Uitspraak ECLI:NL:RBLIM:2020:2351

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 25-03-2020. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Limburg op 25-03-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBLIM:2020:2351, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 03/700009-19


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03/700009-19

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 25 maart 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,wonende te [adresgegevens verdachte] .
De verdachte wordt bijgestaan door mr. L. Schyns, advocaat kantoorhoudende te Maastricht.

ECLI:NL:RBLIM:2020:2351:DOC
nl

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03/700009-19

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 25 maart 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,wonende te [adresgegevens verdachte] .
De verdachte wordt bijgestaan door mr. L. Schyns, advocaat kantoorhoudende te Maastricht.

1

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 10 en 11 maart 2020. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn telkens ter zitting verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. Namens de benadeelde partij [slachtoffer] is mr. C.A. Bouw, advocaat, kantoorhoudende te Amsterdam, telkens ter terechtzitting verschenen.
2

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte op 11 januari 2017 samen met anderen in een loods aan de Bekkerweg in Heerlen heeft geprobeerd – al dan niet met voorbedachten rade – [slachtoffer] te doden.
overwegingen

3

3.1
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde, nu overtuigend bewijs ontbreekt, een en ander verwoord in zijn schriftelijk requisitoir.
De officier van justitie heeft hiertoe naar voren gebracht dat het dossier voldoende wettig bewijs bevat om de stelling op te baseren dat de verdachte ten tijde van de schietpartij in de loods aanwezig is geweest. De officier van justitie heeft in dit verband verwezen naar de verklaring van de getuige [getuige 1] , het signalement dat [slachtoffer] van een van de daders heeft gegeven en de verklaring van de verdachte zelf, die zichzelf ten tijde van het schietincident op de Weggebekker plaatst. Het feit dat [slachtoffer] op de zitting van 10 maart 2020 heeft geroepen dat hij de verdachte niet kent, maakt voor de officier van justitie echter dat hij niet de absolute overtuiging heeft bekomen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

3.2
Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich eveneens op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde.
De raadsvrouw heeft hiertoe aangevoerd dat wettig en overtuigend bewijs ontbreekt dat de verdachte als pleger of medepleger verantwoordelijk is voor een poging moord dan wel poging doodslag op [slachtoffer] . De verdachte heeft vanaf de eerste gelegenheid daartoe een alternatieve verklaring voor zijn aanwezigheid op de Weggebekker afgelegd. De raadsvrouw heeft voorts aangevoerd dat [slachtoffer] op de zitting van 10 maart 2020 heeft geroepen dat hij de verdachte niet kent.

De raadsvrouw heeft verder aangevoerd dat de verklaring van de getuige [getuige 1] niet betrouwbaar is te achten, omdat hij niet consistent heeft verklaard, hij belang heeft bij het belasten van anderen, op onderdelen aantoonbaar heeft gelogen en hij bovendien bij herhaling terugkomt op eerder afgelegde verklaringen. Deze verklaring kan aldus niet voor het bewijs worden gebezigd. De verdediging is voorts van oordeel dat, nu een behoorlijke en effectieve mogelijkheid tot ondervraging van [slachtoffer] is ontnomen, de gebruikmaking van die verklaring strijd oplevert met artikel 6 van het EVRM, nu de verklaring van [slachtoffer] als moet worden bestempeld. Steunbewijs voor het schieten in de loods door de verdachte of het medeplegen hiervan ontbreekt, welk onderdeel van de tenlastelegging uitdrukkelijk door de verdachte wordt betwist. Technisch bewijs dat de verdachte een van de schutters is geweest, ontbreekt eveneens naar het oordeel van de raadsvrouw. De verdachte ontkent dat het telefoonnummer [telefoonnummer 1] , dat door de politie aan de verdachte wordt toegeschreven, zijn telefoonnummer betreft en het tegendeel kan niet uit het door de politie verrichtte onderzoek worden afgeleid.

De raadsvrouw heeft tijdens haar pleidooi een aantal voorwaardelijke verzoeken aan de rechtbank gedaan. Ten eerste heeft de raadsvrouw verzocht de audio-opnames van de verhoren van [getuige 1] aan het dossier toe te voegen, omdat op deze audio-opnames te horen zou zijn dat [getuige 1] door de verbalisanten suggestief is verhoord. Bovendien is door de verbalisanten in het proces-verbaal – op de in haar pleitnota aangegeven passages – selectief gerelateerd. Ten tweede heeft de raadsvrouw haar verzoek tot het horen van de getuige [getuige 2] herhaald, mocht de rechtbank het proces-verbaal waarin het telefonisch verhoor van deze getuige uiteen is gezet, bezigen voor het bewijs.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
_7f97ed30-0254-4385-b712-ad8e1e086284

Inleiding

Op 11 januari 2017 komen vanaf 21:09 uur bij het alarmnummer meerdere meldingen binnen van een schietpartij op de Weggebekker in Heerlen. De Weggebekker is een klein industrieterrein, enkel bereikbaar via een en dezelfde doodlopende weg. De politie komt omstreeks 21.15 uur ter plaatse. In een aldaar gelegen loods wordt een manspersoon, naar later blijkt [slachtoffer] (hierna te noemen: [slachtoffer] ), aangetroffen. Hij ligt op de grond en [getuige 1] (hierna te noemen: [getuige 1] ), zijnde de eigenaar van het in de loods gevestigde garagebedrijf, zit naast hem en drukt een hoofdsteun van een autostoel tegen het linker bovenbeen van [slachtoffer] . Verder wordt niemand in de loods aangetroffen. [slachtoffer] wordt vervolgens met meerdere schotverwondingen naar het ziekenhuis overgebracht. Door de politie wordt een onderzoek naar de schietpartij ingesteld.
Aan de verdachte is – kort gezegd – tenlastegelegd dat hij zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan deze schietpartij en dientengevolge een poging tot moord dan wel een poging tot doodslag heeft gepleegd. De rechtbank zal eerst de bewijsmiddelen de revue laten passeren, vervolgens weergeven hoe de politie de verdachte(n) op het spoor is gekomen, de verklaringen van verdachte(n) en ten slotte hun telecommunicatiegegevens. Daarna trekt de rechtbank conclusies op basis van dat materiaal, gevolgd door overwegingen over het bewijs en als laatste de juridische kwalificaties.

