Uitspraak ECLI:NL:RBMNE:2019:1448

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 10-04-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Midden-Nederland op 10-04-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBMNE:2019:1448, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 16/700026-17 (P)


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrechtZittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16/700026-17 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 10 april 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,
geboren op [1959] te [geboorteplaats] (Israël),gedetineerd te PI Overijssel, PIV Zwolle.

ECLI:NL:RBMNE:2019:1448:DOC
nl

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrechtZittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16/700026-17 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 10 april 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,
geboren op [1959] te [geboorteplaats] (Israël),gedetineerd te PI Overijssel, PIV Zwolle.
1

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 22 augustus 2017, 14 november 2017, 8 februari 2018, 7 mei 2018, 17 juli 2018, 25 september 2018, 18 december 2018 (pro forma-/regiezittingen), 12 en 13 maart 2019 (inhoudelijke behandeling) en 27 maart 2019 (sluiting onderzoek).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officieren van justitie mr. J. Beumer-Gonggrijp en mr. M.H. Hoogendam en van hetgeen verdachte en mr. W.R. Jonk (en zijn kantoorgenoten mr. J. Veenstra en mr. A.J. Sprey), advocaat te Almere, alsmede de benadeelde partij, bijgestaan door mr. F.A. ten Berge, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht.

2

De tenlastelegging is op de zitting van 18 december 2018 nader omschreven. De nader omschreven tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: in de periode van 31 januari 2017 tot en met 3 februari 2017 te [woonplaats] , samen met een ander, [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd door haar ibogaïne toe te dienen en haar vóór, tijdens en na deze behandeling niet adequaat te begeleiden (primair), dan wel zich hiermee schuldig heeft gemaakt aan het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, waaraan [slachtoffer 1] is overleden (subsidiair), althans zich hiermee heeft schuldig gemaakt aan dood door schuld (meer subsidiair);

feit 2: in de periode van 31 januari 2017 tot en met 3 februari 2017 te [woonplaats] , samen met een ander, [slachtoffer 1] in een hulpeloze toestand heeft gebracht of gelaten, welk feit de dood van die [slachtoffer 1] tot gevolg heeft gehad;

feit 3: in de periode van 5 december 2016 tot en met 3 februari 2017 te [woonplaats] , samen met een ander, aan [slachtoffer 1] ibogaïne heeft verstrekt en daarbij heeft verzwegen dat deze stof een schadelijk karakter heeft voor het leven of de gezondheid, terwijl [slachtoffer 1] hieraan is overleden;

feit 4: in de periode van 1 januari 2014 tot en met 30 januari 2017 te [woonplaats] , samen met een ander, aan [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 6] en één of meer ander(en) ibogaïne heeft verstrekt en daarbij heeft verzwegen dat deze stof een schadelijk karakter voor het leven of de gezondheid heeft;

feit 5: in de periode van 1 januari 2014 tot en met 17 januari 2016 te [woonplaats] , samen met een ander, [slachtoffer 3] , [slachtoffer 6] en één of meer ander(en) heeft behandeld met ibogaïne, waardoor zij (een aanmerkelijke kans op) schade heeft veroorzaakt aan de gezondheid van deze personen en terwijl zij wist of ernstige reden had te vermoeden dat die (aanmerkelijke kans op) schade zou ontstaan;

feit 6: in de periode van 18 januari 2016 tot en met 3 februari 2017 te [woonplaats] , samen met een ander, [slachtoffer 1] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 5] en één of meer ander(en) heeft behandeld met ibogaïne, waardoor zij (een aanmerkelijke kans op) schade heeft veroorzaakt aan de gezondheid van deze personen en terwijl zij wist of ernstige reden had te vermoeden dat die (aanmerkelijke kans op) schade zou ontstaan, welke schade (in elk geval) bestond uit het overlijden van [slachtoffer 1] als gevolg van de intoxicatie met ibogaïne.

3

3.1
De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie (feiten 4, 5 en 6)

3.1.1
Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging ten aanzien van de feiten 4, 5 en 6. Verdachte is overgeleverd op grond van een Europees aanhoudingsbevel (hierna: EAB). In dit bevel is -kort gezegd- als verdenking omschreven dat verdachte betrokken zou zijn bij de dood van [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) op 3 februari 2017. Volgens artikel 27 van het Kaderbesluit 2002/584/JBZ betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten van 13 juni 2002 (hierna: Kaderbesluit EAB) kan “een overgeleverd persoon niet [worden] vervolgd, berecht of anderszins van zijn vrijheid beroofd wegens enig ander vóór de overlevering begaan feit dan dat welk de reden tot de overlevering is geweest”.De verdediging heeft betoogd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van feit 4, omdat daarin een andere periode ten laste is gelegd dan genoemd in het EAB en de vermeende slachtoffers niet zijn genoemd in het EAB. Ook bij feit 5 is sprake van een andere periode en andere vermeende slachtoffers. Bovendien betreft dit een ander strafbaar feit (artikel 96 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg, hierna: Wet BIG) dan waarvoor de overlevering is toegestaan (de artikelen 174, 255, 257 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, hierna: Sr). Ook voor feit 5 dient het Openbaar Ministerie daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard. Hetzelfde geldt voor feit 6. Subsidiair heeft de verdediging bepleit het Openbaar Ministerie voor feit 6 gedeeltelijk niet-ontvankelijk te verklaren, namelijk voor zover dit feit ziet op anderen dan [slachtoffer 1] .
3.1.2
Het standpunt van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben primair gesteld dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging van de feiten 4, 5 en 6, nu deze feiten niet als “andere feiten” in de zin van het Kaderbesluit zijn aan te merken, maar voortvloeien uit de in het EAB gegeven omschrijving van de strafbare feiten. In deze feitsomschrijving wordt ook de Wet BIG genoemd. Subsidiair hebben de officieren van justitie (voorwaardelijk) verzocht de zaak aan te houden en het Openbaar Ministerie in de gelegenheid te stellen om aanvullende toestemming voor de vervolging en berechting van de feiten 4 tot en met 6 te vragen aan de Duitse autoriteiten.
3.1.3
Het oordeel van de rechtbank

De overleveringsprocedure

De rechtbank stelt vast dat verdachte op grond van een EAB door de Duitse autoriteiten is overgeleverd aan Nederland.
In het EAB wordt -kort gezegd- als verdenking omschreven dat verdachte mogelijk betrokken is geweest bij de dood van [slachtoffer 1] op 3 februari 2017. Daarbij worden de volgende strafbare feiten genoemd: het verkopen van schadelijke waren met de dood ten gevolge (artikel 174 Sr), doodslag (artikel 287 Sr) en het verlaten van een hulpbehoevende met de dood ten gevolge (artikel 255 en 257 Sr). In de lijst met strafbare feiten, zoals opgenomen in het aanhoudingsbevel, is als lijstfeit “moord en doodslag, zware mishandeling” aangekruist. In de beschikking van het Oberlandesgericht Frankfurt am Main van 12 april 2017, waarin de overlevering wordt toegestaan, is opgenomen dat de verdenking volgens de Duitse wet tenminste als “dood door schuld” of “het nalaten van hulpverlening met als gevolg de dood van de hulpbehoevende” strafbaar is.

Verdachte is na haar overlevering op 15 mei 2017 voorgeleid aan de rechter-commissaris. In de vordering tot inbewaringstelling is, behalve de in het EAB opgenomen feiten, ook overtreding van artikel 96 van de Wet BIG vermeld ten aanzien van [slachtoffer 1] . Sindsdien bevindt verdachte zich in voorlopige hechtenis op grond van deze feiten.

