Uitspraak ECLI:NL:RBMNE:2019:3820

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 15-08-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Midden-Nederland op 15-08-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBMNE:2019:3820, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 16/141133-19 (P)


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

StrafrechtZittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16/141133-19 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 15 augustus 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,
geboren op [1997] te [geboorteplaats] ,ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] , [woonplaats] .

ECLI:NL:RBMNE:2019:3820:DOC
nl

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

StrafrechtZittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16/141133-19 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 15 augustus 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,
geboren op [1997] te [geboorteplaats] ,ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] , [woonplaats] .
1

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 1 augustus 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. N.T.R.M. Franken en van hetgeen verdachte en zijn raadsman mr. A.M.P.M. Adank, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht.

2

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 9 januari 2019 te Utrecht zich zodanig als verkeersdeelnemer heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden – hij was onder invloed van cannabis en reed binnen de bebouwde kom ongeveer 80 kilometer per uur waar 50 kilometer per uur was toegestaan – waardoor [slachtoffer] is gedood.

3

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4

4.1
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen, waarbij zij zich op het standpunt heeft gesteld dat volgens haar sprake is van schuld van verdachte in die zin dat hij zeer onvoorzichtig en onoplettend heeft gehandeld.
4.2
Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld – kort en zakelijk weergegeven – dat bij de strafmaat rekening gehouden moet worden met het feit dat over de effecten van drugs op de rijvaardigheid in het algemeen nog weinig bekend is en per persoon verschillend kan uitwerken. Daarbij stelt de raadsman dat verdachte niet bekend was met de (langdurig) nadelige effecten van cannabis op zijn rijvaardigheid.
4.3
Het oordeel van de rechtbank


De rechtbank acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen op grond van de volgende feiten en omstandigheden uit de wettige bewijsmiddelen.

Het ongeval

Op 9 januari 2019 omstreeks 20.47 uur vond er op de Amsterdamsestraatweg te Utrecht een ongeval plaats tussen een personenauto (merk Volvo, V40, kenteken [kenteken] ) en een fietser. [slachtoffer] reed als maaltijdbezorger op een elektrische fiets, stak de Amsterdamsestraatweg over en werd daarbij door een personenauto waarvan verdachte de bestuurder was, aangereden.

De omstandigheden

De Amsterdamsestraatweg te Utrecht betreft een openbare weg binnen de bebouwde kom waar een maximum snelheid geldt van 50 kilometer per uur.

Uit het proces-verbaal ‘Verkeersongevalsanalyse’ blijkt dat de bestuurder van de Volvo nagenoeg constant 80 kilometer per uur heeft gereden en op het moment van de aanrijding 73 kilometer per uur.

Uit het proces-verbaal volgt voorts dat indien de bestuurder van de Volvo met 50 kilometer per uur had gereden en op hetzelfde punt had gereageerd op de naderende ongevalsdreiging met het inzetten van een remming dat het incident dan niet had plaatsgevonden. Uit het rapport volgt ook dat de geparkeerde voertuigen op de strook naast de rijbaan, met name een bedrijfsauto die aanzienlijk hoger was dan de ervoor geparkeerde voertuigen, het zicht van beide betrokken bestuurders belemmerde.
Verdachte is een beginnend bestuurder: de eerste afgiftedatum van zijn rijbewijs is [2017] .

Van de bestuurder van de Volvo is bloed afgenomen welk bloed is onderzocht. Uit het rapport drugs in het verkeer blijkt dat in het bloed van de bestuurder een THC-gehalte van 7,6 microgram per liter bloed is aangetroffen hetgeen duidt op gebruik van cannabis. Het gebruik van cannabis kan de rijvaardigheid nadelig beïnvloeden. Er bestaat internationaal consensus over de concentratie THC waarboven nadelige effecten op de rijvaardigheid beginnen op te treden, vergelijkbaar met 0,5 promille alcohol. Die grensconcentratie ligt op 0,0035 mg/l in volbloed.

