Uitspraak ECLI:NL:RBMNE:2019:1588

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 17-04-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Midden-Nederland op 17-04-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBMNE:2019:1588, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 16/660081-17 en 16/659503-18 (gev. ttz) (P)


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrechtZittingsplaats Lelystad
Parketnummers: 16/660081-17 en 16/659503-18 (gev. ttz) (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 17 april 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,
geboren op [1999] te [geboorteplaats] ,ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [adres] , [woonplaats] , met als postadres [adres] , [woonplaats] .

ECLI:NL:RBMNE:2019:1588:DOC
nl

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrechtZittingsplaats Lelystad
Parketnummers: 16/660081-17 en 16/659503-18 (gev. ttz) (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 17 april 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,
geboren op [1999] te [geboorteplaats] ,ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [adres] , [woonplaats] , met als postadres [adres] , [woonplaats] .
1

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 9 januari 2018, 10 april 2018, 11 juli 2018, 5 december 2018 en 3 april 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. M. Kamper en van hetgeen verdachte en mr. A. Boumanjal, advocaat te Utrecht, alsmede de benadeelde partij [benadeelde] naar voren hebben gebracht.

2

De tenlasteleggingen zijn als bijlagen aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Parketnummer 16/660081-17:

feit 1:

zich in de periode van 27 juli 2017 tot en met 28 juli 2017 te [woonplaats] schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van diefstal met braak en/of verbreking en/of inklimming in/uit een woning gelegen aan de [adres] ;
Parketnummer 16/659503-18:

feit 1 primair:

op 28 november 2017 te Bussum zich schuldig heeft gemaakt aan heling van een autosleutel (behorende bij een Mini Cooper met kenteken [kenteken] );
feit 1 subsidiair:

op 28 november 2017 te Bussum zich schuldig heeft gemaakt aan verduistering van een autosleutel (behorende bij een Mini Cooper met kenteken [kenteken] );
feit 2:

op 28 november 2017 te Bussum opzettelijk ongeveer 1,36 gram MDMA aanwezig heeft gehad.
De rechtbank nummert de bij de dagvaardingen met de parketnummers 16/660081-17 en 16/659503-18 ten laste gelegde feiten respectievelijk als feit 1 en de feiten 2 en 3.

3

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4

4.1
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht feit 1, feit 2 subsidiair en feit 3 wettig en overtuigend te bewijzen.
4.2
Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft algehele vrijspraak bepleit en heeft daartoe onder meer – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd.
Ten aanzien van feit 1

Het is onduidelijk welke zaklamp is aangetroffen. De zaklamp is niet veiliggesteld, er bevinden zich geen foto’s van de zaklamp in het dossier en aangever heeft de zaklamp weggegooid. Aangever heeft een afbeelding van een vergelijkbare zaklamp verstrekt, maar deze komt niet overeen met de beschrijving van de zaklamp zoals door de verbalisanten gegeven. Niet is vast te stellen of het speekselspoor op de aangetroffen zaklamp een daderspoor is of het gaat om een verplaatsbaar object. Als niet kan worden uitgesloten dat de zaklamp van buiten de woning is binnen gekomen, dan is sprake van een verplaatsbaar object. De verklaring van aangever over de zaklamp, die pas twee maanden na de woninginbraak is afgelegd, is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs om tot een bewezenverklaring te komen.
Primair ten aanzien van feit 2 en 3: bewijsuitsluiting

Op het moment dat verbalisanten een vordering deden tot uitlevering van alle verdovende middelen, bestond er geen redelijk vermoeden van schuld. Het feit dat verdachte een gripzakje met hasj bij zich had, een zenuwachtige indruk maakte en dat de jaszakken van verdachte bol stonden, vormt hiervoor onvoldoende basis. De verbalisanten hebben daarmee een strafvorderlijk beginsel geschonden. Deze schending moet leiden tot bewijsuitsluiting met als gevolg dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is om tot een bewezenverklaring te komen.
Subsidiair ten aanzien van feit 2

