Uitspraak ECLI:NL:RBMNE:2019:1509

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 12-04-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Midden-Nederland op 12-04-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBMNE:2019:1509, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 16/708087-16 en 99/000730-31 (herroeping v.i.) (P)


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND1 ONDERZOEK [naam] TERECHTZITTING2 TENLASTELEGGING3 VOORVRAGEN4 WAARDERING VAN HET BEWIJS5 BEWEZENVERKLARING6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE8 OPLEGGING VAN STRAF 9 BENADEELDE PARTIJEN10 VORDERING HERROEPING VOORWAARDELIJKE INVRIJHEIDSSTELLING11 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN12 BESLISSINGVordering herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling met v.i.-nummer 99-000730-31


- “ “”- “ ;- “



concludeert de rechtbank dat de twee daders die ter plaatse de moord hebben gepleegd ook de plegers van de brandstichting en de beschadiging zijn.





- verklaart het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;
- verklaart het onder 1, 2, 3 en 4 meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;
- verklaart het 1, 2, 3 en 4 bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;
- verklaart verdachte strafbaar;
- veroordeelt verdachte tot een ;
- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
- wijst de vordering van [benadeelde 1] toe tot een bedrag van € 249.558,12;
- veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan [benadeelde 1] van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 december 2015 tot de dag van de algehele voldoening, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;
- veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
- wijst de vordering van [benadeelde 1] af voor zover deze ziet op de reis- en parkeerkosten ten bedrage van € 205,36;
- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of (een van) zijn mededader(s) op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
- veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
- wijst de vordering tot herroeping toe;
- gelast dat het gedeelte van de vrijheidsstraf dat als gevolg van de toepassing van de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling niet ten uitvoer is gelegd, te weten 957 dagen, alsnog moet worden ondergaan.
1.
2.
4.
Afdeling StrafrechtZittingsplaats Lelystad

Parketnummers: 16/708087-16 en 99/000730-31 (herroeping v.i.) (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 12 april 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1982] te [geboorteplaats]thans gedetineerd te Penitentiaire Inrichting Alphen aan den Rijn
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 26 en 29 maart 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van de officieren van justitie mrs. J. Plooij en E.M. van der Burg (hierna gezamenlijk te noemen: de officier van justitie) en van hetgeen door verdachte en zijn raadsman mr. M.L. van Gaalen, advocaat te Amsterdam, alsmede door mr. R.A. Korver, advocaat te Amsterdam, namens de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] naar voren is gebracht.

De tenlastelegging is op de terechtzitting van 10 augustus 2018 nader omschreven. Die nader omschreven tenlastelegging is alsaan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1

op 15 december 2015 in Almere samen met (een) ander(en) [slachtoffer] heeft vermoord;
feit 2

op 15 december 2015 in Almere samen met (een) ander(en) brand heeft gesticht in een BMW M5, waardoor gemeen gevaar voor goederen te duchten was;
feit 3

op 15 december 2015 in Almere samen met (een) ander(en) schuren, lantaarnpalen en stoeptegels heeft beschadigd;
feit 4

in de periode van 27 september 2015 tot en met 15 december 2015 in Almere samen met (een) ander(en) een BMW M5 (opzettelijk) heeft geheeld.
De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht alle tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend te bewijzen en verwijst daartoe naar de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen die bij gelegenheid van het requisitoir zijn voorgedragen.
Daarbij heeft de officier van justitie benadrukt dat de stelling van verdachte dat hij in het geheel geen betrokkenheid heeft bij de tenlastegelegde feiten geen verankering vindt in de stukken van het strafdossier, waarbij komt dat hij niets tegenover de voor hem bezwarende feiten en omstandigheden heeft gesteld.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit. Hij heeft daartoe aangevoerd dat direct bewijs van de betrokkenheid van verdachte bij het ten laste gelegde ontbreekt. Verdachte kan niet als gebruiker van het PGP-toestel met IMEI-nummer eindigend op [IMEI-nummer] (hierna: # [IMEI-nummer] ) worden geïdentificeerd. Bovendien kan op basis van telecomonderzoek niet worden vastgesteld dat de gebruiker van de # [IMEI-nummer] op enigerlei wijze betrokken is bij de moord op [slachtoffer] . Daarbij komt dat verdachte niet past in de door de getuigen opgegeven signalementen, hetgeen een contra-indicatie oplevert voor de stelling dat verdachte een van de uitvoerders is geweest.
Voorts is betoogd dat sprake is van een vormverzuim dat tot bewijsuitsluiting zou moeten leiden. Door [A] (hierna ook te noemen: [A] ) is met anderen vertrouwelijk gecommuniceerd. Deze communicatie is door de politie heimelijk onderschept en opgenomen en de vruchten daarvan zijn aan het dossier toegevoegd (hierna ook te noemen: de OVC [A] ). De OVC [A] komt niet voor bewijsgebruik in aanmerking, op grond van zowel de onrechtmatige verkrijging als de inhoudelijke onbetrouwbaarheid daarvan. Immers, de wet biedt geen toereikende grondslag voor het van overheidswege plaatsen van een technisch middel op de persoon noch voor een daaraan gelijk te stellen plaatsing. Het moge zo zijn dat dat opsporingsmiddel niet in het voorbereidend onderzoek tegen verdachte is ingezet, dit verweer kan in het licht van de door de raadsman waargenomen recente rechtsontwikkeling niet meer worden gepareerd met een beroep op de ‘’.

Daarnaast is de OVC [A] naar de inhoud daarvan onbetrouwbaar, omdat sterke aanwijzingen bestaan dat de inhoud van wat door [A] tegen een of meer anderen is gezegd zijn directe oorsprong vindt in wat de politie hem eerder bij gelegenheid van zijn verhoor feitelijk heeft meegedeeld. In zoverre heeft [A] niet uit eigen wetenschap verklaard.

Bovendien kleeft volgens de raadsman aan de OVC [A] nog een andere beperking. De verdediging is niet in staat gesteld om aan even genoemde [A] als getuige vragen te stellen over de OVC [A] . Daarom brengt de zogenoemde Vidgen-jurisprudentie mee dat die OVC [A] ook op die grond niet voor bewijsgebruik in aanmerking komt.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

4.3.1 Verweren ten aanzien van de OVC [A]

Inleidend

De rechtbank verbindt – anders dan door de raadsman is bepleit – aan de door hem aangehaalde uitspraken van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (Güner vs. Turkije d.d. 4 september 2018, 28338/07; Lambert vs. Frankrijk, 24 augustus 1998, NJCM-bulletin 1998, p. 1058 e.v.) niet de gevolgtrekking dat die rechtspraak voor de nationale rechter als regel meebrengt dat deze bij het onderzoek naar een door de verdediging geponeerd onherstelbaar vormverzuim voorbij zou hebben te gaan aan het in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) neergelegde kader, voor zover hier van belang inhoudend dat zo’n verzuim slechts voor sanctionering in aanmerking komt wanneer dat is begaan bij het voorbereidend onderzoek (in de verdachte betreffende strafzaak). De rechtbank zal niettemin de gegrondheid van het verweer beoordelen omdat weliswaar de inzet van de OVC [A] heeft plaatsgehad in het voorbereidend onderzoek tegen een andere verdachte (namelijk [B] ), doch het daarmee nagestreefde doel valt in belangrijke mate samen met wat in het voorbereidend onderzoek in de zaak van verdachte [naam] beoordeling voorligt.
Rechtmatigheid

Op grond van artikel 126l Sv kan de officier van justitie bevelen dat een opsporingsambtenaar vertrouwelijke communicatie opneemt met een technisch hulpmiddel. Het wettelijk systeem van toedeling van de bevoegdheid tot het bevelen van opnemen van vertrouwelijke communicatie met een technisch hulpmiddel houdt in dat die bevoegdheid aan de officier van justitie is verleend, maar dat de rechter-commissaris tevoren een schriftelijke machtiging dient te hebben verstrekt. Aan de zittingsrechter ten slotte staat de rechtmatigheid van de toepassing van de bevoegdheid [naam] beoordeling.
In artikel 126g Sv is bepaald dat de officier van justitie kan bevelen dat een opsporingsambtenaar stelselmatig een persoon volgt of stelselmatig diens aanwezigheid of gedrag waarneemt. Hierbij kan een technisch hulpmiddel worden aangewend. Een technisch hulpmiddel mag niet op een persoon worden geplaatst, tenzij met diens toestemming. Een machtiging van de rechter-commissaris is voor een bevel stelselmatige observatie niet vereist.

In de onderhavige zaak heeft de rechter-commissaris op 7 februari 2018 op vordering van de officier van justitie een machtiging verleend - op de gronden, op de wijze en onder de voorwaarden als in die vordering omschreven - tot het opnemen van vertrouwelijke communicatie voor een periode van ten hoogste 24 uur, ingaande op het moment van invrijheidstelling van [A] (naar verwachting op 16 februari 2018). In de vordering is omschreven dat het mogelijk communicatie betreft op een besloten plaats, te weten de woning aan het [adres] te [woonplaats] , en op/bij een openbare plaats/ruimte. Ook staat in het bevel vermeld dat daartoe een technisch hulpmiddel in de onmiddellijke nabijheid van [A] zal worden geplaatst. Op 16 februari 2018 heeft de rechter-commissaris een aanvullende machtiging verleend voor communicatie op andere besloten plaatsen. Deze machtiging is op 20 februari 2018 schriftelijk geformaliseerd. In de vorderingen staat niet omschreven op welke manier een technisch hulpmiddel in de onmiddellijke nabijheid van [A] zal worden geplaatst. Op basis van het dossier is niet uit te sluiten dat dit is gebeurd door plaatsing van een technisch hulpmiddel op of aan het lichaam van [A] .
Naar het oordeel van de rechtbank sluit - anders dan de raadsman stelt - het strafvorderlijk systeem zoals neergelegd in de artikelen 126g Sv en 126l Sv het plaatsen van een technisch hulpmiddel op een persoon niet uit. Een uitdrukkelijke bepaling inhoudende dat een technisch hulpmiddel niet op een persoon mag worden geplaatst tenzij met diens toestemming ontbreekt in artikel 126l Sv. De betreffende zinsnede is - anders dan andere delen van artikel 126g Sv - in artikel 126l Sv ook niet van overeenkomstige toepassing verklaard. De wettekst sluit een dergelijke plaatsing dus niet uit. Daar komt bij dat in artikel 126g Sv, derde lid, eerste volzin, de scheiding met het opnemen van communicatie, waaronder gesprekken, is gegeven. Het opnemen van communicatie is een vorm van informatieverzameling die een verdergaande inbreuk oplevert dan stelselmatige observatie. De bevoegdheid daartoe is apart geregeld in artikel 126l Sv en aan strengere eisen onderworpen, aldus de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel bijzondere opsporingsbevoegdheden (Kamerstukken 25 403, nr. 3, p. 71). Een van die eisen is het vereiste van een machtiging van de rechter-commissaris, die in het onderhavige geval zoals gezegd is verleend. Van een vormverzuim dat zou moeten leiden tot bewijsuitsluiting is aldus geen sprake.

Bruikbaarheid

De rechtbank overweegt naar aanleiding van het zogenoemde Vidgen-verweer het volgende. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad ontleent verdachte aan artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) aanspraak om een getuige die een voor verdachte belastende verklaring heeft afgelegd te (doen) ondervragen. De rechtbank stelt in dat kader vast en voorop dat de vruchten van de OVC [A] niet op één lijn kunnen worden gesteld met een (de verdachte belastende) verklaring van een getuige. In zoverre ziet de zogenoemde Vidgen-jurisprudentie reeds daarom niet op deze situatie. Bovendien is - zoals uit het hiernavolgende zal blijken - geen sprake van een situatie dat de OVC [A] het enige en beslissende (“sole and decisive”) bewijs vormt in de zin van de op artikel 6 EVRM gestoelde (Straatburgse) jurisprudentie. De rechtbank verwerpt daarom ook dit onderdeel van het verweer.
Betrouwbaarheid

[A] is op 15 en 16 februari 2018 als verdachte door de politie gehoord. Blijkens het van dat verhoor opgemaakte proces-verbaal is bij die gelegenheid door de met het verhoor belaste ambtenaren aan [A] ook feitelijke informatie prijsgegeven die voor verdachte belastend is. Die informatie is in onderdelen van de van de OVC [A] opgestelde verslagen terug te lezen, en in zoverre heeft de raadsman een punt. In het bestek van dit onderdeel van het verweer is evenwel slechts relevant of de potentieel voor het bewijs te bezigen redengevende onderdelen van die OVC gesprekken louter zijn te herleiden tot die prijsgegeven informatie, of dat de inhoud van die gesprekken/uitlatingen naar de inhoud daarvan verder strekt dan wat door de politie kort tevoren aan hem is prijsgegeven.
Bij nauwkeurige lezing van die onderdelen van de OVC gesprekken waarin kennelijk wordt gesproken over de betrokkenheid van verdachte bij de moord op [slachtoffer] blijkt, dat [A] verdachte aanwijst als verantwoordelijk voor die moord en dat hij gevoelens van bezorgdheid uit over het al dan niet boven water komen van voor verdachte belastende informatie. De rechtbank wijst daarbij in het bijzonder op de volgende passages in de naar aanleiding van de OVC [A] opgestelde schriftelijke verslagen:

[C] : tjaaa.

[A] : en daarna.. daarna.. zie je dat hij praat met die andere man..en hij praat ook met ANNOE (fon) en hij praat daarna met GRANDI(fon) .. die man..[…][..] [A] : Hun weten wel dat zogenaamd de GROTE is ingevallen voor mij.. maar ik weet niet of hun telefoon zijn gevonden of wat je weet toch.. ik hoop het niet voor ze”
_b829fce9-07c8-4c06-8117-7bc170f8cc22

Deze kennelijke bezorgdheid, door [A] verwoord terwijl hij zich onbespied waande, gaat onmiskenbaar verder dan het slechts delen van informatie die kort tevoren door de politie aan hem is prijsgegeven. [A] maakt gewag van wetenschap bij de politie van de via PGP-toestellen gewisselde berichten over de moord en wie de opengevallen plaats van [A] bij het plegen van de moord heeft ingenomen. In het verlengde daarvan spreekt hij als zijn hoop uit dat telefoons niet worden gevonden en dat geen DNA op de plaats delict hebben achtergelaten. Deze bezorgdheid is in redelijkheid slechts verklaarbaar in het geval van eigen - en ondertussen ook door de politie opgedane - wetenschap bij [A] over de betrokkenheid van onder anderen verdachte bij de moord. Daarbij verdient opmerking dat verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte] (hierna ook te noemen: [medeverdachte] ) in de maand februari van 2018 nagenoeg gelijktijdig in hechtenis zijn genomen als verdachten van de moord op [slachtoffer] .