Ten aanzien van de bewijsmiddelen

De verklaringen van aangever [slachtoffer]

De verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] kwamen die avond rond 21:15 uur ter plaatse. In een van de loodsen troffen zij [slachtoffer] aan, liggend op de grond. [slachtoffer] deelde hen mede dat hij was beschoten door drie Turken en twee mannen uit Heerlen. Eén van de mannen uit Heerlen was [naam] (fonetisch) genaamd. Ze reden in een zwarte auto en het kenteken bevatte iets met Wiesbaden. [slachtoffer] verklaarde voorts dat deze mannen met meerdere wapens op hem hadden geschoten.
[slachtoffer] heeft op 12 januari 2017 aangifte gedaan van een poging moord c.q. een poging doodslag. Hij heeft verklaard dat hij op 11 januari 2017 tussen 20:30 uur en 21:00 uur samen met [betrokkene 1] (hierna te noemen: [betrokkene 1] ), naar de Weggebekker in Heerlen is gereden. [betrokkene 1] had eerder die dag met [getuige 1] gesproken. [getuige 1] had toen verteld dat er Duitsers bij hem in de loods waren geweest, op zoek naar drugs. [slachtoffer] dacht dat hij hier misschien iets aan kon verdienen, door die Duitsers aan een dealer voor te stellen. Er was die avond eigenlijk om 20.00 uur afgesproken, maar toen [slachtoffer] rond die tijd bij de loods aankwam, hoorde hij van [getuige 1] dat de anderen er nog niet waren. [slachtoffer] en [betrokkene 1] zijn toen wat rond gaan rijden en tussen 20:30 uur en 21:00 uur terug naar de loods gegaan. [slachtoffer] liep vervolgens de loods binnen via de blauwe rolpoort. In de loods waren een drietal mannen aanwezig, drie Turken uit België. Een man, de kale, was de leider. Hij was van Turkse afkomst, was kaal, had een donkerkleurige stoppelbaard, atletisch postuur, iets getint, 1.75 meter lang, grof gebouwd, ongeveer 35 tot 40 jaar uit oud en hij had een Belgisch accent. Hij gaf [slachtoffer] een hand en zei: ‘ en vroeg ‘ [slachtoffer] zei dat hij geen blok of drugs had, maar hem wel kon voorstellen aan mensen die dat wel hadden. [slachtoffer] hoorde opeens een schot, waarna hij zijn rechterbeen niet meer voelde. Hij viel door dit schot op de grond. Hij zag dat de mannen opeens grote revolvers en wapens hadden. Hierna werd [slachtoffer] geslagen en er werd tegen hem gezegd: “” en “”. De twee andere mannen sloegen en schoten ook op [slachtoffer] en er werd op zijn hoofd gericht. [slachtoffer] bleef heen en weer bewegen terwijl hij op de grond lag, om de kogels te kunnen ontwijken. Opeens kwamen er nog twee personen tevoorschijn, ook allebei met een wapen. Een van deze twee personen kent de verdachte onder de bijnaam [bijnaam 1] . Zijn echte naam is [naam] en hij komt uit [S.] . Hij is ongeveer 27 jaar oud. Hij is slank, heeft een dikke neus, kort zwart haar, een stoppelbaard, ongeveer 1.90 meter lang, heeft een Koerdisch uiterlijk en hij had witte uitslag op de linkerzijde van zijn kin. Hij zei tegen [slachtoffer] : en “. [bijnaam 1] begon te schieten en richtte daarbij op de borst van [slachtoffer] . De andere man kent [slachtoffer] onder de bijnaam [bijnaam 2] . De kale richtte vervolgens zijn wapen op [slachtoffer] en vroeg hem of hij moslim was en zei: “”. Terwijl [bijnaam 1] en [bijnaam 2] op [slachtoffer] aan het schieten waren, riep een van de mannen: “”. [slachtoffer] lag op dat moment op de grond en kon niet opstaan, omdat hij in zijn been was geschoten. [bijnaam 1] schoot op dat moment nog een keer op [slachtoffer] . Daarna heeft [bijnaam 2] nog een aantal keren op hem geschoten. De drie mannen die [slachtoffer] niet kende, liepen als eerste de loods uit, daarna [bijnaam 1] en uiteindelijk verliet ook [bijnaam 2] de loods. [slachtoffer] heeft voorts verklaard dat toen hij bij de loods aankwam, hem een auto opviel: een zwarte of blauwe stationcar, een nieuwer model met Duits kenteken met de eerste twee letters WI voor Wiesbaden. Het leek een huurauto. Over het schieten heeft [slachtoffer] verklaard dat de drie personen eigenlijk tegelijkertijd schoten. Ze hadden een grote zilverkleurige revolver. In totaal waren er twee of drie revolvers, de mannen wisselden gedurende het gebeuren wapens uit. Ze hadden in ieder geval nog een zwarte revolver en een zwart pistool.