Ingeval de rechtbank niet komt tot bewijsuitsluiting, heeft de raadsman aangevoerd dat geen sprake is van verduistering. Verdachte heeft verklaard de autosleutel kort voordat hij door de verbalisanten werd staande gehouden te hebben gevonden op straat. Hij heeft de sleutel bij zich gestoken om deze de volgende dag af te geven bij de politie of het buurthuis. Volgens de raadsman heeft verdachte niet als heer en meester over de autosleutel beschikt. Het enkele vinden van de autosleutel en deze in je jas stoppen is onvoldoende voor verduistering. Vervolgens heeft verdachte op vordering van de verbalisanten de autosleutel op de auto gelegd en daarna ook zijn handschoenen. Hij legde de handschoenen niet op de autosleutel om deze te verbergen. Ook hier is geen sprake van een verduisteringshandeling.
Subsidiair ten aanzien van feit 3

Ingeval de rechtbank niet komt bewijsontsluiting, heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Verdachte heeft bekend de pillen voorhanden te hebben gehad.
4.3
Het oordeel van de rechtbank

Hierna wordt de relevante inhoud van de tot het bewijs gebezigde bewijsmiddelen weergegeven. De vindplaats van deze bewijsmiddelen is in de voetnoten opgenomen.
Feit 1

Bewijsmiddelen
_32993d4c-135d-4a97-a06c-80ec41f42dbf

Op 28 juli 2017 deed [aangever] aangifte van een woninginbraak. Aangever woont op het adres [adres] in [woonplaats] . Aangever werd eerder die dag door zijn buurvrouw gebeld. De buurvrouw vertelde dat een inbraak had plaatsgevonden in de woning van aangever. De buurvrouw was op 27 juli 2017 omstreeks 18:00 uur nog in de woning van aangever geweest en toen was alles in orde. Op 28 juli 2017 omstreeks 7:15 uur ontdekte de buurvrouw de inbraak. Het bleek dat de daders de achterdeur hadden opengebroken. In de deur en het kozijn waren meerdere indruksporen zichtbaar. De deur die werd opengebroken geeft toegang tot een aparte ruimte. In deze ruimte is wederom een deur met grof geweld opengebroken. De volgende goederen zijn meegenomen:
Op 28 juli 2017 is door de politie forensisch onderzoek naar sporen verricht. De verbalisant zag aan de achterzijde van de woning een deur die toegang geeft tot de bijkeuken. Hij zag dat de deur in de sluitnaad was open gewrikt met een breekijzer en een schroevendraaier. Via de bijkeuken werd de toegangsdeur naar de keuken bereikt. Hij zag dat met behulp van een breekijzer en een schroevendraaier met grof geweld de keukendeur was open gewrikt.

Op de vloer in de centrale hal trof de verbalisant een zwarte zaklamp aan met een gele streep. De verbalisant zag dat deze zaklamp aan stond. Hij zag aan de achterzijde van de zaklamp opgedroogde vloeistof, welke hij heeft bemonsterd op speeksel.

Het speekselspoor is veiliggesteld. Het monster is voorzien van sporenidentificatienummer (SIN) AAKP3871NL.

Het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) heeft DNA-onderzoek verricht. De bemonstering met SIN AAKP3871NL bevatte een DNA-profiel van een man met een matchkans kleiner dan één op één miljard. Dit profiel komt overeen met het DNA-profiel van verdachte.

Op 26 september 2017 is aangever door de politie bevraagd over de bij de woninginbraak aangetroffen zaklamp. Aangever gaf aan de zaklamp te herkennen als zijn zaklamp. De lamp is nooit uitgeleend of uit huis geweest en is nooit bij iemand in bruikleen geweest.

Bewijsoverweging

Op grond van voornoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de woninginbraak zoals aan hem onder parketnummer 16/660081-17 is ten laste gelegd. Het verweer van de raadsman dat de zaklamp een verplaatsbaar object is en het daarmee onvoldoende vaststaat dat het aangetroffen speekselspoor een daderspoor is wordt door voornoemde bewijsmiddelen weerlegd.
Feiten 2 en 3

