Uitspraak ECLI:NL:RBMNE:2019:3231

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht; Materieel strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 17-07-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Midden-Nederland op 16-07-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBMNE:2019:3231, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 16/659666-17


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

StrafrechtZittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16/659666-17

Vonnis van de meervoudige kamer van 16 juli 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats] ,wonend aan de [adres] , [postcode] [woonplaats] .

ECLI:NL:RBMNE:2019:3231:DOC
nl

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

StrafrechtZittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16/659666-17

Vonnis van de meervoudige kamer van 16 juli 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats] ,wonend aan de [adres] , [postcode] [woonplaats] .
1

De strafzaak tegen [verdachte] is behandeld op de zitting van 2 juli 2019. Omdat [verdachte] op deze zitting aanwezig was, is - juridisch gezien - sprake van een vonnis op tegenspraak.

De zitting op 2 juli 2019 was niet openbaar, omdat [verdachte] nog minderjarig was op het moment dat de feiten waarvan hij wordt verdacht plaatsvonden. De rechtbank heeft tijdens de zitting gesproken met en geluisterd naar de standpunten van de officier van justitie, mr. C.J. Booij, [verdachte] en de advocaat van [verdachte] , mr. S.C. Sassen, advocaat in Amsterdam. Ook heeft de rechtbank geluisterd naar de verklaringen van de slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en de standpunten van hun advocaat, mr. A.J.J.G. Schijns.

2

De tenlastelegging is als bijlage bij dit vonnis opgenomen.

De officier van justitie verdenkt [verdachte] ervan dat hij op 16 april 2017 in Laren, samen met anderen, een woningoverval heeft gepleegd (feit 1), waarbij de bewoners van de woning zijn vastgebonden, waardoor zij (zoals dat juridisch wordt genoemd) wederrechtelijk van hun vrijheid zijn beroofd (feit 2). De officier van justitie heeft in de tenlastelegging opgeschreven dat sommige goederen bij deze woningoverval door de bewoners onder bedreiging zijn afgegeven (juridisch heet dat afpersing) en dat andere goederen door de daders van de overval van de bewoners zijn afgepakt (juridisch heet dat diefstal met geweld).

Als niet kan worden bewezen dat [verdachte] een min of meer gelijkwaardige rol heeft gehad als de andere verdachten bij de overval, dan heeft hij hen in ieder geval geholpen. [verdachte] is in dat geval medeplichtig, omdat hij informatie aan de andere verdachten heeft doorgegeven, zodat zij gemakkelijker de overval konden plegen.

3

Aan alle in de wet gestelde voorvragen is voldaan. Dit moet altijd in een vonnis worden vastgesteld: de dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het tenlastegelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van [verdachte] en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. Dit betekent dat de rechtbank een inhoudelijke beslissing mag en zal nemen in de zaak tegen [verdachte] .

4

4.1
Het standpunt van de officier van justitie

Volgens de officier van justitie kan worden bewezen dat [verdachte] zich aan de zwaarste (primaire) verdenkingen heeft schuldig gemaakt: [verdachte] is als gelijkwaardige deelnemer betrokken geweest bij de overval en de wederrechtelijke vrijheidsberoving. [verdachte] is namelijk betrokken geweest bij de planning vooraf, hij heeft met zijn vriend [slachtoffer 3] afgesproken en hem net zo lang beziggehouden totdat de overvallers klaar waren om de familie [achternaam van slachtoffer 1] te overvallen, en hem op het juiste moment naar huis (de plaats van de overval) laten gaan. [verdachte] rol was bovendien heel erg belangrijk, omdat [slachtoffer 3] hem vertrouwde.
4.2
Het standpunt van de verdediging

De advocaat van [verdachte] vindt dat de rol van [verdachte] niet hetzelfde is als die van de andere verdachten. [verdachte] moest aan de anderen informatie geven, maar was verder helemaal niet betrokken bij de planning en de uitvoering van de overval. Hij werd ingezet als een hulpje, niet als een volwaardige deelnemer. [verdachte] was dus medeplichtig aan de overval.De advocaat van [verdachte] vindt ook dat [verdachte] niet kon weten dat er zoveel geweld zou worden gebruikt. [verdachte] wist niet dat er wapens werden meegenomen. Ook wist hij niet dat de verdachten tiewraps bij zich hadden. Dat de bewoners door de andere verdachten zijn vastgebonden, kan [verdachte] dus niet worden aangerekend.
4.3
Het oordeel van de rechtbank

- op 15 april 2017 om 19:44 uur stuurt de gebruiker van - [telefoonnummer 3] een sms naar het nummer [telefoonnummer 4] (verder: - [telefoonnummer 4] ) met de tekst: - op 15 april 2017 om 21:06 uur belt - [telefoonnummer 3] met - [telefoonnummer 4] . Het gesprek gaat over het maken van een afspraak om 21:30 uur. De stem van de gebruiker van het nummer - [telefoonnummer 4] wordt door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2]herkend als de stem van [A] .
- op 16 april 2017 om 00.10 uur belt het nummer - [telefoonnummer 6] naar het nummer - [telefoonnummer 7] . Het nummer - [telefoonnummer 7] , in de telefoon van [B] , straalt op dat moment een mast in de nabijheid van de [straatnaam] te [woonplaats] aan. Uit de verklaring van [slachtoffer 3] blijkt dat [verdachte] zich op dat moment samen met hem op de [straatnaam] in [woonplaats] bevond;- op 16 april 2017 om 00.40 uur belt het nummer - [telefoonnummer 6] naar het nummer - [telefoonnummer 7] . Het nummer - [telefoonnummer 7] , in de telefoon van [B] , straalt op dat moment een mast in de nabijheid van de [straatnaam] te [woonplaats] aan. Uit de verklaring van [slachtoffer 3] blijkt dat [verdachte] zich op dat moment samen met hem op de [straatnaam] in [woonplaats] bevond dan wel op het punt stond om met [verdachte] naar het station in [woonplaats] te rijden en [verdachte] daar af te zetten;- door [slachtoffer 3] is verklaard dat hij [verdachte] omstreeks 00.45 uur heeft afgezet op het station in [woonplaats] . Op 16 april 2017 om 00.54 uur belt het nummer - [telefoonnummer 8] naar het telefoonnummer in gebruik bij [E] . De telefoon van [verdachte] straalt op dat moment de [straatnaam] te [woonplaats] aan. In dat gesprek neemt [C] op en vraagt aan [verdachte] of hij heeft gebeld en of er werd opgenomen. [verdachte] antwoordt op beide vragen bevestigend.
-
_bbe3d4b6-32b3-4b1c-8778-4a9f887a61e5

_a0aa6551-30a5-4050-b817-5365cc27f97c

_8cc5bf6d-c97c-4251-a005-e0c6578d8f1f

- op 16 april 2017 om 03:44 uur belt - [telefoonnummer 3] met - [telefoonnummer 4] en zegt ‘ik kom eraan’. De locatie van de beller - [telefoonnummer 3] is [......] [woonplaats] .

Inleiding

De rechtbank moet vaststellen wat er precies is gebeurd bij de woningoverval in Laren op 16 april 2017. Verder is het belangrijk om vast te stellen of [verdachte] hierbij een rol had en zo ja, hoe groot deze rol was. Hieronder staan zogenoemde bewijsmiddelen opgeschreven. Deze bewijsmiddelen zijn delen van het dossier, bijvoorbeeld wat de politie heeft gehoord en gezien of wat getuigen hebben verteld. Met deze bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast wat er gebeurd moet zijn bij de woningoverval op 16 april 2017.
De conclusie van de rechtbank is uiteindelijk dat de woningoverval op 16 april 2017 is gepleegd door [A] en [B] . [C] was het brein achter de overval, maar hij was zelf niet aanwezig bij de uitvoering. [verdachte] heeft bij deze overval geholpen.