Medische informatie [slachtoffer]

In de letselbeschrijving van de forensisch arts Van den Bogard is het volgende over het letsel bij [slachtoffer] opgenomen. [slachtoffer] is op 11 januari 2017 opgenomen in het ziekenhuis en hij is op 12 januari 2017 geopereerd. Door de forensisch arts is het volgende letsel vastgesteld:
Door de politie is gerelateerd dat, gezien het tactisch onderzoek, de letselbeschrijving en het onderzoek van de radioloog, de metalen dense structuren in de benen van [slachtoffer] waarschijnlijk extreem gedeformeerde projectielen zijn, die met een vuurwapen zijn afgevuurd. Gezien de afgelegde wondtrajecten in de benen van [slachtoffer] zijn deze waarschijnlijk ontstaan toen [slachtoffer] zich laag bij de grond bevond. Gelet op diens verklaring dat hij op zijn rug op de grond lag en hij de schoten probeerde te ontwijken door naar links en rechts te bewegen, is het volgens de politie zeer aannemelijk dat [slachtoffer] tijdens deze bewegingen door meerdere projectielen werd geraakt.

De verklaringen van getuigen

[getuige 1] (eigenaar van het in de loods gevestigde garagebedrijf)

[getuige 1] heeft op 11 januari 2017 tegenover verbalisanten van de politie een eerste verklaring afgelegd. Hij heeft verklaard dat hij op 11 januari 2017 in zijn loods aan het werk was. Iets na 21.00 uur kwamen een drietal mannen binnen. Man 1 was kaal, droeg een grijze jas en was ongeveer 1.80 meter lang. Man 2 droeg een zwarte jas, had kort krullend haar en was ongeveer 1.85 meter lang. Man 3 droeg een grijze trui met een capuchon. Daarna kwam [slachtoffer] binnen. [getuige 1] had tussen deze drie mannen en [slachtoffer] een afspraak geïnitieerd. Zodra [slachtoffer] de loods betrad, schreeuwden de mannen naar elkaar. [getuige 1] zag toen dat man 1 en man 2 een vuurwapen trokken. Man 3 had geen wapen. Zodra [getuige 1] de wapens zag, maakte hij zich uit de voeten. Onder het naar buiten gaan, bij de balie, kwam [getuige 1] nog iemand tegen, een man met een zwarte jas en kort krullend haar, iets kleiner dan 1.85 meter, met in zijn hand een kleine zwarte revolver. Hij duwde [getuige 1] tegen de deurstijl aan. Toen de andere mannen iets tegen deze man schreeuwden, liet hij [getuige 1] los. [getuige 1] rende naar buiten en hoorde een aantal harde knallen, hij denkt zes schoten. Daarna kwamen de mannen uit de loods gerend en reden ze weg in een aantal auto’s. Over de vluchtauto’s heeft [getuige 1] verklaard dat er twee auto’s, waarvan een stationwagen, klaarstonden. Toen de mannen weg waren, is [getuige 1] samen met [getuige 3] de loods binnengegaan en is toen [slachtoffer] gaan helpen. Over de wapens heeft [getuige 1] verklaard dat man 1 een zwarte handrevolver had, man 2 had een grote “Dirty Harry” revolver en de man die later binnenkwam had een kleine zwarte handrevolver.
Op 12 januari 2017 heeft [getuige 1] opnieuw een verklaring tegenover verbalisanten van de politie afgelegd. In dit verhoor heeft [getuige 1] verklaard dat hij een van drie mannen, die als eerste in de loods waren, kent. De vriendin van deze man heeft namelijk een ongeluk gehad met een zwarte BMW. Deze BMW, met Belgisch kenteken, staat ter reparatie in de loods van [getuige 1] . [getuige 1] kent deze persoon onder de naam “ [verdachte] ”. [getuige 1] heeft geen telefoonnummer van deze [verdachte] . Verder heeft [getuige 1] tijdens dit verhoor verklaard dat, toen hij buiten was, hij vier of vijf personen uit de loods zag komen rennen. Hij zag de eerste persoon naar buiten komen, daarna klonk binnen pas het laatste schot. Een van deze mannen was [verdachte] . Hij zag dat [verdachte] toen het grote wapen, dat daarvoor nog door iemand anders werd vastgehouden, in zijn handen droeg. Over de wapens heeft [getuige 1] nog verklaard dat hij een zilverkleurig vuurwapen, een hele grote handrevolver, heeft gezien. Over de man die hem in de deurstijl tegenhield, heeft [getuige 1] nog verklaard dat deze iets opvallends in zijn gezicht had, namelijk een soort koortslip of wond, roodkleurig opgezet, nabij zijn lip en in de richting van zijn kin.

Op 13 januari 2017 heeft [getuige 1] meer verklaard over de aanleiding van de afspraak in de loods. Hij heeft verklaard dat [verdachte] die ochtend bij hem in de loods is geweest. Hij had aan [getuige 1] gevraagd of hij iemand wist die aan “bruin” kon komen. [betrokkene 1] kwam aan het einde van de ochtend in de loods in verband met een reparatie aan zijn auto. [getuige 1] had toen aan [betrokkene 1] gevraagd of hij aan drugs kon komen of iemand anders wist. [betrokkene 1] zei dat het in orde zou komen. [verdachte] is die middag wederom naar de loods gekomen en [getuige 1] heeft hem hiervan op de hoogte gesteld. Er werd vervolgens afgesproken dat de partijen elkaar om 20.00 uur in de loods zouden treffen. Volgens [getuige 1] waren alle partijen om 20.00 uur te laat. [slachtoffer] kwam als eerste, rond 20.15 uur. [getuige 1] heeft hem toen verteld dat de anderen er nog niet waren en er werd afgesproken dat [slachtoffer] later terug zou komen. Op een gegeven moment kwam [verdachte] samen met twee andere mannen de loods binnen. [verdachte] was er ongeveer 10 minuten toen [slachtoffer] de loods binnenkwam.