Dat de mededelingen van [A] over de betrokkenheid van o.a. verdachte kennelijk feitelijk juist zijn, vindt bovendien bevestiging in het gegeven dat [A] bij gelegenheid van het voeren van deze gesprekken op geen moment de feitelijke betrokkenheid van verdachte heeft betwijfeld, weersproken of gerelativeerd. Zijn gesprekspartners hebben dat evenmin gedaan. Daarnaast vinden ook andere delen van de OVC [A] (die gebaseerd zijn op eigen wetenschap) verankering in andere onderzoeksbevindingen. Zo zegt één van de gesprekspartners van [A] : “” Deze mededeling vindt bevestiging in de bevindingen van de politie dat zowel de # [IMEI-nummer] als de # [IMEI-nummer] voor het laatst in het netwerk actief zijn geweest op 21 december 2015.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de slotsom dat de voor het bewijs redengevende onderdelen van de OVC [A] niet louter zijn te herleiden tot door de politie aan [A] prijsgegeven informatie, welke informatie [A] op zijn beurt kleurloos ten overstaan van een of meer derden – als ware hij een papegaai – zou hebben gereproduceerd. Integendeel, [A] is bezorgd over de loop der dingen die is gevolgd op de moord op [slachtoffer] , terwijl uit de vorm en inhoud van interactie blijkt dat de gesprekspartners – onder wie [A] – wetenschap hebben van de (inhoud van het) door [A] besproken onderwerp. De door de verdediging aan de OVC [A] gegeven duiding houdt daarom geen stand, zodat de rechtbank ook dit onderdeel van het verweer verwerpt.

Conclusie OVC [A]

Gelet op wat hiervoor is overwogen over achtereenvolgens de rechtmatigheid, bruikbaarheid en betrouwbaarheid staat niets in de weg aan het bewijsgebruik van de OVC [A] .
4.3.2 Bewijsmiddelen

Met het oog op het belang van leesbaarheid van het vonnis zijn de bewijsmiddelen niet op deze plaats, maar als daaraan gehecht. De bewijsmiddelen dienen op deze plaats als ingelast te worden beschouwd.
Ten aanzien van de bewijsmiddelen geldt dat zij steeds worden gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud uitdrukkelijk betrekking hebben. Sommige onderdelen van de bewijsmiddelen hebben niet betrekking op alle feiten, maar op één of meerdere feiten.

4.3.3 Bewijsoverwegingen

De rechtbank leidt uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen de volgende [naam] van zaken af.

Feit 1

De moord op [slachtoffer]

Op 15 december 2015 omstreeks 06.50 uur is een man, genaamd [slachtoffer] , voor zijn woning aan de Marsmanstraat in Almere neergeschoten, waarna hij als gevolg daarvan is overleden. De mannelijke schutter is van het slachtoffer weggelopen en vervolgens als passagier in een auto gestapt, die meteen met gedoofde lichten wegreed. Uit camerabeelden blijkt dat de auto een donkerkleurige BMW betreft.
Uit het berichtenverkeer in het PGP-toestel waarvan het gebruik aan [A] is toegeschreven blijkt dat op 15 november 2015 is gecommuniceerd over een zogenoemd klusje in Almere. Dat klusje is volgens de gebezigde bewoordingen gericht op iemand die moet gaan slapen en voor zijn werk iets doet met elektro, die rijdt in een wit busje met [naam] erop, en een simpel mannetje met een gezin is. Deze berichten gaan wat de rechtbank betreft onmiskenbaar over [slachtoffer] als beoogd slachtoffer.

Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat de gewelddadige dood van [slachtoffer] een moord is in de zin van artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). De daarvoor onder meer vereiste ‘ volgt niet alleen uit wat hierboven is verwoord, maar ook uit de voorbereiding van de moord zoals daarvan blijkt uit het berichtenverkeer, opgeslagen in dat PGP-toestel van [A] , als ook uit de feitelijke [naam] van zaken onmiddellijk voorafgaand, tijdens en na het plegen van de tevoren in die berichten besproken moord.

Het gebruik van PGP-toestellen door bij de moord betrokken personen

Op de met behulp van camera’s opgenomen en vastgelegde beelden van de [adres] en de [adres] is op 11, 14 en 15 december 2015 telkens in de vroege ochtend een door de straat rijdende donkerkleurige BMW te zien, waarvan in ieder geval op 11 en 15 december 2015 de lichten waren gedimd/gedoofd. Daarnaast blijkt uit berichten in een PGP-toestel van [A] dat door de daders mogelijk gebruik is gemaakt van een schuilplaats (‘’) in [woonplaats] . Uit onderzoek is gebleken dat er twee PGP-toestellen passen in de hierboven geschetste samenhang van de aanwezigheid van de BMW op de drie dagen en tijdstippen in combinatie met het schuilen in een schuilplaats te [woonplaats] na de moord. Deze toestellen blijken de # [IMEI-nummer] en de # [IMEI-nummer] te zijn. Deze beide toestellen zijn op 21 december 2015 voor het laatst actief in het netwerk geweest en zijn daarin niet weer teruggekeerd.
De rechtbank overweegt dat uit het voorgaande volgt dat het gebruik van de PGP-toestellen # [IMEI-nummer] en # [IMEI-nummer] in een betekenisvol verband kan worden gebracht met de moord op [slachtoffer] . Daarmee is nog niet zonder meer gegeven dat de gebruikers van die toestellen ook de dader(s) zijn van die moord. De rechtbank zal daarom hierna ingaan op de vraag of verdachte de gebruiker is van (een van) de toestellen en of het sterke vermoeden van betrokkenheid van de toestellen wordt bevestigd door andere feiten of omstandigheden.

De gebruiker van PGP-toestel # [IMEI-nummer]

Het e-mailadres van de # [IMEI-nummer] en tapgesprekken verdachte

Het e-mailadres [e-mailadres] @pgpsafe.net (hierna: [e-mailadres] ) was gekoppeld aan de # [IMEI-nummer] . Dit e-mailadres is onder de naam ‘’ in het PGP-toestel van [A] vermeld. Daarnaast stond [e-mailadres] onder de naam ‘ [bijnaam] ’ in het PGP-toestel van [naam] . Verder stond [e-mailadres] in meerdere PGP-toestellen als contact opgeslagen onder de namen ‘, ‘’ en ‘.
Uit afgeluisterde en opgenomen gesprekken blijkt dat verdachte zichzelf [bijnaam] noemt. Op 23 oktober 2016 belt verdachte uit naar een onbekend gebleven man en zei verdachte ‘’. Daarnaast belde verdachte op 28 november 2016 uit naar een onbekende man en vroeg ‘, waarop de onbekende man antwoordde ‘’.

Uit onderzoek in de beschikbare politiesystemen komt één persoon naar voren die roep/bijnamen heeft die lijken op [bijnaam] en [naam] , namelijk [bijnaam] en [bijnaam] . Dit betreft verdachte.

Reisbewegingen # [IMEI-nummer] en verdachte

Uit vergelijking van de enkelbandgegevens van verdachte en de historische gegevens van de # [IMEI-nummer] blijkt dat verdachte opvallend vaak in hetzelfde tijdsbestek thuis kwam als dat de # [IMEI-nummer] van masten buiten [woonplaats] zich blijkens het aanstralen daarvan verplaatste naar masten binnen dit gebied. In de periode van 4 augustus 2015 tot en met 17 augustus 2015 bleken de enkelbandgegevens en de historische gegevens van de # [IMEI-nummer] op twee momenten niet overeen te komen. Voor de overige dagen straalde de # [IMEI-nummer] niet buiten [woonplaats] aan op het moment dat verdachte thuis was. Daarbij komt dat de # [IMEI-nummer] de meeste dagen de mast aan de [wijk] in [woonplaats] aanstraalt en de meeste activiteit van de # [IMEI-nummer] over een mast in de wijk [wijk] in [woonplaats] komt. Dit is de omgeving waar verdachte woont.
Daarnaast vraagt verdachte op 11 december 2015 om 16.20 uur in een Whatsappchat of iemand hem even op en neer naar Purmerend kan brengen. Uit de historische gegevens blijkt dat de # [IMEI-nummer] kort daarna op en neer is geweest naar Purmerend.

Ook stuurt verdachte op 26 november 2015 in een groepschat dat hij met de verjaardag van ‘’ in uitgaansgelegenheid Hardersplaza in Harderwijk was. In diezelfde groepschat wordt ‘’ op 26 september 2015 door verschillende personen gefeliciteerd. Uit de historische gegevens van de # [IMEI-nummer] blijkt dat het toestel in de nacht van 26 op 27 september 2015 een mast aanstraalde in Harderwijk.

Verder stuurt verdachte op 23 november 2015 om 14.39 uur ‘’ en straalt de # [IMEI-nummer] op dat moment een mast aan de op de Sloterweg in Amsterdam West.

Tussenconclusie: verdachte is de gebruiker van de # [IMEI-nummer]

De rechtbank heeft in het voorgaande vastgesteld dat het aan de # [IMEI-nummer] gekoppelde e-mailadres in de richting van verdachte wijst en de reisbewegingen van verdachte op verschillende momenten gedurende een langere en in het licht van de tenlastelegging relevante periode overeenkomen met de locaties van de # [IMEI-nummer] . Op basis van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden - in onderlinge samenhang bezien - concludeert de rechtbank dat verdachte de gebruiker is geweest van de # [IMEI-nummer] .
De gebruiker van PGP-toestel # [IMEI-nummer]

Reisbewegingen Volkswagen Polo in vergelijking met historische gegevens van de # [IMEI-nummer]

Aan de Verkeers Informatie Dienst (hierna: VID) is de uitlevering gevorderd van MAC-adressen die passen bij historische telecommunicatiegegevens van de # [IMEI-nummer] op achtereenvolgens 19 november 2015, 28 november 2015 en 11 december 2015. Door de VID werd één aldus passend versleuteld MAC-adres aangeleverd, namelijk de versleuteling [MAC-adres] .
Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat de # [IMEI-nummer] meereist met het versleutelde MAC-adres, omdat dit toestel op verschillende kenmerkende momenten op dezelfde plaats aanwezig is als het versleutelde MAC-adres.

[medeverdachte] als gebruiker van de VW Polo

Het versleutelde MAC-adres hoort bij een Volkswagen Polo met kenteken [kenteken] (hierna: de VW Polo). Dit leidt tot de conclusie dat wanneer het MAC-adres met die versleutelingscode een VID-kastje passeert, het ervoor moet worden gehouden dat het de VW Polo is die dat kastje rijdend passeert.
Uit registraties in de politiesystemen is gebleken dat [medeverdachte] in de periode mei 2015 tot en met juni 2016 meer keren door de politie is gecontroleerd, ook als bestuurder van de VW Polo. Daarnaast is de VW Polo op vrijdag 24 juni 2016 omstreeks 10:49 uur het VID-kastje nabij de afrit A6 bij Lelystad gepasseerd. Op vrijdag 10 en vrijdag 17 juni 2016 verbleef de VW Polo ongeveer gedurende een uur in Lelystad, want daarna werd de VW Polo weer gesignaleerd op VID-kastjes in de omgeving van Almere. Uit de van bezoeken geregistreerde gegevens van de Penitentiaire Inrichting in Lelystad is gebleken dat [medeverdachte] op 24 juni 2016 om 10:57 uur heeft ingecheckt om zijn broer te bezoeken. Ook op 10 en 17 juni 2016 heeft hij zijn in die inrichting gedetineerde broer bezocht. Op 17 juni 2016 was hij de enige bezoeker van zijn broer.

Uit het voorgaande volgt dat [medeverdachte] in een voor het bewijs relevante periode regelmatig de VW Polo heeft gebruikt.

Politiecontrole [medeverdachte] en locatie # [IMEI-nummer]

Op 9 december 2015 omstreeks 14.30 uur [naam] hoogte van het August Allebéplein in Amsterdam is [medeverdachte] gecontroleerd als bestuurder van de VW Polo. De # [IMEI-nummer] straalde op dat moment de mast aan de J. Huizingalaan 201 in Amsterdam aan. De afstand tussen de mast en het August Allebéplein is hemelsbreed ongeveer één kilometer.
Tussenconclusie: [medeverdachte] is de gebruiker van de # [IMEI-nummer]

De rechtbank heeft in het voorgaande vastgesteld dat de # [IMEI-nummer] meereist met het versleutelde MAC-adres, welk adres behoort bij de VW Polo. Daarnaast reed [medeverdachte] regelmatig in die VW Polo. Bovendien wordt [medeverdachte] gecontroleerd in de VW Polo, terwijl de # [IMEI-nummer] in de nabije omgeving aanstraalt. Op basis van die feiten en omstandigheden – in onderlinge samenhang bezien – concludeert de rechtbank dat [medeverdachte] moet worden aangemerkt als zijnde de gebruiker van de # [IMEI-nummer] gedurende de voor het bewijs relevante periode.
PGP-berichten

[A] en een ander, namelijk [B] , hebben onderling contact onderhouden, door onderling berichten uit te wisselen door middel van PGP-toestellen. [B] heeft aan [A] een bericht verzonden, inhoudend dat hij een klusje heeft voor hem. Met dit klusje wordt – zoals hiervoor onder ‘’ al vastgesteld – onmiskenbaar gedoeld op de moord op [slachtoffer] . Het is de bedoeling dat de klus wordt uitgevoerd door twee personen. Een van die twee personen (“”) heeft berichten over de klus aan [B] verzonden, die deze berichten doorzendt aan [A] . De rechtbank leidt uit deze berichten af dat het voornemen bestond om de moord feitelijk uit te laten voeren door [A] en de persoon, wiens berichten [B] heeft doorgestuurd.
Over de nadere uitvoering moet [A] in contact komen met de andere beoogde uitvoerder. In dat kader bericht [B] aan [A] dat hij niet tegen die andere uitvoerder mag zeggen dat hij al eens met “” is aangehouden, omdat de andere uitvoerder dan zal denken dat [A] “”. Met “” wordt [D] bedoeld. Deze vaststelling vindt bevestiging in de omstandigheid dat [A] medeverdachte van [D] is inzake diefstal dan wel heling van een scooter in april 2015 en om die reden “”.

Over de identiteit van de tweede beoogde uitvoerder vraagt [B] aan [A] of hij “” en dat ze hem “” noemen. [A] antwoordt dat hij bekend is met diegene, dat diegene misschien weet dat hij “heet” is en dat hij zijn mail al heeft. Vervolgens verzendt [A] berichten naar het e-mailadres [e-mailadres] @pgpsafe.net (hierna: [e-mailadres] ), dat onder de naam “ [e-mailadres] . [naam] ” als contact in het toestel van [A] is opgeslagen. [A] krijgt echter enkele dagen geen antwoord en bericht daarover aan [B] dat “” niet reageert. De rechtbank leidt uit dit berichtenverkeer af dat de tweede uitvoerder de bijnamen “” danwel “” heeft, onder de naam “” als contact is opgeslagen in de telefoon van [A] en een contact is van [D] .

Tussenconclusie: [medeverdachte] is een beoogd uitvoerder

Uit de bewijsmiddelen volgt dat [medeverdachte] en [D] een keer terwijl zij samen waren door de politie zijn gecontroleerd en dat [medeverdachte] en [D] samen op foto’s zijn afgebeeld. De rechtbank stelt op grond daarvan vast dat [D] een contact is van [medeverdachte] . Daarnaast volgt uit de bewijsmiddelen dat [medeverdachte] over zichzelf in een telefoongesprek zegt “. Deze omstandigheden komen overeen met de omschrijving die [B] over de tweede (beoogde) uitvoerder van de moord geeft, namelijk een contact van [D] die “” wordt genoemd. Hieruit kan worden afgeleid dat [medeverdachte] de tweede (beoogde) uitvoerder van de moord is. Bovendien is de omstandigheid dat [medeverdachte] en [D] elkaar kennen een logische verklaring voor de boodschap van [B] aan [A] dat hij niet mag zeggen dat hij door de politie met [D] is aangehouden.
Bovenstaande conclusie, inhoudend dat [medeverdachte] de tweede (beoogde) uitvoerder van de moord is, vindt bevestiging in het gegeven dat het hiervoor besproken e-mailadres [e-mailadres] in meerdere PGP-toestellen was opgeslagen onder vermelding van (onder andere) de namen “” en “”. Bovendien wordt [medeverdachte] in een sms bericht “” genoemd, noemt verdachte zichzelf in telefoongesprekken “ en “ en noemt hij zichzelf in sms-berichten “” en “”. en komen overeen met de naam waaronder het e-mailadres [e-mailadres] in het PGP-toestel van [A] stond.

Uit al het voorgaande concludeert de rechtbank dat [medeverdachte] voorafgaand aan de moord als een beoogd uitvoerder van de moord aangemerkt is geweest.

OVC [A]

heeft verschillende voor het bewijs relevante gesprekken gevoerd. De rechtbank constateert dat in deze gesprekken onmiskenbaar wordt gesproken over de moord op [slachtoffer] . Zo spreekt [A] onder andere over een ‘’ van (de rechtbank begrijpt: Almere) ’. Daarnaast bespreekt [A] dat zijn eigen betrokkenheid bij de voorbereiding van de moord uit de uitgewisselde PGP-berichten blijkt en dat hij geluk heeft gehad dat hij in detentie is geraakt, waardoor hij de moord niet kon hebben gepleegd. [A] bevestigt daarmee de inhoud van de eerder besproken PGP-berichten.
De gesprekken gaan ook over degenen die de moord feitelijk hebben gepleegd. [A] legt namelijk in de gesprekken een verband tussen het kraken van zijn PGP-toestel en dat “”. Deze uitlatingen kunnen niet anders worden opgevat dan dat het via zijn PGP-toestel besproken plan om iemand te vermoorden ook is uitgevoerd. Bovendien noemt [A] de bijnaam ‘’, waarna zijn gesprekspartner die bijnaam koppelt aan [E] . Dit levert een extra bevestiging op dat het [medeverdachte] is die met de in de PGP-berichten genoemde bijnaam ‘’ is aangeduid. [A] zegt tevens in de OVC [A] dat ‘’ in zijn plaats is gegaan. In een ander gesprek noemt [A] de naam ‘’ als een van de personen die is opgepakt. [F] vraagt vervolgens ‘’, waarna [A] bevestigt dat het om hem gaat. Deze passages bevestigen dat [A] met ‘’ verdachte bedoelt.

Naar het oordeel van de rechtbank leidt al het voorgaande tot de conclusie dat [medeverdachte] degene is waarover in de fase van voorbereiding is bericht en gesproken als beoogd uitvoerder, terwijl uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat verdachte, naast [medeverdachte] , een van degenen is die de voorgenomen moord heeft gepleegd.

Medeplegen

De rechtbank stelt bij wijze van maatstaf voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking van verdachte met een of meer anderen.
Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt – zoals hiervoor beschreven – dat is beoogd dat de moord door twee personen zou worden gepleegd. Vervolgens is uitvoering gegeven aan dat voornemen. Eén van hen was de schutter en de ander was de bestuurder van de vluchtauto. Verdachte was een van die twee en heeft met betrekking tot de voor het bewijs redengevende en voor verdachte in hoge mate belastende omstandigheden niet een aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring gegeven waaruit een andere toedracht naar voren komt. De rechtbank gaat er bij gebreke van aanwijzingen in een andere richting vanuit dat de rollen van de uitvoerders zo bezien onderling inwisselbaar zijn.

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat sprake is geweest van een voor het bewijs van medeplegen voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de uitvoerders van de moord die in de kern heeft bestaan uit de gezamenlijke uitvoering daarvan. De rechtbank acht aldus dat het ten laste gelegde medeplegen voor bewezenverklaring in aanmerking komt.

Conclusie feit 1

De rechtbank heeft in het voorgaande vastgesteld dat [slachtoffer] door twee personen in vereniging is vermoord en dat het sterke vermoeden is gerechtvaardigd dat de gebruikers van de # [IMEI-nummer] en # [IMEI-nummer] betrokken zijn geweest bij de moord. Dit sterke vermoeden vindt bevestiging in de daarna door de rechtbank vastgestelde feiten en omstandigheden. Zo is gebleken dat verdachte de gebruiker was van de # [IMEI-nummer] en [medeverdachte] de gebruiker van de # [IMEI-nummer] . Daarnaast is gebleken dat [medeverdachte] een van de beoogde uitvoerders was. Bovendien blijkt uit de OVC [A] in combinatie met het eerder vastgestelde dat verdachte in de plaats van de andere beoogde uitvoerder [A] is gegaan en, naast [medeverdachte] , daadwerkelijk een van de plegers van de moord is geweest.
Tot slot overweegt de rechtbank dat door de verdediging nog is aangevoerd dat de door getuigen opgegeven signalementen niet passen bij het uiterlijk van de verdachte(n). In de aard van de door een getuige gegeven persoonsbeschrijving ligt in het algemeen subjectiviteit besloten. Daarmee zijn discrepanties, zowel tussen de door getuigen gegeven persoonsomschrijvingen als discrepanties tussen die door getuigen gegeven omschrijvingen enerzijds, en anderzijds de uiterlijke persoonskenmerken van de verdachte(n) gegeven. De rechtbank heeft deze aspecten vanzelfsprekend onder ogen gezien. Die omschrijvingen, ook als de verschillen worden onderkend, staan niet in de weg aan wat hiervoor ten aanzien van het bewijs is overwogen.

De voorgaande feiten en omstandigheden – in onderlinge samenhang bezien – maken dat de rechtbank van oordeel is dat de aan verdachte ten laste gelegde moord op [slachtoffer] wettig en overtuigend is bewezen, in de zin dat hij die tezamen en in vereniging met een ander heeft gepleegd.

Feiten 2 en 3

De brandstichting en beschadiging

Kort na die moord in de Marsmanstraat krijgt de politie omstreeks 6.57 uur een melding dat er een voertuig in brand staat in de Wodanstraat in Almere. Er lopen twee manspersonen weg bij het voertuig, waarvan één persoon een voorwerp in de richting van de auto gooit waarna deze in brand vliegt. Verdachte en zijn medeverdachte worden door de opgegeven signalementen niet uitgesloten als zijnde deze twee manspersonen. Verbalisanten constateren dat de vlammen uit het zwarte voertuig slaan en dat de auto zeer nabij een schuur stond. Omdat de brand zomaar zou kunnen overslaan, besluiten de verbalisanten tot ontruiming van de aangrenzende woningen over te gaan. Door de brand zijn een schuur, een lantaarnpaal en stoeptegels beschadigd. Uit onderzoek blijkt dat de in de brand gestoken auto van het merk BMW, type M5 is.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de BMW opzettelijk in brand is gestoken. Bovendien blijkt uit het voorgaande dat er gemeen gevaar voor goederen te duchten was. Dit gevaar heeft zich ook gerealiseerd, nu een schuur, een lantaarnpaal en stoeptegels zijn beschadigd. Daarmee is het bewijs van de aan de verdachte verweten brandstichting en beschadiging gegeven.

Verband moord, brandstichting en beschadiging

Gelet op achtereenvolgens:
Medeplegen

Ten aanzien van het bewijs van het medeplegen van de brandstichting en de beschadiging geldt hetzelfde als hiervoor is overwogen ten aanzien van het bewijs van het medeplegen van de moord. Vastgesteld kan worden dat er een plan heeft bestaan, terwijl aan dat plan uitvoering is gegeven. Hiermee is naar het oordeel van de rechtbank ook ten aanzien van het bewijs van deelneming aan de brandstichting en beschadiging sprake van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking die in de kern heeft bestaan uit een gezamenlijke uitvoering daarvan. De rechtbank acht daarom ook het onder 2 en 3 ten laste gelegde medeplegen wettig en overtuigend bewezen.
Conclusie feiten 2 en 3

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de onder feit 2 en 3 in deelneming ten laste gelegde brandstichting en beschadiging wettig en overtuigend bewezen.
Feit 4

Criminele herkomst BMW

De blauwe BMW M5 heeft een misdadige herkomst. Immers is deze BMW gestolen op 27 of 28 september 2015. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat de BMW was voorzien van gestolen kentekenplaten en dat de BMW is gebruikt bij de bewezen te verklaren moord, brandstichting en beschadiging. De rechtbank kan deze feiten en omstandigheden niet anders duiden dan dat verdachte de BMW voorhanden heeft gehad met het kennelijke doel om als vluchtauto te dienen bij de moord op [slachtoffer] . De rechtbank leidt daaruit af dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte ten tijde van zijn voorhanden krijgen daarvan wist dat de BMW een misdadige herkomst had.
Periode

De BMW is op 27 of 28 september 2015 gestolen, terwijl die BMW op 15 december 2015 brandend is aangetroffen. Verdachte heeft in die periode de beschikking gekregen over de BMW. Daarnaast is vast komen te staan dat verdachte op meerdere momenten in die periode de beschikking heeft gehad over de BMW, omdat - zoals uit de bewijsmiddelen - die BMW met verdachte op meerdere momenten voorafgaand aan de moord op [slachtoffer] in [woonplaats] is geweest.
Medeplegen

Ten aanzien van het medeplegen geldt wat eerder ten aanzien van het bewijs van de feiten 1, 2 en 3 is overwogen. De rechtbank heeft hiervoor reeds vastgesteld dat deze feiten door verdachte samen met een ander zijn begaan, in de betekenis van een voor het bewijs van medeplegen voldoende nauwe en bewuste samenwerking die in de kern heeft bestaan uit een gezamenlijke uitvoering. De rechtbank acht op dezelfde grondslag ook ten aanzien van feit 4 het ten laste gelegde medeplegen bewezen.
Conclusie feit 4

De rechtbank acht op grond van het voorgaande het onder 4 ten laste gelegde medeplegen van heling wettig en overtuigend bewezen.
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

feit 1

op 15 december 2015 te Almere, tezamen en in vereniging met een ander, [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door met een vuurwapen een kogel door het hoofd van voornoemde [slachtoffer] te schieten, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] zodanige verwondingen heeft opgelopen dat hij daardoor is overleden;feit 2
op 15 december 2015 te Almere, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met een personenauto (merk/type BMW/M5), ten gevolge waarvan voornoemde personenauto is verbrand en daarvan gemeen gevaar voor de nabijgelegen schuur, stoeptegels en een lantaarnpaal te duchten was;

feit 3op 15 december 2015 te Almere, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk en wederrechtelijk één schuur en één lantaarnpaal en stoeptegels, telkens toebehorend aan een ander, te weten aan respectievelijk [benadeelde 3] en/of de vereniging van eigenaren [benadeelde 4] , [benadeelde 5] en woningstichting [benadeelde 6] , heeft beschadigd;
feit 4

in de periode van 27 september 2015 tot en met 15 december 2015 te Almere en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, een goed, te weten een personenauto (merk/type/oorspronkelijk kenteken: BMW/M5/ [kenteken] ) heeft verworven en voorhanden gehad, terwijl hij en zijn mededader ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wisten dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen onder 1, 2, 3 en 4 meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

feit 1

feit 2 en 3

telkens medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten isenopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen;
feit 4

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 22 jaren met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
8.2 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.
De ernst van de feiten

Op de ochtend van 15 december 2015 is [slachtoffer] voor zijn woning neergeschoten, met één gericht schot van dichtbij door het hoofd. Op hetzelfde moment bevonden zijn echtgenote en zoon zich in die woning. Die dag begon voor zijn toen 17-jarige zoon in zijn slaapkamer doordat hij werd gewekt door het lawaai van sirenes, die kamer door het schijnsel van zwaailichten verlicht. Moeder en zoon zijn door ongeloof en grote ontreddering bevangen, terwijl hun echtgenoot en vader zwaargewond op straat lag. Reanimatie en medische zorg mochten niet baten, [slachtoffer] is korte tijd later aan de schotwond overleden. Dat deze gebeurtenis in het leven van echtgenote en zoon een diepe tragedie heeft ingeluid behoeft geen nadere toelichting. Verdachte heeft het onherstelbare verlies van [slachtoffer] , als echtgenoot en vader, op zijn geweten.
Voor de uitvoering van deze koelbloedig uitgevoerde moord - gepleegd volgens het inmiddels gebruikelijke patroon van schieten, vluchten en het elders achterlaten van een brandende vluchtauto - is verdachte naast ook een ander verantwoordelijk. Samen met zijn tegelijkertijd berechte mededader heeft hij de moord zowel feitelijk voorbereid als gepleegd. Een andere relatie tussen verdachte en [slachtoffer] dan die van dader en slachtoffer is niet gelegd. Zij waren volstrekt onbekenden voor elkaar. Reeds met deze vaststelling is het uiterst kille karakter van dit gepleegde misdrijf gegeven.

Een aan deze zaak verbonden aspect dat niet onvermeld kan blijven is dat niet is gebleken van enige verbinding van het slachtoffer bij leven aan het reguliere criminele milieu. De daardoor ontstane verbazing dat hij niettemin door dit noodlot is getroffen is in enige mate weggenomen doordat de officier van justitie heeft gewezen op bestaande vermoedens dat vanuit Iran de politieke achtergrond van [slachtoffer] van betekenis en zelfs bepalend is geweest. Echter, wat dat betreft is niets vastgesteld kunnen worden, aldus de officier van justitie.

Wat er van die vermoedens ook zij, op grond van de resultaten van het opsporingsonderzoek is komen vast te staan dat verdachte bereid en in staat is gebleken om deze moord op bestelling te plegen, naar mag worden aangenomen tegen (het vooruitzicht op) betaling. In zoverre lijkt de wijze van uitvoering van de moord naadloos aan te sluiten op verdachtes motief: het uit financieel gewin berekenend en koelbloedig elimineren van een medemens, onverschillig waarom. Dat van onverschilligheid moet worden gesproken is in deze zaak op grond van de inhoud van onderschept en ontsleuteld berichtenverkeer van zijn mededader zelfs woordelijk vastgesteld. Het waarom van deze moord, ook daaraan heeft verdachte in het geheel geen boodschap gehad. Kortom, volslagen gewetenloosheid aan de zijde van verdachte.
De persoon van verdachte

Zijn deze vaststellingen op zichzelf beschouwd al somber stemmend, het in het bestek van deze procedure van de persoon van verdachte verkregen beeld versterkt die stemming onmiskenbaar. In dat verband stelt de rechtbank vast dat het verdachte kennelijk ontbreekt aan enig normbesef, omdat hij geen antwoord heeft willen geven op aan hem door de politie en rechtbank gestelde vragen. Naar de rechtbank aanneemt calculeert verdachte zowel in vrijheid als in detentie zijn kansen en meent hij dat stelselmatig zwijgen in plaats van het beantwoorden van vragen zijn kans vergroot op het ontspringen van de strafrechtelijke dans
Aan het van verdachtes persoon verkregen beeld draagt ook zijn strafrechtelijk verleden bij. Volgens het op zijn naam gestelde uittreksel Justitiële documentatie van 12 februari 2019 is hij vanaf jeugdige leeftijd zeer vaak met de strafrechter in aanraking geweest, veelal ter zake van misdrijven waaraan een geweldscomponent is verbonden. Van alle strafrechtelijke veroordelingen tot gevangenisstraf springt in het bijzonder de veroordeling door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in 2012 in het oog: een gevangenisstraf van 10 jaren en 11 maanden ter zake van doodslag, volgens de door de officier van justitie gegeven toelichting door hem gepleegd in het criminele milieu. Door in 2015 en nota bene tijdens de detentiefasering van de voor die doodslag opgelegde straf andermaal en zeer ernstig in de fout te gaan, terwijl hij weigert daarover enige opening van zaken te geven, ontbreekt het de rechtbank aan een redelijk aanknopingspunt voor het belichten van meer of andere aspecten van verdachtes persoon. De rechtbank kan daarom, waar het gaat om de persoon van verdachte niet meer of anders dan het bij de straftoemeting slechts in zijn nadeel betrekken van dit strafrechtelijk verleden. De rechtbank waardeert de vordering van de officier van justitie in zoverre als onvoldoende evenwichtig, gelet op zijn uiteenzetting daarvan. Dit door de rechtbank gereleveerde strafrechtelijk verleden leidt de officier van justitie tot een strafverhoging van twee jaren, gerekend vanuit zijn uitgangspunt van een op te leggen gevangenisstraf van twintig jaren. De rechtbank zal de officier van justitie daarin niet zonder meer volgen, omdat daarmee onvoldoende recht wordt gedaan aan dat verleden, zoals zal blijken uit de hierna te bepalen strafmaat.

De oplegging van straf

Waar het gaat om de met bestraffing van verdachte nagestreefde doelen geldt het volgende.De rechtbank stelt vast dat het Openbaar Ministerie de voorbije jaren in staat is gebleken om een aanzienlijk aantal soortgelijke zaken - de zogenoemde liquidatiezaken: moorden op bestelling waaraan geld wordt verdiend - aan de strafrechter ter beoordeling en beslissing voor te leggen. Is vanzelfsprekend geen enkele zaak identiek aan een andere, de grote gemene deler is dat de daders van moorden van deze buitencategorie worden bestraft met zeer langdurige gevangenisstraffen. Daarmee wordt niet slechts beoogd om aangedaan leed te vergelden en de samenleving voor herhaling door middel van detentie te beschermen, maar ook om te markeren dat eigenrichting kan rekenen op zware vergelding door de overheid. Met die vergelding beoogt de strafrechter ook anderen die zich reeds in of in de nabijheid van dat criminele milieu bevinden ervan te weerhouden zich met het plegen van dit soort misdrijven in te laten. De rechtbank kan de officier van justitie volgen in zijn beredeneerde uitgangspunt van twintig jaren gevangenisstraf. De andere bewezen geachte misdrijven rechtvaardigen op zichzelf beschouwd strafverhoging, doch het hoeft geen nader betoog dat het soortelijk gewicht daarvan in het licht van de bewezen geachte moord nagenoeg is verdampt. Zoals hierboven is aangekondigd en uiteengezet zal de rechtbank verdachte zwaarder straffen dan door de officier van justitie is gevorderd, omdat die vordering onvoldoende recht doet aan de ernst van de feiten en de persoon van verdachte.
De rechtbank is daarom - alles overwegende - van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 25 jaren, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, passend en geboden is.

Voor aanvang van de terechtzitting hebben de nabestaanden van [slachtoffer] , te weten [benadeelde 1] en [benadeelde 2] zich als benadeelde partijen in het geding gevoegd en vorderingen ingediend ter vergoeding van schade ten gevolge van het aan verdachte onder 1 ten laste gelegde feit. Zij zijn hiertoe vertegenwoordigd en bijgestaan door mr. R. Korver, die de vorderingen ter terechtzitting heeft toegelicht.

De vordering van [benadeelde 1]

De hoogte van de door Nessar geleden schade wordt door haar begroot op:
Materiële schade:Reis- en parkeerkosten eerste aanleg € 205,36Toekomstige reiskosten € 500,00Toekomstige medische kosten (psycholoog) € 1.000,00Gederfd levensonderhoud € 212.285,00Kosten lijkbezorging/overlijden € 7.375,95Kosten grafsteen € 2.246,00Kosten factuur [expertisebureau] € 2.354,92Kosten eigen risico de heer [slachtoffer] (rit ambulance naar AMC) Totaal materiële schade € 226.263,48
Immateriële schade:Shockschade € 25.000,00
Totaal: € 251.263,48

De vordering van [benadeelde 2]

De hoogte van de door [benadeelde 2] geleden schade wordt door hem begroot op:
Materiële schade:Toekomstige reiskosten € 100,00Toekomstige medische kosten € 1.000,00Gederfd levensonderhoud Totaal materiële schade € 22.381,00
Immateriële schade:Shockschade € 25.000,00
Totaal: € 47.381,00

9.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft het volgende aangevoerd. De gevorderde reis- en parkeerkosten zijn niet aan te merken als schade die rechtstreeks is geleden door het strafbare feit, maar als proceskosten, zodat dit deel van de vorderingen moet worden afgewezen. Deze kosten kunnen echter wel bij afzonderlijke beslissing ex artikel 592a Sv worden vergoed. Ten aanzien van de toekomstige reiskosten en toekomstige medische kosten moeten de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat deze kosten nog niet zijn gemaakt.

De gevorderde kosten voor het opstellen van het rapport door [expertisebureau] , van het eigen risico van de heer [slachtoffer] en van lijkbezorging en grafsteen kunnen worden toegewezen. Ten aanzien van de posten gederfd levensonderhoud geldt dat de beoordeling van deze schadepost een onevenredige belasting van het strafgeding vormt. De officier van justitie stelt zich daarom op het standpunt dat de rechtbank de omvang daarvan dient te schatten en de vorderingen voor dat deel toe te wijzen, en voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren.

Daarnaast kunnen de immateriële schadevergoedingen, bestaande uit shockschade, worden toegewezen tot een bedrag van € 20.000,-.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte hoofdelijk met zijn mededader wordt veroordeeld tot betaling van de toegewezen schadevergoedingen en dat de toegewezen schadevergoedingen worden vermeerderd met de wettelijke rente. Daarnaast heeft de officier van justitie de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.

9.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van de posten reis- en parkeerkosten eerste aanleg, kosten lijkbezorging/overlijden, kosten grafsteen, kosten factuur [expertisebureau] en kosten eigen risico de heer [slachtoffer] gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van de overige posten heeft de raadsman het volgende aangevoerd.

Het bestaan van shockschade blijkt niet zonder meer uit de stukken en ook de gevorderde hoogte kan hieruit niet worden afgeleid. Derhalve moet er nader onderzoek plaatsvinden, wat een onevenredige belasting van het strafgeding met zich brengt. Om die reden dienen de benadeelde partijen in dit deel van hun vorderingen niet-ontvankelijk te worden verklaard. De beoordeling van de juistheid van de vorderingen ten aanzien van het gederfde levensonderhoud leveren eveneens een onevenredige belasting van het strafgeding op. Benadeelde partijen moeten om die reden ook niet-ontvankelijk worden verklaard in dat deel van hun vorderingen. De raadsman heeft in dat kader gewezen op de korte voorbereidingsperiode tussen het indienen van de vordering op 1 maart 2019, het ontvangen van de medische stukken op 22 maart 2019 en de behandeling ter terechtzitting.

Daarnaast dienen de toekomstige kosten te worden afgewezen.

9.3 Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de vorderingen van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] voor zover betrekking hebbende op shockschade, gederfd levensonderhoud en toekomstige schade

Ten aanzien van de gevorderde shockschade stelt de rechtbank voorop dat zogenoemde shockschade op grond van artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) volgens vaste jurisprudentie voor vergoeding in aanmerking komt, indien als gevolg van de bewezen verklaarde feiten sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld dat voortvloeit uit een hevige emotionele schok door het waarnemen van het misdrijf of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen daarvan.

Vaststaat dat Nessar zeer kort nadat haar echtgenoot is neergeschoten en als gevolg daarvan is overleden, is geconfronteerd met de aanblik van diens levenloze lichaam op straat voor hun gezamenlijke woning. Ook in het ziekenhuis is zij geconfronteerd met het lichaam van haar man. Nessar heeft in deze procedure gesteld en met medische stukken onderbouwd dat zij als gevolg van deze gebeurtenis een posttraumatische stressstoornis (PTSS) heeft ontwikkeld, waarvoor zij in behandeling is en EMDR-therapie ondergaat. Naar het oordeel van de rechtbank staat het causale verband daarmee voldoende vast. [benadeelde 2] bevond zich die bewuste dag in de woning, op een paar meter afstand van de plaats delict. Hij werd wakker van sirenes en zwaailichten en trof zijn moeder in paniek aan. Hij wilde naar buiten maar werd tegengehouden door de politie. Hij hoorde toen van zijn moeder dat zijn vader voor de woning op straat lag en later dat hij was neergeschoten. In het ziekenhuis werd hij geconfronteerd met het letsel van zijn vader. [benadeelde 2] heeft in deze procedure gesteld en met medische stukken onderbouwd dat hij als gevolg van deze gebeurtenis een persisterende complexe rouwstoornis heeft ontwikkeld. Deze stoornis kan in de DSM-5 worden geclassificeerd als een “andere gespecificeerde psychotrauma- of stressor gerelateerde stoornis”. Naar het oordeel van de rechtbank staat het causale verband daarmee voldoende vast.

De rechtbank overweegt dat gelet op het voorgaande vaststaat dat sprake is van shockschade als rechtstreeks gevolg van de jegens verdachte bewezenverklaarde moord. De verdediging heeft de hoogte van de vorderingen als zodanig niet betwist. De rechtbank begroot deze schade in redelijkheid op de gevorderde bedragen ad € 25.000 en wijst de vorderingen tot dit bedrag toe.

Ten aanzien van de gevorderde schade bestaande uit gederfd levensonderhoud overweegt de rechtbank als volgt.

De benadeelde partijen baseren hun vorderingen op artikel 6:108, eerste lid BW. Voor de berekening van de gevorderde schade is aangesloten bij de door de Letselschaderaad en de Denktank Overlijdensschade opgestelde Richtlijn Rekenmodel Overlijdensschade. Deze richtlijn is een binnen de rechtspraak algemeen geaccepteerde rekenmethode voor de berekening van overlijdensschade. Op basis van deze richtlijn heeft het expertisebureau [expertisebureau] aan de hand van onderbouwde en verifieerbare uitgangspunten berekend wat de omvang is van het door de benadeelde partijen gederfde levensonderhoud. De verdediging heeft daar tegenover enkel gesteld dat deze vordering te complex zou zijn en uitvoerig nader onderzoek nodig is, waarvoor gelet op de datum van indiening van de vordering geen tijd meer was. Om die reden zou de behandeling van deze vordering een onevenredige belasting van het strafgeding betekenen.
De rechtbank is van oordeel dat het tijdstip van indiening van de vordering (1 maart 2019) de verdediging voldoende tijd heeft gegeven om ter terechtzitting op zijn minst een begin van betwisting te formuleren, maar stelt vast dat daarvan in het geheel geen sprake is. De rechtbank is van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden, bestaande uit gederfd levensonderhoud en dat verdachte tot vergoeding van die schade is gehouden. De rechtbank acht de vordering toewijsbaar tot na te melden bedrag. De rechtbank acht het redelijk om de schade te begroten zoals die is berekend, zodat de totale schade van Nessar € 212.285,00 bedraagt en die van [benadeelde 2] € 21.281,00.

Ten aanzien van de gevorderde toekomstige schade oordeelt de rechtbank dat ongewis is of en zo ja, in welke omvang deze zich zal voordoen. Overeenkomstig de standpunten van de benadeelde partijen, de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de benadeelde partijen in zoverre niet in hun vorderingen kunnen worden ontvangen.

De vordering van [benadeelde 1] voor het overige

Met betrekking tot de gevorderde schade die bestaat uit de schadevaststellingskosten van Expertisebureau [expertisebureau] overweegt de rechtbank dat deze eveneens voor vergoeding in aanmerking komt. Het bedra
ECLI:NL:RBMNE:2019:1509:DOC
nl

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND1 ONDERZOEK [naam] TERECHTZITTING2 TENLASTELEGGING3 VOORVRAGEN4 WAARDERING VAN HET BEWIJS5 BEWEZENVERKLARING6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE8 OPLEGGING VAN STRAF 9 BENADEELDE PARTIJEN10 VORDERING HERROEPING VOORWAARDELIJKE INVRIJHEIDSSTELLING11 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN12 BESLISSINGVordering herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling met v.i.-nummer 99-000730-31


- “ “”- “ ;- “



concludeert de rechtbank dat de twee daders die ter plaatse de moord hebben gepleegd ook de plegers van de brandstichting en de beschadiging zijn.





- verklaart het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;
- verklaart het onder 1, 2, 3 en 4 meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;
- verklaart het 1, 2, 3 en 4 bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;
- verklaart verdachte strafbaar;
- veroordeelt verdachte tot een ;
- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
- wijst de vordering van [benadeelde 1] toe tot een bedrag van € 249.558,12;
- veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan [benadeelde 1] van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 december 2015 tot de dag van de algehele voldoening, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;
- veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
- wijst de vordering van [benadeelde 1] af voor zover deze ziet op de reis- en parkeerkosten ten bedrage van € 205,36;
- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of (een van) zijn mededader(s) op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
- veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
- wijst de vordering tot herroeping toe;
- gelast dat het gedeelte van de vrijheidsstraf dat als gevolg van de toepassing van de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling niet ten uitvoer is gelegd, te weten 957 dagen, alsnog moet worden ondergaan.
1.
2.
4.
Afdeling StrafrechtZittingsplaats Lelystad
Parketnummers: 16/708087-16 en 99/000730-31 (herroeping v.i.) (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 12 april 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1982] te [geboorteplaats]thans gedetineerd te Penitentiaire Inrichting Alphen aan den Rijn
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 26 en 29 maart 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van de officieren van justitie mrs. J. Plooij en E.M. van der Burg (hierna gezamenlijk te noemen: de officier van justitie) en van hetgeen door verdachte en zijn raadsman mr. M.L. van Gaalen, advocaat te Amsterdam, alsmede door mr. R.A. Korver, advocaat te Amsterdam, namens de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] naar voren is gebracht.

De tenlastelegging is op de terechtzitting van 10 augustus 2018 nader omschreven. Die nader omschreven tenlastelegging is alsaan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1

op 15 december 2015 in Almere samen met (een) ander(en) [slachtoffer] heeft vermoord;
feit 2

op 15 december 2015 in Almere samen met (een) ander(en) brand heeft gesticht in een BMW M5, waardoor gemeen gevaar voor goederen te duchten was;
feit 3

op 15 december 2015 in Almere samen met (een) ander(en) schuren, lantaarnpalen en stoeptegels heeft beschadigd;
feit 4

in de periode van 27 september 2015 tot en met 15 december 2015 in Almere samen met (een) ander(en) een BMW M5 (opzettelijk) heeft geheeld.
De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht alle tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend te bewijzen en verwijst daartoe naar de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen die bij gelegenheid van het requisitoir zijn voorgedragen.
Daarbij heeft de officier van justitie benadrukt dat de stelling van verdachte dat hij in het geheel geen betrokkenheid heeft bij de tenlastegelegde feiten geen verankering vindt in de stukken van het strafdossier, waarbij komt dat hij niets tegenover de voor hem bezwarende feiten en omstandigheden heeft gesteld.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit. Hij heeft daartoe aangevoerd dat direct bewijs van de betrokkenheid van verdachte bij het ten laste gelegde ontbreekt. Verdachte kan niet als gebruiker van het PGP-toestel met IMEI-nummer eindigend op [IMEI-nummer] (hierna: # [IMEI-nummer] ) worden geïdentificeerd. Bovendien kan op basis van telecomonderzoek niet worden vastgesteld dat de gebruiker van de # [IMEI-nummer] op enigerlei wijze betrokken is bij de moord op [slachtoffer] . Daarbij komt dat verdachte niet past in de door de getuigen opgegeven signalementen, hetgeen een contra-indicatie oplevert voor de stelling dat verdachte een van de uitvoerders is geweest.
Voorts is betoogd dat sprake is van een vormverzuim dat tot bewijsuitsluiting zou moeten leiden. Door [A] (hierna ook te noemen: [A] ) is met anderen vertrouwelijk gecommuniceerd. Deze communicatie is door de politie heimelijk onderschept en opgenomen en de vruchten daarvan zijn aan het dossier toegevoegd (hierna ook te noemen: de OVC [A] ). De OVC [A] komt niet voor bewijsgebruik in aanmerking, op grond van zowel de onrechtmatige verkrijging als de inhoudelijke onbetrouwbaarheid daarvan. Immers, de wet biedt geen toereikende grondslag voor het van overheidswege plaatsen van een technisch middel op de persoon noch voor een daaraan gelijk te stellen plaatsing. Het moge zo zijn dat dat opsporingsmiddel niet in het voorbereidend onderzoek tegen verdachte is ingezet, dit verweer kan in het licht van de door de raadsman waargenomen recente rechtsontwikkeling niet meer worden gepareerd met een beroep op de ‘’.

Daarnaast is de OVC [A] naar de inhoud daarvan onbetrouwbaar, omdat sterke aanwijzingen bestaan dat de inhoud van wat door [A] tegen een of meer anderen is gezegd zijn directe oorsprong vindt in wat de politie hem eerder bij gelegenheid van zijn verhoor feitelijk heeft meegedeeld. In zoverre heeft [A] niet uit eigen wetenschap verklaard.

Bovendien kleeft volgens de raadsman aan de OVC [A] nog een andere beperking. De verdediging is niet in staat gesteld om aan even genoemde [A] als getuige vragen te stellen over de OVC [A] . Daarom brengt de zogenoemde Vidgen-jurisprudentie mee dat die OVC [A] ook op die grond niet voor bewijsgebruik in aanmerking komt.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

4.3.1 Verweren ten aanzien van de OVC [A]

Inleidend

De rechtbank verbindt – anders dan door de raadsman is bepleit – aan de door hem aangehaalde uitspraken van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (Güner vs. Turkije d.d. 4 september 2018, 28338/07; Lambert vs. Frankrijk, 24 augustus 1998, NJCM-bulletin 1998, p. 1058 e.v.) niet de gevolgtrekking dat die rechtspraak voor de nationale rechter als regel meebrengt dat deze bij het onderzoek naar een door de verdediging geponeerd onherstelbaar vormverzuim voorbij zou hebben te gaan aan het in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) neergelegde kader, voor zover hier van belang inhoudend dat zo’n verzuim slechts voor sanctionering in aanmerking komt wanneer dat is begaan bij het voorbereidend onderzoek (in de verdachte betreffende strafzaak). De rechtbank zal niettemin de gegrondheid van het verweer beoordelen omdat weliswaar de inzet van de OVC [A] heeft plaatsgehad in het voorbereidend onderzoek tegen een andere verdachte (namelijk [B] ), doch het daarmee nagestreefde doel valt in belangrijke mate samen met wat in het voorbereidend onderzoek in de zaak van verdachte [naam] beoordeling voorligt.
Rechtmatigheid

Op grond van artikel 126l Sv kan de officier van justitie bevelen dat een opsporingsambtenaar vertrouwelijke communicatie opneemt met een technisch hulpmiddel. Het wettelijk systeem van toedeling van de bevoegdheid tot het bevelen van opnemen van vertrouwelijke communicatie met een technisch hulpmiddel houdt in dat die bevoegdheid aan de officier van justitie is verleend, maar dat de rechter-commissaris tevoren een schriftelijke machtiging dient te hebben verstrekt. Aan de zittingsrechter ten slotte staat de rechtmatigheid van de toepassing van de bevoegdheid [naam] beoordeling.
In artikel 126g Sv is bepaald dat de officier van justitie kan bevelen dat een opsporingsambtenaar stelselmatig een persoon volgt of stelselmatig diens aanwezigheid of gedrag waarneemt. Hierbij kan een technisch hulpmiddel worden aangewend. Een technisch hulpmiddel mag niet op een persoon worden geplaatst, tenzij met diens toestemming. Een machtiging van de rechter-commissaris is voor een bevel stelselmatige observatie niet vereist.

In de onderhavige zaak heeft de rechter-commissaris op 7 februari 2018 op vordering van de officier van justitie een machtiging verleend - op de gronden, op de wijze en onder de voorwaarden als in die vordering omschreven - tot het opnemen van vertrouwelijke communicatie voor een periode van ten hoogste 24 uur, ingaande op het moment van invrijheidstelling van [A] (naar verwachting op 16 februari 2018). In de vordering is omschreven dat het mogelijk communicatie betreft op een besloten plaats, te weten de woning aan het [adres] te [woonplaats] , en op/bij een openbare plaats/ruimte. Ook staat in het bevel vermeld dat daartoe een technisch hulpmiddel in de onmiddellijke nabijheid van [A] zal worden geplaatst. Op 16 februari 2018 heeft de rechter-commissaris een aanvullende machtiging verleend voor communicatie op andere besloten plaatsen. Deze machtiging is op 20 februari 2018 schriftelijk geformaliseerd. In de vorderingen staat niet omschreven op welke manier een technisch hulpmiddel in de onmiddellijke nabijheid van [A] zal worden geplaatst. Op basis van het dossier is niet uit te sluiten dat dit is gebeurd door plaatsing van een technisch hulpmiddel op of aan het lichaam van [A] .
Naar het oordeel van de rechtbank sluit - anders dan de raadsman stelt - het strafvorderlijk systeem zoals neergelegd in de artikelen 126g Sv en 126l Sv het plaatsen van een technisch hulpmiddel op een persoon niet uit. Een uitdrukkelijke bepaling inhoudende dat een technisch hulpmiddel niet op een persoon mag worden geplaatst tenzij met diens toestemming ontbreekt in artikel 126l Sv. De betreffende zinsnede is - anders dan andere delen van artikel 126g Sv - in artikel 126l Sv ook niet van overeenkomstige toepassing verklaard. De wettekst sluit een dergelijke plaatsing dus niet uit. Daar komt bij dat in artikel 126g Sv, derde lid, eerste volzin, de scheiding met het opnemen van communicatie, waaronder gesprekken, is gegeven. Het opnemen van communicatie is een vorm van informatieverzameling die een verdergaande inbreuk oplevert dan stelselmatige observatie. De bevoegdheid daartoe is apart geregeld in artikel 126l Sv en aan strengere eisen onderworpen, aldus de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel bijzondere opsporingsbevoegdheden (Kamerstukken 25 403, nr. 3, p. 71). Een van die eisen is het vereiste van een machtiging van de rechter-commissaris, die in het onderhavige geval zoals gezegd is verleend. Van een vormverzuim dat zou moeten leiden tot bewijsuitsluiting is aldus geen sprake.

Bruikbaarheid

De rechtbank overweegt naar aanleiding van het zogenoemde Vidgen-verweer het volgende. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad ontleent verdachte aan artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) aanspraak om een getuige die een voor verdachte belastende verklaring heeft afgelegd te (doen) ondervragen. De rechtbank stelt in dat kader vast en voorop dat de vruchten van de OVC [A] niet op één lijn kunnen worden gesteld met een (de verdachte belastende) verklaring van een getuige. In zoverre ziet de zogenoemde Vidgen-jurisprudentie reeds daarom niet op deze situatie. Bovendien is - zoals uit het hiernavolgende zal blijken - geen sprake van een situatie dat de OVC [A] het enige en beslissende (“sole and decisive”) bewijs vormt in de zin van de op artikel 6 EVRM gestoelde (Straatburgse) jurisprudentie. De rechtbank verwerpt daarom ook dit onderdeel van het verweer.
Betrouwbaarheid

[A] is op 15 en 16 februari 2018 als verdachte door de politie gehoord. Blijkens het van dat verhoor opgemaakte proces-verbaal is bij die gelegenheid door de met het verhoor belaste ambtenaren aan [A] ook feitelijke informatie prijsgegeven die voor verdachte belastend is. Die informatie is in onderdelen van de van de OVC [A] opgestelde verslagen terug te lezen, en in zoverre heeft de raadsman een punt. In het bestek van dit onderdeel van het verweer is evenwel slechts relevant of de potentieel voor het bewijs te bezigen redengevende onderdelen van die OVC gesprekken louter zijn te herleiden tot die prijsgegeven informatie, of dat de inhoud van die gesprekken/uitlatingen naar de inhoud daarvan verder strekt dan wat door de politie kort tevoren aan hem is prijsgegeven.
Bij nauwkeurige lezing van die onderdelen van de OVC gesprekken waarin kennelijk wordt gesproken over de betrokkenheid van verdachte bij de moord op [slachtoffer] blijkt, dat [A] verdachte aanwijst als verantwoordelijk voor die moord en dat hij gevoelens van bezorgdheid uit over het al dan niet boven water komen van voor verdachte belastende informatie. De rechtbank wijst daarbij in het bijzonder op de volgende passages in de naar aanleiding van de OVC [A] opgestelde schriftelijke verslagen:

[C] : tjaaa.

[A] : en daarna.. daarna.. zie je dat hij praat met die andere man..en hij praat ook met ANNOE (fon) en hij praat daarna met GRANDI(fon) .. die man..[…][..] [A] : Hun weten wel dat zogenaamd de GROTE is ingevallen voor mij.. maar ik weet niet of hun telefoon zijn gevonden of wat je weet toch.. ik hoop het niet voor ze”
_b829fce9-07c8-4c06-8117-7bc170f8cc22

Deze kennelijke bezorgdheid, door [A] verwoord terwijl hij zich onbespied waande, gaat onmiskenbaar verder dan het slechts delen van informatie die kort tevoren door de politie aan hem is prijsgegeven. [A] maakt gewag van wetenschap bij de politie van de via PGP-toestellen gewisselde berichten over de moord en wie de opengevallen plaats van [A] bij het plegen van de moord heeft ingenomen. In het verlengde daarvan spreekt hij als zijn hoop uit dat telefoons niet worden gevonden en dat geen DNA op de plaats delict hebben achtergelaten. Deze bezorgdheid is in redelijkheid slechts verklaarbaar in het geval van eigen - en ondertussen ook door de politie opgedane - wetenschap bij [A] over de betrokkenheid van onder anderen verdachte bij de moord. Daarbij verdient opmerking dat verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte] (hierna ook te noemen: [medeverdachte] ) in de maand februari van 2018 nagenoeg gelijktijdig in hechtenis zijn genomen als verdachten van de moord op [slachtoffer] .

Dat de mededelingen van [A] over de betrokkenheid van o.a. verdachte kennelijk feitelijk juist zijn, vindt bovendien bevestiging in het gegeven dat [A] bij gelegenheid van het voeren van deze gesprekken op geen moment de feitelijke betrokkenheid van verdachte heeft betwijfeld, weersproken of gerelativeerd. Zijn gesprekspartners hebben dat evenmin gedaan. Daarnaast vinden ook andere delen van de OVC [A] (die gebaseerd zijn op eigen wetenschap) verankering in andere onderzoeksbevindingen. Zo zegt één van de gesprekspartners van [A] : “” Deze mededeling vindt bevestiging in de bevindingen van de politie dat zowel de # [IMEI-nummer] als de # [IMEI-nummer] voor het laatst in het netwerk actief zijn geweest op 21 december 2015.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de slotsom dat de voor het bewijs redengevende onderdelen van de OVC [A] niet louter zijn te herleiden tot door de politie aan [A] prijsgegeven informatie, welke informatie [A] op zijn beurt kleurloos ten overstaan van een of meer derden – als ware hij een papegaai – zou hebben gereproduceerd. Integendeel, [A] is bezorgd over de loop der dingen die is gevolgd op de moord op [slachtoffer] , terwijl uit de vorm en inhoud van interactie blijkt dat de gesprekspartners – onder wie [A] – wetenschap hebben van de (inhoud van het) door [A] besproken onderwerp. De door de verdediging aan de OVC [A] gegeven duiding houdt daarom geen stand, zodat de rechtbank ook dit onderdeel van het verweer verwerpt.

Conclusie OVC [A]

Gelet op wat hiervoor is overwogen over achtereenvolgens de rechtmatigheid, bruikbaarheid en betrouwbaarheid staat niets in de weg aan het bewijsgebruik van de OVC [A] .
4.3.2 Bewijsmiddelen

Met het oog op het belang van leesbaarheid van het vonnis zijn de bewijsmiddelen niet op deze plaats, maar als daaraan gehecht. De bewijsmiddelen dienen op deze plaats als ingelast te worden beschouwd.
Ten aanzien van de bewijsmiddelen geldt dat zij steeds worden gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud uitdrukkelijk betrekking hebben. Sommige onderdelen van de bewijsmiddelen hebben niet betrekking op alle feiten, maar op één of meerdere feiten.

4.3.3 Bewijsoverwegingen

De rechtbank leidt uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen de volgende [naam] van zaken af.

Feit 1

De moord op [slachtoffer]

Op 15 december 2015 omstreeks 06.50 uur is een man, genaamd [slachtoffer] , voor zijn woning aan de Marsmanstraat in Almere neergeschoten, waarna hij als gevolg daarvan is overleden. De mannelijke schutter is van het slachtoffer weggelopen en vervolgens als passagier in een auto gestapt, die meteen met gedoofde lichten wegreed. Uit camerabeelden blijkt dat de auto een donkerkleurige BMW betreft.
Uit het berichtenverkeer in het PGP-toestel waarvan het gebruik aan [A] is toegeschreven blijkt dat op 15 november 2015 is gecommuniceerd over een zogenoemd klusje in Almere. Dat klusje is volgens de gebezigde bewoordingen gericht op iemand die moet gaan slapen en voor zijn werk iets doet met elektro, die rijdt in een wit busje met [naam] erop, en een simpel mannetje met een gezin is. Deze berichten gaan wat de rechtbank betreft onmiskenbaar over [slachtoffer] als beoogd slachtoffer.

Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat de gewelddadige dood van [slachtoffer] een moord is in de zin van artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). De daarvoor onder meer vereiste ‘ volgt niet alleen uit wat hierboven is verwoord, maar ook uit de voorbereiding van de moord zoals daarvan blijkt uit het berichtenverkeer, opgeslagen in dat PGP-toestel van [A] , als ook uit de feitelijke [naam] van zaken onmiddellijk voorafgaand, tijdens en na het plegen van de tevoren in die berichten besproken moord.

Het gebruik van PGP-toestellen door bij de moord betrokken personen

Op de met behulp van camera’s opgenomen en vastgelegde beelden van de [adres] en de [adres] is op 11, 14 en 15 december 2015 telkens in de vroege ochtend een door de straat rijdende donkerkleurige BMW te zien, waarvan in ieder geval op 11 en 15 december 2015 de lichten waren gedimd/gedoofd. Daarnaast blijkt uit berichten in een PGP-toestel van [A] dat door de daders mogelijk gebruik is gemaakt van een schuilplaats (‘’) in [woonplaats] . Uit onderzoek is gebleken dat er twee PGP-toestellen passen in de hierboven geschetste samenhang van de aanwezigheid van de BMW op de drie dagen en tijdstippen in combinatie met het schuilen in een schuilplaats te [woonplaats] na de moord. Deze toestellen blijken de # [IMEI-nummer] en de # [IMEI-nummer] te zijn. Deze beide toestellen zijn op 21 december 2015 voor het laatst actief in het netwerk geweest en zijn daarin niet weer teruggekeerd.
De rechtbank overweegt dat uit het voorgaande volgt dat het gebruik van de PGP-toestellen # [IMEI-nummer] en # [IMEI-nummer] in een betekenisvol verband kan worden gebracht met de moord op [slachtoffer] . Daarmee is nog niet zonder meer gegeven dat de gebruikers van die toestellen ook de dader(s) zijn van die moord. De rechtbank zal daarom hierna ingaan op de vraag of verdachte de gebruiker is van (een van) de toestellen en of het sterke vermoeden van betrokkenheid van de toestellen wordt bevestigd door andere feiten of omstandigheden.

De gebruiker van PGP-toestel # [IMEI-nummer]

Het e-mailadres van de # [IMEI-nummer] en tapgesprekken verdachte

Het e-mailadres [e-mailadres] @pgpsafe.net (hierna: [e-mailadres] ) was gekoppeld aan de # [IMEI-nummer] . Dit e-mailadres is onder de naam ‘’ in het PGP-toestel van [A] vermeld. Daarnaast stond [e-mailadres] onder de naam ‘ [bijnaam] ’ in het PGP-toestel van [naam] . Verder stond [e-mailadres] in meerdere PGP-toestellen als contact opgeslagen onder de namen ‘, ‘’ en ‘.
Uit afgeluisterde en opgenomen gesprekken blijkt dat verdachte zichzelf [bijnaam] noemt. Op 23 oktober 2016 belt verdachte uit naar een onbekend gebleven man en zei verdachte ‘’. Daarnaast belde verdachte op 28 november 2016 uit naar een onbekende man en vroeg ‘, waarop de onbekende man antwoordde ‘’.

Uit onderzoek in de beschikbare politiesystemen komt één persoon naar voren die roep/bijnamen heeft die lijken op [bijnaam] en [naam] , namelijk [bijnaam] en [bijnaam] . Dit betreft verdachte.

Reisbewegingen # [IMEI-nummer] en verdachte

Uit vergelijking van de enkelbandgegevens van verdachte en de historische gegevens van de # [IMEI-nummer] blijkt dat verdachte opvallend vaak in hetzelfde tijdsbestek thuis kwam als dat de # [IMEI-nummer] van masten buiten [woonplaats] zich blijkens het aanstralen daarvan verplaatste naar masten binnen dit gebied. In de periode van 4 augustus 2015 tot en met 17 augustus 2015 bleken de enkelbandgegevens en de historische gegevens van de # [IMEI-nummer] op twee momenten niet overeen te komen. Voor de overige dagen straalde de # [IMEI-nummer] niet buiten [woonplaats] aan op het moment dat verdachte thuis was. Daarbij komt dat de # [IMEI-nummer] de meeste dagen de mast aan de [wijk] in [woonplaats] aanstraalt en de meeste activiteit van de # [IMEI-nummer] over een mast in de wijk [wijk] in [woonplaats] komt. Dit is de omgeving waar verdachte woont.
Daarnaast vraagt verdachte op 11 december 2015 om 16.20 uur in een Whatsappchat of iemand hem even op en neer naar Purmerend kan brengen. Uit de historische gegevens blijkt dat de # [IMEI-nummer] kort daarna op en neer is geweest naar Purmerend.

Ook stuurt verdachte op 26 november 2015 in een groepschat dat hij met de verjaardag van ‘’ in uitgaansgelegenheid Hardersplaza in Harderwijk was. In diezelfde groepschat wordt ‘’ op 26 september 2015 door verschillende personen gefeliciteerd. Uit de historische gegevens van de # [IMEI-nummer] blijkt dat het toestel in de nacht van 26 op 27 september 2015 een mast aanstraalde in Harderwijk.

Verder stuurt verdachte op 23 november 2015 om 14.39 uur ‘’ en straalt de # [IMEI-nummer] op dat moment een mast aan de op de Sloterweg in Amsterdam West.

Tussenconclusie: verdachte is de gebruiker van de # [IMEI-nummer]

De rechtbank heeft in het voorgaande vastgesteld dat het aan de # [IMEI-nummer] gekoppelde e-mailadres in de richting van verdachte wijst en de reisbewegingen van verdachte op verschillende momenten gedurende een langere en in het licht van de tenlastelegging relevante periode overeenkomen met de locaties van de # [IMEI-nummer] . Op basis van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden - in onderlinge samenhang bezien - concludeert de rechtbank dat verdachte de gebruiker is geweest van de # [IMEI-nummer] .
De gebruiker van PGP-toestel # [IMEI-nummer]

Reisbewegingen Volkswagen Polo in vergelijking met historische gegevens van de # [IMEI-nummer]

Aan de Verkeers Informatie Dienst (hierna: VID) is de uitlevering gevorderd van MAC-adressen die passen bij historische telecommunicatiegegevens van de # [IMEI-nummer] op achtereenvolgens 19 november 2015, 28 november 2015 en 11 december 2015. Door de VID werd één aldus passend versleuteld MAC-adres aangeleverd, namelijk de versleuteling [MAC-adres] .
Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat de # [IMEI-nummer] meereist met het versleutelde MAC-adres, omdat dit toestel op verschillende kenmerkende momenten op dezelfde plaats aanwezig is als het versleutelde MAC-adres.

[medeverdachte] als gebruiker van de VW Polo

Het versleutelde MAC-adres hoort bij een Volkswagen Polo met kenteken [kenteken] (hierna: de VW Polo). Dit leidt tot de conclusie dat wanneer het MAC-adres met die versleutelingscode een VID-kastje passeert, het ervoor moet worden gehouden dat het de VW Polo is die dat kastje rijdend passeert.
Uit registraties in de politiesystemen is gebleken dat [medeverdachte] in de periode mei 2015 tot en met juni 2016 meer keren door de politie is gecontroleerd, ook als bestuurder van de VW Polo. Daarnaast is de VW Polo op vrijdag 24 juni 2016 omstreeks 10:49 uur het VID-kastje nabij de afrit A6 bij Lelystad gepasseerd. Op vrijdag 10 en vrijdag 17 juni 2016 verbleef de VW Polo ongeveer gedurende een uur in Lelystad, want daarna werd de VW Polo weer gesignaleerd op VID-kastjes in de omgeving van Almere. Uit de van bezoeken geregistreerde gegevens van de Penitentiaire Inrichting in Lelystad is gebleken dat [medeverdachte] op 24 juni 2016 om 10:57 uur heeft ingecheckt om zijn broer te bezoeken. Ook op 10 en 17 juni 2016 heeft hij zijn in die inrichting gedetineerde broer bezocht. Op 17 juni 2016 was hij de enige bezoeker van zijn broer.

Uit het voorgaande volgt dat [medeverdachte] in een voor het bewijs relevante periode regelmatig de VW Polo heeft gebruikt.

Politiecontrole [medeverdachte] en locatie # [IMEI-nummer]

Op 9 december 2015 omstreeks 14.30 uur [naam] hoogte van het August Allebéplein in Amsterdam is [medeverdachte] gecontroleerd als bestuurder van de VW Polo. De # [IMEI-nummer] straalde op dat moment de mast aan de J. Huizingalaan 201 in Amsterdam aan. De afstand tussen de mast en het August Allebéplein is hemelsbreed ongeveer één kilometer.
Tussenconclusie: [medeverdachte] is de gebruiker van de # [IMEI-nummer]

De rechtbank heeft in het voorgaande vastgesteld dat de # [IMEI-nummer] meereist met het versleutelde MAC-adres, welk adres behoort bij de VW Polo. Daarnaast reed [medeverdachte] regelmatig in die VW Polo. Bovendien wordt [medeverdachte] gecontroleerd in de VW Polo, terwijl de # [IMEI-nummer] in de nabije omgeving aanstraalt. Op basis van die feiten en omstandigheden – in onderlinge samenhang bezien – concludeert de rechtbank dat [medeverdachte] moet worden aangemerkt als zijnde de gebruiker van de # [IMEI-nummer] gedurende de voor het bewijs relevante periode.
PGP-berichten

[A] en een ander, namelijk [B] , hebben onderling contact onderhouden, door onderling berichten uit te wisselen door middel van PGP-toestellen. [B] heeft aan [A] een bericht verzonden, inhoudend dat hij een klusje heeft voor hem. Met dit klusje wordt – zoals hiervoor onder ‘’ al vastgesteld – onmiskenbaar gedoeld op de moord op [slachtoffer] . Het is de bedoeling dat de klus wordt uitgevoerd door twee personen. Een van die twee personen (“”) heeft berichten over de klus aan [B] verzonden, die deze berichten doorzendt aan [A] . De rechtbank leidt uit deze berichten af dat het voornemen bestond om de moord feitelijk uit te laten voeren door [A] en de persoon, wiens berichten [B] heeft doorgestuurd.
Over de nadere uitvoering moet [A] in contact komen met de andere beoogde uitvoerder. In dat kader bericht [B] aan [A] dat hij niet tegen die andere uitvoerder mag zeggen dat hij al eens met “” is aangehouden, omdat de andere uitvoerder dan zal denken dat [A] “”. Met “” wordt [D] bedoeld. Deze vaststelling vindt bevestiging in de omstandigheid dat [A] medeverdachte van [D] is inzake diefstal dan wel heling van een scooter in april 2015 en om die reden “”.

Over de identiteit van de tweede beoogde uitvoerder vraagt [B] aan [A] of hij “” en dat ze hem “” noemen. [A] antwoordt dat hij bekend is met diegene, dat diegene misschien weet dat hij “heet” is en dat hij zijn mail al heeft. Vervolgens verzendt [A] berichten naar het e-mailadres [e-mailadres] @pgpsafe.net (hierna: [e-mailadres] ), dat onder de naam “ [e-mailadres] . [naam] ” als contact in het toestel van [A] is opgeslagen. [A] krijgt echter enkele dagen geen antwoord en bericht daarover aan [B] dat “” niet reageert. De rechtbank leidt uit dit berichtenverkeer af dat de tweede uitvoerder de bijnamen “” danwel “” heeft, onder de naam “” als contact is opgeslagen in de telefoon van [A] en een contact is van [D] .

Tussenconclusie: [medeverdachte] is een beoogd uitvoerder

Uit de bewijsmiddelen volgt dat [medeverdachte] en [D] een keer terwijl zij samen waren door de politie zijn gecontroleerd en dat [medeverdachte] en [D] samen op foto’s zijn afgebeeld. De rechtbank stelt op grond daarvan vast dat [D] een contact is van [medeverdachte] . Daarnaast volgt uit de bewijsmiddelen dat [medeverdachte] over zichzelf in een telefoongesprek zegt “. Deze omstandigheden komen overeen met de omschrijving die [B] over de tweede (beoogde) uitvoerder van de moord geeft, namelijk een contact van [D] die “” wordt genoemd. Hieruit kan worden afgeleid dat [medeverdachte] de tweede (beoogde) uitvoerder van de moord is. Bovendien is de omstandigheid dat [medeverdachte] en [D] elkaar kennen een logische verklaring voor de boodschap van [B] aan [A] dat hij niet mag zeggen dat hij door de politie met [D] is aangehouden.
Bovenstaande conclusie, inhoudend dat [medeverdachte] de tweede (beoogde) uitvoerder van de moord is, vindt bevestiging in het gegeven dat het hiervoor besproken e-mailadres [e-mailadres] in meerdere PGP-toestellen was opgeslagen onder vermelding van (onder andere) de namen “” en “”. Bovendien wordt [medeverdachte] in een sms bericht “” genoemd, noemt verdachte zichzelf in telefoongesprekken “ en “ en noemt hij zichzelf in sms-berichten “” en “”. en komen overeen met de naam waaronder het e-mailadres [e-mailadres] in het PGP-toestel van [A] stond.

Uit al het voorgaande concludeert de rechtbank dat [medeverdachte] voorafgaand aan de moord als een beoogd uitvoerder van de moord aangemerkt is geweest.

OVC [A]

heeft verschillende voor het bewijs relevante gesprekken gevoerd. De rechtbank constateert dat in deze gesprekken onmiskenbaar wordt gesproken over de moord op [slachtoffer] . Zo spreekt [A] onder andere over een ‘’ van (de rechtbank begrijpt: Almere) ’. Daarnaast bespreekt [A] dat zijn eigen betrokkenheid bij de voorbereiding van de moord uit de uitgewisselde PGP-berichten blijkt en dat hij geluk heeft gehad dat hij in detentie is geraakt, waardoor hij de moord niet kon hebben gepleegd. [A] bevestigt daarmee de inhoud van de eerder besproken PGP-berichten.
De gesprekken gaan ook over degenen die de moord feitelijk hebben gepleegd. [A] legt namelijk in de gesprekken een verband tussen het kraken van zijn PGP-toestel en dat “”. Deze uitlatingen kunnen niet anders worden opgevat dan dat het via zijn PGP-toestel besproken plan om iemand te vermoorden ook is uitgevoerd. Bovendien noemt [A] de bijnaam ‘’, waarna zijn gesprekspartner die bijnaam koppelt aan [E] . Dit levert een extra bevestiging op dat het [medeverdachte] is die met de in de PGP-berichten genoemde bijnaam ‘’ is aangeduid. [A] zegt tevens in de OVC [A] dat ‘’ in zijn plaats is gegaan. In een ander gesprek noemt [A] de naam ‘’ als een van de personen die is opgepakt. [F] vraagt vervolgens ‘’, waarna [A] bevestigt dat het om hem gaat. Deze passages bevestigen dat [A] met ‘’ verdachte bedoelt.

Naar het oordeel van de rechtbank leidt al het voorgaande tot de conclusie dat [medeverdachte] degene is waarover in de fase van voorbereiding is bericht en gesproken als beoogd uitvoerder, terwijl uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat verdachte, naast [medeverdachte] , een van degenen is die de voorgenomen moord heeft gepleegd.

Medeplegen

De rechtbank stelt bij wijze van maatstaf voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking van verdachte met een of meer anderen.
Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt – zoals hiervoor beschreven – dat is beoogd dat de moord door twee personen zou worden gepleegd. Vervolgens is uitvoering gegeven aan dat voornemen. Eén van hen was de schutter en de ander was de bestuurder van de vluchtauto. Verdachte was een van die twee en heeft met betrekking tot de voor het bewijs redengevende en voor verdachte in hoge mate belastende omstandigheden niet een aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring gegeven waaruit een andere toedracht naar voren komt. De rechtbank gaat er bij gebreke van aanwijzingen in een andere richting vanuit dat de rollen van de uitvoerders zo bezien onderling inwisselbaar zijn.

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat sprake is geweest van een voor het bewijs van medeplegen voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de uitvoerders van de moord die in de kern heeft bestaan uit de gezamenlijke uitvoering daarvan. De rechtbank acht aldus dat het ten laste gelegde medeplegen voor bewezenverklaring in aanmerking komt.

Conclusie feit 1

De rechtbank heeft in het voorgaande vastgesteld dat [slachtoffer] door twee personen in vereniging is vermoord en dat het sterke vermoeden is gerechtvaardigd dat de gebruikers van de # [IMEI-nummer] en # [IMEI-nummer] betrokken zijn geweest bij de moord. Dit sterke vermoeden vindt bevestiging in de daarna door de rechtbank vastgestelde feiten en omstandigheden. Zo is gebleken dat verdachte de gebruiker was van de # [IMEI-nummer] en [medeverdachte] de gebruiker van de # [IMEI-nummer] . Daarnaast is gebleken dat [medeverdachte] een van de beoogde uitvoerders was. Bovendien blijkt uit de OVC [A] in combinatie met het eerder vastgestelde dat verdachte in de plaats van de andere beoogde uitvoerder [A] is gegaan en, naast [medeverdachte] , daadwerkelijk een van de plegers van de moord is geweest.
Tot slot overweegt de rechtbank dat door de verdediging nog is aangevoerd dat de door getuigen opgegeven signalementen niet passen bij het uiterlijk van de verdachte(n). In de aard van de door een getuige gegeven persoonsbeschrijving ligt in het algemeen subjectiviteit besloten. Daarmee zijn discrepanties, zowel tussen de door getuigen gegeven persoonsomschrijvingen als discrepanties tussen die door getuigen gegeven omschrijvingen enerzijds, en anderzijds de uiterlijke persoonskenmerken van de verdachte(n) gegeven. De rechtbank heeft deze aspecten vanzelfsprekend onder ogen gezien. Die omschrijvingen, ook als de verschillen worden onderkend, staan niet in de weg aan wat hiervoor ten aanzien van het bewijs is overwogen.

De voorgaande feiten en omstandigheden – in onderlinge samenhang bezien – maken dat de rechtbank van oordeel is dat de aan verdachte ten laste gelegde moord op [slachtoffer] wettig en overtuigend is bewezen, in de zin dat hij die tezamen en in vereniging met een ander heeft gepleegd.

Feiten 2 en 3

De brandstichting en beschadiging

Kort na die moord in de Marsmanstraat krijgt de politie omstreeks 6.57 uur een melding dat er een voertuig in brand staat in de Wodanstraat in Almere. Er lopen twee manspersonen weg bij het voertuig, waarvan één persoon een voorwerp in de richting van de auto gooit waarna deze in brand vliegt. Verdachte en zijn medeverdachte worden door de opgegeven signalementen niet uitgesloten als zijnde deze twee manspersonen. Verbalisanten constateren dat de vlammen uit het zwarte voertuig slaan en dat de auto zeer nabij een schuur stond. Omdat de brand zomaar zou kunnen overslaan, besluiten de verbalisanten tot ontruiming van de aangrenzende woningen over te gaan. Door de brand zijn een schuur, een lantaarnpaal en stoeptegels beschadigd. Uit onderzoek blijkt dat de in de brand gestoken auto van het merk BMW, type M5 is.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de BMW opzettelijk in brand is gestoken. Bovendien blijkt uit het voorgaande dat er gemeen gevaar voor goederen te duchten was. Dit gevaar heeft zich ook gerealiseerd, nu een schuur, een lantaarnpaal en stoeptegels zijn beschadigd. Daarmee is het bewijs van de aan de verdachte verweten brandstichting en beschadiging gegeven.

Verband moord, brandstichting en beschadiging

Gelet op achtereenvolgens:
Medeplegen

Ten aanzien van het bewijs van het medeplegen van de brandstichting en de beschadiging geldt hetzelfde als hiervoor is overwogen ten aanzien van het bewijs van het medeplegen van de moord. Vastgesteld kan worden dat er een plan heeft bestaan, terwijl aan dat plan uitvoering is gegeven. Hiermee is naar het oordeel van de rechtbank ook ten aanzien van het bewijs van deelneming aan de brandstichting en beschadiging sprake van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking die in de kern heeft bestaan uit een gezamenlijke uitvoering daarvan. De rechtbank acht daarom ook het onder 2 en 3 ten laste gelegde medeplegen wettig en overtuigend bewezen.
Conclusie feiten 2 en 3

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de onder feit 2 en 3 in deelneming ten laste gelegde brandstichting en beschadiging wettig en overtuigend bewezen.
Feit 4

Criminele herkomst BMW

De blauwe BMW M5 heeft een misdadige herkomst. Immers is deze BMW gestolen op 27 of 28 september 2015. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat de BMW was voorzien van gestolen kentekenplaten en dat de BMW is gebruikt bij de bewezen te verklaren moord, brandstichting en beschadiging. De rechtbank kan deze feiten en omstandigheden niet anders duiden dan dat verdachte de BMW voorhanden heeft gehad met het kennelijke doel om als vluchtauto te dienen bij de moord op [slachtoffer] . De rechtbank leidt daaruit af dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte ten tijde van zijn voorhanden krijgen daarvan wist dat de BMW een misdadige herkomst had.
Periode

De BMW is op 27 of 28 september 2015 gestolen, terwijl die BMW op 15 december 2015 brandend is aangetroffen. Verdachte heeft in die periode de beschikking gekregen over de BMW. Daarnaast is vast komen te staan dat verdachte op meerdere momenten in die periode de beschikking heeft gehad over de BMW, omdat - zoals uit de bewijsmiddelen - die BMW met verdachte op meerdere momenten voorafgaand aan de moord op [slachtoffer] in [woonplaats] is geweest.
Medeplegen

Ten aanzien van het medeplegen geldt wat eerder ten aanzien van het bewijs van de feiten 1, 2 en 3 is overwogen. De rechtbank heeft hiervoor reeds vastgesteld dat deze feiten door verdachte samen met een ander zijn begaan, in de betekenis van een voor het bewijs van medeplegen voldoende nauwe en bewuste samenwerking die in de kern heeft bestaan uit een gezamenlijke uitvoering. De rechtbank acht op dezelfde grondslag ook ten aanzien van feit 4 het ten laste gelegde medeplegen bewezen.
Conclusie feit 4

De rechtbank acht op grond van het voorgaande het onder 4 ten laste gelegde medeplegen van heling wettig en overtuigend bewezen.
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

feit 1

op 15 december 2015 te Almere, tezamen en in vereniging met een ander, [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door met een vuurwapen een kogel door het hoofd van voornoemde [slachtoffer] te schieten, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] zodanige verwondingen heeft opgelopen dat hij daardoor is overleden;feit 2
op 15 december 2015 te Almere, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met een personenauto (merk/type BMW/M5), ten gevolge waarvan voornoemde personenauto is verbrand en daarvan gemeen gevaar voor de nabijgelegen schuur, stoeptegels en een lantaarnpaal te duchten was;

feit 3op 15 december 2015 te Almere, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk en wederrechtelijk één schuur en één lantaarnpaal en stoeptegels, telkens toebehorend aan een ander, te weten aan respectievelijk [benadeelde 3] en/of de vereniging van eigenaren [benadeelde 4] , [benadeelde 5] en woningstichting [benadeelde 6] , heeft beschadigd;
feit 4

in de periode van 27 september 2015 tot en met 15 december 2015 te Almere en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, een goed, te weten een personenauto (merk/type/oorspronkelijk kenteken: BMW/M5/ [kenteken] ) heeft verworven en voorhanden gehad, terwijl hij en zijn mededader ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wisten dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen onder 1, 2, 3 en 4 meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

feit 1

feit 2 en 3

telkens medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten isenopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen;
feit 4

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 22 jaren met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
8.2 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.
De ernst van de feiten

Op de ochtend van 15 december 2015 is [slachtoffer] voor zijn woning neergeschoten, met één gericht schot van dichtbij door het hoofd. Op hetzelfde moment bevonden zijn echtgenote en zoon zich in die woning. Die dag begon voor zijn toen 17-jarige zoon in zijn slaapkamer doordat hij werd gewekt door het lawaai van sirenes, die kamer door het schijnsel van zwaailichten verlicht. Moeder en zoon zijn door ongeloof en grote ontreddering bevangen, terwijl hun echtgenoot en vader zwaargewond op straat lag. Reanimatie en medische zorg mochten niet baten, [slachtoffer] is korte tijd later aan de schotwond overleden. Dat deze gebeurtenis in het leven van echtgenote en zoon een diepe tragedie heeft ingeluid behoeft geen nadere toelichting. Verdachte heeft het onherstelbare verlies van [slachtoffer] , als echtgenoot en vader, op zijn geweten.
Voor de uitvoering van deze koelbloedig uitgevoerde moord - gepleegd volgens het inmiddels gebruikelijke patroon van schieten, vluchten en het elders achterlaten van een brandende vluchtauto - is verdachte naast ook een ander verantwoordelijk. Samen met zijn tegelijkertijd berechte mededader heeft hij de moord zowel feitelijk voorbereid als gepleegd. Een andere relatie tussen verdachte en [slachtoffer] dan die van dader en slachtoffer is niet gelegd. Zij waren volstrekt onbekenden voor elkaar. Reeds met deze vaststelling is het uiterst kille karakter van dit gepleegde misdrijf gegeven.

