Uitspraak ECLI:NL:RBMNE:2019:2180

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 16-05-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Midden-Nederland op 15-05-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBMNE:2019:2180, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 16/203808-18 (P)


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling StrafrechtZittingsplaats Lelystad
Parketnummer: 16/203808-18 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 15 mei 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,
geboren op [1981] te [geboorteplaats] ,wonende te [woonplaats] , [adres] .

ECLI:NL:RBMNE:2019:2180:DOC
nl

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling StrafrechtZittingsplaats Lelystad
Parketnummer: 16/203808-18 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 15 mei 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,
geboren op [1981] te [geboorteplaats] ,wonende te [woonplaats] , [adres] .
1

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 28 januari 2019 en 1 mei 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. G.P.N. Robben en van hetgeen verdachte en mr. J.J.J.L. Maalsté, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht. Ook heeft de rechtbank geluisterd naar de slachtofferverklaring van [slachtoffer] , aangevuld door haar advocaat, mr. W.A. Monster.

2

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1:

feit 2:

feit 3:

feit 4:

3

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4 WAARDERING VAN HET BEWIJS
_a76c5e78-e6a1-48a2-a0ed-32af7ff97683

4.1
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.
4.2
Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 en 2 ten laste gelegde. Ten aanzien van het onder 3 en 4 ten laste gelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
4.3
Het oordeel van de rechtbank


- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 1 mei 2019;- een proces-verbaal van bevindingen van 13 oktober 2018, waarin is gerelateerd over het onder verdachte aantreffen van het (nep)vuurwapen en de munitie; en- een proces-verbaal van bevindingen van 22 november 2018, inhoudende de categorisering van het (nep)vuurwapen en de munitie.
Bewijsmiddelen ten aanzien van feiten 1 en 2

