Uitspraak ECLI:NL:RBLIM:2020:401

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 21-01-2020. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Limburg op 21-01-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBLIM:2020:401, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is AWB-19_3137


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK limburg [naam verzoekster] , te Maastricht, verzoekster,het college van Bestuur van de Universiteit Maastricht, verweerder,
(gemachtigde: mr. G.P. Oberman),
(gemachtigde: mr. M.L.M. van de Laar).

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 19/3137

uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 januari 2020 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

en

ECLI:NL:RBLIM:2020:401:DOC
nl

RECHTBANK limburg [naam verzoekster] , te Maastricht, verzoekster,het college van Bestuur van de Universiteit Maastricht, verweerder,
(gemachtigde: mr. G.P. Oberman),
(gemachtigde: mr. M.L.M. van de Laar).
Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 19/3137

uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 januari 2020 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

en

procesverloop

Procesverloop

Op 5 november 2019 heeft verzoekster verweerder verzocht de aan haar opgelegde maatregel ontzegging van de toegang tot het laboratorium op schrift te stellen dan wel deze maatregel in te trekken.

Bij brief van 19 november 2019 heeft verzoekster bezwaar gemaakt tegen het besluit van verweerder om haar de toegang tot het laboratorium te ontzeggen.

Bij brief van 20 november 2019 heeft de gemachtigde van verweerder aan de gemachtigde van verzoekster kenbaar gemaakt dat geen aanleiding bestaat aan verzoekster toegang tot het laboratorium te verlenen, zolang geen oplossing is gevonden voor de begeleiding.

Verder heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 januari 2020. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam 1] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens verweerder waren verder aanwezig: prof. dr. [naam 2] , prof. dr. [voorletters] [naam 3] en [naam 4] .

Overwegingen

1. Artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat indien tegen een besluit voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Deze bepaling betekent (onder meer) dat de voorzieningenrechter alleen bevoegd is om inhoudelijk te oordelen over het verzoek als dit is gericht tegen een besluit, of een met een besluit gelijk te stellen handeling. De voorzieningenrechter moet dit ambtshalve beoordelen.
2. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.Verzoekster is sinds 1 juni 2016 werkzaam als promovenda bij de Universiteit Maastricht. Dit contract is na een jaar van rechtswege geëindigd op 31 mei 2017. Vervolgens is het contract voor drie jaar verlengd tot 31 mei 2020.
3. Aan verzoekster is met ingang van 18 februari 2019 mondeling de toegang tot het laboratorium ontzegd door professor [naam 3] , haar toenmalige supervisor en promotor. Verzoekster heeft tegen deze toegangsontzegging voor het eerst op 19 november 2019 formeel bezwaar gemaakt. Voor het maken van bezwaar geldt een wettelijke termijn van zes weken. Het op 19 november 2019 ingediende bezwaar, gericht tegen de toegangsontzegging van 18 februari 2019, is buiten deze termijn ingediend. Het is de vraag of het bezwaar verschoonbaar te laat is ingediend. Het moet verzoekster worden toegegeven dat niet is gebleken dat verweerder haar heeft geïnformeerd over de mogelijkheid om bezwaar te maken. De toegangsontzegging is mondeling gegeven, zodat op zichzelf wel iets te zeggen valt voor de stelling van verzoekster dat zij niet op de hoogte was van de mogelijkheden tot rechtsbescherming. Uit vaste jurisprudentie (zie bijvoorbeeld ECLI:RVS:2011:BT2131) volgt dat het ontbreken van een verwijzing naar een rechtsmiddel en twijfel over het besluitkarakter, aanleiding kunnen zijn de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten, mits daarop een beroep wordt gedaan. Verzoekster heeft hierop een beroep gedaan. Aan de andere kant zijn negen maanden verstreken voordat verzoekster formeel bezwaar heeft gemaakt. Hoewel niet op voorhand uitgesloten, is het de vraag of deze termijnoverschrijding verschoonbaar kan worden geacht, want hiervoor gelden strenge criteria in de jurisprudentie.
3.1.
Gelet op de feitelijke gang van zaken acht de voorzieningenrechter het in dit geval meer voor de hand liggend om de brief van 5 november 2019 te beschouwen als een verzoek om opheffing van de toegangsontzegging, waarover verweerder op 20 november 2019 heeft beslist. Dit heeft de voorzieningenrechter ter zitting met partijen besproken. Het bezwaar van verzoekster is dan te vroeg ingediend, maar gelet op de duur van de toegangsontzegging en het verloop van de procedure tot dusverre, zou kunnen worden aangenomen dat sprake is van een bezwaarschrift, zoals bedoeld in artikel 6:10 van de Awb.
4. Een ander, formeel punt waarover de voorzieningenrechter zich ambtshalve een oordeel dient te vormen is de bevoegdheidsgrondslag. Volgens verzoekster is sprake van een disciplinaire maatregel, maar volgens verweerder niet. Nu het besluit tot toegangsweigering door – of in elk geval namens – verweerder is genomen en het standpunt van verweerder is, dat geen sprake is van een disciplinaire maatregel, gaat de voorzieningenrechter hier ook van uit.

