Uitspraak ECLI:NL:RBMNE:2019:3108

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 10-07-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Midden-Nederland op 11-07-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBMNE:2019:3108, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is C/16/481624 / KL ZA 19-140


Bron: Rechtspraak

center
100
59ad1f46-fa9d-4b8e-9e57-e24e7d23e5a2
2
13
image/png

center
100
a883d2d6-6209-4bd6-9ef0-e8dbf134e443
2
523
image/png

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel rechthandelskamer
locatie Lelystad

zaaknummer / rolnummer: C/16/481624 / KL ZA 19-140

Vonnis in kort geding van 11 juli 2019

in de zaak van

ECLI:NL:RBMNE:2019:3108:DOC
nl

center
100
59ad1f46-fa9d-4b8e-9e57-e24e7d23e5a2
2
13
image/png

center
100
a883d2d6-6209-4bd6-9ef0-e8dbf134e443
2
523
image/png

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel rechthandelskamer
locatie Lelystad

zaaknummer / rolnummer: C/16/481624 / KL ZA 19-140

Vonnis in kort geding van 11 juli 2019

in de zaak van

1

wonende te [woonplaats] ,2. , wonende te [woonplaats] ,3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiser sub 3] B.V.

gevestigd te [vestigingsplaats] ,
[eiser sub 4] B.V.

gevestigd te [vestigingsplaats] ,eisers,advocaten mr. R.P. de Vries en mr. K. Kasem te Amsterdam,
tegen

de vereniging
OMROEPVERENIGING BNN-VARA

gevestigd te Hilversum,gedaagde,advocaten mr. E.W. Jurjens en mr. J.P. van den Brink te Amsterdam.
Eisers afzonderlijk zullen hierna [eiser sub 1] , [eiseres sub 2] , [eiser sub 3] en [eiser sub 4] worden genoemd. Gezamenlijk zullen zij [eisers c.s.] genoemd worden. Gedaagde zal hierna BNNVARA genoemd worden.

1

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:- de fax van 26 juni 2019 van [eisers c.s.] , houdende een akte wijziging en vermeerdering van eis,
-

de dagvaarding van 13 juni 2019 met producties (1-18),

de op 26 juni 2019 ontvangen aanvullende producties van [eisers c.s.] (19-22),

de conclusie van antwoord en producties van BNNVARA (1-40),

-

de fax van 26 juni 2019 van BNNVARA, met een aanvullende productie (41),

de mondelinge behandeling van 27 juni 2019,

de pleitnota van [eisers c.s.] ,

de pleitnota van BNNVARA.