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard:Ik was mij bewust van de invloed van cannabis op de rijvaardigheid en ik wist ook dat rijden onder invloed van cannabis niet is toegestaan.
De gevolgen

Het slachtoffer, [slachtoffer] , is overgebracht naar het Universitair Medisch Centrum te Utrecht. Uit het schouwverslag van de GGD blijkt dat bij hem direct sprake was van een slechte neurologische uitgangssituatie met coma en ademhalingsstilstand. Op de CT-scan bleek er sprake van bloeding onder het spinnewebvlies onder andere rondom de hersenstam. De hersenstamreflexen waren afwezig en een perfusiescan toonde een afwezige doorbloeding van het brein. Er was een fractuur van het bot rond de gehoorgang links. Gegeven de ernst van het klinisch beeld en het hersenletsel was er geen uitzicht op herstel of verbetering. [slachtoffer] is na stoppen van beademing en ondersteuning op 10 januari 2019 om 10:45 overleden.

Bewijsoverweging

Zeer onvoorzichtig

Op grond van vaste jurisprudentie gaat het bij de vaststelling of sprake is van schuld aan een verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet om het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Voorts is van belang dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.

De rechtbank is, met de officier van justitie, van oordeel dat uit de hiervoor vermelde bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, volgt dat het rijgedrag van verdachte als ‘zeer onvoorzichtig’ moet worden beschouwd.

De rechtbank leidt deze mate van schuld af uit de omstandigheid dat verdachte ten tijde van het ongeval met een veel te hoge snelheid heeft gereden. Uit de Verkeersanalyse en de informatie van Volvo Car Zweden is gebleken dat verdachte op de Amsterdamsestraatweg nagenoeg constant rond de 80 kilometer per uur heeft gereden, terwijl daar slechts 50 kilometer per uur was toegestaan. Dit betreft een zeer ernstige overschrijding van de maximumsnelheid. Dit klemt te meer nu uit het rapport de harde conclusie volgt dat indien verdachte zich had gehouden aan de maximumsnelheid, het ongeluk niet was gebeurd.

Daarnaast leidt de rechtbank de mate van schuld af uit de omstandigheid dat verdachte tijdens het rijden onder invloed van softdrugs verkeerde. Uit onderzoek van het NFI is gebleken dat het THC-gehalte in het bloed van verdachte 7,6 microgram per liter bloed bedroeg. Dat is meer dan de toegestane 3,0 microgram per liter bloed. De verdediging heeft betoogd dat het geconstateerde gehalte niet hoeft te betekenen dat sprake is geweest van recent gebruik: verdachte heeft steeds verklaard dat hij de avond ervoor meerdere joints gerookt had waarvan de laatste rond 4 uur in de ochtend. Verdachte is een gewende gebruiker van softdrugs en volgens de verdediging verschillen de effecten van softdrugs per lichaam. Wat hier verder ook van zij, het gehalte in het bloed van verdachte was meer dan het dubbele van het toegestane gehalte en verdachte was op de hoogte van de invloed van softdrugs op de rijvaardigheid; hij wist dat rijden onder invloed van softdrugs verboden was. Dat verdachte onwetend of onbekend was met het precieze effect daarvan in zijn situatie maakt dat niet anders. Hij had niet het risico mogen nemen om softdrugs te gebruiken en, ook al is het een aantal uren later, aan het verkeer deel te nemen. De gevolgen van dat risico zijn hem aan te rekenen.

Voorts leidt de rechtbank de mate van schuld af uit de omstandigheid dat verdachte zijn snelheid en gedrag niet heeft aangepast aan de plaatselijke verkeerssituatie. Uit het dossier volgt dat het gaat om een weg binnen de bebouwde kom, met een enkele rijbaan per rijrichting en met direct naast de rijbaan waar verdachte op reed een parkeerstrook waardoor het zicht op het fietspad en de uitritten en zijstraten belemmerd werd. Onder die omstandigheden had van verdachte als verkeersdeelnemer verwacht mogen worden dat hij zijn snelheid en gedrag aan de situatie zou hebben aangepast.