[slachtoffer] heeft op 13 oktober 2018 aangifte gedaan en heeft bij de politie als volgt verklaard, zakelijk weergegeven: Sinds januari 2018 hebben [verdachte] (de rechtbank begrijpt: verdachte) en ik een relatie. Op zaterdag 13 oktober 2018 hadden wij in de ochtend al ruzie via de telefoon. Ik heb hem toen, via videobellen verteld dat ik geen relatie meer wilde. Hij werd boos en wilde met mij praten. Omstreeks 15:00 uur stond hij voor mijn deur (de rechtbank begrijpt: voor de deur van de woning van aangeefster aan de [adres] in [woonplaats] ). Ik heb hem binnengelaten. Hij heeft mijn telefoon afgepakt en deze doorzocht. Hij trok vanuit de achterkant van zijn broek een wapen. Ik herkende dit wapen als een vuurwapen, een pistool. Ik dacht dat dit vuurwapen een echt vuurwapen was. Ik zag dat hij het wapen op mij richtte. Hij zei dat ik hem kapot had gemaakt en hij nu alles van mij zou afpakken. Hij heeft mij tegen de muur geduwd. Hij heeft het wapen uiteindelijk opgeborgen in zijn rechter jaszak, in de binnenzak. Hij wist dat ik mijn zoontje moest halen bij mijn ex-man. Hij wilde mee naar de woning van mijn ex-man. Wij zijn in mijn auto gestapt en ik ben naar de woning van mijn ex-man gereden. Hij zei voordat ik de auto uitstapte: "”.
[slachtoffer] is op 14 oktober 2018 bij de politie verhoord en heeft bij die gelegenheid als volgt verklaard, zakelijk weergegeven: [verdachte] ging mee om mijn zoontje op te halen bij mijn ex-man, omdat hij vlak daarvoor al het wapen op mij had gericht en boos was. Ik wilde niet dat [verdachte] mee zou gaan, maar hij stond erop. Door de dreiging die er van hem uitging had ik het idee geen andere keuze te hebben dan hem mee te nemen. Ik was heel bang en ook in paniek. Ik had geen andere keuze dan hem mee te nemen omdat ik erg bang was en veel angst voelde. Omdat [verdachte] mijn telefoon had afgepakt kon ik geen moment hulp inschakelen. Ook dat was erg bedreigend voor mij. Hij heeft letterlijk tegen mij gezegd: “(de rechtbank begrijpt: [A] , de ex-man van aangeefster) ”.
Op 16 oktober 2018 is [slachtoffer] nogmaals door de politie gehoord en bij die gelegenheid heeft zij als volgt verklaard, zakelijk weergegeven: [verdachte] heeft mijn telefoon doorzocht. [verdachte] heeft het pistool op mijn hoofd gericht. Ik keek toen direct naar de grond. Ik ben gaan smeken en bedelen. [verdachte] zei: “”. Later in de auto zei hij nog: “”. Wij zijn met mijn auto (de rechtbank begrijpt: naar de woning van haar ex-man) gereden. Ik reed zelf. [verdachte] had het pistool in de auto nog steeds bij zich, in zijn jaszak. Ik heb hem een paar keer gesmeekt om niet mee te gaan. Maar zijn toon, zijn bedreigingen en gebiedende wijs plus de wetenschap dat hij een wapen op zak had zorgde dat ik meewerkte. Ik heb geen kans gezien om weg te lopen bij hem op het moment dat wij naar de auto liepen. Hij was zo dichtbij. Plus hij droeg een vuurwapen bij zich. Ik zag het pistool bij hem in zijn jaszak zitten toen we in de auto zaten. Ik voelde me gedwongen [verdachte] mee te nemen door zijn toon, zijn houding, hij zat heel breed, zijn gezichtsuitdrukkingen. Hij heeft brede kaken en hij zei: “”.
Getuige [A] , de ex-man van aangeefster, is op 14 oktober 2018 door de politie gehoord en heeft bij die gelegenheid als volgt verklaard, zakelijk weergegeven: Gisteren, 13 oktober 2018, zou mijn ex-vrouw [slachtoffer] (de rechtbank begrijpt: aangeefster [slachtoffer] ) ons zoontje bij ons komen ophalen. Ik kreeg om 16.55 uur via WhatsApp een gesproken bericht. Ik hoorde in het gesproken bericht twee personen. De ene persoon herkende ik als [slachtoffer] en de andere stem herkende ik niet. Ik hoorde wel dat de andere stem een mannenstem betrof. In dit gesproken bericht hoorde ik de mannenstem tegen [slachtoffer] zeggen: “” en “”. Ik hoorde [slachtoffer] op een bijna smekende manier “” zeggen. Tien minuten na het ontvangen van het gesproken bericht stond [slachtoffer] bij mij voor de voordeur. Wat me opviel is dat ze krampachtig liep, ze liep met haar armen over elkaar en dat is niet wat ik van haar gewend ben. Dit is de eerste keer dat ik haar zo heb zien lopen. Ze zei dat [verdachte] in de auto zat. Ik zag en hoorde aan [slachtoffer] dat zij heel erg bang en angstig was. Ik merkte dat aan de manier van praten en doen en dat zij emotioneel was. Ik heb acht jaar een relatie met haar gehad en heb haar nog nooit zo gezien. Ze vertelde mij dat [verdachte] een vuurwapen bij zich had.
Verbalisant [verbalisant] heeft het gesproken bericht op 15 oktober 2018 beluisterd en relateert hier als volgt over, zakelijk weergegeven:De mannenstem komt erg dwingend/dominant over.
Verdachte is op 15 oktober 2018 door de politie verhoord een heeft bij die gelegenheid als volgt verklaard, zakelijk weergegeven: Ik kom bij haar thuis. Ik ga bij haar binnen en wij hebben dan een discussie. Er werd mij toen ook duidelijk dat [slachtoffer] (de rechtbank begrijpt: aangeefster) tijdens mijn relatie met haar, mij bedroog. Ik werd toen heel boos. Ik vroeg haar waarom ze mij kapot wilde maken. Ik wilde de waarheid van haar. Voor eens en voor altijd. Ik was woest en [slachtoffer] was erg verdrietig, ze moest huilen. Ik heb haar gevraagd om alles te laten zien: de appjes, foto’s, berichtjes, alles wilde ik weten. Wij waren tegen elkaar aan het schreeuwen. Dan zegt [slachtoffer] dat ze haar kleine moet halen. Ik ben toen met haar die kleine gaan ophalen bij zijn vader in [woonplaats] . Ik ging mee omdat wij nog niet klaar waren met het gesprek. Het klopt dat ik haar telefoon heb afgepakt.
Verdachte is op 18 oktober 2018 gehoord door de rechter-commissaris en heeft bij die gelegenheid als volgt verklaard, zakelijk weergegeven: Dat balletjespistool wat de politie heeft aangetroffen was van mijn zoon. Ik heb het mee naar binnen (de rechtbank begrijpt: in de woning van aangeefster) genomen.
Verdachte heeft op de terechtzitting van 1 mei 2019 onder meer het volgende verklaard, zakelijk weergegeven: Ik wilde haar ex-man vertellen wat zij gedaan had. We zijn samen in de auto gestapt om haar zoontje op te halen bij haar ex-man. De mannenstem die op het gesproken bericht is te horen is mijn stem. [slachtoffer] heeft meerdere keren tegen mij gezegd dat zij bang voor mij is.
De hiervoor weergegeven bewijsmiddelen worden steeds gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud uitdrukkelijk betrekking hebben. Sommige onderdelen van de bewijsmiddelen hebben niet betrekking op alle feiten, maar op één of meerdere feiten.