1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2

2.1.
[eiser sub 1] is een vastgoedondernemer uit [woonplaats] . [eiser sub 1] is (indirect) bestuurder van de vennootschappen [eiser sub 4] en [vennootschap] B.V..
2.2.
[eiser sub 4] is op 3 januari 2017 opgericht en volgens de opgave in het handelsregister houdt [eiser sub 4] zich onder meer bezig met het beheer van onroerend goed en met bemiddeling bij handel, huur of verhuur van onroerend goed. [eiser sub 4] voert sinds augustus 2018 de handelsnaam [eiser sub 4] .
2.3.
[eiseres sub 2] was via haar onderneming [onderneming 1] B.V. bestuurder van [onderneming 2] B.V. (hierna: [onderneming 2] ). [onderneming 2] is met ingang van 14 augustus 2018 ontbonden en beëindigd. Volgens de opgave in het handelsregister hield [onderneming 2] zich bezig met bemiddeling bij handel, huur of verhuur van onroerend goed en het fungeren als aanhuurmakelaar.
2.4.
Op 15 augustus 2018 is [eiser sub 3] opgericht. [eiseres sub 2] is via haar onderneming [onderneming 3] B.V. bestuurder van [eiser sub 3] . Volgens de opgave in het handelsregister houdt [eiser sub 3] zich bezig met het beheer van onroerend goed.
2.5.
[eiser sub 1] en [eiseres sub 2] zijn sinds 2018 met elkaar getrouwd.
2.6.
In maart 2018 heeft Rood, de jongerenorganisatie binnen de SP, [eiser sub 1] en [onderneming 2] uitgeroepen tot huisjesmelker van het jaar 2018. In het door hen samengestelde zwartboek staat in het hoofdstuk ‘DE WINNAAR’: onder meer:‘Uit de dertien verhalen blijkt dat [eiser sub 1] en [onderneming 2] lak hebben aan hun huurders en over hun rug zoveel mogelijk geld proberen te verdienen. Het gaat voornamelijk over illegale bemiddelingskosten en te hoge huurprijzen. Eén van de trucs die vaak wordt gebruikt, is dat studio’s als appartementen verhuurd kunnen worden om een hogere huur te kunnen vragen. Ook zijn er verhalen over achterstallig onderhoud, zoals lekkage. Wat met name opvallend is, zijn de verhalen over intimidatie en bedreiging op het moment dat huurders achter hun geld aangaan, wat zij onterecht te veel betalen; zowel als ze dat via de rechter proberen als bijvoorbeeld via de Huurcommissie. Sloten worden vervangen, zodat huurders hun huis niet meer in kunnen, elektra wordt afgesloten en één huurder kreeg zelfs dagelijks dreigmails en werd door [eiser sub 1] op zijn werk lastiggevallen.’
2.7.
Op 21 maart 2019 heeft het BNNVARA-programma #BOOS een aflevering online gezet met de titel ‘ [onderneming 2] VRAAGT ILLEGALE BEMIDDELINGSKOSTEN EN [eiser sub 1] STUURT EEN JURIST OP ONS AF’, hierna te noemen: de Aflevering. De Aflevering kan nog steeds worden bekeken.
2.8.
De Aflevering heeft betrekking op de klacht van de heer [A] , een student uit [woonplaats] . [A] heeft medio 2016 de woning aan de [adres] te [woonplaats] van Q Rent gehuurd, nadat hij eerst bij [onderneming 2] een schriftelijk stuk getiteld ‘Aanhuur overeenkomst’ had ondertekend. Artikel 3 van deze overeenkomst bepaalt dat de opdrachtgever (zijnde [A] ) vergoeding voor de dienstverlening van de aanhuurmakelaar (zijnde [onderneming 2] ) verschuldigd is indien er een huurovereenkomst tot stand komt. Deze vergoeding is in de overeenkomst omschreven als courtage. [A] heeft in dat kader een bedrag van € 605,-- aan [onderneming 2] betaald.
2.9.
In de bijna 13 minuten durende uitzending wordt door de presentator in de Aflevering ( [B] ) samen met onder meer [A] en journalist [C] een bezoek gebracht aan het oude vestigingsadres van [onderneming 2] te [woonplaats] . De persoon die open doet deelt mee - kort gezegd - van niets op de hoogte te zijn. Nadat de deur gesloten is, delen [C] en [A] mee dat deze persoon betrokken was bij [onderneming 2] . Volgens [A] was het ook juist deze persoon die hem in 2016 geholpen heeft. Tevergeefs wordt getracht om opnieuw in gesprek met deze persoon te komen. Vervolgens wordt er een bezoek gebracht bij het (privé)huis van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] . Omdat er geen contact tot stand komt tussen de medewerkers aan de Aflevering en [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] , wordt een achter glas ingelijste oorkonde over het hek op de oprit van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] gegooid. Het glas breekt als de lijst op de grond valt (11:29). De Aflevering eindigt met het beeld dat [A] het gebroken fotolijstje opruimt (12:35-12:40).
2.10.
Kort voor het einde van de Aflevering wordt de volgende schriftelijke reactie van de advocaat op de claim van [A] (op starwars-achtige wijze) in beeld gebracht (12:14– 12:29):‘De stelling dat er sprake zou zijn van illegale bemiddelingskosten is uitdrukkelijk onjuist. De heer [A] heeft [onderneming 2] B.V. destijds (door middel van een ondertekende aanhuurovereenkomst) de opdracht verstrekt om – op basis van nu cure no pay – een geschikte woonruimte voor hem te vinden. Dankzij de actieve zoektocht van [onderneming 2] B.V. heeft de heer [A] twee woningen bezichtigd, waarbij hij gekozen heeft voor een van deze twee woningen en er is een huurovereenkomst tot stand gekomen. [onderneming 2] B.V. heeft hierbij uitsluitend de belangen van de heer [A] behartigd. Zij heeft uitdrukkelijk niet de belangen van de verhuurder behartigd (door de verhuurder is ook uitdrukkelijk geen opdracht aan haar verstrekt). Noch heeft zij een vergoeding ontvangen van de verhuurder. Er is dus geen sprake van het dienen van twee heren, de situatie als bedoeld in artikel 7:417 lid 4 BW doet zich niet voor. Deze handelswijze is volstrekt legitiem en in lijn met de geldende leer van de Hoge Raad.’
2.11.
In de schriftelijke verklaring van 12 juni 2019 van [D] van Q Rent wordt onder meer het volgende meegedeeld:`Hierbij verklaar ik dat [onderneming 2] B.V. en/of een aan hen gelieerde vennootschap nooit van mij (of Q Rent) opdracht heeft gekregen tot het verhuren van enige woon- of huurruimte. Wij werkten immers met andere partijen. De geïnteresseerde huurder kan en kon ons ook rechtstreeks – zonder tussenkomst van een bemiddelaar of makelaar – benaderen. Ook in het geval van de heer [A] hebben wij dus geen opdracht verstrekt aan [onderneming 2] of aan ondernemingen die aan deze partij zijn gelieerd.
Q Rent heeft dit in telefonisch contact met [C] van Sikkom ook bevestigd. De heer [C] heeft dit echter in zijn publicaties onvermeld gelaten.

