Uitspraak ECLI:NL:RBMNE:2019:4220

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 11-09-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Midden-Nederland op 11-09-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBMNE:2019:4220, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is UTR 19/793


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLANDuitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 september 2019 in de zaak tussen
Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/793

[eiser] , te [woonplaats] , eiser(gemachtigde: mr. R.P. Seger),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrechtse Heuvelrug, verweerder(gemachtigden: mr. J. van Dam en G. Siedsma).

ECLI:NL:RBMNE:2019:4220:DOC
nl

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLANDuitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 september 2019 in de zaak tussen
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/793

[eiser] , te [woonplaats] , eiser(gemachtigde: mr. R.P. Seger),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrechtse Heuvelrug, verweerder(gemachtigden: mr. J. van Dam en G. Siedsma).
procesverloop

Procesverloop

Bij besluit van 13 augustus 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder besloten de kosten van de toepassing van bestuursdwang van € 12.796,69 bij eiser in rekening te brengen.

Bij besluit van 17 januari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser, onder aanvulling van de motivering, ongegrond verklaard.

Bij besluit van 28 februari 2019 heeft verweerder eiser uitstel van betaling van de kosten van bestuursdwang verleend tot 6 weken na de uitspraak van de rechtbank op het ingestelde beroep.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 augustus 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

overwegingen

Overwegingen

1. Met betrekking tot de voorgeschiedenis verwijst de rechtbank naar de uitspraak van deze rechtbank van 27 november 2017 in de zaak UTR 17/882. De rechtbank voegt daar nog het volgende aan toe.

1.1
Eiser is eigenaar van het perceel aan de [adres] in [woonplaats] . Verweerder heeft eiser bij besluit van 8 juni 2016, gehandhaafd bij de besluiten op bezwaar van 20 januari 2017 en 28 september 2017, onder aanzegging van bestuursdwang gelast om de in die besluiten vermelde materialen/bouwwerken te verwijderen en verwijderd te houden.Eiser heeft de betreffende materialen/bouwwerken niet verwijderd binnen de gestelde termijn. Verweerder heeft daarop bestuursdwang toegepast en de zaken op 19 juni 2018 verwijderd. De kosten die verweerder voor de uitvoering van bestuursdwang heeft gemaakt bedroegen € 15.272,07, waarvan verweerder bij het primaire besluit van 13 augustus 2018 een bedrag van € 12.796,69 bij eiser in rekening heeft gebracht. Het door eiser tegen dat besluit ingediende bezwaar is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.
1.2
Bij het besluit van 28 februari 2019 heeft verweerder eiser uitstel van betaling verleend tot 6 weken na de uitspraak van de rechtbank op het ingestelde beroep. Het beroep van eiser tegen het bestreden besluit heeft met toepassing van artikel 4:125 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede betrekking op het besluit van 28 februari 2019.
Artikel 5:25, derde lid, van de Awb bepaalt dat tot de kosten van bestuursdwang behoren de kosten van voorbereiding van bestuursdwang, voor zover deze zijn gemaakt na het verstrijken van de termijn waarbinnen de last had moeten worden uitgevoerd.

Verder bepaalt artikel 5:25, vierde lid, van de Awb dat de kosten van voorbereiding van bestuursdwang ook verschuldigd zijn, voor zover als gevolg van het alsnog uitvoeren van de last geen bestuursdwang is toegepast.