Op 18 december 2018 is door het Openbaar Ministerie een vordering tot nadere omschrijving van de tenlastelegging (ex artikel 314a Wetboek van Strafvordering) ingediend. Deze vordering is toegewezen. Deze uitbreiding van de tenlastelegging betreft:

Het specialiteitsbeginsel

In artikel 27, tweede lid, van het Kaderbesluit EAB is het specialiteitsbeginsel opgenomen. Dit specialiteitsbeginsel houdt in dat een verdachte niet mag worden vervolgd, berecht of van zijn vrijheid mag worden beroofd wegens enig ander vóór de overlevering begaan strafbaar feit dan dat welke de reden voor de overlevering is geweest.
De bescherming van het specialiteitsbeginsel strekt zich uit over alle feiten die gelegen zijn voor de pleegdatum van het feit waarvoor de overlevering heeft plaatsgevonden. Een pas na de overlevering ontstane verdenking doet daar niet aan af.

Artikel 27, derde lid, van het Kaderbesluit EAB bevat een opsomming van uitzonderingen die het specialiteitsbeginsel doorbreken.

De rechtbank dient te beoordelen of in de zaak tegen verdachte het specialiteitsbeginsel geschonden is. De rechtbank ziet zich daarbij allereerst voor de vraag gesteld of de feiten 4, 5 en 6, waarmee de tenlastelegging na de overlevering van verdachte is uitgebreid, moeten worden beschouwd als “andere feiten” in de zin van artikel 27, tweede lid, van het Kaderbesluit EAB. Indien dat het geval is, dient de rechtbank vervolgens per feit te beoordelen of sprake is van één van de in artikel 27, derde lid, van het Kaderbesluit EAB genoemde uitzonderingen.

“Ander feit” in de zin van artikel 27 Kaderbesluit EAB?

In de uitspraak van het Hof van Justitie van 1 december 2008 (Leymann en Pustovarov, ECLI:EU:C:2008:669) wordt met betrekking tot de vraag wanneer sprake is van een “ander feit” in de zin artikel 27, tweede lid, Kaderbesluit EAB het volgende overwogen: “Om uit te maken of al dan niet sprake is van enig ander feit dan dat welk de reden tot de overlevering is geweest, moet worden nagegaan of de bestanddelen van het strafbare feit, volgens de wettelijke omschrijving die in de uitvaardigende lidstaat daarvan is gegeven, die zijn waarvoor de persoon is overgeleverd en of er voldoende overeenstemming is tussen de gegevens in het aanhoudingsbevel en de gegevens in de latere procedurele handeling. Wijzigingen in de omstandigheden tijd en plaats zijn toegestaan, mits zij volgen uit de elementen die zijn verzameld tijdens de procedure die in de uitvaardigende lidstaat is gevolgd met betrekking tot de in het aanhoudingsbevel omschreven gedragingen, zij de aard van het strafbare feit niet wijzigen en zij niet leiden tot gronden tot weigering van de tenuitvoerlegging in de zin van de artikelen 3 en 4 van het kaderbesluit.”
Het Hof van Justitie doelt met de term ‘de bestanddelen’ niet op bestanddelen van de delictsomschrijving maar op de in het EAB aangevinkte lijstfeit in de zin van artikel 2, tweede lid, van het Kaderbesluit EAB. Bij de lijstfeiten is de voor overlevering vereiste dubbele strafbaarheid gegeven. Bij de beoordeling of sprake is van een “ander feit” in de zin van artikel 27, tweede lid, van het Kaderbesluit EAB moet daarom worden beoordeeld of het feit blijft vallen binnen het op het EAB aangevinkte lijstfeit. Voorts is van belang dat de aard van het strafbare feit niet wijzigt, waarbij ook relevant is dat de kwalificatie naar nationaal recht niet wezenlijk anders is dan het delict waarvoor is overgeleverd.

Hiervoor is aangegeven dat in deze zaak in het EAB als lijstfeit is aangevinkt: “moord en doodslag, zware mishandeling” en dat bij de strafbare feiten de artikelen 174, 255, 257 en 287 Sr genoemd zijn.

De rechtbank overweegt dat feit 4 betrekking heeft op overtreding van artikel 174 Sr ten aanzien van [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 6] en één of meer ander(en). De verweten handelingen met betrekking tot deze personen worden niet omschreven in het EAB en zijn eveneens niet betrokken bij de beslissing tot overlevering van de Duitse rechter. Artikel 174 Sr is weliswaar genoemd in het EAB, maar dat artikel ziet, gelet op de overige inhoud van het EAB, op het verkopen van schadelijke waren aan [slachtoffer 1] met haar dood tot gevolg. Naar het oordeel van de rechtbank is er onvoldoende overeenstemming tussen de gegevens in het EAB en het in het EAB aangevinkte lijstfeit en dit aan verdachte ten laste gelegde feit, zodat dit feit moet worden beschouwd als een “ander feit” in de zin van artikel 27, tweede lid, van het Kaderbesluit EAB.

Ook ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde feit gaat het om personen die niet in het EAB worden genoemd. Bovendien is bij dit feit, artikel 96 (oud) Wet BIG, sprake van een andere kwalificatie naar nationaal recht dan de feiten waarvoor overlevering is gevraagd. Daarnaast valt dit feit niet binnen hetzelfde “lijstfeit” waarvoor de overlevering van verdachte is gevraagd.

Feit 6, dat betrekking heeft op artikel 96 (nieuw) Wet BIG, moet eveneens als een “ander feit” in de zin van artikel 27, tweede lid, van het Kaderbesluit EAB worden beschouwd. Voor een deel ziet dit feit op andere personen dan waarvoor de overlevering van verdachte is gevraagd. Voor zover dit feit ziet op het slachtoffer [slachtoffer 1] , betreft het hier een andere kwalificatie dan waarvoor de overlevering is gevraagd en valt dit feit niet binnen hetzelfde “lijstfeit” dat de grondslag heeft gevormd voor de overlevering.

Tussenconclusie

De tussenconclusie van de rechtbank is dat de feiten 4, 5 en 6 “andere feiten” in de zin van artikel 27, tweede lid, van het Kaderbesluit EAB zijn. De rechtbank zal nu beoordelen of het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging van deze feiten.
Ontvankelijkheid Openbaar Ministerie ten aanzien van de feiten 4, 5 en 6 (niet betrekking hebbend op [slachtoffer 1] )

De rechtbank overweegt ten aanzien van feit 5 het volgende. In artikel 2, eerste lid, Kaderbesluit EAB is neergelegd dat sprake moet zijn van “feiten die door de wet van de uitvaardigende lidstaat strafbaar zijn gesteld met een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel, met een maximum van ten minste twaalf maanden”. Artikel 96 (oud), tweede lid, Wet BIG kent echter een strafmaximum van zes maanden gevangenisstraf. Het ‘Handboek voor het uitvaardigen van een Europees aanhoudingsbevel’ (2017/C 335/01) geeft onder 2.3 de mogelijkheid aan de officier van justitie om desondanks toestemming tot overlevering te vragen als zogenaamd ‘maar vast staat dat de officier van justitie in de onderhavige zaak daarvan geen gebruik heeft gemaakt.
De rechtbank merkt ten aanzien van feit 6 op dat artikel 96 Wet BIG op 1 januari 2016 is gewijzigd. Het strafmaximum is bij die wetswijziging (wat betreft de misdrijfvariant) verhoogd van een gevangenisstraf van zes maanden naar een gevangenisstraf van twee jaar. Daarmee voldoet dit feit, anders dan feit 5, aan de eis van artikel 2, eerste lid, van het Kaderbesluit EAB dat het feit “in de uitvaardigende lidstaat strafbaar [is] gesteld met een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel, met een maximum van ten minste twaalf maanden”. De officier van justitie heeft ook voor dit feit, evenals voor feit 4, geen (aanvullende) toestemming tot overlevering gevraagd.

Wat betreft de feiten 4, 5 en 6, voor zover dit laatste feit ziet op anderen dan [slachtoffer 1] , constateert de rechtbank dat voor deze feiten geen voorlopige hechtenis is toegepast. Op 18 december 2018 zijn deze feiten aan de tenlastelegging toegevoegd, zonder dat door het Openbaar Ministerie is gevorderd ook voor deze feiten de voorlopige hechtenis van verdachte te bevelen.

