Uitspraak ECLI:NL:RBMNE:2019:4644

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 07-10-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Midden-Nederland op 07-10-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBMNE:2019:4644, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 16/242093-17 (P)


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

StrafrechtZittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16/242093-17 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 7 oktober 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1990] te [geboorteplaats] ,domicilie kiezende [adres] , [woonplaats] .

ECLI:NL:RBMNE:2019:4644:DOC
nl

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

StrafrechtZittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16/242093-17 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 7 oktober 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1990] te [geboorteplaats] ,domicilie kiezende [adres] , [woonplaats] .
1

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 23 september 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van de officieren van justitie mrs. E.M. van der Burg en H.M. Gorter (verder: de officier van justitie) en van hetgeen verdachte en mr. M. van der Steeg, advocaat te Schalkhaar, naar voren hebben gebracht.

2

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1

feit 2

feit 3

3

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4

4.1
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vindt het onder 1 tot en met 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen. Zij heeft – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat het nog niet nodig was om de groep jongeren met de wapenstok te slaan, omdat er geen dreigende situatie was en omdat er nog alternatieven voor het gebruik van de wapenstok waren. Er is daardoor niet voldaan aan de eis van subsidiariteit. Bij het gebruik van de wapenstok is niet voldaan aan de eis van proportionaliteit, omdat er te vaak is geslagen en het gebruikte geweld niet is afgeschaald op het moment dat de groep jongeren zich in de aangegeven richting verwijderde. Verdachte heeft hierdoor, ten aanzien van feit 1 tot en met feit 3, buiten de grenzen van artikel 7 Politiewet 2012 opgetreden. Nu een rechtvaardiging voor het toegepaste geweld ontbreekt, is het toegepaste geweld wederrechtelijk. Hierdoor is sprake van mishandeling van B 01, [A] en [B] .
4.2
Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van de onder 1 tot en met 3 ten laste gelegde feiten. Volgens de raadsvrouw kan niet in alle gevallen worden bewezen dat er raak is geslagen en dat er sprake was van letsel of pijn. Bovendien ontbreekt de wederrechtelijkheid. Het toegepaste geweld voldoet namelijk aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit en was derhalve gerechtvaardigd op grond van artikel 7 van de Politiewet 2012.
4.3
Het oordeel van de rechtbank

a.
wettelijk kader

beoordeling van het gebruik van de wapenstok

conclusie

In de nacht van 16 oktober 2016 ontvangt de politie een melding van een vechtpartij bij de McDonalds te Breukelen. Ter plaatse constateert de politie een ongewoon drukke en onrustige situatie. Een groep luidruchtige, vermoedelijk dronken jonge mensen staat tussen de voertuigen bij de McDrive. Diverse individuen houden zich hinderlijk op. De politie besluit in een kleine samenstelling ter plaatse te blijven. Zij staan, ter de-escalatie, uit het zicht. Dan volgt een tweede melding van een vechtpartij. De politie gaat ter plaatse, neemt een ruzie waar tussen personen uit de groep en de inzittenden van een auto en ziet dat personen bij elkaar weg worden gehouden. De operationeel coördinator verzoekt versterking. De operationeel coördinator vordert een deel van de groep zich te verwijderen. Hieraan wordt niet of nauwelijks gehoor gegeven. Ondertussen is de versterking van de politie ter plaatse gekomen. Dan volgt een tweede vordering waarbij wordt gezegd dat iedereen van het terrein weg moet. Vervolgens wordt gezegd dat als de groep niet weggaat, geweld wordt toegepast. Uit de processen-verbaal komt naar voren dat de groep nog steeds blijft staan en dat wordt geroepen “eerst eten, dan maar geweld”. Hierop geeft de operationeel coördinator het commando ‘trek wapenstok’. Vervolgens is de groep door de politie met gebruik van de wapenstok gedwongen om het terrein te verlaten. Hierbij is een aantal personen geslagen met een wapenstok.

Politieambtenaren die op grond van artikel 3 Politiewet 2012 in de rechtmatige uitoefening van hun bediening werkzaam zijn, hebben op grond van artikel 7 Politiewet 2012 de bevoegdheid om bij de uitoefening van hun taak geweld toe te passen. Het gebruik van geweld dient aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit te voldoen. De proportionaliteitseis ziet op de evenredigheid tussen het doel en het middel. De subsidiariteitseis houdt in dat een bepaald geweldsmiddel (in dit geval een wapenstok) enkel mag worden aangewend wanneer het doel niet met een minder ingrijpend middel kan worden bereikt. Daarnaast dient op grond van artikel 7 lid 7 Politiewet 2012, de het gebruik van geweld, in verhouding tot het beoogde doel redelijk en gematigd te zijn.