Conclusie

Verdachte heeft het ten laste gelegde begaan en daarbij zeer onvoorzichtig gehandeld.
5

- terwijl hij, verdachte, een beginnend bestuurder, verkeerde onder invloed van cannabis/hennep, ten gevolge waarvan zich in zijn, verdachtes, bloed een hoger dantoegestaan THC gehalte bevond (7,6 microgram THC per liter bloed), terwijl hij, verdachte, wist dat het gebruik van cannabis/hennep de rijvaardigheid en/of het reactievermogen kon verminderen en- binnen de bebouwde kom met een snelheid van ongeveer 80 km/u te rijden en- met een aanzienlijk hogere snelheid te rijden dan de omstandigheden ter plaatse en/of verkeerssituatie vergden, in verband met de omstandigheid dat het zicht op in- en/of uitritten en/of oversteekpunten op de Amsterdamsestraatweg bemoeilijkt werd door (vanuit de rijrichting van verdachte gezien) aan de rechterzijde van de Amsterdamsestraatweg, (achter elkaar staande) geparkeerde auto’s / voertuigen en- zonder zijn snelheid voldoende te minderen en - vervolgens met een snelheid van ongeveer 70 km/u tegen een overstekende fietser, genaamd [slachtoffer] , die de Amsterdamsestraatweg (vanuit de rijrichting van verdachte gezien) vanaf de rechterzijde op reed / overstak, te botsen, waardoor die [slachtoffer] is komen te overlijden,- terwijl hij, verdachte, verkeerde onder invloed van cannabis/hennep, ten gevolge waarvan zich in zijn, verdachtes, bloed een hoger dan toegestaan THC gehalte bevond (7,6 microgram THC per liter bloed), terwijl hij, verdachte, wist dat het gebruik van cannabis/hennep de rijvaardigheid en/of het reactievermogen kon verminderen en- terwijl hij, verdachte, de krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden.
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

op 9 januari 2019 te Utrecht als bestuurder van een motorrijtuig (te weten een (personen)auto, merk Volvo, type V40, kenteken [kenteken] ) daarmede rijdende over de weg, de Amsterdamsestraatweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door zeer onvoorzichtig,

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, eerste lid van deze wet en terwijl het feit is veroorzaakt doordat de schuldige een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden.

7

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8

8.1
De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door haar bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan een gedeelte van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met als (bijzondere) voorwaarden reclasseringstoezicht en behandeling bij de forensische polikliniek van Inforsa. Daarnaast heeft de officier van justitie een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen gevorderd voor de duur van 3 jaren met aftrek.
8.2
Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft in het kader van de strafmaat aangevoerd dat zowel verdachte als de maatschappij meer gebaat zijn bij het opleggen van een taakstraf aan verdachte dan een gevangenisstraf. Voorts heeft de raadsman verzocht aan verdachte geen ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen op te leggen, omdat inmiddels het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) betrokken is in deze zaak, zodat verdachte reeds daardoor waarschijnlijk zijn rijbewijs voor enkele jaren kwijt zal zijn.
8.3
Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.
De ernst van het feit

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een verkeersongeval door zeer onvoorzichtig rijgedrag. Verdachte heeft veel te hard gereden, was onder invloed van softdrugs en heeft geen aandacht gehad voor de verkeerssituatie ter plaatse. Verdachte heeft door zijn verkeersgedrag blijk gegeven van een ernstig gebrek aan verantwoordelijkheidsgevoel ten aanzien van de veiligheid van andere verkeersdeelnemers. Als gevolg hiervan heeft verdachte een aanrijding veroorzaakt waarbij een fietser dodelijk gewond is geraakt. De fietser betrof de slechts 15 jaar oude [slachtoffer] die op dat moment aan het werk was als maaltijdbezorger. Door het toedoen van verdachte zijn de ouders van [slachtoffer] , zijn zusje, andere familieleden en vrienden hun dierbare kwijt. Dat deze gebeurtenis een diepe en blijvende impact op hun leven heeft en zal hebben is evident, en blijkt ook uit de slachtofferverklaringen die de ouders tijdens de zitting hebben voorgelezen. Zo heeft de moeder van [slachtoffer] beschreven hoe zij iedere dag geconfronteerd worden met het gemis door de lege plek die er nu is in hun gezin in het dagelijks leven.