Vrijspraak voor feit 2 primair

Uit het dossier komt naar voren dat de autosleutel die onder verdachte is aangetroffen bij een woninginbraak is weggenomen. Verdachte heeft verklaard dat hij de autosleutel op straat had gevonden, kort voor het moment dat hij door de politie werd staande gehouden. Niet kan worden vastgesteld dat verdachte ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de autosleutel van een misdrijf afkomstig was. De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen wat onder feit 2 primair is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
Rechtmatigheid van bewijsverkrijging

Verdachte is in het kader van een schorsing onderworpen aan een locatiegebod met elektronische controle. De verbalisanten hebben verdachte staande gehouden om te controleren of hij zich aan het geldende locatiegebod hield. Toen zij verdachte aanspraken, zagen de verbalisanten dat hij een gripzakje in zijn jaszak stak en lange vloei liet vallen. De verbalisanten hebben hierin aanleiding gezien om verdachte te vragen of hij drugs bij zich heeft. Verdachte heeft een gripzakje met hasj aan de verbalisanten overhandigd. De omstandigheden dat verdachte in het bezit van hasj bleek, zich daarnaast zichtbaar zenuwachtig gedroeg en dat zijn jaszakken bol stonden, hebben de verbalisanten doen besluiten de uitlevering door verdachte van alle drugs te vorderen, waarbij onder verdachte een autosleutel behorende bij een Mini Cooper met kenteken [kenteken] en 1,36 gram MDMA zijn aangetroffen. De raadsman heeft verzocht om uitsluiting van dit bewijs vanwege het ontbreken van een redelijk vermoeden van schuld ten tijde van de vordering tot uitlevering van alle drugs onder verdachte omdat verdachte toen al een gripzakje met drugs had overhandigd aan de politie en hierna geen aanleiding meer was voor een redelijk vermoeden dat verdachte meer verdovende middelen bij zich zou hebben. Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van voornoemde omstandigheden bij de verbalisanten naar objectieve maatstaven een redelijk vermoeden ontstaan van schuld van verdachte aan een strafbaar feit. Er is geen sprake van een schending van enig wettelijk voorschrift, zodat het bewijs rechtmatig is verkregen en voor de bewezenverklaring kan worden gebezigd. Op het moment van de vordering tot uitlevering was immers al gebleken dat verdachte hasj bij zich had, gedroeg hij zich zenuwachtig en stonden zijn jaszakken bol.
Bewijsmiddelen
_1b29fd47-ff71-4b00-a918-d4a0f6f22385

Op 28 november 2017 werd verdachte door twee verbalisanten in Bussum staande gehouden. Verbalisanten zagen dat [verdachte] zijn hand uit zijn rechterjaszak haalde en dat hij een lange vloei liet vallen. Verbalisanten zagen dat de jaszakken van verdachte bol stonden. Op de vraag of verdachte drugs bij zich had, hoorden de verbalisanten hem zeggen dat hij een zakje hasj bij zich had. Zij zagen dat verdachte zich zenuwachtig gedroeg, namelijk dat hij stond te trillen met zijn handen en schichtig om zich heen keek. Zij vorderden van verdachte de uitlevering van alle drugs. Daarop zagen zij dat verdachte een tweede gripzakje tevoorschijn haalde. Zij zagen dat dit gripzakje gevuld was met vier gekleurde pillen.
Verbalisant [verbalisant 1] vroeg aan verdachte of hij zijn zakken kon legen en de inhoud op het dak van de auto kon leggen. De verbalisant zag dat verdachte met zijn linkerhand een voorwerp uit zijn linker jaszak haalde. Hij zag dat verdachte dit op het dak van de auto legde. De verbalisant zag dat hij met zijn rechterhand zijn handschoenen, die al op het dak lagen, boven op het betreffende voorwerp legde. De verbalisant heeft de handschoenen vervolgens opgetild en heeft het voorwerp van het dak opgetild. Hij zag dat het een autosleutel betrof van het merk Mini.

Op 29 november 2017 is in een filiaal van een Mini-dealer in Hilversum de autosleutel uitgelezen. Hieruit kwam naar voren dat de autosleutel behoorde bij een auto van het merk Mini, model Cooper met het kenteken [kenteken] . Uit de politiesystemen kwam naar voren dat het voertuig op naam van [A] (de rechtbank begrijpt: [A] ) is gesteld. [A] is de vrouw van [benadeelde] (de rechtbank begrijpt: [benadeelde] ).