Artikel 27, derde lid, sub c, van het Kaderbesluit EAB bepaalt dat het specialiteitsbeginsel “niet van toepassing [is] in gevallen waarin de strafvervolging niet leidt tot de toepassing van een maatregel die zijn persoonlijke vrijheid beperkt.” Volgens de uitspraak van het Hof van Justitie van 1 december 2008 (Leymann en Pustovarov) moet deze uitzondering als volgt worden uitgelegd: “Wanneer sprake is van enig ander feit dan dat welk de reden tot de overlevering is geweest, moet overeenkomstig artikel 27, lid 4, van het kaderbesluit toestemming worden gevraagd en verkregen indien een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel moet worden ten uitvoer gelegd. De overgeleverde persoon kan voor dat strafbare feit worden vervolgd en berecht alvorens die toestemming is verkregen, op voorwaarde dat geen vrijheidsbeperkende maatregel wordt opgelegd tijdens de vervolging of de berechting van dat feit. De uitzondering van artikel 27, lid 3, sub c, staat er echter niet aan in de weg dat de overgeleverde persoon een vrijheidsbeperkende maatregel wordt opgelegd alvorens de toestemming wordt verkregen, op voorwaarde dat die maatregel wettelijk gerechtvaardigd is door andere tenlasteleggingen in het Europees aanhoudingsbevel.”
De uitzondering van artikel 27, derde lid, sub c, van het Kaderbesluit EAB brengt dus met zich dat de betrokken persoon zonder toestemming van de uitvoerende justitiële autoriteit kan worden vervolgd en berecht voor een ander feit dan ter zake waarvan hij is overgeleverd, voor zover voor dat feit geen voorlopige hechtenis is toegepast.

Toegepast op de zaak tegen verdachte betekent dit dat het specialiteitsbeginsel niet van toepassing is op de feiten 4, 5 en 6, voor zover dit laatste feit ziet op anderen dan [slachtoffer 1] , nu voor deze feiten geen voorlopige hechtenis is toegepast. Verdachte mocht dus voor deze feiten worden vervolgd en berecht. Wanneer voor deze feiten aan verdachte een vrijheidsbenemende straf zal worden opgelegd, kan deze echter pas ten uitvoer worden gelegd nadat door het Openbaar Ministerie alsnog aanvullende toestemming van de Duitse autoriteiten wordt verkregen.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging van verdachte wat betreft de feiten 4, 5 en 6, voor zover dat laatste feit ziet op anderen dan [slachtoffer 1] .

Ontvankelijkheid Openbaar Ministerie ten aanzien van feit 6 (met betrekking tot [slachtoffer 1] )

Wat betreft feit 6, voor zover dit betrekking heeft op [slachtoffer 1] , is voorlopige hechtenis toegepast. De uitzondering van artikel 27, derde lid, sub c, van het Kaderbesluit EAB is daarom niet van toepassing. De rechtbank stelt vast dat er ook geen andere uitzonderingen genoemd in artikel 27, derde lid, van het Kaderbesluit EAB van toepassing zijn. Het specialiteitsbeginsel biedt daarom voor dit feit bescherming aan verdachte. Dientengevolge had het Openbaar Ministerie verdachte niet mogen vervolgen voor dit feit. Er is sprake van een vervolgingsbeletsel, op grond waarvan het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk wordt verklaard in de vervolging van feit 6 ten aanzien van [slachtoffer 1] .
Conclusie

De rechtbank verklaart het Openbaar Ministerie ontvankelijk in de vervolging ten aanzien van de feiten 4, 5 en 6, voor zover dit laatste feit betrekking heeft op anderen dan [slachtoffer 1] .
De rechtbank verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van feit 6, voor zover dit laatste feit betrekking heeft op [slachtoffer 1] .

Voorwaardelijk verzoek tot aanhouding

Het Openbaar Ministerie heeft de rechtbank voorwaardelijk verzocht om de zaak aan te houden en het Openbaar Ministerie alsnog in de gelegenheid te stellen om aanvullende toestemming voor de vervolging en berechting van verdachte te vragen aan de Duitse autoriteiten. De rechtbank wijst dit verzoek af. Ten aanzien van feit 6, voor zover dit feit betrekking heeft op [slachtoffer 1] , is sprake van een vervolgingsbeletsel, terwijl voor dit feit geen overlevering of aanvullende toestemming was gevraagd aan de Duitse autoriteiten. Dit vervolgingsbeletsel kan niet achteraf, door het alsnog vragen van toestemming aan de Duitse autoriteiten, worden gerepareerd. De rechtbank wijst daarom het voorwaardelijk verzoek tot aanhouding van de zaak af.
- feit 4: overtreding van artikel 174 Sr, in de periode van 1 januari 2014 tot en met 30 januari 2017 ten aanzien van [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 6] en één of meer ander(en);- feit 5: overtreding van artikel 96 van de Wet BIG, in de periode van 1 januari 2014 tot en met 17 januari 2016, ten aanzien van [slachtoffer 3] , [slachtoffer 6] en één of meer ander(en);- feit 6: overtreding van artikel 96 van de Wet BIG, in de periode van 18 januari 2016 tot en met 3 februari 2017, ten aanzien van [slachtoffer 4] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 5] en één of meer ander(en).

3.2
Overige voorvragen

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4

4.1
Het standpunt van de officieren van justitie

De officieren van justitie achten het onder 1 primair, 2, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.
4.2
Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 primair, subsidiair en meer subsidiair, het onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde. Wat betreft de feiten 5 en 6 heeft de raadsman betoogd dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte wist of ernstige reden had te vermoeden dat de ibogaïnebehandeling schade of een aanmerkelijke kans op schade zou veroorzaken. Om die reden dient verdachte, volgens de raadsman, van de misdrijfvariant van artikel 96 Wet BIG te worden vrijgesproken. De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de (impliciet subsidiair) ten laste gelegde overtreding.
Daarnaast heeft de raadsman verschillende standpunten met betrekking tot het bewijs naar voren gebracht. Deze zullen, voor zover relevant, hierna worden besproken onder het oordeel van de rechtbank.

4.3
Het oordeel van de rechtbank

4.3.1
Inleiding

De rechtbank zal bij de waardering van het bewijs in de eerste plaats stilstaan bij de feiten en omstandigheden zoals die zich, naar het oordeel van de rechtbank, in deze zaak hebben voorgedaan. Vervolgens zal de rechtbank stilstaan bij de vraag of deze feiten en omstandigheden de strafbare feiten opleveren zoals die door het Openbaar Ministerie aan verdachte zijn ten laste gelegd.
De hierna weergegeven bewijsmiddelen worden steeds gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud uitdrukkelijk betrekking hebben. Sommige onderdelen van de bewijsmiddelen hebben niet betrekking op alle feiten, maar op één of meerdere feiten.

4.3.2
De bewijsmiddelen
_bf0620ef-2c63-4f14-8404-e3c63154131e

Situatie ter plaatse

Verbalisant [verbalisant 1] vermeldt in zijn proces-verbaal van bevindingen dat hij op 3 februari 2017 om 16.38 uur een melding kreeg om te gaan naar de [adres] te [woonplaats] , binnen de gemeente Stichtse Vecht. Daar zou iemand onwel geworden zijn en gereanimeerd worden. Van de meldkamer kreeg [verbalisant 1] door dat de onwelwording plaats zou vinden in een Bed and Breakfast. [verbalisant 1] werd voor de woning aangesproken door een ambulancemedewerker, die het volgende verklaarde: “Wij hebben inmiddels de reanimatie gestopt. Wij zijn ongeveer 25 minuten bezig geweest, echter zonder resultaat.” [verbalisant 1] hoorde van [huisarts] , huisarts, dat hij geen verklaring van natuurlijk overlijden ging afgeven en dat de situatie gezien de omstandigheden moest worden beoordeeld door de schouwarts.
Verbalisant [verbalisant 2] verklaart dat hij op 3 februari 2017 op het adres [adres] te [woonplaats] was en werd aangesproken door de bewoner van de [adres] , genaamd [getuige 1] . Van [getuige 1] verklaarde tegenover [verbalisant 2] dat zijn moeder, [verdachte] , ook een paar dagen in de woning verblijft.