Bewijsoverweging ten aanzien van feit 1

Gelet op de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 13 oktober 2018 in [woonplaats] [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door de telefoon van [slachtoffer] af te pakken en deze te doorzoeken, haar tegen de muur te duwen en een nepvuurwapen aan [slachtoffer] te tonen en dit op haar hoofd te richten, terwijl [slachtoffer] in de veronderstelling was dat het een echt vuurwapen was. Ook acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte daarbij de bedreigende woorden heeft geuit, zoals deze aan hem ten laste zijn gelegd. Het geheel aan gedragingen maakt dat bij aangeefster een redelijke vrees is ontstaan dat verdachte haar iets zou aandoen.
De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de verklaringen van het slachtoffer op belangrijke punten worden ondersteund door de verklaringen van verdachte. Verdachte heeft weliswaar de concrete beschuldigingen ontkend, maar uit zijn verklaringen blijkt onverkort dat verdachte en aangeefster ruzie hadden en verdachte boos – of zelfs woest – op haar was. Ook blijkt uit zijn verklaringen dat er over een weer tegen elkaar is geschreeuwd, dat verdachte een nepvuurwapen mee de woning van aangeefster in heeft genomen en verdachte dit aan aangeefster heeft getoond Verdachte heeft het nepvuurwapen tijdens het verdere verloop van de gebeurtenissen op 13 oktober 2018 bij zich gehouden. Aangeefster was zich hiervan bewust. Verder heeft verdachte erkend dat aangeefster meermalen tegen hem heeft gezegd bang voor hem te zijn. De verklaringen van aangeefster vinden tevens steun in de verklaringen van getuige [A] , die heeft verklaard dat aangeefster op hem een angstige indruk maakte, toen zij op 13 oktober 2018 bij hem aan de deur kwam.

De rechtbank acht verder redengevend dat aangeefster bij aankomst bij de woning van getuige [A] een verwarde indruk op getuige [getuige] maakte en hij verdachte en de gehele situatie niet vertrouwde. Getuige [getuige] is voor zijn functie als beveiliger op de luchthaven Schiphol getraind om verdachte situaties goed in te schatten.

Gelet op deze feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.

