen. De rechtbank merkt hierbij echter op dat verdachte de grenzen van proportionaliteit op grove wijze heeft overschreden door vervolgens een mes te trekken en aangever hiermee driemaal te steken in het bovenlichaam.

Persoon van de verdachte

De rechtbank stelt vast dat uit de justitiële documentaties blijkt dat verdachte zowel in Nederland als in het buitenland niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.
Straf

De rechtbank stelt vast dat bij een ernstig feit als poging tot doodslag in de regel de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf volgt. De rechtbank zal in onderhavige zaak ook een onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan verdachte opleggen en heeft daarbij aansluiting gezocht bij vergelijkbare jurisprudentie. Daarbij heeft de rechtbank onder meer gelet op de feiten en omstandigheden van de noodweersituatie waarin de veroordeelden zich bevonden (wat was de aanleiding, waaruit bestond de aanranding door het slachtoffer, op welke wijze is daarop door de veroordeelde gereageerd), het handelen van veroordeelde in reactie op die aanranding (is er eerst gedreigd, mate van geweld) en de (al dan niet blijvende) gevolgen voor het slachtoffer. De rechtbank ziet voorts aanleiding om af te wijken van de eis van de officier van justitie, nu de officier van justitie, anders dan de rechtbank, van oordeel is dat er geen sprake was een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen verdachte zich mocht verdedigen. Alles overwegende acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee jaar passend en geboden.
9

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 15.497,-. Dit bedrag bestaat uit € 5.497,- aan materiële schade en € 10.000,- aan immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte primair ten laste gelegde feit. De advocaat van de benadeelde partij heeft ter zitting aangegeven dat de gevorderde schade met betrekking tot de jas is komen te vervallen, nu deze reeds is teruggegeven aan het slachtoffer, maar dat hiervoor in de plaats komt de schade aan de kleding van de benadeelde partij, waaronder de schade aan zijn shirt, broek en schoenen. De raadsman licht verder toe dat niet alle gevorderde schade is onderbouwd, maar verzoekt de rechtbank om in dit geval gebruik te maken van haar schattingsbevoegdheid.

9.1
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie verzoekt de rechtbank ten aanzien van de schade met betrekking tot kleding, de ketting, de extra voeding, de medicijnen en de mobiliteitskosten gebruik te maken van haar schattingsbevoegdheid. Met betrekking tot het daggeld voor de ziekenhuisopname verzoekt de officier van justitie deze te beperken tot een ziekenhuisopname voor de duur van vier dagen, gelet op bijlage A bij het verzoek tot schadevergoeding. Met betrekking tot de kosten van het eigen risico van de zorgverzekering refereert de officier van justitie zich aan het oordeel van de rechtbank. De kosten van de reeds gevolgde behandelingen bij de psycholoog kunnen volgens de officier van justitie worden toegewezen en met betrekking tot de toekomstige behandelingen bij een psycholoog refereert de officier van justitie zich aan het oordeel van de rechtbank. De officier van justitie verzoekt om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren met betrekking tot het verlies aan arbeidsvermogen nu dit onvoldoende onderbouwd is en de loonstrookjes in de Poolse taal zijn overgelegd. Tot slot verzoekt de officier van justitie de gevorderde immateriële schade te matigen naar billijkheid en redelijkheid, nu de uitspraken ter onderbouwing hiervan qua ernst niet geheel overeenkomstig zijn met onderhavige zaak.
9.2
Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht de gevorderde schade met betrekking tot de kleding, medicijnen, extra voeding, eigen risico zorgverzekering, behandelingen psycholoog, toekomstige behandelingen psycholoog, mobiliteitskosten en verlies arbeidsvermogen af te wijzen dan wel niet-ontvankelijk te verklaren nu deze schade niet, althans niet voldoende is onderbouwd. De raadsman verzoekt subsidiair ten aanzien van de gevorderde schade met betrekking tot de medicijnen deze aanzienlijk te matigen en subsidiair met betrekking tot de behandelingen bij de psycholoog het bedrag toe te wijzen tot de kosten van één behandeling. Met betrekking tot de gevorderde schade die ziet op de ketting verzoekt de raadsman dit bedrag af te wijzen nu de ketting in beslag genomen is door de politie en aan de benadeelde partij kan worden teruggegeven. De raadsman is van mening dat het aantal dagen voor het bepalen van de schade ten aanzien van de ziekenhuisopname moet worden vastgesteld op vier dagen. Tot slot is de raadsman ten aanzien van de gevorderde immateriële schade van mening dat de aangevoerde uitspraken ter onderbouwing hiervan niet overeenkomen qua ernst met onderhavige zaak. De raadsman stelt dat het passender is om aan te sluiten bij de uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 1 september 2017 (ECLI:NL:RBGEL:2017:4508).