De persoon van verdachte

Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank gelet op een verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 3 juli 2019 waaruit blijkt dat verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een verkeersmisdrijf, noch voor enig ander strafbaar feit. De rechtbank houdt hiermee geen rekening in strafverminderende zin, omdat de oriëntatiepunten ook uitgaan van een blanco strafblad.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op een reclasseringsrapport van 29 juli 2019, opgemaakt door B. Frankes, reclasseringswerker. Uit dit rapport volgt dat het risico op recidive wordt ingeschat als laag. Hoewel verder geen criminogene factoren aanwezig zijn, acht de reclassering het softdrugsgebruik van verdachte zorgelijk en, nu het mogelijk een rol heeft gespeeld bij het ongeval, een interventie op dat gebied aangewezen. De reclassering adviseert de rechtbank aan verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering en ambulante behandeling door de forensische polikliniek van Inforsa voor het softdrugsgebruik.

De rechtbank neemt de informatie uit het rapport mee in haar overweging en neemt de adviezen over.

Tot slot heeft de rechtbank acht geslagen op de (proces)houding van verdachte. Enerzijds heeft hij niet direct volledige openheid van zaken gegeven en lijkt hij zijn aandeel (schuld) in het ongeval kleiner te willen maken dan het later bleek te zijn. Anderzijds heeft verdachte zich ter terechtzitting oprecht aangeslagen getoond, heeft hij zichtbaar psychisch last van het leed dat hij heeft veroorzaakt en heeft hij vanaf het begin verklaard dat hij ervoor open staat om in contact te treden met de nabestaanden van het slachtoffer als zij daar behoefte aan hebben. De rechtbank wijt het ‘enerzijds deel’ aan zijn jeugdigheid en zal meer rekening houden met het ‘anderzijds deel’.

De straf

Bij het bepalen van de strafmaat neemt de rechtbank, net als de officier van justitie, als uitgangspunt de LOVS oriëntatiepunten die gelden bij de categorie ‘ernstige schuld’. Dit betekent een uitganspunt van een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden onvoorwaardelijk en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 3 jaren.

De rechtbank ziet echter in de persoonlijke omstandigheden van verdachte aanleiding om in afwijking van de eis van de officier van justitie tot een lagere gevangenisstraf te komen. Deze omstandigheden bestaan onder meer in de afwezigheid van criminogene factoren in het leven van verdachte, het lage recidiverisico en de houding van verdachte, maar vooral in de eveneens jeugdige leeftijd van verdachte. Gezien alle omstandigheden van het geval gaat de rechtbank ervan uit dat deze verdachte niet zozeer gebaat is bij een detentie, maar meer bij een gedragsverandering. Voor het opleggen van alleen een taakstraf, zoals door de raadsman voorgesteld, is echter naar het oordeel van de rechtbank in dit geval geen plaats. Dat doet geen recht aan de ernst van het feit en de mate van schuld van verdachte.
De rechtbank is – alles overwegende – van oordeel dat in dit geval een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren passend en geboden is met daarnaast een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 2 jaren, met aftrek. Aan het voorwaardelijk strafdeel zal de rechtbank de bijzondere voorwaarden verbinden zoals door de reclassering geadviseerd. Ook legt de rechtbank aan verdachte een taakstraf op voor de duur van 80 uren.