Ik ben bereid het voorgaande onder ede te verklaren.’

3

3.1.
[eisers c.s.] vordert dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
primair:

I. BNNVARA wordt geboden om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis de Aflevering te verwijderen en verwijderd te houden van de websites van BNNVARA, althans de websites die onder het beheer van BNNVARA vallen, waaronder in ieder geval begrepen het Youtube-kanaal van #BOOS, en haar sociale media accounts;II. BNNVARA wordt geboden om in de eerstvolgende aflevering van #BOOS die wordt geplaatst op haar Youtube-kanaal na betekening van dit vonnis door de presentator binnen de eerste tien minuten van die aflevering de onderstaande rectificatietekst op neutrale toon en wijze en in normaal tempo uit te laten spreken zonder daarbij nader commentaar te geven, waarbij de betreffende aflevering waarin deze tekst wordt voorgelezen voor de duur van minimaal één week op het Youtube kanaal van #BOOS dient te staan:althans een zodanige rectificatie zoals de voorzieningenrechter juist acht.III. BNNVARA wordt geboden om binnen drie werkdagen na betekening van dit vonnis de volgende tekst omkaderd, zonder weglatingen, aanvullingen of commentaar bovenaan de thuispagina van de website van BNNVARA (home.bnnvara.nl) te plaatsen en gedurende één week, althans een door U.E.A. Voorzieningenrechter redelijk geachte termijn, geplaatst te houden, waarbij lettertype en -grootte van de tekst hetzelfde dient te zijn als de andere artikelen die eveneens op de betreffende webpagina zijn geplaatst.althans een zodanige rectificatie zoals de voorzieningenrechter juist acht.IV. wordt bepaald dat indien BNNVARA één of meer van de hiervoor genoemde geboden of verboden overtreedt, zij aan [eisers c.s.] een dwangsom verbeurt van €5.000,- per dag (of dagdeel) of per overtreding, zulks naar keuze van [eisers c.s.] , met een maximum van €100.000,00,
subsidiair:

V. BNNVARA wordt geboden om in de eerstvolgende aflevering van #BOOS die wordt geplaatst op haar Youtube-kanaal na betekening van dit vonnis door de presentator binnen de eerste tien minuten van die aflevering de onderstaande rectificatietekst op neutrale toon en wijze en in normaal tempo uit te laten spreken zonder daarbij nader commentaar te geven, waarbij de betreffende aflevering waarin deze tekst wordt voorgelezen voor de duur van minimaal één week op het Youtube-kanaal van BOOS dient te staan:- vïa de onderneming [onderneming 2] ten onrechte bemiddelingskosten in rekening is gebracht bij de heer [A] ;
- de heer [eiser sub 1] betrokken is geweest bij [onderneming 2] ;

- [onderneming 2] failliet zou zijn gegaan en de heer [eiser sub 1] en mevrouw [eiseres sub 2] dit opzettelijk zouden hebben gedaan om schuldeisers te ontlopen;
- de heer [eiser sub 1] gevaarlijk zou zijn;

- de heer [eiser sub 1] koffie gegooid zou hebben over de heer [C] ;

- [eiser sub 4] B.V. zou zijn opgericht om onder de regels uit te komen,

- [eiser sub 3] B.V.een doorstart zou zijn van [onderneming 2] .

Deze beschuldigingen worden echter onvoldoende door feiten gedragen. Tevens zijn in de uitzending uitlatingen gedaan die onnodig grievend zijn jegens de heer [eiser sub 1] en mevrouw [eiseres sub 2] . #BOOS had de aflevering op deze wijze niet op haar Youtubekanaal mogen plaatsen. De Voorzieningenrechter van de Rechtbank Midden-Nederland heeft ons op straffe van verbeurte van een dwangsom verplicht om deze rectificatie voor te lezen.