Bewijsmiddelen
_9806e842-93c2-49e0-92e7-2da3a27bc168

De verklaringen van de slachtoffers

[slachtoffer 3] heeft op 16 april 2017 bij de politie aangifte gedaan van een woningoverval. [slachtoffer 3] zegt in zijn verklaring het volgende:Ik woon op het adres [adres] in [woonplaats] , samen met mijn vader en mijn stiefmoeder (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ). Op 16 april 2017 om 00:56 uur kwam ik aan bij onze woning. Ik stak mijn sleutel in het slot. Op datzelfde moment werd ik vastgepakt en kreeg ik een hand voor mijn mond. Ik hoorde dat iemand zei ‘doorlopen, doorlopen’. Ik werd vervolgens de hal van onze woning ingeduwd. Ik zag dat er twee personen in de woning waren en dat een van de personen een vuurwapen vast had. Ik zag dat dader 1 een vuurwapen op mij richtte. Terwijl ik de trap op liep hoorde ik mijn stiefmoeder [slachtoffer 2] (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 2] ) om hulp schreeuwen. Wij moesten met z’n tweeën naar de kleedkamer lopen. Ik zag dat [slachtoffer 2] werd geslagen door dader 2. Ik ben twee keer tegen mijn benen aangetrapt. Op een gegeven moment werden mijn handen vastgebonden met tiewraps. Ik zag dat [slachtoffer 2] een klap kreeg met de onderkant van het vuurwapen. Ik moest naast mijn vader (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 1] ) op het bed van mijn ouders gaan liggen. Ik hoorde dat allebei de daders riepen dat zij geld wilden hebben. Ik zag dat mijn vader steeds met een van de daders mee moest. Hij moest de kluis openmaken. Ook werden er bij mijn vader tiewraps om zijn polsen gedaan. Op een gegeven moment hebben ze mijn vader en [slachtoffer 2] hun monden getapet.
In zijn tweede verklaring, op 16 april 2017, zegt [slachtoffer 3] het volgende:Ik werd in een verwurging om mijn nek vastgepakt. Ik moest de voordeur opendoen. Ik zag dat iemand een pistool op mijn buik gericht hield. In de hal werd ik vastgebonden met een tiewrap. Ik werd naar boven geduwd. Ik zag dat [slachtoffer 2] uit de slaapkamer kwam. Ik zag dat de voorste overvaller naar [slachtoffer 2] liep en haar fors en meermalen sloeg. [slachtoffer 2] en ik werden de kleedkamer ingeduwd. Wij lagen op de grond. Ik hoorde dat er geweld tegen [slachtoffer 2] werd gebruikt. [slachtoffer 2] werd geslagen. Ik zag dat de overvallers de sieraden van [slachtoffer 2] wilden meenemen. Ik zag dat mijn vader werd geslagen. Ik zag dat mijn vader vastgebonden werd met tiewraps. Ik werd later vastgemaakt met ducttape. Dit werd om mijn handen en benen gedaan. Ik hoorde dat mijn vader en [slachtoffer 2] ook getaped werden. [slachtoffer 2] en mijn vader kregen ook tape op de mond geplakt.Weggenomen zijn een Omega Seamaster horloge, ongeveer 1400 euro contant geld, sieraden, een Tech 21 telefoonhoesje en geld dat daarin zat, ongeveer 210 euro, autosleutels van de BMW en de Mini.
[slachtoffer 1] is op 16 april 2017 als getuige gehoord door de politie en heeft het volgende verklaard:Toen mijn vrouw de slaapkamerdeur opende, stormden meteen twee mannen de slaapkamer binnen. Ik zag dat deze mannen mijn vrouw vastpakten en op haar hoofd sloegen. Ik zag dat een van deze mannen een vuurwapen had. Ik hoorde de mannen schreeuwen: “Ik wil geld”. Ik werd ook door de mannen vastgepakt en geslagen in mijn gezicht. Mijn vrouw en ik zijn vastgebonden met tiewraps. Ik moest met een van de mannen meelopen. Ik ben vervolgens naar de kluis gelopen, deze heb ik geopend. Nadat ik de kluis geopend had, moest ik weer naar boven. Ik werd op bed gelegd en vastgebonden met tiewraps en tape.De donkergetinte man had een vuurwapen. Dit vuurwapen heeft hij op mijn hoofd gezet. Ook zag ik dat de donkere man het vuurwapen op het hoofd van mijn vrouw zette en sloeg. Ik ben door de licht getinte man meermalen met een uitschuifbare stok geslagen. Dit deed ontzettend veel pijn.
Op 17 april 2017 heeft [slachtoffer 1] nog een verklaring afgelegd. Hij zegt dan:Toen ik op bed lag deed één van de daders eerst tiewraps om. Op dat moment werden mijn benen nog niet vastgebonden, dat gebeurde pas later, toen ik bij de kluis was geweest. Ik moest op mijn buik gaan liggen. Af en toe kreeg ik weer een klap. Ze sloegen mij hard met hun vuisten en af en toe met een uitschuifbare ijzeren staaf. Ik voelde ook een klap met een pistool op mijn hoofd. Hij heeft mij geraakt op mijn handen, en later op mijn knie. Ik denk dat ik minstens een keer of zeven à acht geslagen ben. Het pistool werd dreigend in mijn richting gehouden. Ik moest zeggen waar mijn geld lag. Ik moest met hen naar de kluis. Nadat we bij de kluis waren geweest, gingen we weer naar boven. Hoe lang de situatie geduurd heeft weet ik niet precies, maar volgens mij wel een uur. Toen werd gevraagd waar de pasjes waren. Ik zei dat die in de keuken lagen. Ik heb twee pasjes afgegeven. De pasjes waren van de [...] bank. Ik heb ze de code gegeven. Er is geen geweld gebruikt toen ik de pasjes gaf, maar de dreiging was er nog steeds. Ik heb gezien dat er geweld gebruikt is tegen mijn vrouw. Ik zag ze schoppen en slaan. Ik zag dat het slaan en schoppen hard was.
Daarna is [slachtoffer 1] op 22 juni 2017 gehoord en heeft hij het volgende gezegd:Vlak na het incident had ik veel pijn aan mijn linkerarm, deze was helemaal gevoelloos. Twee weken later kreeg ik meer pijn aan mijn linkerarm en een week later scheurde een spier af in mijn linkerarm. Ik kon mijn arm niet meer bewegen en mijn arm werd helemaal blauw. Ik ben geopereerd. Ik heb twee weken gips gehad. Dit letsel is gekomen door de klappen op mijn arm met die staaf en met het pistool.
Medische informatie

In een medisch verslag van de orthopedisch chirurg van [slachtoffer 1] staat het volgende:Op 5 juni 2017 is [slachtoffer 1] gezien door de orthopedisch chirurg. Mishandeld op 16 april, o.a. letsel aan linkerarm.Op 6 juni 2017 is [slachtoffer 1] geopereerd in verband met een ruptuur van de distale bicepspees (de rechtbank begrijpt: een gescheurde pees in de bovenarm). Daarbij is de oude bicepspees gehecht. De nabehandeling betreft 3 weken achterspalk, dan afneembaar maken en (passief) oefenen met fysiotherapeut.
Resultaten uit het onderzoek van de politie

[verbalisant 3] , die werkzaam is bij de politie, heeft in het onderzoek naar de woningoverval het volgende opgeschreven:Op 15 april 2017 om 18.02.56 uur wordt door het telefoonnummer [telefoonnummer 1] (hierna: - [telefoonnummer 1] ), in gebruik bij [C] , naar het nummer [telefoonnummer 2] (hierna: - [telefoonnummer 2] ) gebeld. Ik hoorde dat de telefoon overging, maar dat niet door - [telefoonnummer 2] werd opgenomen. Ik hoorde op de achtergrond van de beller twee personen met elkaar praten. Ik herkende de stemmen op de achtergrond als de stemmen van [B] en [verdachte] . Op de achtergrond hoorde ik het volgende: [verdachte] : . [B] : ?De gebruiker van - [telefoonnummer 1] antwoordt: “” [verdachte] : (kiestoon) Verbinding verbroken.
[F] , ook werkzaam bij de politie, heeft het volgende opgeschreven:Op 15 april 2017 om 19.13 uur vindt een gesprek plaats tussen [verdachte] en [C] . [verdachte] vraagt hem of hij die “SIM-ding” heeft. [C] bevestigt dit. Op 15 april 2017 om 19.50 uur vindt een gesprek plaats tussen [verdachte] en [C] . [C] vraagt aan [verdachte] hoe laat hij naar “die gozer” gaat. [verdachte] zegt dat hij er zo heen gaat. Hij zegt dat hij pas om 20.30 uur heeft afgesproken met “hem”. [verdachte] zegt dat hij [voornaam] niet kan bereiken. [C] vraagt hem waarom hij [voornaam] moet bereiken. [verdachte] zegt: “voor die pokkie (de rechtbank begrijpt dat hij daar een telefoon mee bedoelt) toch?” [C] zegt hierop: “Die heb ik toch domme ezel”.
[G] , werkzaam bij de politie, heeft in deze zaak onderzoek gedaan naar de telecomgegevens.Vanaf 15 april 2017 werden telefoongesprekken opgenomen van het telefoonnummer [telefoonnummer 3] (verder: - [telefoonnummer 3] ). Dit nummer was op 15 en 16 april 2017 in gebruik bij [B] . De gesprekken zijn als volgt:
Uit het onderzoek van [G] blijkt verder het volgende.