9.3
Het oordeel van de rechtbank

Van de schade voor zover die betrekking heeft op de schadeposten kleding, ziekenhuisopname en immateriële schade komt een bedrag ter hoogte van € 6.320,00 voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank overweegt hierbij dat de schade met betrekking tot de ziekenhuisopname moet worden vastgesteld op een bedrag van € 120,00, nu uit de door de benadeelde partij overgelegde bijlage A blijkt dat de benadeelde partij gedurende vier dagen is opgenomen in het ziekenhuis. De rechtbank overweegt ten aanzien van de gevorderde immateriële schade dat deze, mede gelet op vergelijkbare jurisprudentie, kan worden vastgesteld op € 7.000,00. De rechtbank zal dit bedrag echter matigen tot een bedrag van € 6.000,00 gelet op het eigen aandeel dat de benadeelde partij heeft gehad ten aanzien van het strafbare feit, te weten de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. De rechtbank zal de vordering tot het bedrag van € 6.320,00 toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 3 januari 2019 tot de dag van volledige betaling.

De benadeelde partij heeft meer gevorderd dan de rechtbank zal toewijzen. Wat betreft de gevorderde schadeposten medicijnen, extra voeding, eigen risico zorgverzekering, behandelingen psycholoog, toekomstige behandelingen psycholoog, verlies arbeidsvermogen en wat betreft het meer gevorderde ten aanzien van de schadeposten ziekenhuisopname en immateriële schade geldt dat deze onvoldoende zijn onderbouwd. De rechtbank kan dan ook niet kan vaststellen of deze schadeposten rechtstreekse schade betreffen ten gevolge van het strafbare feit. Daarbij merkt de rechtbank op dat de onderbouwing voor de post verlies arbeidsvermogen onderbouwd is met niet vertaalde stukken in de Poolse taal. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij wat betreft het meer gevorderde afwijzen.Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [slachtoffer] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 6.320,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 3 januari 2019 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 66 dagen hechtenis, waarbij toepassing van de hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.
De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

10

De beslissing berust op de artikelen 36f, 45, 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

beslissing

11

- verklaart het primair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;
- verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld; - verklaart verdachte strafbaar;
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van ; - bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.
De rechtbank:
Bewezenverklaring

Strafbaarheid

Oplegging straf

Benadeelde partij

Dit vonnis is gewezen door mr. V.C. Kool, voorzitter, mrs. R.B. Eigeman en M.J.A.L. Beljaars, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.M. van Jole-Harmsen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 8 oktober 2019.

Mr. Eigeman is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 3 januari 2019 te Lelystad, althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet meerdere malen, althans eenmaal, met een mes, althans een dergelijk (scherp) (steek)voorwerp, in de (linker)zij en/of de (linker)oksel en/of de rug, althans het lichaam van die [slachtoffer] heeft gestoken en/of gesneden, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 3 januari 2019 te Lelystad, althans in het arrondissement Midden-Nederland, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten: diverse steek/snijwonden in de (linker)zij en/of de (linker)oksel en/of de rug met een geperforeerde long ten gevolge) heeft toegebracht, door voornoemde [slachtoffer] opzettelijk meerdere malen, althans eenmaal, met een mes, althans een dergelijk (scherp) (steek)voorwerp, in de (linker)zij en/of de (linker)oksel en/of de rug, althans het lichaam te steken en/of te snijden;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 3 januari 2019 te Lelystad, althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meerdere malen, althans eenmaal, met een mes, althans een dergelijk (scherp) (steek)voorwerp, in de (linker)zij en/of de (linker)oksel en/of de rug, althans het lichaam van die [slachtoffer] heeft gestoken en/of

gesneden, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

-

wijst de vordering van [slachtoffer] toe tot een bedrag van € 6.320,00;

veroordeelt verdachte tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 januari 2019 tot de dag van volledige betaling;

verklaart [slachtoffer] ten aanzien van de schadeposten medicijnen, extra voeding, eigen risico zorgverzekering, behandelingen psycholoog, toekomstige behandelingen psycholoog en verlies arbeidsvermogen en voor wat betreft het meer gevorderde ten aanzien van de schadeposten ziekenhuisopname en immateriële schade niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

wijst de vordering van [slachtoffer] wat betreft het meer gevorderde af;

legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat € 6.320,00 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 januari 2019 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 66 dagen hechtenis;

bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

_b906139a-a632-4530-8837-0f24f9fc4c0e
1

Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 3 januari 2019, genummerd 2019002998, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd 10 tot en met 1087. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

_6a6f4eba-1788-4db3-9d76-f390852641c6
2

Pagina’s 1046 en 1047.

_6a6e6df4-5a90-49e2-851a-d82b7094cc17
3

Pagina 1048.

_5056264a-635d-4c6d-9128-9ecb362bf888
4

Pagina 1056.

_f7cabfd2-8ae6-4a64-bf91-ddd7d8646120
5

Pagina’s 1040 tot en met 1041 en pagina’s 1089 tot 1091.