4.1.
Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat de bevoegdheid voor de gedane toegangsontzegging is ontleend aan artikel 1.8, tweede lid, van de destijds geldende cao. Dat is een algemene bevoegdheid om aanwijzingen te geven, aldus verweerder. Verweerder heeft daarbij verwezen naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 17 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4837. Een andere grondslag voor de toegangsontzegging kan volgens verweerder worden ontleend aan de algemene huisregels en ordemaatregelen. De huisregels zijn gebaseerd op artikel 7.57h van de Wet op Hoger onderwijs en Wetenschappelijk onderzoek (WHW). Deze regeling heeft ook betrekking op de positie van medewerkers. In artikel 2 staat dan de bevoegdheid: het geven van aanwijzingen. [naam 3] is bevoegd om dat namens het college van bestuur te doen. Mocht hier een formeel probleem zijn, dan is dit gedekt door de bekrachtiging van verweerder.
4.2.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat laatstgenoemde grondslag geen bevoegdheid geeft aan verweerder om aan verzoekster, een medewerkster van de universiteit, een maatregel als toegangsontzegging op te leggen. De huisregels zijn gebaseerd op artikel 7.57h van de WHW. Dit artikel is opgenomen in Hoofdstuk 7, Titel 3, van de WHW. Deze titel is enkel van toepassing op studenten en extranei. Verzoekster is geen van beiden. De voorzieningenrechter verwijst verder naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 september 2000, ECLI:NL:RVS:2000:AA7312, rechtsoverweging 2.2.
4.3.
Over de eerstgenoemde grondslag overweegt de voorzieningenrechter als volgt. In artikel 1.8, tweede lid, van de destijds geldende cao is het volgende bepaald. “De werknemer is gehouden zijn functie naar zijn beste vermogen uit te oefenen, zich te gedragen als een goed werknemer en te handelen naar de aanwijzingen door of vanwege de werkgever gegeven.”
4.4.
De voorzieningenrechter stelt vast dat dit artikellid een algemene aanwijzingsbevoegdheid bevat voor verweerder als werkgever van verzoekster. De toegangsontzegging, ongelimiteerd in tijdsduur, is een aanwijzing die zeer ingrijpend is. Hoewel het zeer voor de hand had gelegen om deze aanwijzing schriftelijk en voorzien van een schriftelijke motivering te geven, is dit niet gebeurd. Hoewel het een vergaande aanwijzing is, ziet de voorzieningenrechter vooralsnog niet in waarom het ontzeggen van de toegang tot het laboratorium niet op basis van dit artikellid zou kunnen plaatsvinden. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kwalificeert de toegangsontzegging als een ‘andere handeling’, zoals bedoeld in artikel 8:2, eerste lid, aanhef en onder a, 1°, van de Awb. Op grond van deze bepaling wordt met een besluit gelijkgesteld een andere handeling van een bestuursorgaan waarbij een ambtenaar als bedoeld in artikel 1 van de Ambtenarenwet als zodanig belanghebbende is. Aangezien verzoekster als ambtenaar moet worden aangemerkt en haar belang rechtstreeks betrokken is bij de aanwijzing van haar toenmalige promotor op 18 februari 2019, moet deze aanwijzing op grond van artikel 8:2, eerste lid, onder a, van de Awb worden gelijkgesteld met een besluit. Verzoekster kan dus bezwaar maken tegen deze handeling en tevens een verzoek om opheffing van de toegangsontzegging indienen.
4.5.
De stelling van verweerder dat professor [naam 3] bevoegd was om deze aanwijzing te geven is niet onderbouwd. Deze onderbouwing dient verweerder in de verdere procedure alsnog te geven. Voor dit moment gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat hier (uiteindelijk) geen probleem zal bestaan. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder immers uitdrukkelijk verklaard dat verweerder indien nodig een ‘gedektverklaring’ zal afgeven. Hiermee kan een eventueel bevoegdheidsgebrek worden hersteld. In deze gang van zaken bestaat dan ook geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.
5. Vooralsnog gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat aan de formele eisen van artikel 8:81 van de Awb is voldaan en dat de voorzieningenrechter bevoegd moet worden geacht. Uit de overwegingen hiervoor komt naar voren dat de formele punten de nodige aandacht behoeven in het verdere verloop van de procedure. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Dit geldt uitdrukkelijk ook ten aanzien van de formele punten, zoals opgenomen in de voorgaande overwegingen.
6. Verzoekster voert aan dat haar op 18 februari 2019 geen reden is medegedeeld van de toegangsontzegging. Zij is pas later erachter gekomen welke formele reden verweerder hanteert voor de toegangsontzegging. Het had op de weg van verweerder gelegen om de toegangsontzegging op schrift te stellen, zodat het duidelijk was voor verzoekster en zij zich hiertegen kon verweren. Verweerder heeft nagelaten verzoekster te wijzen op haar rechten. Dit terwijl zij van Griekse komaf is en de Nederlandse taal niet of nauwelijks beheerst. Volgens verzoekster is er iets heel anders aan de hand. Zij heeft ontdekt dat professor [naam 3] fraude pleegt. Verzoekster is aangemerkt als klokkenluider. De aanwezigheid van verzoekster in het laboratorium was niet wenselijk voor professor [naam 3] , omdat verzoekster dan niet langer misstanden aan de kaak kon stellen.