Vanaf 15 april 2017 zijn telefoongesprekken opgenomen van het telefoonnummer - [telefoonnummer 3] . Dit nummer was op 15 en 16 april 2017 in gebruik bij [B] .

Op 16 april 2017 om 03.52 en 03.53 uur, acht minuten na het laatstgenoemde gesprek, wordt er bij een geldautomaat van [...] bank in Huizen geprobeerd het saldo op te vragen en te pinnen met de bankpassen die tijdens de overval in Laren zijn weggenomen.

Op 6 juni 2017 werd in het programma Opsporing Verzocht aandacht besteed aan de overval op de [straatnaam] te Laren op 16 april 2017. In de uitzending werden onder andere beelden/geluiden getoond van de parkeerplaats bij de [naam winkel] (lopen pinner naar pinautomaat) en van het pinmoment bij de [...] . Naar aanleiding van de uitzending van opsporing verzocht kwamen bij de politie 26 tips binnen en bij Meld Misdaad Anoniem (hierna: MMA) 15 tips. Van de MMA-meldingen werd [A] 14 keer getipt. Van de tips die bij de politie zijn binnengekomen, werd [A] 12 keer getipt.

De schoenen van verdachte [A] zijn in beslag genomen (SIN AAKI5973NL). Het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) heeft onderzocht of er op de schoenen met nummer AAKI5973NL bloed aanwezig was. In de naad, aan de bovenkant van de rechterschoen is bloed aangetroffen. Dit bloed is bemonsterd. Deze bemonstering (met nummer AAKI5973NL#01) is onderzocht. Het DNA-profiel dat in de bemonstering is aangetroffen, komt overeen met het DNA-profiel van [slachtoffer 2] . De kans om bij een willekeurig persoon een DNA-profiel aan te treffen dat overeenkomt met het DNA-profiel uit het spoor is kleiner dan één op één miljard.

De verklaring van [C]

Verdachte [C] heeft op de zitting van 16 oktober 2018 onder andere het volgende verklaard:Ik ben betrokken geweest bij de overval. Voorafgaand aan 16 april 2017 heb ik met [verdachte] gesproken en zijn we op het plan gekomen om de woning van de ouders van [slachtoffer 3] , de vriend van [verdachte] , te overvallen. [verdachte] , personen waarvan ik de naam niet wil noemen en ikzelf hebben enkele dagen daarvoor de overval gepland. Ik heb iemand proberen te regelen en ook gevonden. Die persoon zou nog iemand anders benaderen om met hem de woning te overvallen. Ik heb een prepaid telefoon gekocht voor de overval. Ik heb [verdachte] gevraagd alle communicatie tussen ons te verwijderen. Ik wist dat er tiewraps waren om de mensen vast te binden. Na de overval heb ik [verdachte] gebeld. Ik was benieuwd hoe het ging. [verdachte] zou de overvallers namelijk bellen en aangeven dat ze naar binnen konden.
De verklaringen van [verdachte]

heeft op 12 februari 2018 bij de politie onder andere verklaard: [C] zei tegen mij dat ik een afspraak moest maken met [slachtoffer 3] en dat ik [slachtoffer 3] onder controle moest houden. Ik heb met [slachtoffer 3] afgesproken onder het mom te gaan chillen. Op de avond van de overval heb ik meerdere malen contact gehad met [C] . [C] wilde van mij weten of de afspraak met [slachtoffer 3] was gelukt en hij wilde worden geïnformeerd over de situatie met [slachtoffer 3] . Ik heb de avond van 15 april 2017 met [C] afgesproken bij de [......] . [C] was toen met [B] . We hebben toen kort gesproken over het tijdstip waarop de overval zou moeten plaatsvinden. Ik kreeg van [C] een prepaid telefoon. In deze telefoon stond één telefoonnummer voorgeprogrammeerd. Met dit telefoonnummer moest ik de andere daders van de overval informeren over de situatie en de thuiskomst van [slachtoffer 3] . [C] heeft mij verteld hoe ik dit moest doen. Daarna ben ik door [C] naar de bushalte gebracht. Ik moest vervolgens van [C] al zijn telefoongegevens van zijn privé telefoon wissen. Dit waren de telefooncontacten die naar [C] konden leiden. Vervolgens ben ik opgehaald door [slachtoffer 3] en zijn we gaan chillen bij een keet. Ik heb toen een aantal keer met de prepaid telefoon contact opgenomen met het voorgeprogrammeerde telefoonnummer. Ik gaf dan de situatie over [slachtoffer 3] door. Ik kreeg toen van die persoon door dat ik tijd moest rekken, omdat [slachtoffer 3] nog niet naar huis mocht. Dit kwam omdat het vervoer voor de overval nog niet was geregeld. Ik heb ongeveer 30 minuten voordat ik door [slachtoffer 3] bij het station [woonplaats] ben afgezet, weer met de prepaid telefoon naar de persoon van het voorgeprogrammeerde nummer gebeld. Ik heb toen laten weten dat [slachtoffer 3] naar huis zou komen. Ik wist dat ze met wapens naar binnen gingen, dat is tenminste wel het beeld dat ik heb van een overval.
Op 27 maart 2018 verklaart [verdachte] bij de politie het volgende:Ik heb geen uitleg gekregen waarom ze precies naar de woning van [slachtoffer 3] wilden. Met ze bedoel ik [C] en [B] . [C] heeft aan mij gevraagd om met [slachtoffer 3] te gaan chillen en dat ik met de prepaid telefoon zou bellen naar het nummer. [B] stond daar later ook bij. Hij hoorde toen ook dat [C] het erover had. Er zijn verschillende gesprekken geweest voor de overval. De ene keer was dat met [C] alleen, de andere keer met zowel [C] als [B] . Ik moest bellen naar het voorgeprogrammeerde telefoonnummer. Ik herkende de stem van [B] als de stem van de persoon die ik aan de telefoon kreeg. Ze wilden van mij weten hoe het er precies binnen uit zag. Met ze bedoel ik [C] en [B] . Ik wist toen niet dat [B] de woning in zou gaan, maar later vermoedde ik wel dat hij in de woning is geweest en de overval heeft gepleegd. Hij was het meest geïnteresseerd in de omschrijving van de woning. Over hoe je moest lopen en waar wat stond en dat soort dingen. Dit ging over het huis van [slachtoffer 3] .
Hoe groot is de rol van [verdachte] ?