Door G.W. Krever, forensisch arts, is op 5 februari 2017 een verslag opgemaakt “betreffende het overlijden ten gevolge van een niet-natuurlijke oorzaak”. Krever vermeldt in dit verslag dat hij op 3 februari 2017 om 17.55 uur een schouw heeft verricht op de [adres] te [woonplaats] . Het stoffelijk overschot betrof: [slachtoffer 1] , geboren op [1968] in [geboorteplaats] (Zweden).

Op 23 februari 2017 is onderzoek gedaan naar medicatie die op 4 februari 2017 in beslag was genomen tijdens een doorzoeking op de [adres] in [woonplaats] . Hieronder bevonden zich 18 bruine capsules, welke zijn veilig gesteld onder het SIN-nummer: AAKL8766NL. Door het Nederlands Forensisch Instituut is vastgesteld dat het monster met het nummer AAKL8766NL, bestaande uit groen/beige plantaardig materiaal, ibogaïne bevat.

112-melding

Op 8 februari 2017 zijn door verbalisant [verbalisant 3] geluidsfragmenten uitgeluisterd van de melding over de onwelwording van een vrouw op vrijdag 3 februari 2017 op de [adres] te [woonplaats] . Hieruit blijkt het volgende:“M: Meldkamer ambulance uit welke plaats belt u?V: [woonplaats] .M: [woonplaats] en welk adres?V: [adres]M: [adres] en wat is er aan de hand?V: Die mevrouw heeft een astma-aanval gehad.M: De mevrouw is dat een bekende van u?V: Nee dat is geen bekende van mij, vreemde.M: En hoe oud is die dame?V: Ik weet het niet, ik ken haar niet.(…)M: Ze is nog steeds benauwd of....V: Ja ze is ...heeft benauwd? Ze heeft niet ademen.M: Ze heeft moeite met ademen?V: Ja stop ademen...moet snel zijn hier.(…)M: Bent u van de buren of zo?V: Ja van de buurt.(…)V: Ik ben alleen aan het bellen.M: Ja maar is er iemand bij haar die haar wel kent?V: Nee nee alleen maar even logeren hier.M: Wat zegt u?V: Zij is alleen aan t logeren hier.(…)V: Ok, I'll have to go [medeverdachte] M:( [medeverdachte] ?)Yeh.(…)V: And you don't know her.........RB&B..V: You don't know her....your neighbour ... [medeverdachte] I'll have to”
Verbalisant [verbalisant 3] hoorde van een medewerker van het Regionaal Ambulance Vervoer Utrecht dat de melding was gedaan met het telefoonnummer van de huislijn van de woning aan de [adres] te [woonplaats] .

Verdachte heeft op de zitting van 12 maart 2019 verklaard dat zij degene is geweest die met de meldkamer heeft gebeld.

Doodsoorzaak [slachtoffer 1]

Dr. M.J. Vincenten-van Maanen, apotheker-toxicoloog, heeft een toxicologisch onderzoek uitgevoerd bij het slachtoffer [slachtoffer 1] . Zij rapporteert dat in het bloed van [slachtoffer 1] diverse stoffen zijn aangetroffen, waaronder ibogaïne. De concentratie ibogaïne in het femoraalbloed betreft 0,85 mg/l en in het hartbloed 0,72 mg/l. Vincenten-van Maanen concludeert dat het overlijden van [slachtoffer 1] kan worden verklaard door de aangetoonde ibogaïne in de gemeten concentratie.
A. Maes, arts en patholoog, heeft pathologisch onderzoek verricht naar [slachtoffer 1] . Het definitieve rapport is op 19 april 2017 ondertekend door dr. V. Soerdjbalie-Maikoe, arts en patholoog. Bij de sectie op het lichaam van [slachtoffer 1] werd geen anatomische doodsoorzaak gevonden. Tijdens het toxicologisch onderzoek werd in het bloed een hoge concentratie ibogaïne aangetoond waarmee het overlijden kan worden verklaard. De conclusie in het rapport luidt dat bij sectie op het lichaam van [slachtoffer 1] het overlijden kan worden verklaard als gevolg van intoxicatie met ibogaïne.

Tijdens het verhoor bij de rechter-commissaris op 13 november 2018 heeft Soerdjbalie-Maikoe de bevindingen uit het rapport als volgt toegelicht:“Er zijn in het hartbloed en in het femoraalbloed concentraties van dit middel () aangetroffen die liggen in de range waarbij er personen aan overleden zijn. De toxicoloog zegt dat de dood hiermee kan worden verklaard omdat het bij personen is aangetroffen die overleden zijn. Dat in combinatie met het feit dat ik geen andere doodsoorzaak heb in combinatie met de uitkomst van het toxicologisch onderzoek bij deze jonge vrouw, brengt mij tot de conclusie dat ik de dood kan verklaren op grond hiervan.”
Contacten van verdachte en [slachtoffer 1] tussen 26 december 2016 en 28 januari 2017

Op 17 mei 2017 is onderzoek ingesteld naar de inhoud van een inbeslaggenomen telefoon, die vermoedelijk in gebruik was bij [slachtoffer 1] . Hierop werd een Whatsapp-gesprek aangetroffen dat plaatsvond in de periode van 26 december 2016 tot 31 januari 2017 tussen de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer] (hierna: # [telefoonnummer] ), [slachtoffer 1] , en de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer] (hierna: # [telefoonnummer] ). Uit onderzoek is gebleken dat het nummer [telefoonnummer] in gebruik was bij verdachte [verdachte] . Uit dit (vertaalde) Whatsapp-gesprek blijkt het volgende.
26-12-2016

# [telefoonnummer] : Je moet de ECG van je hart laten maken.# [telefoonnummer] : Maar hoe? Zal ik naar de dokter hier in Zweden gaan. En zij zullen mij het protocol geven zonder vragen te stellen?# [telefoonnummer] : Je kunt tegen ze zeggen dat je graag wil duiken, en dat je daarom een check up moet hebben.
4-1-2017

# [telefoonnummer] : Kun je elke dag twee bananen eten? # [telefoonnummer] : Je hebt kalium nodig
17-1-2017

# [telefoonnummer] : Maar ik heb een vraag. Ik rook drie dagen voordat ik kom en dan weet ik zeker dat ik geen methadon in mijn lichaam heb. Maar ik ben bang om ziek te worden. Doe je de ibotreatment () in een keer als ik kom? # [telefoonnummer] : We beginnen direct.
19 januari 2017

# [telefoonnummer] : Hi [verdachte] . Ik boek de vlucht nu. 31 jan. kom ik naar je toe.# [telefoonnummer] : Kun je [medeverdachte] alsjeblieft een email sturen [email] @gmail.comHij zal je inschrijven vanaf de 31ste tot en met de 6e.
28 januari 2017

# [telefoonnummer] : Heb je de ECG-onderzoeksresultaten voor me?# [telefoonnummer] : Ja, ik heb het ECG.
In een (vertaald) e-mailbericht van [slachtoffer 1] van 26 januari 2017 aan het e-mailadres [email] @gmail.com is het volgende te lezen: “Ik heb enkele vragen over mijn voorgeschreven medicijnen. Kun je me daarmee helpen?Ik neem antidepressivatabletten  FLUOXETIN (soort prozac)Ik neem ook STILNOCT (slaappillen) en SORBIL (hierdoor word ik rustig en ontspannen). Kan ik STILNOCT en SORBIL nemen? Kan ik vandaag en morgen een antidepressivumtablet nemen?”Op het bericht komt per e-mail een reactie, waarin het volgende staat:“Je kunt het antidepressivum vandaag en morgen nemen. Je moet doorgaan met de kalmerings- en slaaptabletten.”
In het onderzoek zijn onder andere diverse mobiele telefoons in beslag genomen, waaronder een Samsung GT-19060. Bij de informatie onder de noemer “Device Users” was 1 user weergegeven waarbij een profielfoto van een vrouw zichtbaar was. Verbalisant [verbalisant 4] herkende deze vrouw als de vrouw waarvan hij foto’s op het internet had gezien en welke in de betreffende artikelen als [verdachte] werd benoemd. In de kalender is de volgende vermelding te zien: “ [slachtoffer 1] 5 nights’’, Start Time 31-1-2017, End Time 7-2-2017.