[getuige 1] is hierna meermalen gehoord. Hij heeft op 2 februari 2017 verklaard dat hij inmiddels verhalen heeft gehoord over [verdachte] en dat hij doodsbenauwd is voor hem. Hij heeft ondergedoken gezeten. [getuige 1] geeft daarna meermalen te kennen niet meer te willen verklaren omdat hij bang is. Hij heeft wel nog verklaard dat hij in de ochtend van 11 januari 2017 had gehoord dat de drugs bestemd waren voor Duitsers. Ook heeft hij nog verklaard over op welke wijze hij in contact kon komen met [verdachte] , namelijk via een persoon die [betrokkene 2] wordt genoemd. Dit is een oude man die rijdt in een Ford Mondeo, ergens op Heerlerheide woont en Roemeen of Albanees is. Ook geeft [getuige 1] het telefoonnummer van deze [betrokkene 2] . De politie heeft vervolgens onderzoek verricht naar de identiteit van deze [betrokkene 2] . Uit dit onderzoek blijkt dat het gaat om [betrokkene 2] .
[getuige 1] heeft op 2 mei 2019 wel nog willen meewerken aan een meervoudige fotoconfrontatie. Na de fotoconfrontatie heeft hij tegen over de officier van justitie verklaard dat hij [verdachte] , zijnde de verdachte, niet hoefde aan te wijzen, want die kent hij immers.

[betrokkene 1] (samen met [slachtoffer] naar de loods gereden)

[betrokkene 1] is die avond samen met [slachtoffer] naar de loods op de Weggebekker gereden en is in de auto blijven wachten toen [slachtoffer] naar binnen ging. Over de aanleiding heeft hij verklaard dat hij die ochtend bij [getuige 1] was geweest in verband met een kapotte auto. [getuige 1] heeft toen via de telefoon van [betrokkene 1] met [slachtoffer] gesproken en voor die avond een afspraak gemaakt. [betrokkene 1] hoorde, nadat [slachtoffer] de loods was binnengegaan, gelijk schoten. Hij stapte uit de auto en hoorde nog een aantal schoten. Hij zag mensen in paniek weglopen. Buiten kwam hij [getuige 1] nog tegen. [betrokkene 1] vroeg aan [getuige 1] wat er aan de hand was. [getuige 1] noemde een Turkse/Marokkaanse naam – de naam die hij noemde was binnen, zei [getuige 1] .
[getuige 4] (monteur in de autogarage van [getuige 1] )

[getuige 4] (hierna te noemen: [getuige 4] ) was die avond ook in de loods aan het werk. Hij heeft verklaard dat hij die avond rond 19.55 uur naar de loods is gereden. Daar was alleen [getuige 1] aanwezig. Hij is toen aan zijn eigen auto gaan werken. Hij zag op een gegeven moment een paar mannen binnen komen lopen. Het waren drie mannen, buitenlandse types. Hierna kwam nog een andere man binnen en de mannen raakten met elkaar in gesprek. Dat gesprek liep al vrij snel uit de hand, binnen twee minuten escaleerde het. [getuige 4] heeft zijn telefoon en spullen toen gepakt en heeft de loods verlaten. Hij hoorde een knal en maakte dat hij wegkwam. Hij kwam buiten nog twee best lange jongens tegen, buitenlandse types, die uitzagen als Marokkaans. Toen de man heibel kreeg met de drie mannen binnen, begonnen ze te schreeuwen in het Arabisch. Er werd ook geroepen: ‘ en er werd gescholden.
Op het spoor van de verdachten

De verdachte [verdachte]

Naar aanleiding van de verklaring van [getuige 1] over de persoon genaamd [verdachte] die bij de schietpartij betrokken zou zijn geweest, heeft de politie een onderzoek naar de identiteit van deze persoon ingesteld. Zo heeft de politie onderzoek verricht naar de zwarte BMW in de loods van [getuige 1] , die volgens [getuige 1] zou toebehoren aan de vriendin van deze [verdachte] . Door de politie is in de loods op 19 januari 2017 een wrak van een zwarte BMW aangetroffen met een chassisnummer dat volgens informatie uit België op naam staat van [betrokkene 3] , zijnde de echtgenote van de verdachte. Voorts heeft de politie gerelateerd dat het signalement dat [slachtoffer] heeft gegeven van dader 1 past in het signalement van de verdachte. De verdachte is vervolgens op 22 januari 2019 in zijn woning aan de [adres 1] aangehouden en diezelfde dag overgeleverd aan Nederland.
De verdachte heeft verklaard dat hij op 11 januari 2017 drie keer bij de loods is geweest. De eerste keer was in de ochtend. Het kan kloppen als [getuige 1] daarover heeft verklaard dat dit rond 10.00 of 11.00 uur was. De tweede keer was in de middag, rond 14.00 uur. In de avond, rond 20.00 uur, is de verdachte opnieuw naar de loods gegaan.