De officier van justitie heeft gezegd dat de rol van [verdachte] vergelijkbaar is met de rol van de andere verdachten. Volgens de officier van justitie is [verdachte] dus een medepleger en niet een medeplichtige.
De rechtbank is het niet eens met dit standpunt van de officier van justitie. Het kan soms moeilijk zijn om vast te stellen of een verdachte medepleger of medeplichtige is. Het verschil tussen medepleger en medeplichtige kan namelijk heel klein zijn. In dit geval is [verdachte] op verschillende momenten bij de overval betrokken geweest. Vóór de overval heeft hij overleg gehad met [C] en op de avond van 15 april 2017 met [C] én [B] . [verdachte] heeft hun informatie gegeven over de inrichting van het huis van de familie [achternaam van slachtoffer 1] . [verdachte] heeft de avond voorafgaand aan de overval met [slachtoffer 3] afgesproken en [slachtoffer 3] beziggehouden tot de overvallers er klaar voor waren. [verdachte] heeft verschillende keren contact gehad met [B] , één van de overvallers. Hij heeft [B] laten weten wanneer [slachtoffer 3] thuis zou komen. De verdachten die de overval hebben gepleegd, [B] en [A] , konden doordat [verdachte] met [slachtoffer 3] afsprak en de informatie die hij aan hen had gegeven, gemakkelijker het plan uitvoeren.

[verdachte] was niet zelf bij de overval aanwezig. De Hoge Raad, het hoogste rechtscollege in Nederland, heeft beslist dat in zo’n geval goed moet worden uitgelegd waarom iemand toch een medepleger is. Dat geldt ook voor het geval dat de rol van iemand op die van een medeplichtige lijkt, zoals in dit geval: het creëren van de gelegenheid en het geven van informatie aan anderen. Alleen als er aanwijzingen zijn dat zo iemand naast de handelingen die passen bij de rol van een medeplichtige, een rol heeft gespeeld die even groot is als die van de daadwerkelijke plegers, kan toch sprake zijn van medeplegen. Een aanwijzing dat iemand een even grote rol heeft gespeeld als de plegers, kan bijvoorbeeld zijn dat zo iemand een even groot deel van de buit krijgt als de personen die de woning hebben overvallen.

De officier van justitie heeft gezegd dat [verdachte] een medepleger is, omdat hij op verschillende momenten betrokken was bij het plannen en het uitvoeren van de overval. Zijn rol was volgens de officier van justitie ook heel belangrijk, omdat hij [slachtoffer 3] op het juiste moment naar huis liet gaan en omdat [slachtoffer 3] hem vertrouwde.

De rechtbank is het met de officier van justitie eens dat de rol van [verdachte] belangrijk was. Dat kan alleen ook voor de rol van een medeplichtige gelden. [verdachte] was in zijn rol behulpzaam bij de overval, maar heeft volgens de rechtbank niet een even grote rol gehad als de verdachten die de overval hebben gepleegd, [B] en [A] . Deze verdachte hadden een grotere rol. De rechtbank heeft in het vonnis van [C] gezegd dat [C] als medepleger moet worden gezien. [C] was zelf ook niet bij de overval aanwezig, maar hij heeft wel het plan voor de overval gemaakt, de personen geregeld die de overval zouden gaan doen en heeft ervoor gezorgd dat [verdachte] informatie zou geven over [slachtoffer 3] en over de woning van de ouders van [slachtoffer 3] . De rol van [verdachte] was veel kleiner dan die van [C] . De rechtbank heeft verder in het dossier gelezen dat [C] ook wel eens jongens onder druk heeft gezet om hem te helpen bij het plegen van misdrijven. Of dat gevolgen heeft voor deze zaak zal de rechtbank later in dit vonnis bespreken, maar op zijn minst genomen is dat ook wel een aanwijzing dat [verdachte] niet volwaardig heeft meegedaan met de groep van [C] . Zijn rol moet dus meer worden gezien als die van een ondergeschikte helper.

De conclusie van de rechtbank is dus dat [verdachte] medeplichtig is geweest aan de overval. Het belangrijkste daarbij is dat [verdachte] taken had die bij een medeplichtige passen en dat hij zelf niet bij de overval aanwezig was. De rechtbank zal [verdachte] vrijspreken van het medeplegen van de woningoverval.

Is [verdachte] verantwoordelijk voor het geweld bij de overval?

[verdachte] heeft bij de politie en op de zitting verteld dat hij wist dat hij de andere verdachten hielp bij het plegen van de overval door bijvoorbeeld te zeggen wanneer [slachtoffer 3] naar huis zou komen. Hij wist ook dat [slachtoffer 3] bij thuiskomst zou worden overmeesterd en dat de verdachten door [slachtoffer 3] te overmeesteren in het huis wilden komen.
De advocaat van [verdachte] heeft gezegd dat [verdachte] niet kon weten dat de verdachten ook wapens mee zouden nemen naar de woning. [verdachte] ging er, volgens zijn advocaat, vanuit dat de ouders van [slachtoffer 3] zouden blijven slapen. Ook had [verdachte] niet verwacht dat er geweld zou worden gebruikt in de woning. En zeker niet dat er zoveel geweld zou worden gebruikt en dat [slachtoffer 3] en zijn ouders zouden worden vastgebonden. Omdat [verdachte] dit niet kon weten, is hij hiervoor ook niet verantwoordelijk volgens zijn advocaat.

De rechtbank wil hier het volgende over zeggen. Uit alles wat in het dossier beschreven staat, blijkt niet dat [verdachte] echt wilde dat er bij de overval geweld zou worden toegepast en dat de bewoners zouden worden vastgebonden. Juridisch wordt dit ‘vol opzet’ genoemd. Dat is in deze zaak niet te bewijzen.

Een andere vraag is of [verdachte] had kunnen verwachten dat er geweld zou worden gebruikt en de bewoners zouden worden vastgebonden én of hij dit risico op de koop heeft toe genomen. Dat wordt juridisch ‘voorwaardelijk opzet’ genoemd. Om die vraag te kunnen beantwoorden heeft de rechtbank gekeken naar wat [verdachte] wist op het moment dat de overval werd gepland en besproken. [verdachte] heeft gezegd dat hij wist dat het om een overval ging. [verdachte] ging er ook van uit dat ze met wapens naar binnen zouden gaan. Dat was tenminste wel het beeld dat hij had van een overval. [verdachte] wist ook dat [slachtoffer 3] door de overvallers overmeesterd moest worden. Er moest dus ten minste één persoon in bedwang gehouden worden door de overvallers. [verdachte] had, volgens de rechtbank, kunnen verwachten dat hiervoor geweld of bedreiging met geweld zou worden gebruikt. Het is niet nodig om vast te stellen dat [verdachte] van tevoren precies wist hoe de overval zou gaan verlopen (zie bijvoorbeeld: Hoge Raad 20 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:248). Voldoende is dat [verdachte] kon verwachten dat er bij de overval geweld zou worden gebruikt. Ook het zwaar lichamelijke letsel dat [slachtoffer 1] uiteindelijk heeft opgelopen, valt daarom onder de verantwoordelijkheid van [verdachte] .

Ook vindt de rechtbank dat [verdachte] er rekening mee moest houden dat de bewoners, of in ieder geval [slachtoffer 3] , zouden worden vastgebonden. Het ligt voor de hand dat de daders van een overval de tijd willen hebben om te vluchten voordat de politie wordt ingeschakeld. Op het moment dat één of meer personen wakker zijn als de overval plaatsvindt, is het te verwachten dat deze personen worden vastgebonden of opgesloten, zodat de overvallers meer tijd hebben om te vluchten. Ook [verdachte] had dat kunnen verwachten. Hij heeft, door aan deze overval mee te werken, dit risico op de koop toe genomen. De rechtbank vindt daarom ook bewezen dat [verdachte] medeplichtig is geweest aan de ‘wederrechtelijke vrijheidsberoving’ van [slachtoffer 3] en zijn ouders.