Rapporten met betrekking tot iboga(ïne)-behandelingen

Op 3 januari 2012 is door prof. dr. E.Ch. Wolters, neuroloog, in opdracht van de rechtbank Utrecht een oriënterend rapport uitgebracht over ibogaïne. Daarnaast heeft deze deskundige op 15 mei 2012 een aanvullend rapport uitgebracht. In deze rapporten wordt het volgende opgemerkt.
In doseringen van 3-5 mg/kg heeft ibogaïne een mild psychostimulerend effect, bij hogere doseringen (10-20 mg/kg; de dosering die geadviseerd wordt om verslavingsgedrag te beïnvloeden) treden klinisch significante verschijnselen op die in drie fasen onderverdeeld kunnen worden: de visuele fase, de introspectieve fase en de restfase. In de eerste, visuele, fase, die enkele uren na toediening optreedt, worden (vooral met dichte ogen) uiterst gedetailleerde, soms zeer beangstigende en/of bedreigende, visioenen en/of hallucinaties met een meer of minder gestoorde reality-testing waargenomen. Tijdens deze fase is er sprake van een significant afgenomen handelingsbekwaamheid bij een patiënt. Afhankelijk van de inhoudelijke aspecten van de hallucinaties kan hierbij sprake zijn van een meer of minder uitgesproken zelfdestructief gedrag.

De voornaamste bijwerkingen van (vooral hogere) doseringen ibogaïne zijn een al snel na inname optredende en 4-24 uur aanhoudende tremor en ataxie (een onvermogen zich goed gecoördineerd te bewegen met daardoor een verstoorde lichaamsbalans), misselijkheid, braken, en xerostomie (droge ogen), alsook een daling van de bloeddruk en hartslag, en soms het optreden van een verhoogde sinus arithmie (zoals normaal optreedt tijdens diep inademen), ventrikelfibrilleren en een verlengde QT interval. Het tegelijkertijd innemen van enige psychiatrische medicatie is gecontra-indiceerd en ook pre-existente hartstoornissen zouden bij kunnen dragen aan genoemde bijwerkingen.

Maas en Strubelt schrijven in 2006 dat in Europa en de Verenigde Staten tenminste 8 mensen (waarvan in ieder geval 2 met een bekend cardiaal probleem) binnen enkele dagen na inname van ibogaïne in een dosering tot zelfs minder dan de helft van de aanbevolen 20-30 mg/kg lichaamsgewicht zouden zijn overleden, terwijl elders verslag wordt gedaan van 12 lethaal verlopende gevallen. Het intreden van de dood zou veroorzaakt kunnen zijn door:1. een pre-existente hartafwijking,2. het tijdens of direct na de behandeling gebruik van opiaten,3. het gebruik van het wortelextract van de iboga in plaats van het pure ibogaïne,4. extramurale behandeling (patiënten hebben constante medische supervisie en liefstzelfs continue hartbewaking nodig).
Gezien de uitgesproken cardio- en, vooral bij toepassing van hogere doseringen optredende, neurotoxiciteit - met name gezien de hierbij soms optredende dodelijke afloop na behandeling met ibogaïne - is dit middel echter door de Europese (EMA) en Amerikaanse (EDA) medische autoriteit niet erkend als geneesmiddel.

Het is van belang een aantal stringente maatregelen te formuleren om de toxiciteit en letaliteit van dit middel zoveel mogelijk te beperken. Deze maatregelen zouden in ieder geval moeten bestaan uit:

• Een behandeling met ibogaïne bestaat uit een éénmalige toediening (per zes maanden) van synthetisch bereid, puur ibogaïne (en dus niet van het wortelextract van de Iboga) in een dosering van maximaal 20 mg/kg, op indicatie zonodig uitgebreid met een nabehandeling gedurende drie weken in een dosering van maximaal 20 mg/dag.• Een behandeling met ibogaïne dient uitsluitend in een klinische setting plaats te vinden, met constante medische supervisie en liefst zelfs continue hartbewaking (in verband met eventuele cardiale verschijnselen, hallucinaties en onthoudingsverschijnselen) gedurende in ieder geval twee dagen na toediening van ibogaïne.• Een behandeling met ibogaïne kan slechts plaats vinden na medisch onderzoek, met uitvoerige exploratie van cardiale en psychiatrische voorgeschiedenis en oriënterend psychiatrisch en cardiovasculair onderzoek met electrocardiogram.• Een behandeling met ibogaïne kan niet plaats vinden in geval van:
i. Pre-existente en/of actuele cardiologische ziekteverschijnselenii. Pre-existente en/of actuele psychotische ziekteverschijnseleniii. Actueel, tijdens of direct na de behandeling, gebruik van opiaten en/of cholinerg-actieve medicatie.In zijn aanvullende rapport heeft Wolters ten aanzien van iii. nog toegevoegd het gebruik van serotonerg werkzame farmaca waardoor tijdens het gebruik van ibogaïne een grotere kans bestaat op het optreden van het serotonine syndroom. Het serotoninesyndroom is een gevolg van een vergiftiging met serotonine door een verhoogde serotonine-spiegel in de hersenen. Dit syndroom ontwikkelt zich doorgaans bij toediening van (een combinatie van) farmaca die de hoeveelheid serotonine in de hersenen doen toenemen. Het serotoninesyndroom wordt gekenmerkt door psychische verschijnselen (verwardheid met agitatie, rusteloosheid en hyperactiviteit en slapeloosheid; bewustzijnsdaling), autonome dysregulatie (koorts, zweten, rillen, verwijde pupillen, diarrhoea, hartkloppingen) en neuromusculaire verschijnselen (spiertrekkingen, hypertonie, tremor, ataxie, incoördinatie).Op 11 december 2018 is door dr. I.J. Bosman, apotheker-toxicoloog bij het NFI, een aanvullend rapport uitgebracht ter beantwoording van aanvullende vragen. Hieruit blijkt dat de volgende stoffen een serotonerge werking hebben: methadon (primair een opioïde werking), fluoxetine en desmethylfluoxetine.
Drs. E. Fromberg schrijft in zijn rapport van 29 juni 2012 dat in een zeer recent artikel alle 19 bekende gevallen met fatale afloop uit de periode 1990-2008 die “temporally related” waren met het gebruik van ibogaïne worden geanalyseerd. Uit deze gevallen blijkt dat niet zozeer het ibogaïne-gebruik maar de combinatie van individuele pre-existente fysieke factoren en ibogaïnegebruik de oorzaak was van de fatale afloop. Het is dus zaak dit samengaan zoveel mogelijk uit te sluiten door grondige screening vooraf en de fataliteit wanneer iemand ten onrechte door de screening komt zoveel mogelijk te voorkomen door de beschikbaarheid van adequate medische en/of psychologische hulp.

Een uitgebreide anamnese moet worden afgenomen, gevolgd door een grondig lichamelijk en psychologisch onderzoek. Doel hiervan is het uitsluiten van tenminste de volgende gebleken risicofactoren: hartlijden (absolute contra-indicatie), een alcohol en/of benzodiazepine-abstinentiesyndroom, de aanwezigheid van (ernstige) persoonlijkheidsstoornissen, nader onderzoek bij patiënten met lichtere vormen van persoonlijkheidsstoornissen en de aanwezigheid van een (pre)psychose.

Het is belangrijk dat de behandelruimte gesitueerd is op een plaats waar medische voorzieningen voorhanden zijn, zeker gezien de vele medische problemen die men kan aantreffen bij verslaafden en ook gezien de relatieve onbekendheid met het middel ibogaïne. Dit betekent in de praktijk: liefst in of naast een ziekenhuis met een arts stand-by, zodat eventuele somatische complicaties optredend tijdens de “trip” onmiddellijk behandeld kunnen worden in het ziekenhuis.

Drs. Fromberg concludeert in zijn rapport dat de praktijken van [verdachte] (in velerlei opzichten niet voldoen aan de eisen die gesteld zouden moeten worden aan een behandeling met ibogaïne.