Op 28 november 2017 zijn – onder meer – de volgende middelen onder verdachte in beslag genomen:

Uit het rapport ‘Identificatie van veelvoorkomende drugs’ van het NFI van 22 december 2017 volgt dat:

Op de terechtzitting van 3 april 2019 heeft verdachte verklaard dat hij de autosleutel kort voordat hij door de verbalisanten werd staande gehouden op straat had gevonden en meegenomen. Voorts heeft verdachte verklaard dat de pillen die hij bij zich had van hemzelf waren.

De hiervoor weergegeven bewijsmiddelen worden steeds gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud uitdrukkelijk betrekking hebben. Sommige onderdelen van de bewijsmiddelen hebben niet betrekking op beide feiten, maar op één van beide feiten.

Bewijsoverweging feit 2 subsidiair

Verdachte heeft op zitting verklaard dat hij van plan was de door hem op straat gevonden autosleutel de volgende dag in te leveren bij de politie of het buurthuis. De rechtbank overweegt dat verdachte de autosleutel niet uit eigen beweging aan de verbalisanten heeft overhandigd. Uit de bewijsmiddelen komt verder naar voren dat verdachte – anders dan zijn raadsman op zitting heeft gesteld – de handschoen, die al op het dak van de auto lag, boven op de autosleutel heeft gelegd. Met deze verbergingshandeling heeft verdachte geprobeerd de autosleutel aan het zicht van de verbalisanten te onttrekken. De rechtbank is van oordeel dat hieruit blijkt dat verdachte op dat moment de autosleutel voor zichzelf heeft willen houden, zodat de rechtbank op grond van voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte de autosleutel heeft verduisterd.
Bewijsoverweging feit 3

Op grond van voornoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk 1,36 gram van een materiaal bevattende MDMA voorhanden heeft gehad.

-

een gouden herenhorloge van het merk Bonard;

een BMW reservesleutel;

een witte envelop met contant geld à € 500,-;

een lichtbruine computerbril van het merk Stepper Essilor;

een zakmes van het merk Gerber Gator; en

een witte iPad 2 oplader met snoer.

-

SIN AAJU3058NL, 4 stuks, kleur blauw, 0,26 gram MDMA;

SIN AAJU3059NL, 2 stuks, kleur geel, 0,79 gram MDMA; en

SIN AAJU3060NL, kleur roze, 0,31 gram MDMA.

-

SIN AAJU3058NL, bevat MDMA;

SIN AAJU3059NL, bevat MDMA; en

SIN AAJU3060NL, bevat MDMA.

5

toebehorende aan [aangever] , waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak;
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

feit 1:

in de periode van 27 juli 2017 tot en met 28 juli 2017 te [woonplaats] , met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning gelegen aan de [adres] heeft weggenomen onder andere:
feit 2 subsidiair:

op 28 november 2017 te Bussum, een autosleutel behorende bij een Mini Cooper met kenteken [kenteken] , toebehorende aan [benadeelde] en [A] , en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten voornoemde autosleutel heeft gevonden op straat en deze heeft meegenomen, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;
feit 3:

op 28 november 2017 te Bussum, opzettelijk aanwezig heeft gehad 1,36 gram van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

-

een (gouden) horloge (merk Bonard) en

een (auto)sleutel (merk BMW) en

een contant geldbedrag (te weten vijfhonderd euro) en

een computerbril (merk Stepper Essilor) en

een zakmes (merk Gerber Gator) en

een iPad 2 oplader met snoer (merk Apple),

6

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

feit 1:

