Uitspraak ECLI:NL:RBMNE:2019:2195

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 16-05-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Midden-Nederland op 15-05-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBMNE:2019:2195, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 479905 / HA RK 19-130


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

WRAKINGSKAMER

Locatie: LelystadZaaknummer/rekestnummer: 479905 / HA RK 19-130
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van

15 mei 2019

op het verzoek in de zin van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder: Rv) van:

[verzoekster 1] en [verzoekster 2]

beiden wonende te [woonplaats] ,(verder te noemen: verzoeksters dan wel [verzoekster 1] en [verzoekster 2] ).

ECLI:NL:RBMNE:2019:2195:DOC
nl

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

WRAKINGSKAMER

Locatie: LelystadZaaknummer/rekestnummer: 479905 / HA RK 19-130
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van

15 mei 2019

op het verzoek in de zin van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder: Rv) van:

[verzoekster 1] en [verzoekster 2]

beiden wonende te [woonplaats] ,(verder te noemen: verzoeksters dan wel [verzoekster 1] en [verzoekster 2] ).
1

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit: - het proces-verbaal van de zitting van 19 april 2019;- het wrakingsverzoek van verzoeksters van 28 april 2019 met als bijlage een brief van 14 april 2019;- de schriftelijke reactie van mr. E.A.A. van Kalveen van 6 mei 2019;- de mail van 8 mei 2019 met bijlagen en de mail van 10 mei 2019 van mr. C.M. Bijl namens [belanghebbende]- de door verzoeksters op 10 mei 2019 voorafgaand aan de zitting overgelegde pleitnotities.
1.2.
Het wrakingsverzoek is op 10 mei 2019 met gesloten deuren behandeld door de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken (verder: de wrakingskamer).Bij de mondelinge behandeling is [verzoekster 2] verschenen. Zij heeft als gemachtigde mede namens [verzoekster 1] het woord gevoerd. De gewraakte rechter en belanghebbende [belanghebbende] en zijn advocaat, zijn met bericht van verhindering niet verschenen. De vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming [A] en de vertegenwoordigster van Samen Veilig Midden-Nederland mw [B] zijn niet verschenen.
1.3.
De uitspraak is bepaald op heden.
2

2.1.
Het verzoek tot wraking is gericht tegen mr. E.A.A. van Kalveen als behandelend rechter (hierna te noemen: de rechter), in de zaak met het nummer C/16/477604 / JE RK 19-523. In deze zaak heeft op 19 april 2019 een zitting plaatsgevonden. In deze zaak heeft de gecertificeerde instelling Samen Veilig Midden-Nederland de rechter verzocht een beslissing te nemen op het geschil met betrekking tot het uitvoeren van een omgangsregeling tussen de dochter van [verzoekster 1] en haar vader [belanghebbende] . Deze omgangsregeling is ondanks de opdracht van de rechter in eerdere beschikkingen niet gestart, omdat [verzoekster 1] van mening blijft dat er geen omgang tussen haar dochter en [belanghebbende] moet plaatsvinden. [verzoekster 2] is oma mz. en in deze zaak door de rechter als informant aangemerkt.
2.2.
Verzoeksters hebben de rechter gewraakt. Zij stellen dat de rechter de schijn van partijdigheid heeft gewekt en hebben daar de volgende drie punten aan ten grondslag gelegd: 1- de rechter heeft meerdere zaken waarbij [verzoekster 1] en [belanghebbende] waren betrokken behandeld en daar beslissingen in genomen. Uitspraken die door de rechter zijn gedaan op de zittingen van 21 juni 2018 en 5 juli 2018 en in de beschikking van 23 november 2018 getuigen niet van een open en neutrale houding, waardoor de indruk ontstaat dat sprake is van vooringenomenheid bij het nemen van beslissingen door de rechter in de onderhavige procedure;2- de rechter heeft [verzoekster 1] ‘ziekelijk in haar weigering tot omgang’ tussen haar dochter en [belanghebbende] genoemd. Deze opmerking wekt de schijn van partijdigheid en is daarnaast bijzonder grievend gezien de gronden waarop moeder weigert aan de omgangsregeling mee te werken. De rechter benoemt deze gronden niet, terwijl deze in het kader van de juridische zorgvuldigheid meegenomen moeten worden;3- de rechter heeft zichzelf als rechter op de zitting van 17 mei 2019 geplaatst, op welke zitting de aangehouden omgangszaak tussen [verzoekster 1] en [belanghebbende] aan de orde is.
2.3.
De rechter heeft niet in de wraking berust. In haar schriftelijke reactie stelt zij zich op het standpunt dat [verzoekster 2] niet-ontvankelijk is in het verzoek tot wraking, omdat zij in de onderliggende procedure geen belanghebbende is in de zin van de wet, maar informant als bedoeld in artikel 800 lid 2 Rv en zij in die hoedanigheid geen wrakingsverzoek kan doen. Wat betreft de gronden van het wrakingsverzoek stelt zij zich op het standpunt dat zij niet partijdig of vooringenomen is geweest of de schijn partijdig of vooringenomen te zijn heeft gewekt op grond van het volgende:1- het enkele feit dat zij meerdere keren zaken waarbij [verzoekster 1] en [belanghebbende] betrokken waren heeft behandeld en daarin beslissingen heeft genomen maakt niet dat zij partijdig is in de onderliggende procedure. Voor zover [verzoekster 1] het niet eens is met in die zaken door haar genomen beslissingen zijn dat procesbeslissingen die niet door de wrakingskamer worden getoetst; 2- zij heeft ter zitting gezegd dat de angst van moeder haar zorgen baart en bijna ziekelijk lijkt. Deze opmerking is niet ingegeven door vooringenomenheid, maar was passend in het gesprek ter zitting over de zoals door het gerechtshof geduide ‘aanhoudende en standvastige weigering van de moeder om medewerking te verlenen aan de omgang van [minderjarige] met de vader en om daarover te communiceren en hulp daarbij te accepteren’;3- de gedachte dat zij zichzelf op de zitting van 17 mei 2019 heeft geplaatst is feitelijk onjuist. Ter zitting kwam ter sprake dat de zaak over de zorg- en opvoedingstaken op 17 mei 2019 weer op zitting zou staan. Na raadpleging van haar agenda kon zij berichten dat zij als rechter op die zitting stond gepland. De planning van die zitting is buiten haar om gegaan.
overwegingen