Behandeling [slachtoffer 2]

heeft verklaard dat hij veel informatie heeft opgezocht over iboga en er lang over heeft nagedacht voordat hij de beslissing nam om de behandeling te ondergaan in Nederland. Het was bij een vrouw, [verdachte] . had gelezen dat het gevaarlijk was voor zijn hart. [verdachte] gaf toen aan dat hij daarom de ECG moest laten maken. [slachtoffer 2] kreeg de resultaten van de ECG niet op papier mee. Hij had alleen gehoord dat zijn hart in orde was en dat heeft hij aan [verdachte] verteld. [slachtoffer 2] kan zich niet herinneren dat er documenten ingevuld hoefden te worden voorafgaand aan de behandeling. Er werden geen vragen over zijn gezondheid gesteld, alleen algemene vragen over hoe hij zich voelde. [slachtoffer 2] denkt dat de behandeling heeft plaatsgevonden op 12 februari 2016. [verdachte] was degene die [slachtoffer 2] behandelde. Ze had een microfoon en een webcamera op de kamer. De lichaamsfuncties van [slachtoffer 2] werden niet met behulp van machines in de gaten gehouden.
Op de bankrekening van [medeverdachte] , medeverdachte van verdachte, is in 2016 een bedrag van € 1.500,00 betaald door [slachtoffer 2] .

Behandeling [slachtoffer 3]

verklaart op 30 mei 2018 dat hij verslaafd was aan alcohol en dat hij het medicijn Subutex slikte. Hij werd behandeld door een vrouw, die hij herkent op een foto van verdachte die hem door de politie wordt getoond. herinnert zich niet dat hij vooraf vragen kreeg over zijn gezondheid. [slachtoffer 3] wist niets van de risico’s van het gebruik van ibogaïne; niemand heeft hem daar iets over gezegd. Tijdens de behandeling voelde hij zich slecht. Hij kon niet eten en niet douchen. Ook is hij tijdens de behandeling in een verschrikkelijke psychose geraakt. Zijn broer moest hem douchen, voeren en aankleden. Hij was verschrikkelijk ziek. kreeg capsules die gevuld werden met ibogaïne.
[getuige 2] verklaart in zijn getuigenverhoor dat hij met zijn broer, [slachtoffer 3] , is meegegaan naar Nederland. Dat was drie tot vier jaar geleden (). [getuige 2] verklaart dat [slachtoffer 3] niets meer wist toen hij wakker werd; hij herkende hen niet en was als een pasgeboren baby. [slachtoffer 3] kon amper zelf eten of drinken. Ze kregen niet veel informatie. De informatie over de behandeling hebben ze vooral van internet gehaald. [verdachte] en [medeverdachte] ( zeiden wel dat verschillende personen verschillend worden beïnvloed door de behandeling, maar zeker niet dat je eraan kunt sterven. De behandeling werd alleen door [verdachte] uitgevoerd. In de kamer waar [slachtoffer 3] behandeld werd, was een webcam met geluid, voor als [verdachte] sliep.

Tijdens de doorzoeking op 3 februari 2017 op de [adres] in [woonplaats] werden diverse documenten in beslag genomen. Een van deze documenten betrof een intakeformulier. Het formulier stond op naam van [slachtoffer 3] . Op het formulier stond dat ‘ [naam] ’ niet verantwoordelijk was voor fout ingevulde antwoorden en de gevolgen daarvan. [slachtoffer 3] had dit formulier op 28 januari 2015 in Nederland ondertekend.

Op de bankrekening van [medeverdachte] , medeverdachte van verdachte, is in 2015 een bedrag van € 1.750,00 betaald door [A] , de vader van [slachtoffer 3] .

Behandeling [slachtoffer 4]

heeft verklaard dat hij op internet over iboga gelezen heeft en uiteindelijk bij [verdachte] terecht kwam. [verdachte] vroeg hem naar zijn gezondheid, of hij problemen had met hart- en vaatziekten en of hij drugs gebruikte. Er hoefden door hem geen documenten of een vragenlijst te worden ingevuld voor de behandeling. [slachtoffer 4] vertelde [verdachte] dat zijn hart was onderzocht en dat zijn hart heel sterk was. [verdachte] hoefde daarvan niet iets te zien. Ze vertelde [slachtoffer 4] dat er risico’s waren als hij een slecht hart had. Dan zou het hart overbelast raken. verklaart dat hij eind januari 2017 bij [verdachte] is geweest voor de behandeling. herkent op de foto van verdachte de persoon over wie hij verklaart als [verdachte] . [verdachte] was de persoon die hem de iboga gaf. werd via een monitor met beeld en/of geluid in de gaten gehouden. Hij zat niet zelf gekoppeld aan een monitor.
Uit onderzoek is gebleken dat er een skypegesprek heeft plaatsgevonden tussen een gebruiker van het account ‘ [slachtoffer 4] ’ en een gebruiker van het account ‘iboga.healing’. Uit onderzoek is gebleken dat het laatste account in gebruik is bij verdachte. In het gesprek wordt door [slachtoffer 4] gevraagd of het goed is dat zij op 26 januari 2017 komen, waarop wordt geantwoord dat dit goed is. In de kalender van de telefoon van verdachte stond de afspraak ‘ [slachtoffer 4] & [B] (26-1-2017 / 30-1-2017)’.

Behandeling [slachtoffer 5]

heeft verklaard dat hij verslaafd was aan Subutex en drie keer voor een ibogaïnebehandeling naar Nederland is geweest. [slachtoffer 5] is in maart 2016 naar Nederland gereisd. Vóór de behandeling is hem verteld dat hij geen aangeboren afwijking mocht hebben aan zijn hart of in het bloed. Dat was omdat zijn hartslag heel erg hoog zou worden tijdens de behandeling. [slachtoffer 5] is niet bij een arts geweest, omdat hij wist dat zijn hart goed was; [verdachte] was daar geïrriteerd over. [slachtoffer 5] kreeg een capsule met pure ibogaïne, een wortel uit Afrika, een natuurlijk product. Hij hoefde geen dingen in te vullen. [verdachte] vertelde hem dat het sterk hallucinerend was en dat zijn hartslag omhoog zou gaan. [verdachte] heeft tijdens de behandeling zijn vitale functies niet gecontroleerd; ze is geen arts. Ze was wel steeds bij hem en controleerde zijn ademhaling. De tweede keer vond een half jaar later plaats, eind augustus 2016. De derde keer was eind 2016 of begin 2017. [slachtoffer 5] wilde op de vierde dag naar huis. Hij is niet zeven dagen gebleven, maar is op de vijfde dag naar huis gegaan. [verdachte] was daar wel een beetje boos over.
Op de bankrekening van [medeverdachte] , medeverdachte van verdachte, is in 2015 een bedrag van € 4.136,99 betaald door [slachtoffer 5] en in 2016 een bedrag van € 1.200,00.

Behandeling [slachtoffer 6]

heeft in zijn verhoor verklaard dat het in 2014 psychisch niet goed met hem ging. Hij is toen op iboga gestuit en vond de contactgegevens van [verdachte] . Voorafgaand aan de behandeling hoefde [slachtoffer 6] geen documenten in te vullen. [verdachte] wilde eigenlijk een ECG maar dat was er in het kader van de voorbereidingen niet meer van gekomen. [verdachte] heeft hem niet verteld waarom ze graag een ECG wilde. verklaart dat hij in juli 2014 naar Nederland is gegaan. kreeg capsules met het extract uit de wortel erin. [verdachte] vroeg hoe hij zich voelde, maar er werd geen bloeddruk gemeten of iets anders. In de kamer was een webcam die op hem was gericht. De capsules werden gegeven door [verdachte] . vond de handelwijze vóór, tijdens en na de behandeling extreem alternatief. Absoluut anders dan je van een kliniek gewend bent. De bloeddruk werd niet gemeten; het was niet zo professioneel. verklaart dat hij met [verdachte] niet heeft gesproken over het behandelingsrisico. Het feit dat je je intensief bezighoudt met de therapie of de risico’s is volgens [slachtoffer 6] geen voorwaarde om met [verdachte] in contact te komen. [verdachte] verlangt ook niet van haar klanten dat zij zich intensief met de risico’s bezighouden.
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zij [slachtoffer 6] met iboga heeft behandeld.