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.
feit 2 subsidiair:

verduistering.
feit 3:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
7

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8

8.1
De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 3 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 6 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht.
8.2
Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat, ingeval de rechtbank tot strafoplegging komt, aan verdachte een gevangenisstraf moet worden opgelegd waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan het voorarrest, zodat verdachte niet opnieuw komt vast te zitten. De raadsman heeft verzocht de onvoorwaardelijk gevangenisstraf die na aftrek van het voorarrest resteert en zoals deze door de officier van justitie is gevorderd om te zetten naar een taakstraf voor de duur van 60 uren.
8.3
Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een inbraak in de woning gelegen aan de [adres] in [woonplaats] en heeft daarbij verschillende persoonlijke en waardevolle goederen weggenomen. Verdachte heeft daarmee het eigendomsrecht van anderen geschonden. Uit de verklaringen van aangever bij de politie volgt dat de woninginbraak op de bewoners een grote impact heeft gehad. Met zijn handelen heeft verdachte gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt. Verdachte heeft geen rekening gehouden met deze gevolgen, maar alleen gedacht aan zijn eigen financiële gewin. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij voor de woninginbraak geen verantwoordelijkheid heeft genomen en de buit nooit is terug gevonden.

Ook heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan verduistering door zich een autosleutel die niet van hem was, voor de politie te verbergen. Hiermee heeft verdachte geen respect getoond voor het eigendomsrecht van anderen.

Verder had verdachte harddrugs voorhanden. Harddrugs leveren een gevaar op voor de gezondheid van gebruikers. Bovendien gaat de handel en het gebruik van dergelijke verdovende middelen vaak gepaard met verschillende vormen van criminaliteit. Verdachte heeft met het voorhanden hebben van harddrugs hieraan indirect een bijdrage geleverd.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsadvies van 15 maart 2019 opgesteld door Reclassering Nederland. De reclassering adviseert bij een veroordeling een straf op te leggen zonder bijzondere voorwaarden. De reclassering ziet geen mogelijkheden om met interventies of toezicht de risico’s te beperken of het gedrag te veranderen.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank in strafverzwarende zin rekening gehouden met een uittreksel justitiële documentatie betreffende verdachte van 21 februari 2019 waaruit volgt dat verdachte eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. Daar staat tegenover dat de bewezen verklaarde feiten bijna twee respectievelijk anderhalf jaar geleden zijn gepleegd en verdachte sindsdien niet opnieuw met politie en justitie in aanraking is geweest.

Voorts heeft de rechtbank bij het bepalen van de strafoplegging acht geslagen op de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS en op straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden volstaan met een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanmerkelijke duur. De aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde zouden door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak worden miskend.

De rechtbank acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van twaalf weken met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan zes weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar passend en geboden. De rechtbank zal aan de op te leggen straf geen bijzondere voorwaarden verbinden, gezien het advies van de reclassering.

9

[benadeelde] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 37.464,-. Dit bedrag bestaat uit € 12.464,- materiële schade en € 25.000,- immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder 2 ten laste gelegde feit.

9.1
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de vordering van benadeelde partij niet-ontvankelijk, omdat niet is gebleken van een causaal verband.
9.2
Het standpunt van de verdediging

De verdediging acht de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk, omdat niet is gebleken van een causaal verband.
9.3
Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering nu niet is gebleken van een direct verband tussen de gestelde schade en het onder feit 2 subsidiair bewezen verklaarde feit. De benadeelde partij kan de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar vordering, zullen kosten worden gecompenseerd, in die zin dat ieder de eigen kosten draagt.

10

zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.
De beslissing berust op de artikelen

-

14a, 14b, 14c, 57, 311 en 321 van het Wetboek van Strafrecht en

2 en 10 van de Opiumwet;

beslissing

11

- verklaart het onder feit 2 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;
- verklaart het onder feit 1, feit 2 subsidiair en feit 3 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;- verklaart het onder feit 1, feit 2 subsidiair en feit 3 meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;
- verklaart het onder feit 1, feit 2 subsidiair en feit 3 bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld; - verklaart verdachte strafbaar;
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van twaalf (12) weken; - bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht; - bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van zes (6) weken, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene voorwaarden niet heeft nageleefd;- stelt daarbij een proeftijd van twee (2) jaren vast; - als voorwaarde geldt dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;- heft op het geschorste bevel voorlopige hechtenis;
in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen goed(eren) en/of dat geld onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming;
De rechtbank:

Vrijspraak

Bewezenverklaring

Strafbaarheid

Oplegging straf

Benadeelde partij

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Bos, voorzitter, mrs. M.S. Koppert en B.G.W.P. Heijne, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.R. Horst, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 17 april 2019.