Overige verdachten

Op 11 januari 2017 om 21.20 uur is door de politie in de buurt van de plaats delict een persoon genaamd [betrokkene 4] aangehouden. Naar aanleiding van verder onderzoek is op 14 februari 2019 een persoon genaamd [betrokkene 5] aangehouden. Op 22 januari 2019 is een persoon genaamd [medeverdachte 1] aangehouden. Hij zou de persoon zijn die het dossier [bijnaam 1] wordt genoemd. Op 5 februari 2019 is een persoon genaamd [medeverdachte 2] aangehouden. Hij zou de persoon zijn die in het dossier [bijnaam 2] wordt genoemd.
De telefoongegevens van de verdachten

Het telefoonnummer [telefoonnummer 1] – vermoedelijk van of in gebruik bij de verdachte
Door de politie zijn na de schietpartij de mastgegevens van de plaats delict opgevraagd. Daaruit zijn een aantal telefoonnummers naar voren gekomen die op 11 januari 2017 de mast hebben aangestraald behorende bij de plaats delict De Weggebekker in Heerlen.
Het telefoonnummer heeft zich op 11 januari 2017 tot 12:15:01 wellicht onder Belgisch netwerk bevonden. Vanaf 12:39 uur is het telefoonnummer actief op het Nederlands netwerk. Tussen 12:39 uur en 15:01 uur heeft het telefoonnummer zich opgehouden in Heerlen, waarop het mogelijk om 13:05 uur op de plaats delict is geweest. Ook om 14:15 uur is dit telefoonnummer mogelijk op de plaats delict aanwezig geweest. Op dit laatste tijdstip is er contact geweest tussen dit nummer en een nummer dat op naam van de broer van [getuige 1] staat geregistreerd. Vervolgens valt het nummer tussen 15:19:34 uur en 20:10:59 uur weer onder het bereik van het Belgisch netwerk. Vanaf 20:21:16 uur valt het nummer weer onder Nederlands netwerk. Uit de printlijsten blijkt dat vanaf 19:25 uur tot 21:31:37 uur in totaal 24 contactmomenten tussen dit telefoonnummer en het telefoonnummer dat aan [medeverdachte 1] zou toebehoren, hebben plaatsgevonden. Tussen 20:38 uur en 21:04 is het nummer onder bereik van de zendmast van de plaats delict. Om 21:09 uur is vervolgens bij 112 een van de meldingen van de schietpartij binnengekomen. Na het schietincident heeft het telefoonnummer zich vanaf ongeveer 21:11 uur verplaatst, vanaf de plaats delict richting de Belgische grens in Stein. Om 21:24:16 uur straalt het telefoonnummer een mast aan in de omgeving van de Belgische grens bij Stein.

De politie heeft in haar proces-verbaal gerelateerd om welke redenen bovengenoemd telefoonnummer vermoedelijk bij de verdachte in gebruik is geweest, te weten:

Onder deze laatstgenoemde contacten bevindt zich een persoon genaamd [getuige 2] , die door de politie op 16 december 2019 telefonisch is gehoord. Hij heeft verklaard dat hij de verdachte kent en in het verleden telefonisch contact met hem heeft gehad. Het kan goed mogelijk zijn dat dit in december 2016 en januari 2017 is geweest. Wanneer hij wordt geconfronteerd met een tweetal Nederlandse mobiele telefoonnummers die door de politie aan de verdachte worden gelinkt, verklaart hij geen telefoonnummers uit zijn hoofd te kennen. Wel verklaart hij nog dat de verdachte in België woonachtig is.

Het telefoonnummer [telefoonnummer 2] – vermoedelijk van of in gebruik bij [medeverdachte 1]
Het telefoonnummer werd pas actief op 11 januari 2017 en straalde om 16:31 uur op de mast aan de [adres 2] te Maastricht. Het nummer heeft vervolgens tot 19:25 uur masten in Maastricht aangestraald en heeft tot dan alleen contact met het telefoonnummer , welk nummer door de politie aan de verdachte wordt toegeschreven. Uit de printlijsten blijkt dat vanaf 19:25 uur tot 21:31:37 uur in totaal 24 contactmomenten dit telefoonnummer en het telefoonnummer dat aan de verdachte zou toebehoren, hebben plaatsgevonden. Vanaf 20:22 uur straalt het telefoonnummer [telefoonnummer 2] [telefoonnummer 2]
_a8dc1af7-a745-47d5-aa16-c431baa69376

Het telefoonnummer bevindt zich tot 21:24 uur op de plaats delict. De eerstvolgende aangestraalde mast is vervolgens die om 21:31 uur in Sittard. Het toestel probeert dan wederom opnieuw te bellen met het telefoonnummer dat door de politie aan de verdachte wordt toegeschreven. Daarna wordt het telefoonnummer niet meer gebruikt. De politie heeft hieruit geconcludeerd dat dit nummer kennelijk alleen is gebruikt voor communicatie met betrekking tot het schietincident.

De politie heeft in haar proces-verbaal gerelateerd om welke redenen bovengenoemd telefoonnummer vermoedelijk bij [medeverdachte 1] in gebruik is geweest, te weten:

Het telefoonnummer [telefoonnummer 3] – ook vermoedelijk van of in gebruik bij [medeverdachte 1]
Daarnaast zou door [medeverdachte 1] ook gebruik zijn gemaakt van het telefoonnummer
[telefoonnummer 3]
_c3573dce-c84e-448d-adfc-bd5ed41f9be6

_23042b0c-28bf-4de5-8941-2fdf8f7bce3d

_32407a99-800e-4d1c-b289-302afc4e247b

Conclusie van de politie ten aanzien van de telecomgegevens

De politie heeft ook de telefoongegevens onderzocht van de telefoonnummers die vermoedelijk aan [bijnaam 2] en [betrokkene 5] hebben toebehoord. Op basis van alle telecomgegevens tezamen heeft de politie geconcludeerd dat de verdachte, [medeverdachte 1] en [betrokkene 5] zich voor het schietincident in de omgeving van de plaats delict hebben bevonden. Vanaf 20:21 uur zijn er gezamenlijke verplaatsingen zichtbaar in de ruime omgeving van de plaats delict, even later in een kleiner gebied van de plaats delict. Na het schietincident is zichtbaar dat de omgeving van de plaats delict wordt verlaten.
Tussenconclusie van de rechtbank met betrekking tot de telefoonnummers