Eerdere incidenten

Wolters gaat in zijn rapport van 15 mei 2012 in op enkele gevallen waarbij de behandelingen van [verdachte] met ibogaïne gepaard gingen met ernstige complicaties. Hij noemt hierin onder meer de volgende gevallen.
In december 2007 werd een 29-jarige Amerikaanse vrouw (zonder medische voorgeschiedenis) na een behandeling door [verdachte] met ibogaïne met een ambulance naar het UMC vervoerd. Vervolgens kreeg zij ventriculaire hartritmestoornissen. Bij aanvullend onderzoek op het elektrocardiogram werd een verlengde QT-tijd gezien. Wolters merkt op dat in de medische literatuur cardiale ritmestoornissen met plotse hartdood na ibogaïne worden beschreven. Deze cardiale ritmestoornissen kunnen veroorzaakt worden door zowel de (beiden bij deze vrouw vastgestelde) ventriculaire hartritmestoornissen als een verlengde QT-tijd met elektrolyten verstoring in het bloed.

Op 25 augustus 2011 moest een 26-jarige man, [C] , na een behandeling met ibogaïne gereanimeerd worden in verband met een hartstilstand. Na een aanvankelijke verslechtering van het klinisch beeld trad geleidelijk aan enig herstel op. Desondanks resteert een corticale blindheid, ernstige spraakstoornis, ataxie over armen en benen bij helder bewustzijn en is hij nog steeds bed- en rolstoelgebonden. In zijn commentaar op dit incident merkt Wolters op dat het hier naar alle waarschijnlijkheid een aan het gebruik van ibogaïne toe te schrijven hartritmestoornis betreft, leidend tot een hartstilstand. Het Hof heeft hierover in zijn arrest van 9 oktober 2015 geoordeeld dat tussen de toediening van ibogaïne en het optreden van de hartstilstand bij [C] een oorzakelijk verband bestaat.

Verklaring verdachte met betrekking tot behandelen van personen met iboga

Verdachte heeft verklaard dat zij, na haar veroordeling in de vorige strafzaak, is doorgegaan met het behandelen van personen met iboga en dat in iboga ibogaïne zit. Ook heeft zij verklaard dat de plek in [woonplaats] geen geschikte plek was voor een behandeling met iboga.



4.3.3
Algemene bewijsoverwegingen met betrekking tot [slachtoffer 1]

Heeft verdachte iboga(ïne) toegediend aan [slachtoffer 1] ?

De verdediging heeft betoogd dat aan de hand van het dossier niet kan worden vastgesteld dat door verdachte iboga(ïne) is toegediend aan [slachtoffer 1] . In de eerste plaats is er geen positief bewijs dat de in het bloed van [slachtoffer 1] aangetroffen iboga(ïne) door verdachte aan haar is toegediend. Bovendien zijn er alternatieve scenario’s die niet kunnen worden uitgesloten, zoals de mogelijkheid dat [slachtoffer 1] zelf de iboga(ïne) heeft ingenomen of dat de iboga(ïne) door [medeverdachte] aan haar is toegediend.
De rechtbank overweegt hierover het volgende. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zij gedurende de jaren na haar veroordeling nog verschillende personen heeft behandeld met iboga(ïne). Dat wordt ook bevestigd door de verklaringen van [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] , die allemaal verklaren door verdachte met iboga(ïne) te zijn behandeld.

In de Whatsapp-contacten tussen verdachte en [slachtoffer 1] in december 2016 en januari 2017 wordt uitvoerig gesproken over de behandeling die [slachtoffer 1] zal volgen. Zo wordt door verdachte, op een vraag van [slachtoffer 1] , geadviseerd over welke medicijnen zij mag blijven innemen en wordt [slachtoffer 1] aangeraden om dagelijks bananen te eten. Daarnaast wordt, net als bij [slachtoffer 4] , in de agenda van verdachte een afspraak aangetroffen; in dit geval “ [slachtoffer 1] 5 nights”. Op de vraag van [slachtoffer 1] op 17 januari 2017 of verdachte de ibogabehandeling in een keer doet als zij komt, antwoordt verdachte: “We beginnen direct”. Uit niets blijkt in deze conversaties dat verdachte mogelijk nog van de behandeling zou afzien op het moment dat [slachtoffer 1] was gearriveerd. De verklaring van verdachte ter terechtzitting dat [slachtoffer 1] onvoldoende voorbereid was en lichamelijke klachten had en dat verdachte om die reden heeft afgezien van de behandeling, acht de rechtbank niet aannemelijk. De rechtbank neemt daarbij ook de verklaringen in aanmerking van de hiervoor genoemde personen die eerder door verdachte zijn behandeld. Daaruit komt het beeld naar voren dat, ook wanneer zij onvoldoende voorbereid waren (en bijvoorbeeld geen ECG konden overleggen), de behandeling toch doorging. Bovendien heeft verdachte geen aannemelijke verklaring gegeven voor het feit dat [slachtoffer 1] , ondanks verdachtes weigering om haar te behandelen, ruim drie dagen in de Bed and Breakfast aan de [adres] in [woonplaats] heeft verbleven.

De rechtbank acht de door de verdediging geopperde alternatieve scenario’s, namelijk dat [slachtoffer 1] de iboga(ïne) zelf heeft gepakt en ingenomen dan wel dat [medeverdachte] de iboga(ïne) aan [slachtoffer 1] heeft gegeven, niet aannemelijk geworden. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat [slachtoffer 1] naar Nederland kwam voor een iboga(ïne)behandeling die zou worden uitgevoerd door verdachte. Uit het contact tussen [slachtoffer 1] en verdachte blijkt dat voorafgaand aan de komst naar Nederland door [slachtoffer 1] aan verdachte meerdere inhoudelijke vragen over de behandeling zijn gesteld. Verdachte geeft [slachtoffer 1] daarop allerlei adviezen over de voorbereiding op de behandeling en zegt zelfs expliciet dat zij direct na aankomst van [slachtoffer 1] zal starten met de behandeling. Dat [slachtoffer 1] bij aankomst in Nederland vervolgens zelf de iboga(ïne) zou hebben ingenomen, acht de rechtbank, ook gelet op het gebrek aan kennis bij [slachtoffer 1] over deze behandeling, niet aannemelijk. Uit de verklaringen van [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] volgt dat het toedienen van iboga(ïne) door verdachte werd uitgevoerd. Zij bepaalde de dosering en stopte de iboga(ïne) in capsules. [medeverdachte] was soms aanwezig om de hiervoor genoemde personen in de gaten te houden tijdens de behandeling, maar niemand verklaart dat hij ook zelf betrokken was bij het toedienen van iboga(ïne). Ook overigens blijkt niet uit het dossier dat van deze rolverdeling, waarin verdachte degene was die feitelijk de iboga(ïne) toediende, werd afgeweken. De rechtbank acht daarom ook het scenario dat de iboga(ïne) door [medeverdachte] zou zijn toegediend niet aannemelijk geworden.

Gelet op het feit dat [slachtoffer 1] naar Nederland kwam voor een iboga(ïne)behandeling door verdachte, in combinatie met het feit dat er in [slachtoffer 1] ’s bloed daadwerkelijk ibogaïne is aangetroffen, acht de rechtbank, mede gelet op de handelwijze die zij toepaste op andere cliënten, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte degene is die aan [slachtoffer 1] iboga(ïne) heeft toegediend.