Mr. M.S. Koppert is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage 1: de tenlastelegging in de zaak met parketnummer 16/660081-17

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 27 juli 2017 tot en met 28 juli 2017 te [woonplaats] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning (gelegen aan de [adres] ) heeft weggenomen onder andere:

art. 310 Wetboek van Strafrechtart. 311 lid 1 ahf/sub5 Wetboek van Strafrecht
Bijlage 2: de tenlastelegging in de zaak met parketnummer 16/659503-18

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1.primair,hij op of omstreeks 28 november 2017 te Bussum, althans in het arrondissement Midden-Nederland, een goed, te weten een autosleutel (behorende bij een Mini Cooper met kenteken [kenteken] ), heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door een misdrijf verkregen goed betrof;
art. 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrechtart. 417bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht
subsidiair, hij op of omstreeks 28 november 2017 te Bussum, althans in het arrondissement Midden-Nederland, een goed, te weten een autosleutel (behorende bij een Mini Cooper met kenteken [kenteken] ), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde] en/of [A] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten voornoemde autosleutel heeft gevonden op straat en deze heeft meegenomen, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;
art. 321 Wetboek van Strafrecht

2.hij op of omstreeks 28 november 2017 te Bussum, althans in het arrondissement Midden-Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 1,36 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
art. 2 ahf/ond C Opiumwetart. 10 lid 3 Opiumwet
-

verklaart [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

compenseert de proceskosten van de benadeelde partij en verdachte, in die zin dat ieder de eigen kosten draagt.

-

een (gouden) horloge (merk Bonard) en/of

een (auto)sleutel (merk BMW) en/of

een contant geldbedrag (te weten vijfhonderd euro) en/of

een computerbril (merk Stepper Essilor) en/of

een zakmes (merk Gerber Gator) en/of

een iPad 2 oplader met snoer (merk Apple),

_32993d4c-135d-4a97-a06c-80ec41f42dbf
1

Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 28 september 2017, genummerd PL0900-2017231825, opgemaakt door politie-eenheid Midden-Nederland, districtsrecherche Gooi- en Vechtstreek, doorgenummerd 1 tot en met 43. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

_c5ec5bd2-9ada-4509-9332-374077adac76
2

pagina 7.

_876dc492-def0-4ebb-8e41-65529c4b1573
3

pagina 8.

_e7508f1b-5134-4045-b9fd-89d602324a79
4

pagina 14.

_903ebbbe-45cf-49ac-b477-a602a79b34bc
5

pagina 15.

_fdef8106-f25d-4799-9ce1-4cdf72eda164
6

pagina 16.

_fa41e8ad-d212-4a86-8e87-3114f9453ca5
7

een geschrift, inhoudende een rapport DNA-onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut, opgemaakt door S. Redeker op 1 september 2017, pagina 19.

_2bbff283-d226-4b23-b7d6-17dd34f6ba53
8

pagina 11.

_1b29fd47-ff71-4b00-a918-d4a0f6f22385
9

Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 30 november 2017, genummerd PL0900-2017360956, opgemaakt door politie-eenheid Midden-Nederland, Districtsrecherche Gooi-en Vechtstreek, doorgenummerd 1 tot en met 143. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

_9c77c855-0350-4a80-a4ab-a6513be7cbd4
10

pagina 30.

_ecd66ddf-5a97-4291-adcc-59e78c62e34b
11

pagina 31.

_fb3a3906-9758-4fd0-aa0f-67dd7565b439
12

pagina 35.

_f4520aec-e6f6-4729-b077-a1172f5981bf
13

een geschrift, inhoudende een kennisgeving van inbeslagneming ex artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering, opgemaakt door rapporteurs [verbalisant 2] en [verbalisant 1] , pagina 137.

_53d432b9-f931-4397-9f58-bf9093fb2d33
14

een geschrift, inhoudende het rapport ‘Identificatie veelvoorkomende drugs’ van het Nederlands Forensisch Instituut van 22 december 2017, opgemaakt door C.M.M. Diever-Heezen, pagina 109.

_9faec89a-35fe-45c1-81d3-6f1635676187
15

de verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 3 april 2019.