BNNVARA

althans een zodanige rectificatie zoals U,E.A. juist zal achten; VI. BNNVARA wordt geboden om binnen drie werkdagen na betekening van dit vonnis de volgende tekst omkaderd, zonder weglatingen, aanvullingen of commentaar bovenaan de thuispagina van de website van BNNVARA (home.bnnvara,nl) te plaatsen en gedurende één week, althans een door de voorzieningenrechter redelijk geachte termijn, geplaatst te houden, waarbij lettertype en -grootte van de tekst hetzelfde dient te zijn als de andere artikelen die eveneens op de betreffende webpagina zijn geplaatst,- vïa de onderneming [onderneming 2] ten onrechte bemiddelingskosten in rekening is gebracht bij de heer [A] ;
- de heer [eiser sub 1] betrokken is geweest bij [onderneming 2] ;

- [onderneming 2] failliet zou zijn gegaan en de heer [eiser sub 1] en mevrouw [eiseres sub 2] dit opzettelijk zouden hebben gedaan om schuldeisers te ontlopen;
- de heer [eiser sub 1] gevaarlijk zou zijn;

- de heer [eiser sub 1] koffie gegooid zou hebben over de heer [C] ;

- [eiser sub 4] B.V. zou zijn opgericht om onder de regels uit te komen,

- [eiser sub 3] B.V.een doorstart zou zijn van [onderneming 2] .

Deze beschuldigingen worden echter onvoldoende door feiten gedragen. Tevens zijn in de uitzending uitlatingen gedaan die onnodig grievend zijn jegens de heer [eiser sub 1] en mevrouw [eiseres sub 2] . #BOOS had de aflevering op deze wijze niet op haar Youtubekanaal mogen plaatsen. De Voorzieningenrechter van de Rechtbank Midden-Nederland heeft ons op straffe van verbeurte van een dwangsom verplicht om deze rectificatie voor te lezen.

BNNVARA

althans een zodanige rectificatie zoals U,E.A. juist zal achten; VII. BNNVARA wordt geboden om binnen drie werkdagen na betekening van dit vonnis de volgende tekst, zonder weglatingen, aanvullingen of commentaar bovenaan de beschrijving onder de Aflevering (https://www.youtube.com/watch?v=fr2NdoBtgK0&t=328s) te plaatsen en geplaatst te houden zolang de Aflevering op het Youtube-kanaal van #BOOS geplaatst staat, waarbij lettertype en -grootte van de tekst hetzelfde dient te zijn als de beschrijving die voorheen onder de Aflevering stond:- vïa de onderneming [onderneming 2] ten onrechte bemiddelingskosten in rekening is gebracht bij de heer [A] ;
- de heer [eiser sub 1] betrokken is geweest bij [onderneming 2] ;

- [onderneming 2] failliet zou zijn gegaan en de heer [eiser sub 1] en mevrouw [eiseres sub 2] dit opzettelijk zouden hebben gedaan om schuldeisers te ontlopen;
- de heer [eiser sub 1] gevaarlijk zou zijn;

- de heer [eiser sub 1] koffie gegooid zou hebben over de heer [C] ;

- [eiser sub 4] B.V. zou zijn opgericht om onder de regels uit te komen,

- [eiser sub 3] B.V.een doorstart zou zijn van [onderneming 2] .

Deze beschuldigingen worden echter onvoldoende door feiten gedragen. Tevens zijn in de uitzending uitlatingen gedaan die onnodig grievend zijn jegens de heer [eiser sub 1] en mevrouw [eiseres sub 2] . #BOOS had de aflevering op deze wijze niet op haar Youtubekanaal mogen plaatsen. De Voorzieningenrechter van de Rechtbank Midden-Nederland heeft ons op straffe van verbeurte van een dwangsom verplicht om deze rectificatie voor te lezen.

BNNVARA

althans een zodanige rectificatie zoals U,E.A. juist zal achten;VIII. wordt bepaald dat indien BNNVARA één or meer van de in sub V, VI en VII genoemde geboden overtreedt, zij aan [eisers c.s.] een dwangsom verbeurt van € 5.000,00 per dag (of dagdeel) of per overtreding, zulks naar keuze van [eisers c.s.] s, met een maximum van € 100.000,00,
primair en subsidiair:

IX. BNNVARA wordt veroordeeld in de kosten van deze procedure, vermeerderd met € 157,00 (€ 239,00 in geval van betekening) aan nakosten, alles vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 dagen na de datum van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening.
3.2.
BNNVARA voert verweer met conclusie de vorderingen van [eisers c.s.] af te wijzen, met hoofdelijke veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van [eisers c.s.] in de proceskosten van BNNVARA, waaronder begrepen de nakosten.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
overwegingen