2. De rechtbank stelt voorop dat de voorliggende zaak uitsluitend betrekking heeft op het besluit waarbij de kosten van bestuursdwang op eiser zijn verhaald. Wat eiser heeft aangevoerd met betrekking tot de last onder bestuursdwang, kan in deze procedure niet meer aan de orde komen, omdat deze last in rechte onaantastbaar is geworden door de uitspraak van deze rechtbank van 27 november 2017 (UTR 17/882).
3. In artikel 5:25 van de Awb is neergelegd dat bestuursdwang en kostenverhaal als regel samengaan. Voor het maken van een uitzondering kan onder meer aanleiding bestaan indien degene die is aangeschreven van de ontstane situatie geen verwijt kan worden gemaakt en bij het ongedaan maken van de met het recht strijdige situatie het algemeen belang in die mate is betrokken, dat de kosten redelijkerwijze niet of niet geheel voor rekening van de aangeschrevene behoren te komen. Ook andere bijzondere omstandigheden kunnen het bestuursorgaan nopen tot het geheel of gedeeltelijk afzien van het kostenverhaal. Daarnaast moet worden afgewogen of de hoogte van de kosten van de bestuursdwang aanleiding geeft om daar geheel of gedeeltelijk van af te zien. Zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) van 8 oktober 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:3643).
4. De rechtbank stelt met verweerder vast dat de beroepsgronden van eiser een herhaling zijn van de gronden in bezwaar. Eiser heeft als meest verstrekkende beroepsgrond aangevoerd dat hij zelf al bezig was met het opruimen van de materialen. Als verweerder hem nog drie dagen dan wel een week extra tijd had gegeven, dan was het terrein door hem zelf helemaal opgeruimd. De kosten van bestuursdwang konden dan ook redelijkerwijs niet bij hem in rekening worden gebracht, aldus eiser.
4.1
De rechtbank overweegt naar aanleiding van dit betoog dat eiser al op 8 juni 2016 een last onder bestuursdwang is opgelegd vanwege diverse overtredingen die door verweerder zijn geconstateerd. Bij dat besluit heeft verweerder eiser er op gewezen dat de overtredingen op zijn kosten zouden worden beëindigd, als hij niet tijdig aan de last zou voldoen. Verweerder heeft de begunstigingstermijn waarbinnen aan de last zou moeten worden voldaan nadien diverse malen verlengd, terwijl ook de rechtbank de begunstigingstermijn naar aanleiding van eisers beroep tegen de opgelegde last heeft verlengd. Eiser heeft daarmee ruim de tijd gehad.
4.2
Verder stelt de rechtbank vast dat eiser ook na het verstrijken van de laatste begunstigingstermijn door verweerder nog in de gelegenheid is gesteld om de overtredingen zelf ongedaan te maken.In dat verband wijst de rechtbank op de brief van verweerder van 20 maart 2018, waarin eiser er op wordt gewezen dat tijdens een uitgevoerde controle op 7 maart 2018 is gebleken dat er nog allerlei (afval)materialen op het perceel aanwezig waren. Eiser is toen meegedeeld dat er op 3 mei 2018 een eindcontrole zou plaatsvinden op zijn perceel en dat, als hij dan niet aan de last heeft voldaan, een aannemingsbedrijf opdracht zou worden gegeven tot het verwijderen van de materialen op het perceel.
4.3
Vervolgens heeft verweerder eiser bij brief van 11 juni 2018 meegedeeld dat tijdens de eindcontrole op 3 mei 2018 is gebleken dat hij nog niet geheel aan de lastgeving heeft voldaan. Naar aanleiding daarvan is eiser meegedeeld dat verweerder op korte termijn feitelijk bestuursdwang gaat toepassen en dat de materialen dan op kosten van eiser worden verwijderd dan wel opgeslagen.
4.4
Uit de hiervoor geschetste gang van zaken blijkt dat verweerder eiser sinds juni 2016 veelvuldig heeft verzocht de betreffende materialen van zijn perceel te verwijderen en heeft gewaarschuwd dat anders zou worden overgegaan tot het toepassen van bestuursdwang. Door het meerdere malen verlengen van de begunstigingstermijn heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank meer dan voldoende coulance betoond. Nu eiser de overtreding niet binnen de gestelde termijn heeft beëindigd, wat eiser ter zitting van de rechtbank ook heeft erkend, was verweerder gerechtigd voorbereidingen te treffen om de materialen op het perceel te laten verwijderen door een door hem aan te wijzen bedrijf en de kosten van die voorbereidingen en de uitvoering van de bestuursdwang in rekening te brengen bij eiser. De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de (voorbereidings)kosten redelijkerwijs niet ten laste van eiser zouden moeten komen. Het betoog van eiser slaagt dan ook niet.
5. Eiser heeft verder aangevoerd dat met de burgemeester telefonisch was afgesproken dat geen feitelijke bestuursdwang zou plaatsvinden zonder voorafgaand overleg van zijn gemachtigde met de burgemeester. Door zonder overleg op 19 juni 2018 over te gaan tot ontruiming van het perceel, heeft verweerder naar de mening van eiser onbehoorlijk gehandeld.