Bewijsoverweging ten aanzien van feit 2

De rechtbank overweegt ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde dat het geheel van gedragingen van verdachte en de omstandigheden waaronder zij zijn gepleegd een impliciete dreiging van geweld hebben veroorzaakt, als gevolg waarvan aangeefster niet vrij was om te gaan en staan waar zij wilde. Verdachte is op 13 oktober 2018 naar de woning van aangeefster aan de [adres] in [woonplaats] gegaan omdat hij en aangeefster ruzie met elkaar hadden. Eenmaal in de woning heeft hij haar een nepvuurwapen getoond en dit op haar hoofd gericht, terwijl aangeefster in de veronderstelling was dat het een echt vuurwapen was. Toen aangeefster naar haar ex-man moest om haar zoontje op tijd op te halen, is verdachte ondanks uitdrukkelijk protest door aangeefster bij haar in de auto gestapt, waarbij hij het nepvuurwapen steeds voor aangeefster zichtbaar in de rechter binnenzak van zijn jas droeg. Verdachte heeft aangeefster daarbij de woorden toegevoegd zoals aan hem ten laste zijn gelegd.
Door deze situatie die verdachte welbewust heeft gecreëerd is er bij aangeefster de indruk gewekt dat zij geen ander keuze had dan meewerken en dat, als zij niet zou meewerken, er geweld tegen haar zou worden gebruikt. Het is aannemelijk dat aangeefster op dat moment geen idee had waartoe verdachte in staat zou zijn. De rechtbank is gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden dan ook van oordeel dat de opzettelijke wederrechtelijke vrijheidsberoving van verdachte wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Feiten 3 en 4: bewijsmiddelen

De feiten zijn door verdachte begaan. Verdachte heeft het onder 3 en 4 ten laste gelegde bekend. De raadsman heeft geen vrijspraak voor deze feiten bepleit. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:
Conclusie

Op grond van de feiten en omstandigheden genoemd in bovenvermelde bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.
5

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

feit 1:

- die [slachtoffer] de telefoon af te pakken en te doorzoeken en- die [slachtoffer] een op een vuurwapen gelijkend voorwerp te tonen en- voornoemd wapen op het hoofd, althans het lichaam van die [slachtoffer] te richten en- door die [slachtoffer] tegen de muur te duwen en- die [slachtoffer] de woorden toe te voegen: “ga je zoon maar halen, als je me ooit nog bedriegt dan vermoord ik niet alleen jou maar ook je gezin en je familie” en/of “ik heb ook niets meer, waarom zou ik jou dan sparen” en/of “dat ik je kapot ga maken, daar hoef je niet aan te twijfelen”, althans telkens woorden van dergelijke dreigende aard en/of strekking;
feit 2:

- in de woning van die [slachtoffer] (aan de [adres] ) die [slachtoffer] een op een vuurwapen gelijkend voorwerp getoond en dat wapen op die [slachtoffer] gericht, en- die [slachtoffer] de woorden toegevoegd: “Ik ga mee, ik wil [A] spreken en ik wil je zoontje vertellen wat voor een slechte moeder je bent” en daarbij dwingend de woorden toegevoegd: “Begin te lopen!” en “We gaan!” en “Kom dan!”, althans woorden van dergelijke dwingende aard en/of strekking en- vervolgens in de auto van die [slachtoffer] plaats genomen en daarbij dat wapen zichtbaar in zijn rechter binnenzak gedragen;
feit 3:

feit 4:

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de meerdaadse samenloop van de volgende strafbare feiten op:

feit 1: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht
feit 2: opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven
feit 3: handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, Wet wapens en munitie
feit 4: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie
7