4

algemeen

4.1.
Gelet op de aard van de vorderingen heeft [eisers c.s.] een voldoende spoedeisend belang om in zijn vorderingen in kort geding te worden ontvangen.
4.2.
In deze zaak gaat het om een botsing van fundamentele rechten. Ten eerste het aan de zijde van [eisers c.s.] aanwezige recht op eerbiediging van de eer en goede naam en aan de zijde van BNNVARA het recht op vrijheid van meningsuiting.
4.3.
Het antwoord op de vraag welk van deze beide rechten in het concrete geval zwaarder weegt, moet worden gevonden door een afweging van alle ter zake dienende omstandigheden van het geval. Bij deze afweging geldt niet als uitgangspunt dat voorrang toekomt aan het door artikel 10 Gw en artikel 8 EVRM gewaarborgde recht. Voor de door artikel 7 Gw en artikel 10 EVRM beschermde rechten geldt hetzelfde. Dit brengt met zich dat het hier niet gaat om een in twee fasen te verrichten toetsing (aldus dat eerst aan de hand van de omstandigheden moet worden bepaald welk van beide rechten zwaarder weegt, waarna vervolgens nog moet worden beoordeeld of de noodzakelijkheidstoets als neergelegd in artikel 8 lid 2 respectievelijk 10 lid 2 EVRM zich verzet tegen het resultaat van die afweging), maar dat deze toetsing in één keer dient te geschieden, waarbij het oordeel dat een van beide rechten, gelet op alle ter zake dienende omstandigheden, zwaarder weegt dan het andere recht, meebrengt dat de inbreuk op het andere recht voldoet aan de noodzakelijkheidstoets van het desbetreffende lid 2 (zie HR 18 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB3210 Van [naam] / [naam] ; HR 5 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9230, Endemol en SBS/A). Welk van de beide genoemde wederzijdse belangen in het concrete geval zwaarder weegt, hangt zoals gezegd af van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij is onder meer relevant (i) de aard van de gepubliceerde uitlatingen en de ernst van de te verwachten gevolgen voor degene op wie die uitlatingen betrekking hebben, (ii) de ernst - bezien vanuit het algemeen belang - van de misstand die aan de kaak wordt gesteld, (iii) de mate waarin de uitlatingen steun vinden in het beschikbare feitenmateriaal ten tijde van de publicatie, (iv) de totstandkoming en inkleding van de uitlatingen, (v) het gezag dat het medium waarop de uitlatingen zijn gepubliceerd geniet en (vi) de maatschappelijke positie van de betrokken persoon. Genoemde omstandigheden wegen niet allen even zwaar. Welke omstandigheden van toepassing zijn en welk gewicht daaraan moet worden gehecht, hangt af van het concrete geval.
4.4.
De Aflevering gaat over de (ook in Groningen als studentenstad met een oververhitte woningmarkt) veel voorkomende misstand dat bij huurders ‘illegale bemiddelingskosten’ in rekening worden gebracht. Concreet gaat het om de huurder [A] die stelt dat [onderneming 2] hem bij het sluiten van de huurovereenkomst ten onrechte € 605,-- aan bemiddelingskosten in rekening heeft gebracht. Hij wil deze kosten terug, maar [onderneming 2] weigert dit bedrag terug te betalen.
4.5.
De Hoge Raad heeft voor zover hier van belang - in zijn arrest van 16 oktober 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3099) geoordeeld dat er geen courtage (bemiddelingskosten) in rekening mag worden gebracht bij én verhuurder én huurder. Ook in het geval de verhuurder (de opdrachtgever) geen betaling hoeft te doen aan het bemiddelingsbureau (de opdrachtnemer) kan geen loon (courtage/bemiddelingskosten) in rekening worden gebracht bij de huurder.
met betrekking tot [eiseres sub 2]