5.1
Ter zitting van de rechtbank heeft de vertegenwoordiger van verweerder aangegeven dat het klopt dat er van de zijde van eiser veelvuldig contact is geweest met de burgemeester. Van een toezegging op grond waarvan eiser er op mocht vertrouwen dat niet zou worden overgegaan tot toepassing van bestuursdwang zonder voorafgaand overleg met de burgemeester is echter geen sprake, aldus verweerder. De rechtbank stelt vast dat ook eiser een dergelijke afspraak met de burgemeester niet concreet heeft kunnen maken. De enkele stelling van eiser dat dit tijdens één van de eerste contacten door de burgemeester is toegezegd, is onvoldoende om te oordelen dat sprake is van een ondubbelzinnige toezegging waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend. Van schending van het vertrouwensbeginsel is de rechtbank dan ook niet gebleken. Het betoog van eiser slaagt niet.
6. Eiser heeft verder nog aangevoerd dat diverse kosten ten onrechte bij hem in rekening zijn gebracht omdat de voormalige bewoners op zijn perceel ook zelf zijn aangesproken om spullen te verwijderen.

6.1
De rechtbank overweegt naar aanleiding van dit betoog dat een belanghebbende in een procedure tegen een kostenverhaalsbeschikking in beginsel niet met succes gronden naar voren kan brengen die hij tegen de last onder bestuursdwang naar voren had kunnen brengen. Dit kan slechts in uitzonderlijke gevallen. Een uitzonderlijk geval kan bijvoorbeeld worden aangenomen als evident is dat er geen overtreding is gepleegd en/of eiser geen overtreder is (vergelijk de uitspraak van de ABRS van 15 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1567).
6.2
Van een uitzonderlijk geval als hiervoor bedoeld is echter naar het oordeel van de rechtbank geen sprake, nu met de uitspraak van de rechtbank van 27 november 2017 in rechte is komen vast te staan dat de betreffende overtredingen zich hebben voorgedaan en dat eiser de overtreder is. Daar komt bij dat eiser zelf ter zitting heeft verklaard dat hij met de voormalige bewoners had afgesproken dat hij voor het opruimen van het perceel zou zorgen. Het betoog van eiser slaagt dus niet.
7. Ten slotte heeft eiser nog aangevoerd dat een aantal kosten ten onrechte door verweerder in rekening zijn gebracht. Eiser heeft daarbij onder meer gewezen op de kosten voor een mobiele kraan. De kosten daarvoor zijn naar de mening van eiser ten onrechte in rekening gebracht omdat de kraan defect bleek te zijn. Verder kon een container niet worden afgevoerd omdat die in gebruik was door een broedende zwaluw. Andere nog bruikbare zaken zijn juist ten onrechte weggehaald.

7.1
De rechtbank overweegt naar aanleiding hiervan allereerst dat verweerder de controles en de ontruiming zelf zeer uitvoerig en zorgvuldig met behulp van foto’s heeft gedocumenteerd. Uit het rapport van de ontruiming van 19 juni 2018 blijkt dat eiser op die dag zelf nog de gelegenheid is gegeven zelf spullen af te voeren of op te (laten) slaan. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook voldoende zorgvuldigheid betracht.Verder stelt de rechtbank vast dat op grond van artikel 5:25, derde en vierde lid, van de Awb tot de kosten van bestuursdwang ook behoren de kosten van voorbereiding van de bestuursdwang en dat die kosten ook verschuldigd zijn indien als gevolg van het alsnog uitvoeren van de last geen bestuursdwang is toegepast.Gezien de hele gang van zaken, zoals die hiervoor onder punt 4.1 tot en met 4.3 is geschetst, is de rechtbank van oordeel dat verweerder de (voorbereidings)kosten van de bestuursdwang redelijkerwijs ten laste van eiser kon brengen. De rechtbank stelt verder vast dat eiser de hoogte van de kosten, zoals die blijkt uit de overgelegde factuur, niet heeft betwist en geen gronden heeft aangevoerd tegen de gestelde betalingstermijn. Het beroep van eiser slaagt niet.
8. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

beslissing

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, rechter, in aanwezigheid van W.B. Lakeman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 september 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.