Subsidiariteit en proportionaliteit

Uit de feitelijke gang van zaken, zoals beschreven onder a, volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de groep personen zorgde voor verstoring van de openbare orde en dat zij geen gehoor gaf aan de vordering zich te verwijderen. Ook de aanwezigheid van de politieambtenaren en een politiehond, de mededeling dat geweld zou worden toegepast en het trekken van de wapenstok heeft geen zichtbaar effect op de groep gehad. Zij heeft zich niet verwijderd. Gelet op de vordering, de waarschuwing dat geweld gebruikt zou gaan worden en de tijd die is gegeven aan de groep om zich daadwerkelijk te verwijderen, is de rechtbank -anders dan de officier van justitie- van oordeel dat voldoende gelegenheid is geboden aan de groep om het terrein te verlaten. Onder deze omstandigheden mocht de politie, en daarmee dus verdachte, geweld gebruiken om de groep te verwijderen, zodat de openbare orde weer werd hersteld. Dat er op dat moment geen sprake was van een dreigende situatie in de richting van de politie, zoals de officier van justitie heeft betoogd, doet aan het voorgaande niet af. Artikel 7 van de Politiewet 2012 vereist dat niet.

De vraag is vervolgens of een minder ingrijpend middel dan de wapenstok kon worden ingezet. Gelet op het verhandelde ter zitting volgt de rechtbank het standpunt van de verdediging dat bij optreden van de politie in dit geval, tegen een grotere groep die weigert weg te gaan, het wegduwen van personen en het prikken met de wapenstok geen geschikte geweldsmiddelen zijn. De verdediging heeft in dit verband naar voren gebracht dat in een dergelijke situatie eerder individuele conflicten kunnen ontstaan tussen politieambtenaren en burgers en dat het prikken met de wapenstok meer kans geeft op letsel dan het slaan met de wapenstok. De rechtbank weegt verder mee dat een politieambtenaar in de hitte van de strijd een keuze moet maken over welk middel wordt ingezet en dat die avond door de operationeel commandant het commando “trek wapenstok” was gegeven. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het slaan met de wapenstok om de groep jongeren te verwijderen van het terrein om de openbare orde te herstellen voldeed aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit.

Geweld redelijk en gematigd

De slotvraag die hier voorligt is of de mate waarin het gekozen middel is gebruikt, in verhouding tot het beoogde doel redelijk en gematigd was. Ten aanzien van feit 1 leidt de rechtbank uit het procesdossier af dat B01 éénmaal geslagen is door verdachte met de wapenstok op het moment dat de politie de groep in beweging wilde krijgen. De rechtbank is van oordeel dat deze éénmalige slag, en daarmee het geweld richting B01, redelijk en gematigd was. Ten aanzien van feit 2 en feit 3 leidt de rechtbank uit het procesdossier af dat [A] en [B] meermalen zijn geslagen met de wapenstok door verdachte. Gelet op het verhandelde ter zitting is de rechtbank, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat mede gelet op de veiligheid van de politie - van de groep verlangd mocht worden dat zij zich voortvarend zou verwijderen. De verdediging heeft het potentiële gevaar van het achterblijven van enkele groepsleden, zoals in dit geval [A] en [B] dat dreigden te doen, toegelicht. Deze personen zouden achter de linie terecht kunnen komen, hetgeen gelet op de veiligheid van de politie onwenselijk is. Ook zouden andere, snellere groepsleden weer terug kunnen komen, waardoor het beoogde doel, het verwijderen van de groep, niet wordt bereikt. [A] en [B] reageerden ook na de eerste slag telkens niet zoals van hen mocht worden verlangd, zodat verdachte hen meermalen heeft moeten slaan om hen uiteindelijk van het terrein te krijgen. Verdachte heeft bovendien, daar waar het kon, geen gebruik gemaakt van de wapenstok en geduwd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de hoeveelheid slagen jegens [A] en [B] redelijk en gematigd was.

Verdachte heeft gelet op het voorgaande niet wederrechtelijk gehandeld. Daardoor is geen sprake van mishandeling (ex. artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht). De verdachte dient derhalve te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde onder feit 1 tot en met feit 3.

5

- vernietigt de eerder uitgevaardigde strafbeschikking, en beslist als volgt;
- verklaart het onder feit 1 tot en met feit 3 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
1. hij op of omstreeks 16 oktober 2016 te Breukelen, althans in Nederland, een (tot op heden onbekend gebleven) persoon (in het dossier aangeduid als B01) heeft mishandeld door hem/haar meermalen, althans eenmaal, (met kracht) met de wapenstok op het (boven) lichaam te slaan;
2 hij op of omstreeks 16 oktober 2016 te Breukelen, althans in Nederland, [A] heeft mishandeld door hem meermalen, althans eenmaal, (met kracht) met de wapenstok op het (boven)lichaam te slaan;
3 hij op of omstreeks 16 oktober 2016 te Breukelen, althans in Nederland, [B] heeft mishandeld door hem meermalen, althans eenmaal, (met kracht) met de wapenstok op het (boven)lichaam te slaan;
De rechtbank:

Vrijspraak

Dit vonnis is gewezen door mr. H.E. Spruit voorzitter, mrs. M.E. Falkmann en A.A.T. Werner, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.M.F. Deug, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 7 oktober 2019.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

(Artikel art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

(Artikel art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

(Artikel art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht)