Uitspraak ECLI:NL:RBMNE:2019:3653

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht; Burgerlijk procesrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 05-08-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Midden-Nederland op 07-08-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBMNE:2019:3653, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 7486492


Bron: Rechtspraak


RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel rechtkantonrechter
locatie Utrecht

zaaknummer: 7486492 UC EXPL 19-677 RB/40162

Vonnis van 7 augustus 2019

inzake

de rechtspersoon naar buitenlands recht
Hoist Finance AB

gevestigd te Stockholm (Zweden),verder ook te noemen Hoist Finance,eisende partij,gemachtigde: mr. J.M. Wisseborn,
tegen:

de naamloze vennootschap
de Volksbank N.V.

gevestigd te Utrecht,verder ook te noemen de Volksbank,gedaagde partij,gemachtigde: mr. M.H. Berrevoets.

ECLI:NL:RBMNE:2019:3653:DOC
nl

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel rechtkantonrechter
locatie Utrecht

zaaknummer: 7486492 UC EXPL 19-677 RB/40162

Vonnis van 7 augustus 2019

inzake

de rechtspersoon naar buitenlands recht
Hoist Finance AB

gevestigd te Stockholm (Zweden),verder ook te noemen Hoist Finance,eisende partij,gemachtigde: mr. J.M. Wisseborn,
tegen:

de naamloze vennootschap
de Volksbank N.V.

gevestigd te Utrecht,verder ook te noemen de Volksbank,gedaagde partij,gemachtigde: mr. M.H. Berrevoets.
1

- de dagvaarding van 18 januari 2019 met producties 1 tot en met 9,- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 3,- de conclusie van repliek,- de conclusie van dupliek, met producties 4 en 5,- de akte uitlating.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:

2

2.1.
Hoist Finance is een leasemaatschappij. Zij heeft met mevrouw [A] (hierna: [A] ) een leaseovereenkomst gesloten. Op enig moment is er een achterstand ontstaan bij de betaling van de leasetermijnen. Op 18 augustus 2016 heeft de Rechtbank Amsterdam [A] veroordeeld tot betaling aan Hoist Finance van een geldbedrag (hierna: “het veroordelend vonnis”). [A] heeft dat bedrag niet voldaan.
2.2.
Namens Hoist Finance heeft gerechtsdeurwaarder mr. J.M. Wisseborn (hierna: de deurwaarder) in het kader van de executie van het veroordelend vonnis een brief gestuurd aan de Volksbank. In die brief verzoekt de deurwaarder de Volksbank op grond van artikel 475g lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) om informatie te verstrekken [de Volksbank](productie 4 van Hoist Finance). De brief bevat de personalia van [A] als de schuldenaar, te weten haar naam, geboortedatum, woonplaats en burgerservicenummer. Ook vermeldt de brief als kenmerk onder meer “Volkswagen Leasing” als de kennelijke eiser in de procedure waarin het veroordelend vonnis werd gewezen. De brief bevat verder de volgende gegevens met betrekking tot het vonnis:
“Aard van de titel uit kracht waarvan beslag mogelijk is:

grosse van een vonnis door de Rechtbank Amsterdam, Afdeling Privaatrecht, kantonrechter, (zaak\rolnummer 4561970 CV EXPL 15-29583) op tegenspraak gewezen d.d. 18 augustus 2016,”

2.3.
De Volksbank wilde alleen informatie verstrekken als zij voorafgaand aan de hand van de eerste en laatste pagina van het vonnis zou kunnen verifiëren of tegen [A] inderdaad een veroordelend vonnis is uitgesproken. De deurwaarder was niet bereid om de eerste en de laatste pagina van het veroordelend vonnis aan de Volksbank te sturen. Partijen hebben hier uitvoerig over gecorrespondeerd, maar dat heeft niet tot een oplossing geleid.
2.4.
Op 11 juli 2018 heeft Hoist Finance ten laste van [A] derdenbeslag gelegd onder de Volksbank. De Volksbank heeft het door de deurwaarder toegezonden formulier voor de derdenverklaring ingevuld. Daaruit bleek dat de Volksbank maandelijks een bedrag van € 314,55 aan [A] moet uitkeren, een bedrag beneden de beslagvrije voet. Het beslag was dus tevergeefs.
2.5.
Volgens Hoist Finance had zij geen beslag hoeven leggen als zij de opgevraagde informatie van de Volksbank had verkregen. De Volksbank had voor het verstrekken van de informatie niet de voorwaarde mogen stellen dat zij de eerste en de laatste pagina van het veroordelend vonnis zou verkrijgen. Volgens Hoist Finance is de Volksbank daarom op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk voor de tevergeefs gemaakte kosten van beslaglegging en overbetekening van in totaal € 190,99. Hoist Finance vordert dit bedrag in deze procedure, vermeerderd met wettelijke rente.
overwegingen

3

Laat artikel 475g lid 3 Rv een beoordeling van de bevoegdheid aan de deurwaarder door de derde toe?

3.1.
In de kern gaat deze zaak over de vraag of de Volksbank mocht weigeren de door de deurwaarder op grond van artikel 475g lid 3 Rv gevraagde informatie te verstrekken zolang zij niet aan de hand van een (gedeeltelijk) afschrift van het veroordelend vonnis kon verifiëren of de deurwaarder bevoegd was tot het doen van het verzoek.
3.2.
Artikel 475g lid 3 Rv bepaalt dat een deurwaarder die “gerechtigd” is tegen een schuldenaar beslag te leggen, bevoegd is aan degene van wie hij vermoedt dat deze aan de schuldenaar periodieke betalingen verricht of schuldig is, te vragen of dat zo is. Een ieder is verplicht hierop desgevraagd schriftelijk te antwoorden.
3.3.
Voorop moet worden gesteld dat de wetgever met artikel 475g lid 3 Rv de deurwaarder een eenvoudig te hanteren en doelmatig instrument heeft willen geven om informatie te vergaren over periodieke uitkeringen die de schuldenaar geniet. Dat wordt geïllustreerd door het gegeven dat de minister oorspronkelijk voor ogen had dat zowel de bevraging als de verstrekking van de informatie zou plaatsvinden (, 1986/87, 17897, nr. 5, p. 10). De strekking van dit eenvoudig te hanteren instrument is het voorkomen van tevergeefse beslagen en daarmee gemoeide kosten (, 1982/83, 17897, nr. 3, pp. 21-22 en , 1986/87, 17897, nr. 6, p. 11). Daarom is ook niet vereist dat dat de derde een periodieke uitkering aan de schuldenaar is verschuldigd. Voldoende is dat de deurwaarder het vermoeden heeft dat dat het geval is. Artikel 475g lid 3 Rv is dus juist geschreven voor de gevallen waarin onzeker is of een derdenbeslag zinvol is. De informatieplicht is daarom ook van een andere aard dan de verklaringsplicht als bedoeld in artikel 476a en 476b Rv, waaraan de betekening van het vonnis voorafgaat.
3.4.
Met Hoist Finance is de kantonrechter van oordeel dat uit niets blijkt dat de wetgever aan de derde de bevoegdheid heeft willen geven om te controleren of de deurwaarder bevoegd is tot het doen van het verzoek als bedoeld in artikel 475g lid 3 Rv. Dat zou ook niet stroken met de eenvoud en doelmatigheid waarmee dit instrument moet kunnen worden gehanteerd. Vanzelfsprekend mag de derde om nadere toelichting vragen, maar dat betekent nog niet dat zij geen informatie hoeft te verstrekken als zij die toelichting niet verkrijgt. De formulering wijst op een onvoorwaardelijke verplichting. Deze verplichting richt zich bovendien niet alleen tot relatief grote organisaties als financiële instellingen, maar tot iedereen, onder meer werkgevers en alimentatieplichtigen. In de regel zal niet van derden kunnen worden verwacht dat zij nagaan of de deurwaarder “gerechtigd” is tot het leggen van beslag. Het ligt ook geenszins voor de hand dat deze een (gedeeltelijk) afschrift van het vonnis verkrijgen.
3.5.
Daar komt bij dat alleen een deurwaarder bevoegd is tot het doen van een verzoek als bedoeld in artikel 475g lid 3 Rv. De deurwaarder zal zelf moeten beoordelen of hem of haar een bevoegdheid toekomt. Daarbij is van belang dat de deurwaarder openbaar ambtenaar is (artikel 2 van de Gerechtsdeurwaarderswet) en is onderworpen aan tuchtrecht.
Wordt dit anders op grond van de AVG?

3.6.
De Volksbank heeft er terecht op gewezen dat artikel 475g lid 3 Rv is ingevoerd ver vóór de Verordening (EU) 2016/679 (Algemene Verordening Gegevensbescherming)(hierna: AVG) in werking trad. Ook heeft de Volksbank er terecht op gewezen dat de AVG bovengeschikt is aan lidstatelijk recht.
3.7.
Artikel 5 lid 1 AVG bevat beginselen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens. Daarin worden onder meer de beginselen van doelbinding en minimale gegevensverwerking geformuleerd:
“Persoonsgegevens moeten:

(…)

b) voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden worden verzameld en mogen vervolgens niet verder op een met die doeleinden onverenigbare wijze worden verwerkt;(…)(„doelbinding”);

c) toereikend zijn, ter zake dienend en beperkt tot wat noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt („minimale gegevensverwerking”); (…).”

3.8.
Artikel 6 lid 1 AVG bepaalt onder meer:
“De verwerking is alleen rechtmatig indien en voor zover aan ten minste een van de onderstaande voorwaarden is voldaan:

(...)

c) de verwerking is noodzakelijk om te voldoen aan een wettelijke verplichting die op de verwerkingsverantwoordelijke rust; (…).”

3.9.
Tussen partijen is niet in geschil dat artikel 475g lid 3 Rv een wettelijke verplichting als bedoeld in artikel 6 lid 1 onder c AVG oplevert als de deurwaarder op grond van die bepaling een verzoek doet en hij gerechtigd is tot het leggen van beslag. Wel is tussen partijen in geschil of de Volksbank op grond van de AVG moet verifiëren óf de deurwaarder gerechtigd is tot het leggen van beslag en welke informatie zij in dat verband van de deurwaarder moet en mag opvragen. Op die vraag gaat de kantonrechter nu in.
3.10.
Artikel 5 lid 2 AVG bepaalt dat de verwerkingsverantwoordelijke, in dit geval de Volksbank, verantwoordelijk is voor de naleving van, onder meer, het beginsel van doelbinding en deze naleving kan aantonen (de verantwoordingsplicht). Artikel 24 lid 1 AVG bepaalt kort gezegd dat de verwerkingsverantwoordelijke passende technische en organisatorische maatregelen treft om te waarborgen en te kunnen aantonen dat de verwerking in overeenstemming met deze verordening wordt uitgevoerd. Dit brengt mee dat de Volksbank, zoals zij stelt, moet nagaan of het verzoek in artikel 475g lid 3 Rv terecht wordt gedaan.
3.11.
Niet volgt uit het voorgaande dat de Volksbank daartoe een (gedeeltelijk) afschrift van de executoriale titel zou moeten ontvangen en controleren. Uit de bepalingen van de AVG volgt dat niet. Ook uit overweging 78 van de AVG volgt dat, anders dan de Volksbank stelt, niet.
3.12.
Verder is van belang dat, zoals Hoist Finance terecht aanvoert, een verstrekking van een (gedeeltelijk) afschrift van de executoriale titel verwerking van persoonsgegevens door de deurwaarder behelst. Die verwerking moet op haar beurt ook aan de in de AVG gestelde eisen voldoen. Gelet op het in artikel 5 lid 1 onder c AVG geformuleerde beginsel van minimale gegevensverwerking ligt het juist voor de hand dat de deurwaarder niet een (gedeeltelijk) afschrift verstrekt. Daaraan doet niet af dat de deurwaarder het (gedeeltelijk) afschrift kan anonimiseren. Dat is juist, maar dit strookt niet met de bedoeling van de wetgever om een eenvoudig en doelmatig instrument te creëren (zie hiervoor 3.3).
3.13.
Vanuit het oogpunt van minimale gegevensverwerking, eenvoud en doelmatigheid kan de deurwaarder volstaan met de verstrekking van beperkte gegevens die de derde in staat stellen te controleren of de deurwaarder bevoegd is tot de bevraging als bedoeld in artikel 475g lid 3 Rv. Wanneer de gegevens zijn verstrekt die de deurwaarder in dit geval heeft verstrekt, zoals onder 2.2 weergegeven, dan mag en moet de derde, mede omdat de deurwaarder een aan tuchtrecht onderworpen openbaar ambtenaar is, op de juistheid van die gegevens varen.
3.14.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de Volksbank jegens Hoist Finance onrechtmatig heeft gehandeld door de op grond van artikel 475g lid 3 Rv gevraagde gegevens niet aan de deurwaarder te verstrekken. Daarbij geldt dat de gegevens die de Volksbank uit de eerste en de laatste pagina van het veroordelend vonnis had kunnen afleiden, haar al bekend waren uit wat de deurwaarder haar per brief had medegedeeld. Dat geldt weliswaar niet voor de hoogte van het bedrag tot betaling waarvan [A] was veroordeeld, maar die kennis had de Volksbank ook niet nodig om te kunnen toetsen of zij aan haar AVG-verplichtingen voldeed. Het gaat hier dus niet om ontbrekende kennis aan de zijde van de Volksbank maar om de vraag of wat de deurwaarder heeft medegedeeld, juist is. Daarvan moet nu juist – op grond van zijn beroepspositie – worden uitgegaan.
De overige voorwaarden voor aansprakelijkheid

3.15.
De Volksbank heeft ook verweer gevoerd met betrekking tot de toerekenbaarheid, de schade en het causaal verband. De kantonrechter verwerpt de verweren die de Volksbank hierover heeft gevoerd, om de volgende redenen.
3.16.
Met betrekking tot de toerekenbaarheid geldt het volgende. Nu vaststaat dat de Volksbank de gevraagde informatie had moeten verstrekken (zonder de ontvangst van een (gedeeltelijk) afschrift van de executoriale titel als voorwaarde te stellen), is het niet-verstrekken verwijtbaar. Dat de Volksbank ervan uitging dat zij rechtmatig handelde, gaat niet op. Van de Volksbank mag immers worden verlangd dat zij het recht kent. Dat, zoals de Volksbank stelt, andere deurwaarders wel een (gedeeltelijk) afschrift van de executoriale titel verstrekken, doet daaraan niet af.
3.17.
De Volksbank heeft verder betoogd dat Hoist Finance geen schade heeft geleden. Het is de kantonrechter niet duidelijk geworden wat de Volksbank aan deze stelling ten grondslag legt. Voor zover de Volksbank bedoelt dat het bedrag van de beslagkosten, € 190,99, gering is, gaat dat argument niet op, omdat ook geringe schade schade is. Daarbij moet bovendien in aanmerking worden genomen dat als zich meerdere gevallen als dit voordoen, het vanuit maatschappelijk oogpunt wenselijk is om de gezamenlijke schade in die gevallen te beperken.
3.18.
Tot slot heeft de Volksbank betoogd dat een causaal verband tussen het niet-verstrekken van de gevraagde informatie en de schade, dus de beslagkosten, ontbreekt. Ook als Hoist Finance wel over de gevraagde informatie had beschikt, had zij mogelijk beslag gelegd, aldus de Volksbank. Deze stelling komt de kantonrechter verre van aannemelijk voor, al was het maar omdat artikel 475g lid 3 Rv juist door de wetgever in het leven is geroepen om de kosten van nodeloze beslagen te beperken (, 1982/83, 17897, nr. 3, pp. 21-22 en , 1986/87, 17897, nr. 6, p. 11). Niet valt in te zien waarom die overweging in dit geval niet ten grondslag heeft gelegen aan de bevraging. De Volksbank heeft dit ook niet verder toegelicht. De kantonrechter vindt het juist zeer waarschijnlijk dat als Hoist Finance de relevante informatie had verkregen, en dus daaruit had begrepen dat de periodieke uitkering geheel beneden de beslagvrije voet viel, zij van beslag had afgezien. Dit verweer van de Volksbank gaat dus niet op.
3.19.
Het voorgaande brengt mee dat de Volksbank aansprakelijk is voor de schade die door het tevergeefse beslag is ontstaan.
3.20.
Voor wat betreft de omvang van de aansprakelijkheid heeft de Volksbank nog een beroep gedaan op eigen schuld aan de zijde van Hoist Finance. Voor zover de Volksbank hieraan ten grondslag legt dat Hoist Finance een (gedeeltelijk) afschrift van het veroordelend vonnis had moeten verstrekken om de geleden schade te voorkomen, valt dit samen met de vraag of de Volksbank onrechtmatig heeft gehandeld en verwerpt de kantonrechter dit verweer op grond van wat hiervoor werd overwogen. Dat, zoals de Volksbank verder stelt, Hoist Finance de schade had moeten beperken door contact op te nemen met [A] voor het treffen van een betalingsregeling of informatie over de inkomenspositie, gaat niet op. Dat kan niet van een beslaglegger worden verlangd.
3.21.
De Volksbank zal worden veroordeeld tot betaling aan Hoist Finance van € 190,99. Dit bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 januari 2019.
Proceskosten