De rechtbank ziet geen aanleiding om een ontzegging achterwege te laten omdat verdachte door het CBR reeds lange tijd zijn rijbewijs kwijt zal zijn. Het eventuele bestuursrechtelijke optreden van het CBR staat immers los van de strafrechtelijke mogelijkheden die de wet aan de rechtbank biedt. De ernst van het handelen van verdachte maakt dat een ontzegging van de rijbevoegdheid passend is. De rechtbank ziet wel aanleiding om een iets kortere duur van de ontzegging op te leggen. Daarbij speelt ook een rol dat het rijbewijs in de toekomst mogelijk van groot belang kan worden voor verdachte bij het vinden van een baan.

Namens het slachtoffer is geen vordering benadeelde partij ingediend, omdat de schade zal worden verhaald op de verzekeraar. De rechtbank hoeft hierover derhalve geen beslissing te nemen.


9

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

beslissing

10

- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld; - verklaart verdachte strafbaar;
- veroordeelt verdachte tot ; - bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van , tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden voorwaarden niet heeft nageleefd;- stelt daarbij een vast; - als voorwaarden gelden dat verdachte: - waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
- veroordeelt verdachte tot een ;- beveelt dat voor het geval verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis;
- terwijl hij, verdachte, een beginnend bestuurder, verkeerde onder invloed van (onder meer) cannabis/hennep, althans softdrugs, ten gevolge waarvan zich in zijn, verdachtes, bloed een hoger dan toegestaan THC gehalte bevond (7,6 microgram THC per liter bloed), terwijl hij, verdachte, wist of redelijkerwijs moest weten dat het gebruik van cannabis/hennep, althans softdrugs, de rijvaardigheid en/of het reactievermogen kon verminderen en/of- ( binnen de bebouwde kom) met een snelheid van (ruim, althans ongeveer) 80 km/u, in elk geval een (aanzienlijk) hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 50 km/u, te rijden en/of- met een (aanzienlijk) hogere snelheid te rijden dan de omstandigheden (ter plaatse) en/of verkeerssituatie vergde(n), in verband met, althans vanwege, de weersomstandigheden (regen en/of schemer) en/of een nat, althans vochtig, wegdek en/of de omstandigheid dat het zicht op in- en/of uitritten, althans zijwegen / afslagen, en/of oversteekpunten op de Amsterdamsestraatweg, althans die openbare weg, slecht was, althans bemoeilijkt / verminderd werd, vanwege die regen en/of schemer en/of (vanuit de rijrichting van verdachte gezien) aan de rechterzijde van de Amsterdamsestraatweg, althans die openbare weg, (achter elkaar staande) geparkeerde auto’s / voertuigen en/of- zonder zijn snelheid (voldoende) te minderen en/of zijn voertuig niet (adequaat) tot stilstand te brengen en/of- ( vervolgens) met een snelheid van (ongeveer) 70 km/u, althans een (zeer) hoge snelheid, tegen een (overstekend(e)) fietser / persoon, genaamd [slachtoffer] , die de Amsterdamsestraatweg, althans die openbare weg, (vanuit de rijrichting van verdachte gezien) vanaf de rechterzijde op reed / overstak, te botsen, althans die fietser aan te rijden, waardoor die [slachtoffer] werd gedood, althans ten gevolge waarvan [slachtoffer] is komen te overlijden,- terwijl hij, verdachte, verkeerde onder invloed van (onder meer) cannabis/hennep, althans softdrugs, ten gevolge waarvan zich in zijn, verdachtes, bloed een hoger dan toegestaan THC gehalte bevond (7,6 microgram THC per liter bloed), terwijl hij, verdachte, wist of redelijkerwijs moest weten dat het gebruik van cannabis/hennep, althans softdrugs, de rijvaardigheid en/of het reactievermogen kon verminderen, althans terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht en/of- terwijl hij, verdachte, de krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige matige heeft overschreden;
De rechtbank:

Bewezenverklaring

Strafbaarheid

Oplegging straf

* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;* zich na het onherroepelijk worden van dit vonnis zal bij Inforsa Reclassering op het adres Wittevrouwenkade 6, 3512 CR te Utrecht. Verdachte dient zich te blijven melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;* zich zal laten door de Forensische polikliniek van Inforsa of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, voor zijn softdrugsgebruik. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte dient zich te houden aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling;* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;
Dit vonnis is gewezen door mr. G. Perrick, voorzitter, mrs. I.J.B. Corbeij en K.J. Veenstra, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.S. Wijkstra, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 15 augustus 2019.