5

- [slachtoffer 3] heeft/hebben vastgepakt en vastgegrepen bij zijn nek en vervolgens een hand voor de mond van [slachtoffer 3] heeft/hebben gedaan en- hierbij op [slachtoffer 3] een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, heeft/hebben gericht en getoond en - vervolgens daarbij heeft/hebben geroepen dat hij, [slachtoffer 3] , de voordeur open moest doen en door moest lopen en- vervolgens [slachtoffer 3] naar binnen heeft/hebben geduwd en- vervolgens [slachtoffer 3] heeft/hebben vastgepakt en vastgehouden en vervolgens heeft/hebben vastgebonden met tiewraps en- vervolgens [slachtoffer 3] meermalen heeft/hebben geschopt tegen het been en- vervolgens voornoemde [slachtoffer 2] meermalen met kracht met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en met de hand(en)/vuist(en) in het gezicht en tegen het hoofd heeft/hebben geslagen en gestompt en - vervolgens voornoemde [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] heeft/hebben vastgebonden met tiewraps en - vervolgens voornoemde [slachtoffer 1] meermalen met kracht met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en een uitschuifbare staaf en met de hand(en)/vuist(en) heeft/hebben geslagen en gestompt tegen het hoofd en op de handen en tegen de knie en tegen de arm, zulks terwijl het plegen van voormeld feit zwaar lichamelijk letsel voor [slachtoffer 1] , te weten een gescheurde bicepspees, ten gevolge heeft gehad en- vervolgens tegen [slachtoffer 1] heeft/hebben gezegd dat hij naar de kluis moest gaan en [slachtoffer 1] heeft/hebben gedwongen de kluis te openen en- vervolgens daarbij in de richting van [slachtoffer 1] een op een vuurwapen gelijkend voorwerp heeft/hebben gehouden en getoond en- vervolgens de monden van [slachtoffer 1] en voornoemde [slachtoffer 2] heeft/hebben dichtgeplakt met duct tape;
- voornoemde [C] en [B] informatie te verschaffen over de looproutes in de woning en de aanwezigheid/afwezigheid van de bewoners en- contact op te nemen en te onderhouden met [slachtoffer 3] en- met [slachtoffer 3] af te spreken en in zijn bijzijn te verblijven en - ( gelijktijdig) contact te onderhouden en te overleggen met [C] en [B] over de (geplande) aanwezigheid van [slachtoffer 3] ;
- [slachtoffer 1] heeft/hebben vastgebonden met tie-wraps en- vervolgens voornoemde [slachtoffer 1] meermalen met kracht met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en een uitschuifbare staaf en met de hand(en)/vuist(en) heeft/hebben geslagen en gestompt tegen het hoofd en op de handen en tegen de knie en tegen de arm, zulks terwijl het plegen van voormeld feit zwaar lichamelijk letsel voor [slachtoffer 1] , te weten een gescheurde bicepspees, ten gevolge heeft gehad en- vervolgens tegen [slachtoffer 1] heeft/hebben gezegd dat hij naar de kluis moest gaan en [slachtoffer 1] heeft/hebben gedwongen de kluis te openen en- vervolgens daarbij in de richting van [slachtoffer 1] een op een vuurwapen gelijkend voorwerp heeft/hebben gehouden en getoond en- vervolgens [slachtoffer 1] heeft/hebben gedwongen bankpasjes en de daarbij behorende codes af te geven en
- voornoemde [C] en [B] informatie te verschaffen over de looproutes in de woning en de aanwezigheid/afwezigheid van de bewoners en- contact op te nemen en te onderhouden met [slachtoffer 3] en- met [slachtoffer 3] af te spreken en in zijn bijzijn te verblijven en - ( gelijktijdig) contact te onderhouden en te overleggen met [C] en [B] over de (geplande) aanwezigheid van [slachtoffer 3] ;
- [slachtoffer 3] vastgepakt en vastgehouden en vervolgens [slachtoffer 3] en voornoemde [slachtoffer 2] geduwd naar de slaapkamer en - [slachtoffer 3] en voornoemde [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] vastgebonden met tiewraps en - de mond(en) van [slachtoffer 1] en voornoemde [slachtoffer 2] dichtgeplakt met ducttape,
- voornoemde [C] en [B] informatie te verschaffen over de looproutes in de woning en de aanwezigheid/afwezigheid van de bewoners en- contact op te nemen en te onderhouden met [slachtoffer 3] en- met [slachtoffer 3] af te spreken en in zijn bijzijn te verblijven en - ( gelijktijdig) contact te onderhouden en te overleggen met [C] en [B] over de (geplande) aanwezigheid van [slachtoffer 3] .
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat:

1.
Subsidiair

[A] en [C] en [B] op 16 april 2017, te Laren, tezamen en in vereniging, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening hebben weggenomen een horloge en contante geldbedragen en sieraden en een Tech 21 en autosleutels, toebehorende aan [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat die [A] en/of [B]
tot het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, op of omstreeks 16 april 2017 te Laren en/of Huizen, opzettelijk gelegenheid en inlichtingen heeft verschaft door

en

[A] en [C] en een ander, op 16 april 2017 te Laren, tezamen en in vereniging, met het oogmerk om zich en (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft/hebben gedwongen tot de afgifte van bankpasjes en de daarbij behorende codes, toebehorende aan [slachtoffer 1] , welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat die [A] en/of [C] en/of een ander

tot het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, op of omstreeks 16 april 2017 te Laren en/of Huizen, opzettelijk gelegenheid en inlichtingen heeft verschaft door

2.
Subsidiair

[A] en [C] en [B] op 16 april 2017 te Laren, tezamen en in vereniging, opzettelijk [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] wederrechtelijk van de vrijheid hebben beroofd en beroofd gehouden, immers heeft/hebben die [A] en [C] en [B] opzettelijk wederrechtelijk
tot het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, op of omstreeks 16 april 2017 te Laren en/of Huizen, opzettelijk gelegenheid en inlichtingen heeft verschaft door

Typefouten en taalfouten zijn door de rechtbank verbeterd. Dit is niet gebeurd in het nadeel van [verdachte] .

In de tenlastelegging staat meer dan in de bewezenverklaring die hierboven staat. [verdachte] wordt vrijgesproken van alle onderdelen die niet in de bewezenverklaring zijn opgenomen.

6

De feiten, zoals die zijn bewezen verklaard, zijn strafbaar. Er zijn namelijk geen omstandigheden die maken dat deze feiten niet strafbaar zijn.

De feiten die [verdachte] heeft gepleegd, staan in het Wetboek van Strafrecht omschreven als:

feit 1 subsidiair:

medeplichtigheid aan diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf de vlucht mogelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft

en

medeplichtigheid aan afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft;

feit 2 subsidiair:

medeplichtigheid aan het medeplegen van het opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden, meermalen gepleegd.

7

7.1
Het standpunt van de verdediging

De advocaat van [verdachte] heeft gezegd dat er sprake is van psychische overmacht. Dit betekent dat [verdachte] zo onder druk is gezet dat hij geen andere keuze had dan mee te werken aan de overval. Omdat hij geen andere keuze had, kan [verdachte] niets kwalijk worden genomen. [verdachte] moet daarom niet verder worden vervolgd of bestraft. Dat wordt ‘ontslag van alle rechtsvervolging’ genoemd.
7.2
Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft gekeken of [verdachte] inderdaad onder zo’n grote druk stond, dat hij geen andere keuze had en dat hem niets te verwijten valt. Het moet bij psychische overmacht gaan om een buitengewone (psychische) druk waardoor er geen wilsvrijheid meer is.
De rechtbank zal eerst beoordelen of die ‘buitengewone’ druk er was. Daarna zal de rechtbank beoordelen of het in dat geval proportioneel was wat [verdachte] heeft gedaan: staat dat wat hij deed in verhouding tot de druk die op hem werd uitgeoefend? Vervolgens is het de vraag of voldaan is aan de subsidiariteit: had [verdachte] nog andere, minder vergaande mogelijkheden dan het meewerken aan de overval?

Was er een buitengewone druk?

[verdachte] heeft verklaard dat hij onder druk werd gezet door [C] . [C] vroeg hem om mee te doen aan de overval. Toen [verdachte] zei dat hij dat niet wilde, werd hij door [C] bij de keel of bij de kraag van zijn jas vastgepakt. [verdachte] wist dat [H] en [I] ook iets dergelijks hadden meegemaakt. [verdachte] was daarom bang dat het niet alleen bij bedreigingen zou blijven. Op de zitting heeft [verdachte] ook nog gezegd dat [C] heeft gedreigd hem te zullen neersteken als hij niet mee zou werken aan de overval.
De rechtbank vindt het belangrijk om eerst op te merken dat de ‘dreiging’ waarover [verdachte] verklaart wel vaag is gebleven. [verdachte] heeft niet duidelijk kunnen omschrijven wat [C] precies bij hem deed toen hij [verdachte] vroeg om mee te werken aan de overval. De rechtbank leest in het onderzoek van de politie dat [C] inderdaad intimiderend is en dat er een natuurlijke dreiging van hem uitgaat. Als [C] [verdachte] bij zijn kraag of nek heeft gegrepen, moet dat beangstigend zijn geweest voor [verdachte] . Maar dat is op zichzelf niet voldoende om aan te kunnen nemen dat de druk op [verdachte] zo groot was dat hij geen enkele andere keuze had dan mee te werken aan de overval.