3.22.
De Volksbank wordt in het ongelijk gesteld en zal in de proceskosten van Hoist Finance worden veroordeeld.
3.23.
Anders dan Hoist Finance ziet de kantonrechter geen aanleiding om af te wijken van het liquidatietarief. Dat dit tarief de werkelijk gemaakte kosten niet dekt, zoals Hoist Finance aanvoert, is daarvoor onvoldoende. In de regel zal voor een vergoeding van de werkelijk gemaakte proceskosten alleen aanleiding zijn in buitengewone omstandigheden, zoals het geval waarin de verwerende partij die in de kosten wordt veroordeeld, zich schuldig heeft gemaakt aan misbruik van procesrecht door het voeren van een verweer dat, gelet op de evidente ongegrondheid daarvan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven (HR 15 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2360, rov. 5.3.4). Dat heeft Hoist Finance niet gesteld en dat is in deze procedure ook niet aan de orde.
3.24.
Gelet hierop worden de kosten aan de zijde van Hoist Finance begroot op:
- dagvaarding € 104,54- griffierecht € 121,00- salaris gemachtigde € (2,5 punten x tarief € 36,00)Totaal € 315,54
3.25.
De gevorderde nakosten worden toegewezen zoals bepaald in 4.3.
beslissing

4

De kantonrechter:

4.1.
veroordeelt de Volksbank om aan Hoist Finance te betalen € 190,99, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 januari 2019 tot de voldoening;
4.2.
veroordeelt de Volksbank tot betaling van de proceskosten aan de zijde van Hoist Finance, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 315,54, waarin begrepen € 90,00 aan salaris gemachtigde;
4.3.
veroordeelt de Volksbank, onder de voorwaarde dat zij niet binnen 14 dagen na betekening door Hoist Finance volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 18,00 aan salaris gemachtigde;
4.4.
verklaart de veroordelingen in 4.1, 4.2 en 4.3 uitvoerbaar bij voorraad;
4.5.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Steenbergen, kantonrechter, bijgestaan door mr. R. Bloemink als griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 7 augustus 2019.