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8

8.1
De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 240 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 129 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met als (bijzondere) voorwaarde een ambulante behandeling. De officier van justitie heeft daarnaast gevorderd aan verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v Wetboek van Strafrecht op te leggen in de vorm van een contactverbod met het slachtoffer voor de duur van 2 jaar, waarbij aan verdachte voor elke schending van het contactverbod een week vervangende hechtenis zal worden opgelegd, zulks met een maximum van 6 maanden.
8.2
Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair vrijspraak bepleit voor het onder 1 en 2 ten laste gelegde. Ten aanzien van het onder 3 en 4 ten laste gelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.Mocht de rechtbank tot een bewezenverklaring komen van het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde, heeft de raadsman subsidiair bepleit verdachte te veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, waarvan de duur is gelijk te stellen aan de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Indien de rechtbank ook een voorwaardelijk strafdeel zal opleggen, verzoekt de raadsman daaraan als bijzondere voorwaarde een ambulante behandeling bij De Waag te verbinden. Over de duur van het voorwaardelijke gedeelte van de gevangenisstraf heeft de raadsman zich niet uitgelaten.
8.3
Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf en maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een straf en bij de vaststelling van de hoogte daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en aan opzettelijke en wederrechtelijke vrijheidsberoving van zijn toenmalige vriendin [slachtoffer] . Ook is bewezen verklaard dat verdachte bij het plegen van de feiten een nabootsing van een vuurwapen bij zich had en aan [slachtoffer] heeft getoond. Verdachte bleek bij zijn aanhouding ook een zakje met 39 scherpe patronen voorhanden te hebben.
Met zijn handelen heeft verdachte inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer en het psychisch welzijn van aangeefster. Uit het dossier blijkt dat aangeefster deze situatie als zeer bedreigend heeft ervaren en het gevoel heeft gehad dat verdachte haar echt iets aan zou doen. Daarbij komt dat zij door de serieuze dreiging die van verdachte uitging geen mogelijkheid zag zichzelf in veiligheid te brengen of hulp in te roepen. Uit de verklaring die het slachtoffer op de zitting heeft afgelegd blijkt hoezeer het handelen verdachte gevoelens van angst en onveiligheid teweeg hebben gebracht.

Persoon van verdachte

Bij haar beslissing heeft de rechtbank ook rekening gehouden met:
Op te leggen straf

Uit de aard en de ernst van het bewezen verklaarde volgt dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf. De rechtbank heeft bij het bepalen van de duur daarvan in het bijzonder het volgende meegewogen.
De samenloop van meerdere strafbare feiten maakt dat de rechtbank niet een op een aansluiting kan zoeken bij de zogenoemde oriëntatiepunten van het binnen de rechtspraak bestaande Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), waarin voor bepaalde strafbare feiten oriëntatiepunten voor de strafmaat zijn neergelegd. Gelet op de ernst van de feiten in samenhang bezien zal de rechtbank aansluiting zoeken bij het oriëntatiepunt voor bedreiging met een nepvuurwapen. Voor een dergelijk feit geldt als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden.

De rechtbank rekent in strafverzwarende zin mee dat de feiten zijn gepleegd in de relationele sfeer en dat verdachte zich daarnaast schuldig heeft gemaakt aan vrijheidsberoving. Anderzijds weegt de rechtbank, zij het in beperkte mate, mee dat aangeefster heeft verzocht verdachte niet, althans niet te zwaar te straffen.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 170 dagen waarvan 61 dagen voorwaardelijk met aftrek van het voorarrest met een proeftijd van twee jaren passend en geboden is. De rechtbank zal aan het voorwaardelijke strafdeel uitsluitend de algemene voorwaarden verbinden. Zij ziet op basis van de adviezen van de psychiater en de psycholoog geen meerwaarde in het opleggen van bijzondere voorwaarden aan deze verdachte. De rechtbank is van oordeel dat de ambulante behandeling waarvoor verdachte zich vrijwillig heeft aangemeld ook op vrijwillige basis kan worden gevolgd.