Pas op de zitting verklaart [verdachte] ineens dat [C] ook heeft gedreigd hem te steken, als hij niet zou meewerken aan de overval. De rechtbank vraagt zich af of zij [verdachte] hierin wel moet geloven. Bij de politie heeft hij hier helemaal niets over gezegd. [verdachte] heeft alleen tegen de politie gezegd dat [C] ná de overval heeft gedreigd [verdachte] neer te steken, namelijk als hij over de overval zou gaan praten.

De rechtbank heeft in het dossier gelezen dat er vervelende situaties zijn geweest tussen [C] en andere jongens. Het lijkt erop dat [C] verschillende jongens onder druk heeft gezet om misdrijven te plegen. Het is alleen de vraag hoe groot de druk bij [verdachte] is geweest. Naast de verklaring van [verdachte] zelf is er in het dossier niets te lezen over een bedreiging van [verdachte] . In de uitgewerkte afgeluisterde telefoongesprekken tussen [C] en [verdachte] is ook geen dreigende taal te lezen. Het is de rechtbank dus niet voldoende duidelijk geworden dat er voorafgaande aan de overval sprake was van een zo grote druk dat [verdachte] geen andere keuze had dan mee te werken aan de overval.

Stond het meewerken aan de overval in verhouding tot de ‘dreiging’?

De rechtbank vindt dat het meewerken aan een overval op een woning niet in verhouding stond tot de dreiging die [verdachte] blijkbaar voelde. [verdachte] wist dat [C] ‘onplezierig’ kon zijn, maar [verdachte] heeft er uiteindelijk voor gekozen om zijn vriend [slachtoffer 3] en zijn ouders over te leveren aan deze [C] en zijn vrienden. Dat was een totaal verkeerde afweging van [verdachte] .
Had [verdachte] andere mogelijkheden?

[verdachte] zegt bij de politie dat [C] hem ongeveer anderhalve week voor de overval heeft benaderd om mee te doen aan de overval (pagina 1848). Op de zitting heeft hij verklaard dat hij op 11 april 2017 samen met [C] was en van [C] via Whatsapp een afspraak moest maken met [slachtoffer 3] . Voor de overval plaatsvond, had [verdachte] dus nog een aantal dagen om na te denken of hij wel écht wilde meewerken aan die overval. De dreiging van [C] was er namelijk niet steeds. [verdachte] had zich op verschillende momenten terug kunnen trekken. De overval was goed gepland en [verdachte] was niet alleen bij de voorbereiding maar ook op de avond zelf betrokken bij de overval. [verdachte] had dus voldoende momenten om deze aanstaande gebeurtenis met anderen te delen en ervoor te zorgen dat de overval uiteindelijk niet door zou gaan. Bijvoorbeeld met zijn ouders of met de politie. De rechtbank vindt dus dat [verdachte] wel een andere keuze had dan het meewerken aan de overval.
Het is de rechtbank bovendien opgevallen dat [verdachte] naar zijn eigen zeggen niet elke opdracht van [C] ‘klakkeloos’ uitvoerde. [verdachte] heeft verklaard dat hij een paar dagen voor de overval wel heeft geweigerd om zijn eigen gereedschap voor [C] te regelen. Op dat moment durfde hij blijkbaar wel ‘nee’ te zeggen.

Conclusie

De rechtbank heeft hiervoor uitgelegd waarom geen sprake is van psychische overmacht. [verdachte] had een andere keuze kunnen maken en moeten maken.
[verdachte] is daarom strafbaar voor de feiten die de rechtbank heeft bewezen verklaard.


8

8.1
De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de rechtbank gevraagd om aan [verdachte] een voorwaardelijke jeugddetentie van 3 maanden op te leggen met een proeftijd van 2 jaar. Deze jeugddetentie hoeft [verdachte] niet uit te zitten als hij binnen de proeftijd geen strafbare feiten pleegt. Ook vindt de officier van justitie dat [verdachte] een werkstraf moet uitvoeren van 240 uur.
8.2
Het standpunt van de verdediging

De advocaat van [verdachte] heeft niet gesproken over de vraag welke straf aan [verdachte] moet worden opgelegd.
8.3
Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft nagedacht over de straf die aan [verdachte] moet worden opgelegd. Daarbij heeft de rechtbank gekeken naar de strafbare feiten die [verdachte] heeft gepleegd en rekening gehouden met wie [verdachte] is. Verder heeft de rechtbank gekeken naar het tijdsverloop tussen het moment waarop [verdachte] voor het eerst is aangehouden en het moment waarop dit vonnis wordt uitgesproken.
Ernst van de feiten

De rechtbank vindt dat [verdachte] heeft meegewerkt aan een heel ernstig strafbaar feit, een woningoverval op 16 april 2017. Een zeer gewelddadige, brute en schaamteloze overval in een woning, waarbij gebruik is gemaakt van een nepvuurwapen en een ploertendoder. Daarbij hebben de overvallers extreem veel geweld gebruikt. Deze overval is op professionele, berekenende en sluwe manier voorbereid en uitgevoerd. Dat kon niet zonder [verdachte] . [verdachte] heeft de zoon van de bewoners, [slachtoffer 3] , op geraffineerde wijze uit het huis weggelokt, zodat de overvallers hem bij thuiskomst konden overlopen en de woning konden binnengaan. [verdachte] heeft informatie gegeven over de woning, hij heeft de avond samen met [slachtoffer 3] doorgebracht en gezorgd dat [slachtoffer 3] op het juiste moment naar huis zou gaan. [verdachte] speelde die avond een aangrijpende dubbelrol: hij bracht een ‘gezellige’ avond door met zijn vriend en hield intussen de overvallers op de hoogte wanneer [slachtoffer 3] naar huis zou komen. [verdachte] heeft hiermee het vertrouwen dat [slachtoffer 3] in hem had op een schokkende wijze misbruikt. De rechtbank neemt hem dit heel erg kwalijk.
[verdachte] wist dat [slachtoffer 3] zou worden overmeesterd en ging er bovendien vanuit dat er wapens zouden worden gebruikt. Hij had dus kunnen verwachten dat er ook geweld zou worden gebruikt. Dat het zo uit de hand zou lopen en de overval zo gewelddadig zou worden, had [verdachte] niet helemaal kunnen voorzien. Ook al werkten [slachtoffer 3] en zijn ouders volledig mee met de overvallers, toch is er ontzettend veel geweld tegen hen gebruikt. De rechtbank vindt dat dit [verdachte] niet helemaal kan worden aangerekend.

Wel had [verdachte] kunnen weten dat zo’n woningoverval veel indruk zou maken op de bewoners. In de verklaringen die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op de zitting hebben afgelegd, komt dit ook duidelijk naar voren. Deze overval heeft hun leven getekend en hun gevoel voor veiligheid aangetast. Daarbij komt dat vooral [slachtoffer 1] lichamelijk nog dagelijks last heeft van de gevolgen van het extreme geweld dat tegen hem is gebruikt. Ruim twee jaar na de overval kan hij nog steeds niet alle werkzaamheden doen die hij voor de overval deed.

