Uitspraak ECLI:NL:RBMNE:2019:3153

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 12-07-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Midden-Nederland op 09-07-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBMNE:2019:3153, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is utr - 18-3558


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLANDuitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juli 2019 in de zaak tussen [eiser] , te [woonplaats] , eiser
Zittingsplaats Utrecht
(gemachtigde: mr. F.J. ten Seldam),

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 18/3558

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum

(gemachtigde: R. Schmidt).
Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen: en , beiden te [woonplaats] .

ECLI:NL:RBMNE:2019:3153:DOC
nl

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLANDuitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juli 2019 in de zaak tussen [eiser] , te [woonplaats] , eiser
Zittingsplaats Utrecht
(gemachtigde: mr. F.J. ten Seldam),
Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 18/3558

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum

(gemachtigde: R. Schmidt).
Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen: en , beiden te [woonplaats] .

procesverloop

Procesverloop

Bij besluit van 16 maart 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder aan [eiser] , eiser, de omgevingsvergunning voor handelen in strijd met de regels van ruimtelijke ordening op het perceel [adres] in [woonplaats] geweigerd.

Bij besluit van 10 augustus 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Derde-belanghebbende [derde-partij 2] heeft een brief met haar standpunt ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Derde-partijen [derde-partij 1] en [derde-partij 2] zijn in persoon verschenen.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiser exploiteert een garagebedrijf op het perceel [adres] te [woonplaats] . Dit perceel grenst aan de percelen van de derde-partijen. Het perceel van eiser heeft op grond van het bestemmingsplan Utrechtseweg de bestemming Bedrijf. Op dit perceel zijn bedrijven behorende bij de categorie 1 en 2 van de in de bijlage bij het bestemmingsplan opgenomen ‘Staat van bedrijfsactiviteiten’ toegestaan. Een garagebedrijf valt niet binnen de categorieën 1 en 2.
2. Eiser heeft zich gemotiveerd tegen het bestreden besluit gekeerd. Eiser stelt zich op het standpunt dat het besluit niet in stand kan blijven omdat het niet zorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende is gemotiveerd.
Op 13 februari 2017 is aan eiser een last onder dwangsom opgelegd om aan de exploitatie van het garagebedrijf een einde te maken. Bij besluit van 4 september 2017 is het bezwaar van eiser tegen deze beslissing ongegrond verklaard. Dit besluit is onherroepelijk geworden.Op 14 november 2017 heeft eiser een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend voor handelen in strijd met de regels van het bestemmingsplan, namelijk voor het exploiteren van zijn garagebedrijf aan de [adres] . Deze aanvraag heeft geleid tot de onder “Procesverloop’ genoemde besluitvorming.
3.1
Tussen partijen is niet in geschil dat de exploitatie van een garagebedrijf in strijd is met het ter plaatse van kracht zijnde bestemmingsplan. Het verlenen van de gevraagde vergunning zou slechts mogelijk zijn met toepassing van de zogeheten kruimelregeling.De kruimelregeling is opgenomen in artikel 4, negende lid, bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor). Op grond van deze bepaling is verweerder bevoegd om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen voor gebruik in strijd met het bestemmingsplan.
3.2
Ter uitvoering van deze bevoegdheid zijn door verweerder de Beleidsregels Afwijken Bestemmingsplan vastgesteld. Dit beleid kwalificeert als een beleidsregel in de zin van artikel 1:3, vierde lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Gelet op het bepaalde in artikel 4:84 van de Awb dient verweerder te handelen overeenkomstig deze beleidsregels, tenzij dat voor eiser of belanghebbende gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.
3.3
In artikel 10 van de Beleidsregels Afwijken bestemmingsplan (Beleidsregels) is bepaald dat met betrekking tot het gebruiken van bouwwerken, al dan niet in samenhang met inpandige bouwactiviteiten:het bestemmingsplan het uitgangspunt is en wordt aan afwijking daarvan in principe geen medewerking verleend, tenzij het betreft een:
loweralpha

gelegen binnen de bebouwde kom en

waarvan de oppervlakte niet meer bedraagt dan 1500 m2;

arabic

Kennelijke fout in het bestemmingsplan;

Maatschappelijke ontwikkeling in het kader van het algemeen belang;

Verouderd bestemmingsplan waardoor onevenredig nadeel bestaat ten opzichte van recentere bestemmingsplannen in vergelijkbare situaties of een vergelijkbaar gebied;

Wijziging ter voorkoming van langdurige leegstand en verpaupering;

Niet strijdige situatie met het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan dan wel wijziging;

Ontwikkeling die past in een door de gemeenteraad vastgestelde beleidsvisie.

Door de omgevingsvergunning te verlenen handelt verweerder dus overeenkomstig de Beleidsregels.

Verder geldt dat voldaan dient te worden aan milieu-, verkeer- en parkeervereisten.

3.4
De rechtbank stelt vast dat het exploiteren van een garagebedrijf niet past binnen de hiervoor weergegeven Beleidsregels.
3.5
Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat, ook al past zijn situatie niet in de Beleidsregels, verweerder op grond van het bepaalde in artikel 4:84 van de Awb had moeten beoordelen of er sprake is van onevenredige gevolgen. Hij is van mening dat de weigering voor hem tot onevenredige financiële gevolgen leidt, zoals is bedoeld in artikel 4:84 Awb. Hij zal zijn bedrijf moeten staken. Verweerder betwist dat het bestreden besluit onevenredige gevolgen heeft.
3.6
De rechtbank overweegt dat weliswaar vaststaat dat eiser door toepassing van de Beleidsregels zijn bedrijf niet kan voortzetten aan de [adres] , maar is van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat dit gevolg voor eiser zodanig onevenredig is in verhouding tot de met de Beleidsregels te dienen doelen, dat dit aan verweerder aanleiding zou moeten geven om van de Beleidsregels af te wijken. Daartoe acht de rechtbank van belang dat eiser steeds wist of had kunnen weten dat hij met de exploitatie van een garagebedrijf op de [adres] handelde in strijd met het geldende bestemmingsplan en dat zicht op legalisering niet bestond. Daarmee is sprake van een bewust door eiser genomen risico. Ook de stelling van eiser dat het voor hem financieel niet mogelijk is elders werkruimte te huren maakt dit naar het oordeel van de rechtbank niet anders. Nog daargelaten dat eiser dit niet aannemelijk heeft gemaakt, is ook dit een gevolg van zijn eigen keuze om zijn bedrijf aan de [adres] in strijd met de regels te vestigen. Dit gevolg dient voor zijn rekening te blijven. Dat eiser zijn bedrijfsvoering zal moeten staken of zal moeten aanpassen op het gebied van de inhoud van de werkzaamheden zelf, of de locatie, is gelet op het vorenstaande geen reden om te oordelen dat sprake is van een voor eiser onevenredig gevolg.
3.7
Nu de rechtbank niet is gebleken dat het toepassen van de Beleidsregels in dit geval leidt tot onevenredige gevolgen voor eiser of anderen, is de rechtbank van oordeel dat verweerder bij het verlenen van de omgevingsvergunning terecht niet is afgeweken van het geldende beleid. De beroepsgrond slaagt niet.
4. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

beslissing

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. van der Linde, rechter, in aanwezigheid van mr. M.H.A. Willems, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.