Een aan deze zaak verbonden aspect dat niet onvermeld kan blijven is dat niet is gebleken van enige verbinding van het slachtoffer bij leven aan het reguliere criminele milieu. De daardoor ontstane verbazing dat hij niettemin door dit noodlot is getroffen is in enige mate weggenomen doordat de officier van justitie heeft gewezen op bestaande vermoedens dat vanuit Iran de politieke achtergrond van [slachtoffer] van betekenis en zelfs bepalend is geweest. Echter, wat dat betreft is niets vastgesteld kunnen worden, aldus de officier van justitie.

Wat er van die vermoedens ook zij, op grond van de resultaten van het opsporingsonderzoek is komen vast te staan dat verdachte bereid en in staat is gebleken om deze moord op bestelling te plegen, naar mag worden aangenomen tegen (het vooruitzicht op) betaling. In zoverre lijkt de wijze van uitvoering van de moord naadloos aan te sluiten op verdachtes motief: het uit financieel gewin berekenend en koelbloedig elimineren van een medemens, onverschillig waarom. Dat van onverschilligheid moet worden gesproken is in deze zaak op grond van de inhoud van onderschept en ontsleuteld berichtenverkeer van zijn mededader zelfs woordelijk vastgesteld. Het waarom van deze moord, ook daaraan heeft verdachte in het geheel geen boodschap gehad. Kortom, volslagen gewetenloosheid aan de zijde van verdachte.
De persoon van verdachte

Zijn deze vaststellingen op zichzelf beschouwd al somber stemmend, het in het bestek van deze procedure van de persoon van verdachte verkregen beeld versterkt die stemming onmiskenbaar. In dat verband stelt de rechtbank vast dat het verdachte kennelijk ontbreekt aan enig normbesef, omdat hij geen antwoord heeft willen geven op aan hem door de politie en rechtbank gestelde vragen. Naar de rechtbank aanneemt calculeert verdachte zowel in vrijheid als in detentie zijn kansen en meent hij dat stelselmatig zwijgen in plaats van het beantwoorden van vragen zijn kans vergroot op het ontspringen van de strafrechtelijke dans
Aan het van verdachtes persoon verkregen beeld draagt ook zijn strafrechtelijk verleden bij. Volgens het op zijn naam gestelde uittreksel Justitiële documentatie van 12 februari 2019 is hij vanaf jeugdige leeftijd zeer vaak met de strafrechter in aanraking geweest, veelal ter zake van misdrijven waaraan een geweldscomponent is verbonden. Van alle strafrechtelijke veroordelingen tot gevangenisstraf springt in het bijzonder de veroordeling door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in 2012 in het oog: een gevangenisstraf van 10 jaren en 11 maanden ter zake van doodslag, volgens de door de officier van justitie gegeven toelichting door hem gepleegd in het criminele milieu. Door in 2015 en nota bene tijdens de detentiefasering van de voor die doodslag opgelegde straf andermaal en zeer ernstig in de fout te gaan, terwijl hij weigert daarover enige opening van zaken te geven, ontbreekt het de rechtbank aan een redelijk aanknopingspunt voor het belichten van meer of andere aspecten van verdachtes persoon. De rechtbank kan daarom, waar het gaat om de persoon van verdachte niet meer of anders dan het bij de straftoemeting slechts in zijn nadeel betrekken van dit strafrechtelijk verleden. De rechtbank waardeert de vordering van de officier van justitie in zoverre als onvoldoende evenwichtig, gelet op zijn uiteenzetting daarvan. Dit door de rechtbank gereleveerde strafrechtelijk verleden leidt de officier van justitie tot een strafverhoging van twee jaren, gerekend vanuit zijn uitgangspunt van een op te leggen gevangenisstraf van twintig jaren. De rechtbank zal de officier van justitie daarin niet zonder meer volgen, omdat daarmee onvoldoende recht wordt gedaan aan dat verleden, zoals zal blijken uit de hierna te bepalen strafmaat.

De oplegging van straf

Waar het gaat om de met bestraffing van verdachte nagestreefde doelen geldt het volgende.De rechtbank stelt vast dat het Openbaar Ministerie de voorbije jaren in staat is gebleken om een aanzienlijk aantal soortgelijke zaken - de zogenoemde liquidatiezaken: moorden op bestelling waaraan geld wordt verdiend - aan de strafrechter ter beoordeling en beslissing voor te leggen. Is vanzelfsprekend geen enkele zaak identiek aan een andere, de grote gemene deler is dat de daders van moorden van deze buitencategorie worden bestraft met zeer langdurige gevangenisstraffen. Daarmee wordt niet slechts beoogd om aangedaan leed te vergelden en de samenleving voor herhaling door middel van detentie te beschermen, maar ook om te markeren dat eigenrichting kan rekenen op zware vergelding door de overheid. Met die vergelding beoogt de strafrechter ook anderen die zich reeds in of in de nabijheid van dat criminele milieu bevinden ervan te weerhouden zich met het plegen van dit soort misdrijven in te laten. De rechtbank kan de officier van justitie volgen in zijn beredeneerde uitgangspunt van twintig jaren gevangenisstraf. De andere bewezen geachte misdrijven rechtvaardigen op zichzelf beschouwd strafverhoging, doch het hoeft geen nader betoog dat het soortelijk gewicht daarvan in het licht van de bewezen geachte moord nagenoeg is verdampt. Zoals hierboven is aangekondigd en uiteengezet zal de rechtbank verdachte zwaarder straffen dan door de officier van justitie is gevorderd, omdat die vordering onvoldoende recht doet aan de ernst van de feiten en de persoon van verdachte.
De rechtbank is daarom - alles overwegende - van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 25 jaren, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, passend en geboden is.

Voor aanvang van de terechtzitting hebben de nabestaanden van [slachtoffer] , te weten [benadeelde 1] en [benadeelde 2] zich als benadeelde partijen in het geding gevoegd en vorderingen ingediend ter vergoeding van schade ten gevolge van het aan verdachte onder 1 ten laste gelegde feit. Zij zijn hiertoe vertegenwoordigd en bijgestaan door mr. R. Korver, die de vorderingen ter terechtzitting heeft toegelicht.

De vordering van [benadeelde 1]

De hoogte van de door Nessar geleden schade wordt door haar begroot op:
Materiële schade:Reis- en parkeerkosten eerste aanleg € 205,36Toekomstige reiskosten € 500,00Toekomstige medische kosten (psycholoog) € 1.000,00Gederfd levensonderhoud € 212.285,00Kosten lijkbezorging/overlijden € 7.375,95Kosten grafsteen € 2.246,00Kosten factuur [expertisebureau] € 2.354,92Kosten eigen risico de heer [slachtoffer] (rit ambulance naar AMC) Totaal materiële schade € 226.263,48
Immateriële schade:Shockschade € 25.000,00
Totaal: € 251.263,48

De vordering van [benadeelde 2]

De hoogte van de door [benadeelde 2] geleden schade wordt door hem begroot op:
Materiële schade:Toekomstige reiskosten € 100,00Toekomstige medische kosten € 1.000,00Gederfd levensonderhoud Totaal materiële schade € 22.381,00
Immateriële schade:Shockschade € 25.000,00
Totaal: € 47.381,00

9.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft het volgende aangevoerd. De gevorderde reis- en parkeerkosten zijn niet aan te merken als schade die rechtstreeks is geleden door het strafbare feit, maar als proceskosten, zodat dit deel van de vorderingen moet worden afgewezen. Deze kosten kunnen echter wel bij afzonderlijke beslissing ex artikel 592a Sv worden vergoed. Ten aanzien van de toekomstige reiskosten en toekomstige medische kosten moeten de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat deze kosten nog niet zijn gemaakt.

De gevorderde kosten voor het opstellen van het rapport door [expertisebureau] , van het eigen risico van de heer [slachtoffer] en van lijkbezorging en grafsteen kunnen worden toegewezen. Ten aanzien van de posten gederfd levensonderhoud geldt dat de beoordeling van deze schadepost een onevenredige belasting van het strafgeding vormt. De officier van justitie stelt zich daarom op het standpunt dat de rechtbank de omvang daarvan dient te schatten en de vorderingen voor dat deel toe te wijzen, en voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren.

Daarnaast kunnen de immateriële schadevergoedingen, bestaande uit shockschade, worden toegewezen tot een bedrag van € 20.000,-.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte hoofdelijk met zijn mededader wordt veroordeeld tot betaling van de toegewezen schadevergoedingen en dat de toegewezen schadevergoedingen worden vermeerderd met de wettelijke rente. Daarnaast heeft de officier van justitie de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.

9.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van de posten reis- en parkeerkosten eerste aanleg, kosten lijkbezorging/overlijden, kosten grafsteen, kosten factuur [expertisebureau] en kosten eigen risico de heer [slachtoffer] gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van de overige posten heeft de raadsman het volgende aangevoerd.

Het bestaan van shockschade blijkt niet zonder meer uit de stukken en ook de gevorderde hoogte kan hieruit niet worden afgeleid. Derhalve moet er nader onderzoek plaatsvinden, wat een onevenredige belasting van het strafgeding met zich brengt. Om die reden dienen de benadeelde partijen in dit deel van hun vorderingen niet-ontvankelijk te worden verklaard. De beoordeling van de juistheid van de vorderingen ten aanzien van het gederfde levensonderhoud leveren eveneens een onevenredige belasting van het strafgeding op. Benadeelde partijen moeten om die reden ook niet-ontvankelijk worden verklaard in dat deel van hun vorderingen. De raadsman heeft in dat kader gewezen op de korte voorbereidingsperiode tussen het indienen van de vordering op 1 maart 2019, het ontvangen van de medische stukken op 22 maart 2019 en de behandeling ter terechtzitting.

Daarnaast dienen de toekomstige kosten te worden afgewezen.

9.3 Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de vorderingen van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] voor zover betrekking hebbende op shockschade, gederfd levensonderhoud en toekomstige schade

Ten aanzien van de gevorderde shockschade stelt de rechtbank voorop dat zogenoemde shockschade op grond van artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) volgens vaste jurisprudentie voor vergoeding in aanmerking komt, indien als gevolg van de bewezen verklaarde feiten sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld dat voortvloeit uit een hevige emotionele schok door het waarnemen van het misdrijf of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen daarvan.

Vaststaat dat Nessar zeer kort nadat haar echtgenoot is neergeschoten en als gevolg daarvan is overleden, is geconfronteerd met de aanblik van diens levenloze lichaam op straat voor hun gezamenlijke woning. Ook in het ziekenhuis is zij geconfronteerd met het lichaam van haar man. Nessar heeft in deze procedure gesteld en met medische stukken onderbouwd dat zij als gevolg van deze gebeurtenis een posttraumatische stressstoornis (PTSS) heeft ontwikkeld, waarvoor zij in behandeling is en EMDR-therapie ondergaat. Naar het oordeel van de rechtbank staat het causale verband daarmee voldoende vast. [benadeelde 2] bevond zich die bewuste dag in de woning, op een paar meter afstand van de plaats delict. Hij werd wakker van sirenes en zwaailichten en trof zijn moeder in paniek aan. Hij wilde naar buiten maar werd tegengehouden door de politie. Hij hoorde toen van zijn moeder dat zijn vader voor de woning op straat lag en later dat hij was neergeschoten. In het ziekenhuis werd hij geconfronteerd met het letsel van zijn vader. [benadeelde 2] heeft in deze procedure gesteld en met medische stukken onderbouwd dat hij als gevolg van deze gebeurtenis een persisterende complexe rouwstoornis heeft ontwikkeld. Deze stoornis kan in de DSM-5 worden geclassificeerd als een “andere gespecificeerde psychotrauma- of stressor gerelateerde stoornis”. Naar het oordeel van de rechtbank staat het causale verband daarmee voldoende vast.

De rechtbank overweegt dat gelet op het voorgaande vaststaat dat sprake is van shockschade als rechtstreeks gevolg van de jegens verdachte bewezenverklaarde moord. De verdediging heeft de hoogte van de vorderingen als zodanig niet betwist. De rechtbank begroot deze schade in redelijkheid op de gevorderde bedragen ad € 25.000 en wijst de vorderingen tot dit bedrag toe.

Ten aanzien van de gevorderde schade bestaande uit gederfd levensonderhoud overweegt de rechtbank als volgt.

De benadeelde partijen baseren hun vorderingen op artikel 6:108, eerste lid BW. Voor de berekening van de gevorderde schade is aangesloten bij de door de Letselschaderaad en de Denktank Overlijdensschade opgestelde Richtlijn Rekenmodel Overlijdensschade. Deze richtlijn is een binnen de rechtspraak algemeen geaccepteerde rekenmethode voor de berekening van overlijdensschade. Op basis van deze richtlijn heeft het expertisebureau [expertisebureau] aan de hand van onderbouwde en verifieerbare uitgangspunten berekend wat de omvang is van het door de benadeelde partijen gederfde levensonderhoud. De verdediging heeft daar tegenover enkel gesteld dat deze vordering te complex zou zijn en uitvoerig nader onderzoek nodig is, waarvoor gelet op de datum van indiening van de vordering geen tijd meer was. Om die reden zou de behandeling van deze vordering een onevenredige belasting van het strafgeding betekenen.
De rechtbank is van oordeel dat het tijdstip van indiening van de vordering (1 maart 2019) de verdediging voldoende tijd heeft gegeven om ter terechtzitting op zijn minst een begin van betwisting te formuleren, maar stelt vast dat daarvan in het geheel geen sprake is. De rechtbank is van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden, bestaande uit gederfd levensonderhoud en dat verdachte tot vergoeding van die schade is gehouden. De rechtbank acht de vordering toewijsbaar tot na te melden bedrag. De rechtbank acht het redelijk om de schade te begroten zoals die is berekend, zodat de totale schade van Nessar € 212.285,00 bedraagt en die van [benadeelde 2] € 21.281,00.

Ten aanzien van de gevorderde toekomstige schade oordeelt de rechtbank dat ongewis is of en zo ja, in welke omvang deze zich zal voordoen. Overeenkomstig de standpunten van de benadeelde partijen, de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de benadeelde partijen in zoverre niet in hun vorderingen kunnen worden ontvangen.

De vordering van [benadeelde 1] voor het overige

Met betrekking tot de gevorderde schade die bestaat uit de schadevaststellingskosten van Expertisebureau [expertisebureau] overweegt de rech