Persoonlijke omstandigheden van [verdachte]

Op 9 juni 2017 is de voorlopige hechtenis van [verdachte] door de rechter-commissaris geschorst. Een van de voorwaarden was dat [verdachte] zich zou laten begeleiden door [naam instelling] (hierna: [naam instelling] ). Deze instelling heeft over [verdachte] een rapport geschreven, waarin staat hoe het de afgelopen tijd met [verdachte] is gegaan. [naam instelling] is positief over [verdachte] . [verdachte] lijkt afstand te hebben genomen van de vrienden door wie hij in de problemen is gekomen. [verdachte] bezoekt een psycholoog en bespreekt daar de dingen die hem dwars zitten. Ook heeft [verdachte] gevraagd om een sociale vaardigheidstraining te mogen volgen. Binnenkort start hij een traject bij [.] gericht op assertiviteit, zodat [verdachte] beter weerbaar wordt. De opleiding van [verdachte] verloopt goed. [naam instelling] geeft als advies om aan [verdachte] een werkstraf op te leggen. Een deel daarvan zal [verdachte] nu moeten uitvoeren, zodat hij weet wat de gevolgen zijn van het plegen van strafbare feiten. Een ander deel zou voorwaardelijk moeten worden opgelegd, zodat [verdachte] zijn best zal doen om zich positief te ontwikkelen. [naam instelling] vindt het niet nodig dat [verdachte] wordt verplicht om contact te houden met de jeugdreclassering, omdat [verdachte] de afgelopen twee jaar heeft laten zien dat hij zelf ook graag (vrijwillig) wil meewerken aan hulpverlening.
Welke straf is passend?

Voor dit soort feiten wordt vanwege de ernst daarvan over het algemeen een lange, onvoorwaardelijke jeugddetentie opgelegd van minimaal zes maanden. Ook in dit geval lijkt dat, kijkend naar de feiten en de kwalijke rol die [verdachte] heeft gespeeld, op het eerste gezicht passend. Toch zal de rechtbank nu geen onvoorwaardelijke jeugddetentie meer aan [verdachte] opleggen. [verdachte] was destijds 17 jaar en op dat moment nog nooit met politie en justitie in aanraking geweest. Hoewel de rechtbank niet vindt dat [verdachte] vrijuit mag gaan voor wat er gebeurd is houdt de rechtbank wel rekening met de druk die door [C] is gelegd op [verdachte] om mee te doen. De rechtbank let ook op de gevolgen die [verdachte] en zijn gezin nog steeds voelen door de forse bedreigingen die sindsdien zijn geuit vanuit de omgeving van [C] . De woningoverval is inmiddels meer dan twee jaar geleden gepleegd en [verdachte] heeft zich sindsdien goed ingezet om op het rechte pad te blijven. Als [verdachte] , als straf voor deze zaak, alsnog naar de jeugdgevangenis zou moeten, zou dat veel negatieve gevolgen voor hem hebben.
Voorwaardelijke jeugddetentie

Daarom zal de rechtbank aan [verdachte] een voorwaardelijke jeugddetentie opleggen van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaar. Dit is langer dan de officier van justitie heeft gevraagd, omdat de rechtbank dat gepaster vindt voor de feiten die [verdachte] heeft gepleegd. Net als [naam instelling] vindt de rechtbank het niet nodig om daar bijzondere voorwaarden bij op te leggen. Als [verdachte] de komende 2 jaar geen strafbare feiten pleegt, hoeft hij de jeugddetentie van 6 maanden niet uit te zitten.
Werkstraf

Daarnaast verdient [verdachte] een werkstraf voor de maximale duur van 200 uur.
In een strafzaak van een jeugdige hoort binnen 16 maanden uitspraak te worden gedaan. Het is, vooral bij een jeugdige, belangrijk dat snel duidelijk wordt wat de uitkomst is van de strafzaak. In dit geval is [verdachte] voor het eerst aangehouden en verhoord in juni 2017. Vervolgens is in oktober 2018 uitspraak gedaan in de zaken van [B] en [C] . De advocaat van [verdachte] heeft vóór die zitting gevraagd om de zaak van [verdachte] niet samen met de zaken van deze verdachten te behandelen. Om die reden is de zaak van [verdachte] afgesplitst. Daarna heeft het meer dan 6 maanden geduurd voor de zaak van [verdachte] op een zitting is gepland. Dat had sneller gemoeten. Om die reden vermindert de rechtbank de werkstraf van [verdachte] tot 180 uur. Voor iedere dag dat [verdachte] heeft vastgezeten in juni 2017 en december 2017 wordt 2 uur werkstraf in mindering gebracht. Als [verdachte] de werkstraf niet of niet goed uitvoert, staat tegenover deze werkstraf een jeugddetentie van 90 dagen.

9

9.1
De vorderingen

[slachtoffer 1]

De heer [slachtoffer 1] vraagt een schadevergoeding van in totaal € 258.664,27. Dit bedrag bestaat voor € 20.000,- aan immateriële schade, ook wel smartengeld genoemd.
[slachtoffer 2]

Mevrouw [slachtoffer 2] vraagt een schadevergoeding van in totaal € 24.684,88. Dit bedrag bestaat ook voor € 20.000,- aan immateriële schade.
[slachtoffer 3]

vraagt een schadevergoeding van in totaal € 10.390. Dit bedrag bestaat voor € 10.000,- aan immateriële schade.
9.2
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vindt dat deze drie vorderingen helemaal kunnen worden toegewezen. De officier van justitie heeft gevraagd ook de rente over deze bedragen toe te wijzen en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
9.3
Het standpunt van de verdediging

De advocaat vindt dat [verdachte] geen schadevergoeding hoeft te betalen, omdat hem geen verwijt kan worden gemaakt. Als de rechtbank het hier niet mee eens is, dan zou de rechtbank hetzelfde moeten beslissen als de rechtbank heeft gedaan in de zaken tegen de andere verdachten. Door de heer [slachtoffer 1] wordt een groot bedrag gevorderd, omdat hij een tijd niet heeft kunnen werken en nog steeds niet al zijn werkzaamheden kan doen. De rechtbank zou dit deel van de vordering niet kunnen beoordelen, omdat het te ingewikkeld is voor deze strafzaak.
9.4
Het oordeel van de rechtbank

- eigen risico 2017: € 685,-- psychische begeleiding: € 115,-- contant geld: € 1.500,-- herprogrammering toegangspoort: € 343,74Al deze bedragen zijn het directe gevolg van de feiten die de rechtbank hiervoor heeft bewezen verklaard. In totaal wordt dus een bedrag van € 2.643,74 toegewezen.
- eigen risico/tandartskosten: € 366,63- Stress Less Therapie: € 280,-- kosten psycholoog: € 806,-- behandelingen 2018: € 372,-- kosten opstellen behandelrapport: € 151,25- iPhone: € 879,-- reparatie ring: € 205,-- reiskosten medische behandeling: € 75,-Al deze bedragen zijn het directe gevolg van de feiten die de rechtbank hiervoor heeft bewezen verklaard. In totaal wordt dus een bedrag van € 3.134,88 door de rechtbank toegewezen.
De vordering van [slachtoffer 1]

Materiële schade

[slachtoffer 1] heeft in zijn vordering verschillende schadebedragen opgenomen. De rechtbank wijst de volgende schadeposten toe:
Verder is € 2.800,- gevraagd voor een horloge. Dit horloge is aangekocht voor een bedrag van € 4.250,- en door de verzekering is een bedrag van € 4.500,- vergoed. Een vergelijkbaar nieuw horloge zou op dit moment ruim € 7.000,- kosten, zodat [slachtoffer 1] nog € 2.800,- schade zou hebben. De rechtbank verklaart dit deel van de vordering niet-ontvankelijk, omdat het onvoldoende is onderbouwd en door de verzekering al een groter bedrag is uitgekeerd dan de kostprijs van het horloge bij de aankoop destijds.

De schadepost die ziet op de beregening in de tuin wordt ook niet-ontvankelijk verklaard. In de vordering is niet voldoende duidelijk gemaakt dat deze schade is ontstaan als (direct) gevolg van de woningoverval.

Dit geldt ook voor de beveiligingskosten die in de vordering worden genoemd. Het is begrijpelijk dat [slachtoffer 1] naar aanleiding van deze overval maatregelen heeft genomen om zijn huis beter te beveiligen. Deze kosten vallen alleen niet onder het begrip ‘rechtstreekse schade’, zoals dit door de wet wordt genoemd. De rechtbank zal daarom ook [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk verklaren in deze beveiligingskosten.