3

3.1.
Artikel 36 Rv bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.
[verzoekster 2] niet-ontvankelijk in verzoek tot wraking

3.2.
De bevoegdheid tot wraking komt op grond van het in 3.1. genoemde artikel toe aan ‘een partij’. Nu het verzoek tot wraking slechts betrekking kan hebben op rechters die een zaak behandelen en kan plaatsvinden totdat de behandeling van de zaak door het wijzen van een einduitspraak is beëindigd kan het verzoek alleen worden ingediend door een in de procedure verschenen belanghebbende. In de onderliggende procedure is [verzoekster 2] als oma mz. door de rechter als informant aangemerkt. Het is niet aan de wrakingskamer om de rechterlijke waardering van de positie van [verzoekster 2] in die procedure te toetsen. [verzoekster 2] is in de onderliggende procedure niet als belanghebbende aangemerkt en daardoor geen partij in de zin van artikel 36 Rv. Zij zal daarom in haar verzoek tot wraking niet-ontvankelijk worden verklaard.
3.3.
[verzoekster 1] kan worden ontvangen in het wrakingsverzoek. De wrakingskamer overweegt daarom verder als volgt.
3.4.
De wrakingskamer onderzoekt in een wrakingsprocedure of de onpartijdigheid van de rechter schade lijdt. Een rechter wordt geacht onpartijdig te zijn tot het tegendeel vaststaat. Van dat laatste kan sprake zijn indien uit zijn overtuiging of gedrag persoonlijke vooringenomenheid tegenover een procespartij blijkt. Daarnaast kan een procespartij de indruk krijgen dat de rechter vooringenomen is. Het gezichtspunt van de procespartij is hier van belang, maar speelt geen doorslaggevende rol. Beslissend is of de vrees voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd is. Komt vooringenomenheid of een gerechtvaardigd vermoeden daarvan vast te staan dan lijdt de rechterlijke onpartijdigheid schade. De wrakingskamer zal het wrakingsverzoek aan de hand van de hiervoor genoemde maatstaven beoordelen.
Eerdere betrokkenheid bij soortgelijke zaken van [verzoekster 1]

3.5.
De enkele omstandigheid dat de rechter eerder zaken, waarin dezelfde thema’s tussen [verzoekster 1] en [belanghebbende] als partijen aan de orde zijn geweest, heeft behandeld en daarin beslissingen heeft gegeven waarin [verzoekster 1] zich mogelijk niet kan vinden, kan niet leiden tot een objectiveerbare vrees voor vooringenomenheid bij de behandeling van de onderhavige procedure door de rechter.
Uitlating ‘ziekelijk in haar weigering’

3.7.
De wrakingskamer leest in het proces-verbaal van de zitting van 19 april 2019 het volgende:
“Kinderrechter: Wilt u nog iets zeggen over het horen van de moeder? Als ik een ander moment inplan, komt ze dan? Ik heb haar namelijk nog nooit gezien.