De rechtbank is van oordeel dat op basis van bovenstaand telecomonderzoek kan worden geconcludeerd dat het telefoonnummer op 11 januari 2017 bij de verdachte in gebruik is geweest. De rechtbank wijst dan met name op het gegeven dat de tijdstippen waarop dit nummer mogelijk op de plaats delict is geweest op 11 januari 2017 passen bij de verklaringen van [getuige 1] en die van de verdachte zelf, inhoudende dat hij die dag meermalen bij de loods is geweest, waaronder om 14.00 uur ‘s middags en 20.00 uur die avond. Ook betrekt de rechtbank in haar oordeel het gegeven dat [betrokkene 2] en een telefoonnummer dat op naam van de broer van [getuige 1] staat geregistreerd, contacten van dit telefoonnummer zijn. Bovendien heeft dit telefoonnummer rondom het tijdstip van het tenlastegelegde feit (in december 2016 en januari 2017) contact met een telefoonnummer dat destijds op naam stond van [getuige 2] . [getuige 2] heeft telefonisch verklaard de verdachte, die woonachtig is in België, te kennen en dat het goed mogelijk is dat beiden in december 2016 en januari 2017 telefonisch contact hebben gehad.
De rechtbank is van oordeel dat op basis van bovenstaand telecomonderzoek kan worden geconcludeerd dat de telefoonnummers en op 11 januari 2017 bij de verdachte [medeverdachte 1] in gebruik zijn geweest. Ten aanzien van het telefoonnummer [telefoonnummer 2] [telefoonnummer 3]
[medeverdachte 1] te bereiken. Dat dit laatstgenoemde nummer aan [medeverdachte 1] toebehoorde leidt de rechtbank, zoals hiervoor besproken, af uit het IMEI-nummer van het toestel waarin dit telefoonnummer op 11 januari 2017 zat, namelijk in een iPhone 7 met IMEI-nummer eindigend op * [nummer] , waarvan het doosje in de woning van de partner van [medeverdachte 1] is aangetroffen, alwaar [medeverdachte 1] verbleef.
Overwegingen ten aanzien van het bewijs

In deze zaak heeft de getuige [slachtoffer] verschillende malen geweigerd medewerking te verlenen aan een verhoor. Vooropgesteld moet worden dat een goede reden waarom [slachtoffer] niet als getuige is of kon worden gehoord, ontbreekt. Een volgende vraag is dan of een bewezenverklaring van de kern van het verwijt – namelijk het al of niet samen met een ander of anderen schieten door de verdachte op [slachtoffer] – in beslissende mate op de verklaring van [slachtoffer] is gebaseerd of dat deze verklaring in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen. Dat de verdachte in de loods was en een wapen in zijn bezit heeft gehad, is zowel uit de verklaring van [slachtoffer] als uit de verklaring van [getuige 1] af te leiden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de getuigenverklaring van [slachtoffer] niet in strijd is met artikel 6 van het EVRM en voor het bewijs kan worden gebezigd.
De rechtbank merkt op dat [slachtoffer] in zijn verklaringen omtrent de gebeurtenissen niet altijd even consistent is. Naar het oordeel van de rechtbank is op een aantal wezenlijke punten de voorstelling van zaken in zijn verklaringen in overeenstemming met de verklaringen van andere getuigen, zoals [getuige 1] en [getuige 4] , zodat de rechtbank tot het oordeel komt, dat – anders dan de raadsvrouw van de verdachte heeft bepleit – deze verklaringen van [slachtoffer] niet als onbetrouwbaar buiten het bewijs behoeven te worden gelaten. Zo verklaren [slachtoffer] , [getuige 1] en [getuige 4] dat er drie mannen in de loods aanwezig waren op het moment dat [slachtoffer] de loods betrad. [slachtoffer] en [getuige 4] hebben beiden verklaard over twee jongens die er korte tijd later bij zijn gekomen en zij hebben beiden verklaard dat in de loods aan [slachtoffer] is gevraagd of hij moslim was. Dat vrijwel meteen toen [slachtoffer] de loods binnenkwam is geschoten, vindt bevestiging in de verklaringen van zowel [getuige 4] als [betrokkene 1] . Zowel [slachtoffer] als [getuige 1] hebben voorts verklaard over een stationwagen die als vluchtauto werd gebruikt, over een groot zilverkleurig vuurwapen in de handen van de mannen, ze hebben beiden verklaard dat er tussen de mannen wapens werden uitgewisseld en ze hebben beiden verklaard over een opvallend witte uitslag op de kin bij een van de daders. Dit alles maakt ook dat de rechtbank de verklaring van [getuige 1] betrouwbaar acht, nu omgekeerd deze verklaring voldoende steun vindt in de verklaring van [slachtoffer] . In de omstandigheid dat [getuige 1] , nadat hij meermalen heeft aangegeven bedreigd te worden en bang te zijn, op eerdere verklaringen is teruggekomen, ziet de rechtbank geen aanleiding om de eerder door hem afgelegde verklaringen als in strijd met de waarheid te bestempelen. De verklaring van de verdachte, inhoudende dat hij die avond niet in de loods is geweest, maar buiten is blijven staan, acht de rechtbank niet aannemelijk geworden, nu de verklaring van de verdachte op dit punt, maar ook op andere punten, niet wordt bevestigd door andere bewijsmiddelen in het dossier. Zo heeft [getuige 1] niet verklaard dat hij buiten de loods met de verdachte heeft gesproken en is de verdachte de enige persoon in het dossier die spreekt over zeven of acht Afrikanen, die uit de loods kwamen gerend.
De rechtbank is van oordeel dat op basis van bovenstaande bewijsmiddelen het volgende is komen vast te staan. De verdachte is op 11 januari 2017 drie keer in de loods op De Weggebekker aanwezig geweest, kennelijk met als doel een afspraak met [slachtoffer] te initiëren. Het ging de mannen blijkbaar om een gestolen partij drugs. Vanaf 20:21 uur die avond hebben in ieder geval de verdachte en [medeverdachte 1] zich gezamenlijk verplaatst in de ruime omgeving van de plaats delict en later in een kleiner gebied van de plaats delict. Rond 21.00 uur heeft [slachtoffer] de loods betreden. In de loods waren op dat moment – behalve [getuige 1] en [getuige 4] – een drietal personen aanwezig, waaronder de verdachte. Dat de verdachte in de loods in het bezit van een vuurwapen is geweest, leidt de rechtbank af uit zowel de verklaring van [slachtoffer] als uit de verklaring van [getuige 1] . Toen [slachtoffer] met deze drie personen in de loods aanwezig was, is hij in zijn been geschoten. Kort daarna zijn twee andere personen de loods binnengekomen, waaronder [medeverdachte 1] . Dat [medeverdachte 1] in het bezit was van een vuurwapen, leidt de rechtbank eveneens af uit de verklaringen van zowel [slachtoffer] als [getuige 1] , die beiden hebben verklaard over een zwart wapen dat door [medeverdachte 1] werd gehanteerd. Toen de vijf personen samen met [slachtoffer] in de loods aanwezig waren, is nogmaals op [slachtoffer] geschoten. Na het schietincident zijn de mannen gevlucht.