Hetzelfde geldt voor het opvragen van de uitzending van Opsporing Verzocht. Ook dit valt niet onder rechtstreekse schade en de vordering wordt daarom ook voor dat deel niet-ontvankelijk verklaard.

De rechtbank heeft ook gekeken naar de goed onderbouwde schadepost ‘verlies arbeidsvermogen’. Als gevolg van de gescheurde bicepspees heeft [slachtoffer 1] een tijd niet kunnen werken en heeft hij bij zijn werk nog steeds te maken met de gevolgen van dit letsel. Vaststaat dat dit letsel het gevolg is van de woningoverval. De rechtbank moet alleen ook kijken naar de rol die [verdachte] bij deze woningoverval heeft gehad en voor welk deel van deze schade hij verantwoordelijk is, zeker nu het gaat om zo’n omvangrijk bedrag. Het vaststellen voor welk bedrag [verdachte] aansprakelijk is, is wat de rechtbank betreft, te tijdrovend en te ingewikkeld voor dit strafproces. Daarom zal de vordering voor dit deel niet-ontvankelijk worden verklaard. [slachtoffer 1] kan de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Dat geldt ook voor de kosten van de rapporten (van [J] en [K] ) die over het verlies van het arbeidsvermogen van [slachtoffer 1] zijn opgesteld.

Immateriële schade (smartengeld)

[slachtoffer 1] heeft een bedrag van € 20.000,- aan smartengeld gevorderd. De rechtbank zal hiervan een bedrag van € 7.500,- toewijzen. De gevolgen van de overval zijn voor [slachtoffer 1] heel groot geweest. Een hoger bedrag aan smartengeld zou daarom ook gerechtvaardigd zijn. Omdat [verdachte] een kleinere rol heeft dan de andere verdachten en hij niet bij het geweld zelf betrokken is geweest, zal de rechtbank de vordering tot het bedrag van € 7.500,- toewijzen en de vordering voor de rest niet-ontvankelijk verklaren.
Hoofdelijk

[verdachte] is voor de schade naar burgerlijk recht met zijn mededaders hoofdelijk aansprakelijk. Dat betekent dat de benadeelde partij het geld zowel kan verhalen op [verdachte] als op de medeverdachte(n). [verdachte] en de medeverdachte(n) zullen dan onderling moeten regelen hoe het toegewezen bedrag tussen hen wordt verdeeld.
Schadevergoedingsmaatregel

Aan [verdachte] zal de schadevergoedingsmaatregel worden opgelegd. Dit houdt in dat de benadeelde partij niet zelf tot actie over hoeft te gaan om het toegewezen bedrag van [verdachte] te krijgen, maar dat de Staat dit namens de benadeelde partij zal doen. [verdachte] (of één van zijn medeverdachte(n)) zal het bedrag (inclusief wettelijke rente) dus aan de Staat moeten betalen. Zodra de Staat dit bedrag heeft ontvangen, keert zij dat aan de benadeelde partij uit. Als [verdachte] het bedrag niet betaalt, zal hij, omdat het jeugdstrafrecht wordt toegepast, geen aanvullende jeugddetentie opgelegd krijgen.
Proceskosten

[slachtoffer 1] heeft € 150,- aan reiskosten gemaakt. De rechtbank zal dit bedrag als proceskosten toewijzen. De reiskosten die gevorderd worden voor een eventueel hoger beroep van deze strafzaak worden afgewezen.
Burgerlijke rechter

De rechtbank heeft de benadeelde partij in een deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Voor dat deel kan [slachtoffer 1] zijn vordering aanbrengen bij de burgerlijke rechter.
De vordering van [slachtoffer 2]

Materiële schade

[slachtoffer 2] heeft in haar vordering verschillende schadebedragen opgenomen. De rechtbank wijst de volgende schadeposten toe:
De rechtbank zal de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk verklaren voor de kosten die zien op de operatie van de onderoogleden. In dit strafproces is het te ingewikkeld om vast te stellen in hoeverre [verdachte] aansprakelijk is voor het geweld tegen [slachtoffer 2] , waar [verdachte] op dat moment zelf niet bij was.

Ook voor de schade van de iPod wordt de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard, omdat dit niet voldoende is onderbouwd.

Immateriële schade (smartengeld)

[slachtoffer 2] heeft een bedrag van € 20.000,- aan smartengeld gevorderd. De rechtbank zal hiervan een bedrag van € 7.500,- toewijzen. De gevolgen van de overval zijn voor [slachtoffer 2] , net als voor [slachtoffer 1] , heel groot geweest. Een hoger bedrag aan smartengeld zou daarom ook gerechtvaardigd zijn. Omdat [verdachte] een kleinere rol heeft dan de andere verdachten en hij niet bij het geweld zelf betrokken is geweest, zal de rechtbank het bedrag van € 7.500,- toewijzen en de vordering voor de rest niet-ontvankelijk verklaren.
Hoofdelijk

[verdachte] is voor de schade naar burgerlijk recht met zijn mededaders hoofdelijk aansprakelijk. Dat betekent dat de benadeelde partij het geld zowel kan verhalen op [verdachte] als op de medeverdachte(n). [verdachte] en de medeverdachte(n) zullen dan onderling moeten regelen hoe het toegewezen bedrag tussen hen wordt verdeeld.
Schadevergoedingsmaatregel

Aan [verdachte] zal de schadevergoedingsmaatregel worden opgelegd. Dit houdt in dat de benadeelde partij niet zelf tot actie over hoeft te gaan om het toegewezen bedrag van [verdachte] te krijgen, maar dat de Staat dit namens de benadeelde partij zal doen. [verdachte] (of één van zijn medeverdachte(n)) zal het bedrag (inclusief wettelijke rente) dus aan de Staat moeten betalen. Zodra de Staat dit bedrag heeft ontvangen, keert zij dat aan de benadeelde partij uit. Als [verdachte] het bedrag niet betaalt, zal hij, omdat het jeugdstrafrecht wordt toegepast, geen aanvullende jeugddetentie opgelegd krijgen.
Burgerlijke rechter

De rechtbank heeft de benadeelde partij in een deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Voor dat deel kan [slachtoffer 2] haar vordering aanbrengen bij de burgerlijke rechter.
De vordering van [slachtoffer 3]

Materiële schade

[slachtoffer 3] heeft een bedrag van € 190,- gevorderd voor de kosten van de psycholoog en € 200,- in verband met gestolen geld. Beide bedragen zijn het directe gevolg van de feiten die de rechtbank hiervoor heeft bewezen verklaard. In totaal wordt dus een bedrag van € 390,- toegewezen.
Immateriële schade (smartengeld)

[slachtoffer 3] heeft een bedrag van € 10.000,- aan smartengeld gevorderd. De rechtbank zal hiervan een bedrag van € 7.500,- toewijzen. De gevolgen van de overval zijn voor [slachtoffer 3] ook groot geweest. De lichamelijke gevolgen zijn minder ernstig geweest dan bij zijn vader en stiefmoeder, maar hij heeft wel moeten toezien hoe zij beiden fors mishandeld werden. Ook speelt bij [slachtoffer 3] dat het vertrouwen in zijn zogenaamde vriend heel erg is beschaamd. Dat is nu juist iets waarvoor [verdachte] verantwoordelijk is. Daarom zal de rechtbank het bedrag aan smartengeld hoger vaststellen dan door de rechtbank bij de andere verdachten is gedaan. De rechtbank zal een bedrag van € 7.500,- toewijzen en de vordering voor de rest niet-ontvankelijk verklaren.
Hoofdelijk

[verdachte] is voor de schade naar burgerlijk recht met zijn mededaders hoofdelijk aansprakelijk. Dat betekent dat de benadeelde partij het geld zowel kan verhalen op [verdachte] als op de medeverdachte(n). [verdachte] en de medeverdachte(n) zullen dan onderling moeten regelen hoe het toegewezen bedrag tussen hen wordt verdeeld.
Schadevergoedingsmaatregel

Aan [v