Op te leggen maatregel

De officier van justitie heeft ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte gevorderd aan verdachte de maatregel ex artikel 38v Wetboek van Strafrecht strekkende tot beperking van de vrijheid van verdachte op te leggen voor de duur van 2 jaren.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf dat is gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon, te weten bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht en opzettelijke en wederrechtelijke vrijheidsberoving Uit het voortgangsverslag van de reclassering van 29 april 2018 is gebleken dat verdachte daarnaast het contactverbod dat in het kader van zijn schorsing uit de voorlopige hechtenis aan hem werd opgelegd, heeft overtreden.

De rechtbank zal voor het voorkomen van strafbare feiten en het voorkomen dat verdachte zich belastend zal gedragen tegen het slachtoffer bevelen dat verdachte:

De rechtbank legt deze vrijheidsbeperkende maatregel op voor de duur van 2 jaren. Voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan, zal vervangende hechtenis voor een hierna te bepalen duur worden opgelegd, met een maximum van 6 maanden.

Gelet op de inhoud van het dossier en de rapportages en het verhandelde op zitting, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een dergelijk misdrijf zal begaan of zich belastend zal gedragen jegens [slachtoffer] . Daarom zal zij bevelen dat de op te leggen vrijheidsbeperkende maatregel, dadelijk uitvoerbaar is.

- een uittreksel justitiële documentatie betreffende verdachte van 31 januari 2019;- een voortgangsverslag van de reclassering van 29 april 2019, uitgebracht door K. van Doorn en A. van der Veen;- een psychologisch rapport van 18 januari 2019, uitgebracht door drs. W.J.L. Lander, klinisch psycholoog); en - een psychiatrisch rapport van 18 januari 2019, uitgebracht door drs. H.A. Gerritsen, forensisch psychiater.
-

zich niet ophoudt in een straal van 100 meter van het adres [adres] , 1277 CB te Huizen; en

zich onthoudt van contact met [slachtoffer] , zowel direct als indirect en in welke vorm dan ook.

9

zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.
De beslissing berust op de artikelen

-

14a, 14b, 14c, 38v, 38w, 57, 282 en 285 van het Wetboek van Strafrecht en

13, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie;

beslissing

10

- verklaart het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;
- verklaart het onder 1, 2, 3 en 4 bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld; - verklaart verdachte strafbaar;
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 170 dagen; - bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht; - bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 61 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene voorwaarden niet heeft nageleefd;- stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast;
- als voorwaarde geldt dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- beveelt dat deze vrijheidsbeperkende maatregel dadelijk uitvoerbaar is. - beveelt dat voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan, vervangende hechtenis zal worden toegepast. De duur van de vervangende hechtenis bedraagt één week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden;
- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
- die [slachtoffer] de telefoon af te pakken en/of te doorzoeken en/of- die [slachtoffer] een op een vuurwapen gelijkend voorwerp te tonen en/of- voornoemd wapen op het hoofd, althans het lichaam van die [slachtoffer] te richten en/of gericht te houden en/of- door die [slachtoffer] tegen de muur te duwen/drukken en/of- die [slachtoffer] de woorden toe te voegen: "ga je zoon maar halen, als je
- in de woning van die [slachtoffer] (aan de [adres] ) die [slachtoffer] een- die [slachtoffer] de woorden toegevoegd: “Ik ga mee, ik wil [A] spreken - ( vervolgens) in de auto van die [slachtoffer] plaats genomen en/of (daarbij) dat wapen zichtbaar in zijn (rechter) binnenzak gedragen, en/of- die [slachtoffer] gedwongen om van haar woning naar de woning van [A] (aan de [adres] ) te rijden;
39 scherpe patronen, voorzien van bodemstempel E (merk Eley), van het kaliber .221r, voorhanden heeft gehad;
De rechtbank:

Bewezenverklaring

Strafbaarheid

Oplegging straf en maatregel

Dit vonnis is gewezen door mr. B.G.W.P. Heijne, voorzitter, mrs. N.E.M. Kranenbroek en N.V.M. Gehlen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Harmsen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 15 mei 2019.