4.6.
[eiseres sub 2] stelt dat [onderneming 2] voor het overgrote deel uitsluitend in opdracht gewerkt heeft voor huurders. Dit werd gedaan in de hoedanigheid als aanhuurmakelaar. In dat geval werd ook alleen bij de huurder bemiddelingskosten/courtage in rekening gebracht. Slechts een enkele keer werd in opdracht voor verhuurders gewerkt, maar dan werd er geen vergoeding in rekening gebracht bij de huurder. Volgens [eiseres sub 2] heeft [onderneming 2] dan ook nooit ten onrechte bemiddelingskosten in rekening gebracht bij de huurder.
4.7.
Het standpunt van [eiseres sub 2] dat [onderneming 2] nooit ten onrechte bemiddelingskosten in rekening heeft gebracht bij de huurder kan niet worden gevolgd. In de door BNNVARA overgelegde uitspraak van de rechtbank Noord Nederland van 13 november 2018 is [onderneming 2] veroordeeld tot terugbetaling aan de huurder/opdrachtgever van ten onrechte in rekening gebrachte bemiddelingskosten (ECLI:NL:RBNNE:2018:4614). Daarbij verdient opmerking dat in die zaak [onderneming 2] zelfs ontkend heeft dat de huurder/opdrachtgever bemiddelingskosten heeft betaald door de echtheid van de handtekening onder kwitantie van ontvangst te betwisten. [eiser sub 1] heeft ter zitting weliswaar gemeld te beschikken over een ander vonnis waaruit volgt dat ‘de zaak’ volledig was gewonnen, maar deze uitspraak is niet overgelegd en er is ook geen vindplaats genoemd.
4.8.
Gelet op het vorenstaande kan er nu van uit worden gegaan dat het verhaal van [A] over de door hem gedane betaling van bemiddelingskosten aan [onderneming 2] juist is. Dit geldt te meer, nu [A] stelt dat de persoon die in de Aflevering aan [B] meedeelt van niets op de hoogte te zijn, dezelfde persoon is aan wie hij de bemiddelingskosten (courtage) betaald heeft (zie 2.9). Dit laatste is ook niet weersproken door [eisers c.s.] . Het door BNNVARA overgelegde vonnis sluit bovendien naadloos aan bij de in het zwartboek beschreven handelwijze van [onderneming 2] , dat bij een verzoek voor teruggave van de door de huurder betaalde bemiddelingskosten [onderneming 2] dan betwist dat de geplaatste handtekening op een ‘kwitantie van ontvangst’ van haar afkomstig is. In dit licht wordt dan ook voorbijgegaan aan de verklaring van de verhuurder van [A] (zie 2.11) dat er nooit opdracht verstrekt is aan [onderneming 2] tot het verhuren van woonruimte.
4.9.
Wel kan [eiseres sub 2] worden gevolgd in haar standpunt dat in de Aflevering door #Boos de onjuiste mededeling wordt gedaan dat [eiseres sub 2] en [eiser sub 1] [onderneming 2] bewust failliet lieten gaan ‘om zo bijvoorbeeld alle schuldeisers te ontlopen’ (3:23-3:25). [onderneming 2] is niet in staat van faillissement verklaard, maar is met ingang van 14 augustus 2018 ontbonden en vervolgens beëindigd. Verder geldt dat BNNVARA naar aanleiding van de reactie van de raadsman van [eiser sub 1] , direct onder de plek waarop de uitzending kan worden bekeken, de opmerking geplaatst heeft dat in de uitzending ten onrechte wordt gezegd dat [onderneming 2] failliet is gegaan en dat [onderneming 2] haar activiteiten heeft gestaakt en is ontbonden.
met betrekking tot [eiser sub 3] en [eiser sub 4]

4.10.
Over [eiser sub 3] en [eiser sub 4] wordt door #BOOS (voice-over) in de Aflevering gemeld dat [eiser sub 3] een ‘stiekeme doorstart’ is van [onderneming 2] en dat [eiser sub 4] een ‘tweede doorstart’ zou zijn van ‘ [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] ’.
4.11.
[eiseres sub 2] , indirect bestuurder van [eiser sub 3] , heeft ter zitting gemotiveerd gesteld dat [eiser sub 3] geen doorstart is van [onderneming 2] . [eiseres sub 2] stelt dat zij zich met het nieuw opgerichte bedrijf juist niet meer bezighoudt met aanhuurwerkzaamheden. Aanknopingspunten dat dit niet juist is, zijn door BNNVARA niet gegeven.
4.12.
[eiser sub 1] is de indirect bestuurder van [eiser sub 4] . In het programma wordt niet uitgelegd in hoeverre [eiser sub 4] betrokken is bij het vragen van illegale bemiddelingskosten. Evenmin wordt gesteld of blijkt dat [eiseres sub 2] binnen [eiser sub 4] een functie heeft, laat staan dat zij werkzaamheden verricht die zij bij [onderneming 2] verrichtte. De omstandigheid dat het moment waarop [eiser sub 4] actief haar handelsnaam is gaan gebruiken samenvalt met het moment dat [onderneming 2] werd opgeheven kan een aanknopingspunt zijn, maar verdere onderbouwing van de gestelde tweede doorstart ontbreekt. [eiser sub 4] kan in deze procedure dan ook niet worden gezien als een tweede doorstart van [onderneming 2] , dan wel een tweede doorstart van ‘ [eiseres sub 2] en [eiser sub 1] ’.
met betrekking tot [eiser sub 1]

