Uitspraak ECLI:NL:RBMNE:2019:3109

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 10-07-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Midden-Nederland op 09-07-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBMNE:2019:3109, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 482836 / HA RK 19-177


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

WRAKINGSKAMER

Locatie: UtrechtZaaknummer/rekestnummer: 482836 / HA RK 19-177
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van

9 juli 2019

op het verzoek in de zin van artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (verder: Awb) van:

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,verder te noemen: verzoekster.

ECLI:NL:RBMNE:2019:3109:DOC
nl

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

WRAKINGSKAMER

Locatie: UtrechtZaaknummer/rekestnummer: 482836 / HA RK 19-177
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van

9 juli 2019

op het verzoek in de zin van artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (verder: Awb) van:

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,verder te noemen: verzoekster.
1

1.1.
Verzoekster heeft per e-mail van 18 juni 2019 een verzoek ingediend tot wraking van mr. C.M. Dijksterhuis (hierna te noemen: de rechter), in de zaak met het zaaknummer UTR 19/1887. De rechter heeft in die zaak op 23 mei 2019 einduitspraak gedaan.
1.2.
De wrakingskamer heeft, gelet op het volgende, afgezien van een mondelinge behandeling.
overwegingen

2

2.1.
Artikel 8:15 Awb bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.
2.2.
Het middel van wraking is toegekend aan een partij die wenst te voorkomen dat een rechter, bij wie uit zijn gedrag of overtuiging vooringenomenheid blijkt tegen een partij – althans aan een partij die daarover de objectief gerechtvaardigde vrees heeft – (nog langer) bemoeienis met de zaak zal hebben. Dat doel kan niet meer worden bereikt als de rechter een einduitspraak heeft gedaan, omdat de behandeling van de zaak daarmee is geëindigd. De wet voorziet niet in de mogelijkheid om wanneer de behandeling van de zaak is geëindigd door het wijzen van een einduitspraak, wraking te verzoeken van de rechter die deze einduitspraak heeft gedaan.
2.3.
De rechter heeft op 23 mei 2019 uitspraak gedaan. Met deze uitspraak is de procedure met het zaaknummer UTR 19/1887 geëindigd.
2.4.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verzoekster niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar wrakingsverzoek.
2.5.
Op grond van deze kennelijke niet-ontvankelijkheid kan, overeenkomstig het bepaalde in paragraaf 9.1, gelezen in samenhang met paragraaf 4 van het wrakingsprotocol van deze rechtbank, een mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek achterwege blijven.
beslissing

3

De wrakingskamer:

3.1.
verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek tot wraking;
3.2.
draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te zenden aan verzoekster, de rechter en de president van deze rechtbank.
Deze beslissing is gegeven door mr. M.J. Slootweg, voorzitter, mrs. D.J. van Maanen en R.J. Praamstra als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. L.C.J. van der Heijden, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2019.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.