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1

hij op of omstreeks 13 oktober 2018 te [woonplaats] , althans in het arrondissement Midden-Nederland,mevrouw [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door
me ooit nog bedriegt dan vermoord ik niet alleen jou maar ook je gezin en je familie" en/of "ik heb ook niets meer, waarom zou ik jou dan sparen" en/of "dat ik je kapot ga maken, daar hoef je niet aan te twijfelen",althans (telkens) woorden van dergelijke dreigende aard en/of strekking;
( art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

2

hij op of omstreeks 13 oktober 2018 te [woonplaats] , althans in het arrondissement Midden-Nederland,opzettelijk mevrouw [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd heeft gehouden, immers heeft hij, verdachte,
vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp getoond en/of op dat wapen op die [slachtoffer] gericht, en/of
en ik wil je zoontje vertellen wat voor een slechte moeder je bent” en/of(daarbij) dwingend de woorden toegevoegd: “Begin te lopen!” en/of “ We gaan!” en/of “Kom dan!”, althans woorden van dergelijke dwingende aard en/of strekking en/of
( art 282 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

3

hij op of omstreeks 13 oktober 2018 te Huizen, althans in het arrondissement Midden-Nederland, een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weteneen door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en/of dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een airsoftwapen dat wat vorm en afmeting betreft een gelijkenis vertoont met een echt bestaand vuurwapen namelijk een pistool, merk Sig Sauer, model Sig Pro SP2340, heeft voorhanden gehad, gedragen en/of vervoerd;
( art 13 lid 1 Wet wapens en munitie )

4

hij op of omstreeks 13 oktober 2018 te Huizenmunitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten
( art 26 lid 1 Wet wapens en munitie )

-

legt aan verdachte op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van 2 jaren;

beveelt dat verdachte

-

zich niet ophoudt binnen een straal van 100 meter van het adres [adres] , (1277 CB) te Huizen; en

zich onthoudt van contact met [slachtoffer] , zowel direct als indirect en in welke vorm dan ook;

_a76c5e78-e6a1-48a2-a0ed-32af7ff97683
1

Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 28 november 2018, genummerd 2018295586, opgemaakt door politie-eenheid Midden-Nederland, Districtsrecherche Gooi- en Vechtstreek, doorgenummerd tot en met 132. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

_af6d8ce1-438e-49a5-854c-fa38e73b3915
2

Pagina 8.

_4121fc1f-9d7f-4c50-8b88-1e0802420f6f
3

Pagina 8.

_0ba0f07c-0538-4a25-952e-8e6a01d463b3
4

Pagina 10.

_ee36be18-7f33-437b-b18a-87b78a2296bc
5

Pagina 14.

_d5354869-66d9-40ac-93fd-1b0da46bee34
6

Pagina 17.

_119efe84-cd42-4087-b55b-2e7f638a46d3
7

Pagina 16.

_84765b2d-d551-445d-97f4-aa8803ef9e3c
8

Pagina 17.

_b17816ab-5921-425c-a34a-8acbe52de1da
9

Pagina 43.

_d1604412-0ea2-4c9e-8397-e8fc2abbcc2e
10

Pagina 44.

_e6bb9309-fd49-48ab-b43a-a3fb7e06551c
11

Pagina 50.

_187965a6-ac53-4fe1-bbc8-e64b0b3f4059
12

Pagina 33.

_a5a728b8-07b9-478e-95f3-2a1701e1b4c3
13

Pagina 34.

_15013ed8-a0a0-40d4-be98-96e796d03e5d
14

Proces-verbaal van de terechtzitting van 1 mei 2019, bevattende de verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting.

_10c78017-a51d-40e4-8a15-869d0d2c12a2
15

Proces-verbaal van de terechtzitting van 1 mei 2019, bevattende de verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting.

_a9465507-7bc4-42c9-8c62-b2f6f1774cc1
16

Pagina 5

_87021ebf-8c70-4602-b1cd-6a2e3d7f401f
17

Pagina’s 133 en 134.