4.13.
[eiseres sub 2] en [eiser sub 1] stellen dat hun bedrijfsmatige activiteiten volstrekt gescheiden zijn. De omstandigheid dat zij ook een relatie hebben, zou daar volstrekt buiten staan. De voorzieningenrechter sluit niet uit dat de zakelijke samenwerking tussen (de bedrijven van) [eiseres sub 2] en [eiser sub 1] minder strikt is dan zij stellen. De Aflevering is er echter op gericht dat [A] zijn aan [onderneming 2] betaalde bemiddelingskosten/courtage terugkrijgt. In dat kader is niet gebleken dat [eiser sub 1] direct betrokken is (geweest) bij het vragen van illegale bemiddelingskosten door [onderneming 2] . De door #BOOS (voice-over) gedane mededeling dat [onderneming 2] wordt ‘gerund door [eiser sub 1] en zijn vrouw [eiseres sub 2] ’ is dan ook onjuist. (02:53-02:56). Het nadrukkelijke beroep van BNNVARA op het onder 2.6 bedoelde zwartboek maakt dit niet anders. In die publicatie wordt [eiser sub 1] in zijn hoedanigheid van ‘intimiderende’ huisbaas uitgeroepen tot huisjesmelker van het jaar 2018 en [onderneming 2] in haar hoedanigheid van bemiddelingskantoor. Dit zijn twee van elkaar te onderscheiden posities. De in het zwartboek voorkomende ernstige klachten over het handelen van [eiser sub 1] zijn ook allemaal in de hoedanigheid van [eiser sub 1] als ‘huisbaas’ op grond van de door zijn bedrijven verhuurde woningen. De klachten over [eiser sub 1] gaan dus niet over ten onrechte in rekening gebrachte bemiddelingskosten/courtage.
met betrekking tot de primaire vorderingen

4.14.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de verschillende eisers leidt de onder 4.2 en 4.3 bedoelde belangenafweging er niet toe dat de primaire vorderingen voor toewijzing in aanmerking komen. Daartoe wordt het volgende overwogen.
4.15.
Zoals onder 4.8 is overwogen kan er van uit worden gegaan dat het verhaal van [A] over de door hem ten onrechte betaalde bemiddelingskosten aan [onderneming 2] juist is. Het staat BNNVARA vrij om in de Aflevering daar aandacht voor te vragen. De door [A] gevraagde teruggave van de betaalde bemiddelingskosten is ook de aanleiding en het (hoofd)onderwerp van de Aflevering.
4.16.
De in de Aflevering door #BOOS gedane onjuiste mededelingen (o.a. over het faillissement van [onderneming 2] ) dan wel de niet met feiten onderbouwde gedane stellingen over de stiekeme doorstart van [eiser sub 3] en de doorstart van [eiser sub 4] , zijn gedeeltelijk hersteld (tekstuele mededeling op de website over de onjuiste mededeling van het faillissement van [onderneming 2] ) dan wel zijn in het licht van de gehele Aflevering niet dusdanig ernstig van aard dat dit verwijdering van de Aflevering rechtvaardigt.
4.17.
In de Aflevering wordt op onvoldoende zorgvuldige wijze de verschillende posities van [eiser sub 1] aan de orde gesteld. Een groot deel van de in de Aflevering gedane negatieve uitlatingen over [eiser sub 1] (deels afkomstig van #BOOS zelf en deels afkomstig van journalist [C] ) ziet feitelijk op zijn positie als verhuurder van woonruimte via zijn diverse ondernemingen (zie 4.13). Niet is aannemelijk gemaakt, ook ter zitting niet, dat [eiser sub 1] met [onderneming 2] vereenzelvigd kan worden of dat [eiser sub 1] direct betrokken is geweest bij de bekritiseerde aanhuuractiviteiten van [onderneming 2] .Uit de door BNNVARA overgelegde producties blijkt wel dat er in de pers vanaf 2016 herhaaldelijk aandacht is gevraagd voor de negatieve en agressieve handelwijze van [eiser sub 1] als verhuurder (o.a. het op de website www.ukrant.nl geplaatste artikel van [F] van 13 december 2016, het op de website van www. sikkom .nl geplaatste artikel van 10 oktober 2017 van [C] , de diverse publicaties over het onder 2.6 bedoelde zwartboek 2018 en de aflevering van 27 februari 2019 van het SBS6 programma ‘Foute Boel’). Dat alle negatieve publiciteit, zoals door [eiser sub 1] is gesteld, zijn oorsprong vindt bij [C] , die als ex‑huurder van [eiser sub 1] zelf ooit een huurgeschil zou hebben gehad, is niet aannemelijk. Een en ander betekent dat de in de Aflevering geuite kritiek op de handelwijze van [eiser sub 1] als verhuurder niet als onjuist kan worden gekwalificeerd, zoals [eiser sub 1] ter zitting wel heeft betoogd. [eiser sub 1] heeft ter zitting nog gesteld dat hij zonder meer kan aantonen dat zijn (ex-)huurders geen enkel probleem met hem hebben, maar enige onderbouwing daarvan is niet gegeven. Dit betekent dat ook de (negatieve) uitlatingen over [eiser sub 1] niet leiden tot een algehele verwijdering van de Aflevering.
4.18.
Aangezien de Aflevering niet verwijderd hoeft te worden, is er geen ruimte om de primair gevorderde rectificaties toe te wijzen, in welke vorm dan ook.
met betrekking tot de subsidiaire vorderingen