7. Verweerder weerspreekt de beschuldigingen van fraude. Volgens verweerder is het lastig samenwerken met verzoekster en heeft professor [naam 3] juist veel geduld met verzoekster gehad. Op een gegeven moment was de maat vol en zag professor [naam 3] geen andere mogelijkheid dan zich als supervisor terug te trekken. Het was een onwerkbare situatie. De aanwezigheid van verzoekster in het laboratorium zonder supervisor was zinloos, omdat zij daar toch niets zou kunnen doen. Professor [naam 3] vertrouwde er niet op dat verzoekster zich zonder de uitdrukkelijke aanwijzing niet zou begeven in het laboratorium. In een later stadium heeft professor [naam 3] zich ook teruggetrokken als promotor. Er is geen sprake van misstanden. Verweerder heeft er volstrekt geen belang bij om verzoekster van haar onderzoek af te houden. Ook verweerder wil dat verzoekster haar promotieonderzoek afrondt.
8. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. De voorzieningenrechter heeft kennis genomen van het feit dat verzoekster door het Huis voor Klokkenluiders is aangemerkt als klokkenluider. De voorzieningenrechter zal in het kader van deze procedure hierop verder niet inhoudelijk ingaan. Immers, over de beschuldigingen van verzoekster aan het adres van professor [naam 3] loopt momenteel nog een onderzoek bij de Universiteit. De voorzieningenrechter beschikt over onvoldoende feitelijke gegevens om de stellingen van verzoekster te beoordelen. Bovendien is deze procedure hiervoor in mindere mate geschikt, terwijl de geëigende procedure bij de Universiteit nog niet is afgerond.
9. De vraag die de voorzieningenrechter dient te beantwoorden is of verweerder het besluit tot toegangsontzegging rechtmatig heeft genomen en of dit besluit voldoende is gemotiveerd. Tevens dient de voorzieningenrechter te beoordelen of verweerder op juiste gronden weigert de toegangsontzegging op te heffen.
9.1.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder, met name door de gegeven toelichting ter zitting, voldoende gemotiveerd waarom de toegangsontzegging is opgelegd en op dit moment niet kan worden opgeheven. De reden hiervoor is gelegen in het feit dat verzoekster op dit moment geen supervisor heeft voor haar onderzoek, noch een promotor. De voorzieningenrechter acht het voldoende aannemelijk dat onderzoek in het laboratorium in het kader van het promotieonderzoek van verzoekster enkel zinvol kan zijn, als er een supervisor is. Dat verzoekster al lang bezig is met haar onderzoek en weet wat zij moet onderzoeken, maakt dit niet anders. De begeleiding bij een promotieonderzoek door de universiteit is immers van groot belang. Dat verzoekster op dit moment geen enkele vorm van begeleiding heeft, brengt dan ook met zich mee dat verweerder haar op dit moment geen toegang tot het laboratorium hoeft te verlenen. Gelet op voorgaand oordeel over de toegangsontzegging op dit moment, laat de voorzieningenrechter in het midden of de toegangsontzegging op 18 februari 2019 al dan niet rechtmatig en voldoende gemotiveerd is. Ook al zou de voorzieningenrechter tot het oordeel komen dat de toegangsontzegging van 18 februari 2019 onrechtmatig is, dan brengt dit nog niet met zich mee dat de voorziening moet worden toegewezen. Op dit moment is immers niet voorzien in de aanwezigheid van (in elk geval) een supervisor. De omvang van het onderhavige geding is beperkt tot de toegangsontzegging en de weigering deze op te heffen. Reeds hierom komt de voorzieningenrechter niet toe aan een beoordeling van het subsidiaire verzoek. De voorzieningenrechter heeft niet de mogelijkheid om het geschil in een breder verband te beoordelen.
10. Ondanks de beperkte omvang van het geding, heeft de voorzieningenrechter tijdens de behandeling ter zitting veel aandacht besteed aan de mogelijkheden om in onderling overleg tot een algehele oplossing te komen. Een oplossing lijkt nabij, aangezien verweerder een nieuwe supervisor heeft gevonden, die tevens de promotor van verzoekster kan zijn. Er is inmiddels bijna één jaar verstreken sinds de toegangsontzegging. De voorzieningenrechter doet (opnieuw) een beroep op partijen om in onderling overleg tot een definitieve oplossing te komen. Beide partijen hebben immers hetzelfde doel: afronding van het promotieonderzoek van verzoekster.
11. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
beslissing

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M.P. Jacobs, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.H. Vonk-Menger, griffierDe beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2020.
griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 21 januari 2020

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.