Mr. Erkens: Het probleem bij de moeder zit in het contact met de vader.

Kinderrechter: Stel dat er nog een zitting wordt bepaald, alleen zonder de vader en met de overige aanwezigen.

Mr. Erkens: Ik hoor de oma mz. nu ‘nee’ tegen mij zeggen. De moeder zal dan niet komen. Ze wil een gesprek tussen haar en de kinderrechter.

Kinderrechter: In verband met hoor en wederhoor kan ik dat niet doen. De angst van moeder baart mij zorgen. Die lijkt bijna ziekelijk’.

Mr. Erkens: Mijn indruk was dat het aan de vader lag. Zijn advocaat mag geen bedreiging voor de moeder zijn, maar ik kan nu geen toezegging doen dat ze komt. Ik zou daarover met de moeder moeten spreken.”

De wrakingskamer leest het proces-verbaal aldus dat de uitlating van de rechter ziet op de angst bij moeder om ter zitting te verschijnen en de term ziekelijk in het kader van de weigering op de zitting aanwezig te zijn is gebruikt. Voor de door de rechter te nemen beslissingen in de procedure is het beginsel van hoor en wederhoor van belang. Dat betekent dat de rechter ter zitting met zowel vader als moeder in gesprek wil komen om in het kader van de juridische zorgvuldigheid alle van belang zijnde feiten en omstandigheden mee te kunnen wegen. De rechter biedt blijkens het proces-verbaal ook mogelijkheden om aan de angst van moeder tegemoet te kunnen komen, zodat moeder aanwezig kan zijn en haar gronden voor weigering tot omgang ter zitting kenbaar kan maken. De bewoordingen van de rechter moeten worden bezien in de gehele context van de procedure en de zitting. De wrakingskamer is dan ook van oordeel dat de rechter met haar uitlating in die context bezien geen blijk heeft gegeven van vooringenomenheid en dat deze uitlating ook onvoldoende is om aan te nemen dat sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden daarvan.

Behandelend rechter op een volgende zitting

3.8.
De wrakingskamer overweegt dat rechters volgens de daartoe geldende werkwijze op zittingen worden ingepland zonder dat vooraf overleg plaatsvindt met de rechter over de zaken die daar ter behandeling opstaan. De wrakingskamer heeft geen aanleiding om te veronderstellen dat dit voor de planning van de zitting van 17 mei 2019 anders is geweest mede omdat de lezing van de rechter door [belanghebbende] wordt bevestigd. Reeds hierom kan van vooringenomenheid of een gerechtvaardigd vermoeden daartoe geen sprake zijn.
3.9.
Uit het voorgaande volgt dat geen sprake is van feiten en omstandigheden die deconclusie rechtvaardigen dat gebleken is van vooringenomenheid van de rechter of van een gerechtvaardigd vermoeden daarvan. Het verzoek tot wraking zal ongegrond worden verklaard.
beslissing

4

De wrakingskamer:

4.1.
verklaart het verzoek tot wraking van [verzoekster 2] niet-ontvankelijk;
4.2.
verklaart het verzoek tot wraking van [verzoekster 1] overigens ongegrond;
4.3.
draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te zenden aan verzoeksters, de gewraakte rechter, andere betrokken partijen, alsmede aan de president van deze rechtbank en de voorzitter van de afdeling Straf-, familie- en jeugdrecht van deze rechtbank;
4.4.
bepaalt dat de procedure van verzoeker met nummer C/16/477604 / JE RK 19-523dient te worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van het wrakingsverzoek.
Deze beslissing is gegeven door mr. R.M. Berendsen, voorzitter, en mr. A. van Dijk en mr. L.P. de Haas als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. K.F. van Dam, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2019.
de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.