De juridische kwalificatie

De rechtbank zal allereerst – los van de vraag wie in de loods op [slachtoffer] heeft geschoten en/of er sprake is van medeplegen – de juridische kwalificatie van het handelen vaststellen.
Voor een bewezenverklaring van een poging tot moord moet worden beoordeeld of er sprake was van voorbedachte raad. Uit het voorgaande blijkt dat de aanleiding voor de afspraak in de loods het vermoeden was dat [slachtoffer] drugs uit de woning van [medeverdachte 1] had gestolen of in dit verband over informatie beschikte. Uit het onderzoek ter terechtzitting en het dossier blijkt niet dat de verdachte en/of de anderen doelbewust, na kalm beraad of rustig overleg, een plan hebben gemaakt om [slachtoffer] van het leven te beroven en dat zij op 11 januari 2017 aan dat plan, al dan niet gezamenlijk, hebben getracht uitvoering te doen geven. Naar het oordeel van de rechtbank ontbreekt derhalve het bewijs voor voorbedachte raad. De verdachte moet van het primair tenlastegelegde, te weten: poging tot moord, worden vrijgesproken.

Poging doodslag

Onder het subsidiair tenlastegelegde is een poging tot doodslag op [slachtoffer] tenlastegelegd. Vaststaat dat [slachtoffer] een maal in zijn been is geschoten, waarna hij op de grond is gevallen. Vervolgens zijn meerdere kogels op korte afstand op het lichaam van [slachtoffer] afgevuurd, terwijl deze op de grond lag en heen en weer bewoog om kogels te ontwijken. De rechtbank begrijpt aldus dat het schietincident in een zeer kort tijdsbestek en terwijl [slachtoffer] zich heen en weer bewoog over de grond, heeft plaatsgevonden. De kogels hebben [slachtoffer] onder meer in beide benen geraakt, waardoor een slagaderlijke bloeding is ontstaan. De rechtbank is van oordeel dat het meenemen van de vuurwapens naar de loods en het op korte afstand afvuren van kogels op het zich op de grond heen en weer bewegende lichaam van [slachtoffer] een aanmerkelijk risico op de dood met zich mee hebben gebracht en dat deze aanmerkelijke kans ook is aanvaard. De rechtbank acht een poging doodslag aldus bewezen.
Medeplegen?

Gelet op bovengenoemde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, en hetgeen daarover hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat bewezen kan worden dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn mededaders, zowel voorafgaand aan, als ook tijdens de schietpartij. De verdachte is degene geweest die op 11 januari 2017 via [getuige 1] een afspraak met [slachtoffer] heeft gemaakt. Op basis van de telecomgegevens kan worden vastgesteld dat de verdachte en zijn mededaders zich voorafgaand aan de schietpartij in de omgeving van de plaats delict hebben begeven. In ieder geval de verdachte en [medeverdachte 1] hebben zich daarna naar de loods verplaatst en hebben beiden een vuurwapen meegenomen. Niet alleen door de verdachte en [medeverdachte 1] , maar ook door anderen werden vuurwapens meegenomen naar de loods. Hieruit leidt de rechtbank een gezamenlijke voorbereiding af en de bereidheid gebruik te maken van die wapens. Tijdens de schietpartij – waarbij meerdere keren op [slachtoffer] is geschoten en geen van de daders zich heeft gedistantieerd – werd er door zowel de verdachte, als even later ook door [medeverdachte 1] , gerefereerd aan een diefstal van drugs. De rechtbank concludeert hieruit dat de daders kennelijk een gezamenlijk belang hadden, namelijk het achterhalen van de dader van deze diefstal. De rechtbank is van oordeel dat het aandeel van de verdachte in zowel de samenwerking als de uitvoering van het delict zodanig is geweest dat sprake is geweest van medeplegen van een poging doodslag. Met het schieten door de verdachte en anderen op het lichaam van [slachtoffer] , is gezien de beschrijving van het opgetreden letsel, de kans op overlijden van [slachtoffer] reëel geweest. Zonder medisch ingrijpen was de een slagaderlijke bloeding mogelijk fataal afgelopen. Alle betrokkenen hebben na het schietincident het hazenpad gekozen. De verdachte heeft geen verklaring over zijn aanwezigheid in de loods willen afleggen. Dit betekent dat de verdachte en de anderen voor het geheel aan gedragingen in de loods verantwoordelijk worden gehouden en niet hoeft te worden vastgesteld door wie op welk moment in dat korte tijdsbestek in de loods op [slachtoffer] is geschoten.
De overtuiging