Mr. K.J. Veenstra en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 9 januari 2019 te Utrecht als bestuurder van een motorrijtuig (te weten een (personen)auto, merk Volvo, type V40, kenteken [kenteken] ), daarmede rijdende over de weg, de Amsterdamsestraatweg, althans de openbare weg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,

( art 6 Wegenverkeerswet 1994, art 8 lid 1 Wegenverkeerswet 1994, art 8 lid 2 ahf/ond a Wegenverkeerswet 1994, art 8 lid 2 ahf/ond b Wegenverkeerswet 1994 )
-

ontzegtbevoegdheid motorrijtuigen te besturen2 (twee) jaren
bepaalt dat de duur van de ontzegging wordt verminderd met de tijd gedurende welke het rijbewijs vóór het tijdstip waarop de straf ingaat, ingevorderd en ingehouden is geweest.

_ac98788c-5ab3-4a5a-827a-d7804d9706cd
1

Wanneer hierna (en hiervoor) wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Tenzij anders vermeld zijn deze processen-verbaal als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, genummerd PL0900-2019010189, opgemaakt door de politie Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 168. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar mogelijk wordt volstaan met een verkorte en zakelijke weergave.

_b95ca31c-2b60-40b3-81a8-a90eb2e3cf4d
2

Proces-verbaal aanrijding misdrijf van 14 mei 2019, p. 11.

_f4c28448-23d1-494f-a926-3724d26b31dd
3

Een proces-verbaal aanrijding misdrijf van 14 mei 2019, p. 10.

_b899ca43-43ce-4350-b645-2eefc9a27f41
4

Een proces-verbaal Verkeersongevalsanalyse van 25 april 2019, opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , p. 57 in samenhang met het rapport Analyse CDR data voertuig 1 Volvo Zweden van 21 januari 2019 als bijlage (p. 93 e.v.) bij dit proces-verbaal.

_0e56ed41-2ec0-4ecd-b381-92d627374e40
5

Proces-verbaal Verkeersongevalsanalyse, p. 71.

_ba4505c1-b5a6-41c2-adff-7659d4fd9c2a
6

Proces- verbaal Verkeersongevalanalyse van 25 april 2019, opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , p. 63.

_7d4b8a0b-a18a-4227-ae14-fbeae5df68b3
7

Proces-verbaal aanrijding misdrijf van 14 mei 2019, p. 12.

_3fb268a7-1766-46d6-b4b5-3208ba54ae08
8

Een proces-verbaal rijden onder invloed van 9 januari 2019, p. 105.

_24447324-3ab0-464f-ac57-a2d8df809899
9

Een geschrift, te weten een rapport drugs in het verkeer d.d. 19 februari 2019 van het Labor Monchengladbach te Maastricht, opgemaakt door drs. P.G.M. Zweipfenning, apotheker, (forensisch) toxicoloog NRGD, p. 115.

_f014c9cf-fce9-4632-b586-613cfcb19e5b
10

Een geschrift, te weten een Consultatie toxicologie inzake T.P. Harland van het Nederlands Forensisch Instituut van 23 juli 2019

_8c55d710-164c-41f1-b440-c5a9a6098671
11

Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 1 augustus 2019.

_9b1f3ef2-a592-41bc-9975-725044bbe0fc
12

Een geschrift, te weten een schouwverslag van de GGD regio Utrecht d.d. 10 januari 2019, opgemaakt door J. Verweij, forensisch arts GGD regio Utrecht, p. 100.