Doodsoorzaak [slachtoffer 1]

De verdediging heeft naar voren gebracht dat op basis van het toxicologisch rapport en het pathologisch rapport niet kan worden geconcludeerd dat [slachtoffer 1] is overleden aan intoxicatie met ibogaïne. Het aangetroffen ibogaïne-gehalte in het bloed van [slachtoffer 1] is daarvoor te laag, de studies naar de fataliteit van ibogaïne zijn te beperkt en onduidelijk is in hoeverre de methadonconcentratie in het bloed kan hebben bijgedragen aan de dood van [slachtoffer 1] .
De rechtbank overweegt hierover het volgende. De toxicoloog, Vincenten-van Maanen, concludeert in haar rapport dat de dood van [slachtoffer 1] kan worden verklaard door de in het bloed van [slachtoffer 1] aangetoonde ibogaïne in de gemeten concentratie. Op grond van de resultaten van het toxicologisch onderzoek kan de dood van [slachtoffer 1] volgens de toxicoloog echter niet worden geconcludeerd, omdat de gemeten concentratie ibogaïne in het bloed van [slachtoffer 1] zowel wordt beschreven bij personen bij wie het overlijden is gerelateerd aan ibogaïne als bij personen die niet zijn overleden na gebruik van ibogaïne.

De rechtbank acht van belang wat hierover door de patholoog, Soerdjbalie-Maikoe, is verklaard bij de rechter-commissaris. Zij merkt op dat de toxicoloog zich in haar conclusie op de vlakte moet houden, omdat zij een deelonderzoek doet. De toxicoloog zal nooit een rapport opmaken waarin staat dat iets de doodsoorzaak is geweest, omdat zij niet een totaalonderzoek aan het lichaam doet.

Uit deze verklaring blijkt dat het onderzoek van de toxicoloog en het onderzoek van de patholoog een ander karakter kennen. De toxicoloog richt zich daarbij op de aangetroffen concentraties van een stof in het onderzochte lichaam. Door de patholoog wordt echter het gehele lichaam onderzocht, waarbij in de uiteindelijke conclusie ook de bevindingen uit het toxicologisch onderzoek worden betrokken.

De patholoog heeft bij haar onderzoek naar het lichaam van [slachtoffer 1] geen bevindingen gedaan die de dood van [slachtoffer 1] zouden kunnen verklaren. Vervolgens heeft zij de toxicologische bevindingen bij haar onderzoek betrokken en komt zij tot de conclusie dat de dood van [slachtoffer 1] kan worden verklaard door een intoxicatie met ibogaïne.

De rechtbank heeft geen reden om aan de onderzoeken en conclusies door de deskundigen Soerdjbalie-Maikoe en Vincenten-Van Maanen te twijfelen. De rechtbank neemt de conclusie van Soerdjbalie-Maikoe dat de dood van [slachtoffer 1] kan worden verklaard door intoxicatie met ibogaïne over bij haar oordeel.

De rechtbank gaat voorbij aan het door de verdediging geschetste alternatieve scenario dat de dood kan zijn veroorzaakt door de bij [slachtoffer 1] in het bloed aangetroffen methadon. Uit de door de verdediging aangehaalde studie van het Trimbos-instituut, blijkt dat bij het gebruik van methadon als onderhoudsbehandeling de concentraties meestal liggen tussen 0,05 en 0,4 mg/L. Toxische verschijnselen treden, volgens dit rapport, afhankelijk van de gewenning, op bij concentraties vanaf 0,1-0,4 mg/L. De laatstgenoemde concentraties zijn vier tot vijftien keer hoger dan de concentratie die bij [slachtoffer 1] is aangetroffen, zijnde 0.026 mg/L. De toxicoloog stelt in haar verhoor bij de rechter-commissaris dat de methadon in een zeer lage concentratie is aangetroffen, lager dan normaal werkende concentraties, en geen effect zal hebben gehad. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het alternatieve scenario dat de dood van [slachtoffer 1] door de aangetroffen methadonconcentratie verklaard kan worden niet aannemelijk geworden.

Causaal verband

De verdediging heeft betoogd dat de vereiste causaliteit ontbreekt, nu niet kan worden vastgesteld dat de dood redelijkerwijs als gevolg van de gedraging van verdachte aan verdachte kan worden toegerekend.
De rechtbank overweegt dat vooropgesteld moet worden dat de beantwoording van de vraag of causaal verband bestaat tussen de bewezenverklaarde door verdachte verrichte gedraging – te weten het behandelen van [slachtoffer 1] met ibogaïne – en de dood van [slachtoffer 1] , dient te geschieden aan de hand van de maatstaf of die dood redelijkerwijs als gevolg van die gedraging aan de verdachte kan worden toegerekend. Indien niet zonder meer kan worden vastgesteld dat de bewezenverklaarde gedraging in de keten van gebeurtenissen een noodzakelijke factor is geweest voor het ingetreden gevolg, is voor het redelijkerwijs toerekenen van het gevolg aan (een gedraging van) de verdachte ten minste vereist dat wordt vastgesteld dat dit gedrag een onmisbare schakel kan hebben gevormd in de gebeurtenissen die tot het gevolg hebben geleid, alsmede dat ook aannemelijk is dat het gevolg met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door die gedraging is veroorzaakt. Of en wanneer sprake is van een dergelijke aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid, zal afhangen van de concrete omstandigheden van het geval. Bij de beoordeling daarvan kan als hulpmiddel dienen of in de gegeven omstandigheden de gedraging naar haar aard geschikt is om dat gevolg teweeg te brengen en bovendien naar ervaringsregels van dien aard is dat zij het vermoeden wettigt dat deze heeft geleid tot het intreden van het gevolg. Daarbij kan ook worden betrokken in hoeverre aannemelijk is geworden dat ten verwere gestelde andere, niet aan de bewezenverklaarde gedraging gerelateerde oorzaken hoogstwaarschijnlijk niet tot dat gevolg hebben geleid (vgl. Hoge Raad 4 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:585).

De rechtbank is van oordeel dat de toediening van iboga(ïne) door de verdachte aan [slachtoffer 1] niet alleen een onmisbare schakel kan hebben gevormd in de gebeurtenissen die hebben geleid tot de dood van [slachtoffer 1] , maar ook dat het overlijden van [slachtoffer 1] met tenminste de vereiste aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door die toediening is veroorzaakt. Behandeling met iboga(ïne) is immers in de gegeven omstandigheden naar haar aard geschikt om de dood teweeg te brengen en is naar ervaringsregels van dien aard dat dat zij het vermoeden wettigt dat de dood als gevolg daarvan is ingetreden. De rechtbank verwijst daarvoor naar hetgeen uit de deskundigenrapporten van Wolters en Fromberg en uit de rapporten van de toxicoloog en de patholoog blijkt. De rechtbank betrekt daarbij ook dat van een andere oorzaak die tot de dood van [slachtoffer 1] heeft geleid, blijkens het toxicologisch en pathologisch onderzoek, niet is gebleken. De kans dat andere, niet aan de gedragingen van de verdachte gerelateerde oorzaken tot de dood van [slachtoffer 1] hebben geleid, is zo klein dat daaraan als hoogst onwaarschijnlijk wordt voorbijgegaan.

De rechtbank is op grond van hetgeen hiervoor is overwogen van oordeel dat de dood van [slachtoffer 1] redelijkerwijs als gevolg van de bewezen verklaarde toediening met iboga(ïne) kan worden toegerekend aan de gedraging van verdachte.

Voorwaardelijk verzoek

De verdediging heeft het voorwaardelijke verzoek gedaan tot het gelasten van een nieuw pathologisch onderzoek door een niet aan het NFI verbonden patholoog. Daarnaast heeft de verdediging voorwaardelijk verzocht tot het instellen van een tegenonderzoek door een onafhankelijke toxicoloog.
De rechtbank wijst deze voorwaardelijke verzoeken af. Zoals hiervoor door de rechtbank is uiteengezet, acht de rechtbank de rapporten van de toxicoloog en patholoog en de conclusies die hierin worden getrokken gedegen onderbouwd. De rechtbank acht zich op basis van deze rapporten voldoende voorgelicht en is van oordeel dat het niet noodzakelijk is een nieuw pathologisch onderzoek in te stellen en een tegenonderzoek te gelasten door een onafhankelijke toxicoloog.


4.3.4
Bewijsoverwegingen voor feit 1 primair

Opzet

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat verdachte [slachtoffer 1] niet “willens en wetens