4.19.
Zoals hiervoor onder 4.8 al is overwogen moet aangenomen worden dat het verhaal van [A] over de door hem ten onrechte betaalde bemiddelingskosten aan [onderneming 2] juist is.
4.20.
Hoewel de insteek van de Aflevering is om aandacht te vragen voor de klacht van [A] over de door hem gestelde onterechte betaling van bemiddelingskosten aan [onderneming 2] , wordt ook aandacht besteed aan de handelwijze van [eiser sub 1] als verhuurder van woonruimte. Zoals onder 4.17 al is overwogen kan in deze procedure er niet van uit worden gegaan dat al het over [eiser sub 1] gestelde onjuist is.
4.21.
Het onder 4.19 en 4.20 gestelde leidt er toe dat de eerste, de derde en de vierde gedachtestreepje in de door [eisers c.s.] gevraagde rectificatietekst niet kan worden toegewezen omdat deze beschuldigingen in voldoende mate door de feiten worden gedragen.
4.22.
De als tweede gedachtestreepje genoemde beschuldiging dat [eiser sub 1] betrokken is geweest bij [onderneming 2] behoeft evenmin gerectificeerd te worden. Weliswaar kan niet gesteld worden dat [eiser sub 1] betrokken is geweest bij de door [onderneming 2] aan [A] in rekening gebrachte bemiddelingskosten, maar op grond van de door BNNVARA overgelegde producties over [onderneming 2] en [eiser sub 1] als ‘huisjesmelker’ kan niet met voldoende mate van zekerheid worden gesteld dat [eiser sub 1] op geen enkele wijze betrokken is geweest bij [onderneming 2] .
4.23.
De in de uitzending voorkomende beschuldigingen dat [onderneming 2] failliet zou zijn gegaan en dat dit opzettelijk door [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] is gebeurd om schuldeisers te ontlopen, dat [eiser sub 4] is opgericht om onder de regels uit te komen en dat [eiser sub 3] een doorstart zou zijn van [onderneming 2] (derde, zesde en zevende gedachtestreepje van de rectificatietekst), worden niet dan wel onvoldoende door de feiten gedragen. Deze uitlatingen zijn, zeker in hun onderlinge samenhang beschouwd, schadelijk voor en ook onrechtmatig jegens [eisers c.s.] te achten. De door BNNVARA zelf geplaatste ‘rectificatietekst’ op haar YouTube-kanaal over de onjuiste mededeling in de Aflevering dat [onderneming 2] failliet is gegaan, is te beperkt om de te verwachten negatieve gevolgen voor [eisers c.s.] te beperken.
4.24.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de onder 4.2 en 4.3 bedoelde belangenafweging er toe leidt dat [eisers c.s.] recht heeft op en voldoende spoedeisend belang heeft bij toewijzing van de navolgende rectificatie. De rectificatie moet zodanig geplaatst worden dat deze voorafgaand aan de Aflevering voor de duur van 30 seconden wordt getoond. Daarbij dient geen commentaar te worden gegeven of (andere) geluids- of visuele effecten te worden gemaakt. De tekst dient te worden uitgevoerd in zwarte letters tegen een beeldvullende witte achtergrond. Het gekozen lettertype moet een zakelijk karakter hebben en van een voldoende groot formaat zijn, zodat de tekst gedurende 30 seconden goed leesbaar is.
4.25.
De tekst van de te tonen rectificatie dient te luiden:
‘RECTIFICATIE

In deze aflevering wordt onder meer meegedeeld dat:

- - - -
Deze mededelingen worden onvoldoende door feiten gedragen.

De voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland heeft bij vonnis van 11 juli 2019 BNNVARA veroordeeld tot het plaatsen van deze rectificatie.

BNNVARA’

4.26.
Met voormelde rectificatie wordt thans voldoende aan de belangen van [eisers c.s.] tegemoetgekomen, zodat de andere en anders gevorderde rectificaties niet voor toewijzing in aanmerking komen.
4.27.
De gevorderde dwangsom zal worden beperkt als volgt.
4.28.
Aangezien elk van partijen als op enig punt in het ongelijk gesteld is te beschouwen, zullen de proceskosten worden gecompenseerd op de hierna te vermelden wijze.
beslissing

5

De voorzieningenrechter
5.1.
veroordeelt BNNVARA tot het plaatsen van de onder 4.25 genoemde rectificatie op de onder 4.24 beschreven wijze,
5.2.
veroordeelt BNNVARA om aan [eisers c.s.] een dwangsom te betalen van € 2.500,-- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de in 5.1 uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 50.000,-- is bereikt,
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.A. Schuman, bijgestaan door mr. T. Stokvis, en in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2019.