De officier van justitie heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat bij hem de overtuiging dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de schietpartij, ontbreekt. De officier van justitie heeft zich daarbij laten leiden door het roepen van [slachtoffer] ter terechtzitting dat hij deze verdachte niet kent.De vergaande conclusie die de officier van justitie aan die woorden verbindt, neemt de rechtbank niet over. Uit de wettige bewijsmiddelen zoals hiervoor opgenomen, heeft de rechtbank die overtuiging juist wel. Dat idee wordt mede geschraagd door de uit het dossier blijkende tendens dat getuigen naarmate de tijd verstrijkt steeds terughoudender over deze verdachte verklaren. Ook blijkt voldoende dat het deze verdachte is geweest die op die dag een afspraak heeft gearrangeerd met [slachtoffer] .
De rechtbank is, gelet op hetgeen zij hiervoor heeft overwogen, van oordeel dat zowel wettig als overtuigend bewezen is dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan.

Voorwaardelijke verzoeken van de raadsvrouw

De raadsvrouw heeft bij pleidooi het verzoek gedaan om de audio-opnames van het verhoor van de getuige [getuige 1] aan het dossier toe te laten toevoegen. De rechtbank heeft geen noodzaak gezien tot dit besluit. Zij is van oordeel dat ten aanzien van de passage, aangehaald en uitgeschreven op pagina 6 van de pleitnota, het proces-verbaal een juiste zakelijke weergave van dit verhoor bevat. De tweede passage, zoals op pagina 7 van de pleitnota uiteengezet, heeft de rechtbank niet voor het bewijs gebezigd.
Voorts heeft de raadsvrouw bij pleidooi het verzoek tot het horen van de getuige [getuige 2] herhaald. Nu dit verzoek door de rechtbank ter zitting reeds is afgewezen, en de raadsvrouw hiertoe geen nieuwe argumenten heeft aangevoerd waaruit de noodzaak tot het horen van deze getuige blijkt, zal dit verzoek eveneens worden afgewezen.

Bij [slachtoffer] zijn aldus schotverwondingen aan beide benen vastgesteld, met een gevoelsstoornis van de rechtervoorvoet en voetzool door een mogelijke beschadiging van de beenzenuw. In het linker bovenbeen bevindt zich halverwege een scheur in de lengterichting van het bloedvat over een afstand van vier centimeter. Daarin is op 12 januari 2017 operatief een stent geplaatst. De forensisch arts heeft voorts opgenomen dat [slachtoffer] levenslang een bloedstollingsremmer moet slikken om het dichtslibben van deze stent te voorkomen. De conclusie is dat de beschreven letsels het meest passen bij schotverwondingen. Er zijn een aantal kogels in het lichaam achtergebleven. Deze kunnen niet worden verwijderd. De gevoelsstoornis in de rechtervoet is het gevolg van een zenuwbeschadiging in het been. Er bestaat twijfel over de vraag of de zenuw in het rechterbeen volledig zal herstellen.


-

een verwonding onder het rechteroog ;

een deels ontbrekende wijsvinger aan de rechterhand. Het laatste en middelste kootje zijn verdwenen. Bij de operatie op 12 januari 2017 is deze vinger deels geamputeerd;

schotverwondingen in het linkerbeen (midden voorzijde) en in het rechterbeen (binnenzijde bovenbeen en onder de rechterknie).

-

dit telefoonnummer heeft als enige van de potentiële telefoonnummers van verdachten contact gehad met het nummer dat geregistreerd staat op naam van de broer van [getuige 1] . Uit het dossier blijkt dat de verdachte een klant was van de autogarage van de broers [getuige 1] ;

dit telefoonnummer heeft contact met een telefoonnummer dat in gebruik is bij een persoon genaamd [betrokkene 2] . Uit de getuigenverklaring van [getuige 1] blijkt, dat wanneer hij de verdachte moet spreken, hij hem kan bereiken via [betrokkene 2] , zijnde [betrokkene 2] ;

dit telefoonnummer heeft veel contact met bij de politie bekende telefoonnummers van medeverdachte [medeverdachte 1] . Op 11 januari heeft dit telefoonnummer contact met het telefoonnummer , welk nummer volgens de politie die avond vermoedelijk bij [medeverdachte 1] in gebruik was;

het telefoonnummer heeft contact met meerdere telefoonnummers waarvan de tenaamstellingen Turkse namen zijn, zijnde dezelfde afkomst als de verdachte.

-

dit telefoonnummer heeft die avond contact gehad met het telefoonnummer van [betrokkene 4] . Uit analyse van de printgegevens van bij de politie bekende telefoonnummers van [medeverdachte 1] blijkt dat hij – als enige – in het verleden eerder contact met [betrokkene 4] heeft gehad;

het telefoonnummer was voor een eerste keer actief op de mast [adres 2] te Maastricht. Dit is vlakblij de woning van de vader van [betrokkene 6] , zijnde de partner van [medeverdachte 1] .

3.4
De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte
subsidiair

op 11 januari 2017 in de gemeente Heerlen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf, om tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet tezamen en in vereniging met anderen meermalen met vuurwapens meerdere kogels in het lichaam van die [slachtoffer] heeft geschoten en met vuurwapens meerdere kogels in de richting van die [slachtoffer] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:
subsidiair

medeplegen van poging tot doodslag
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6

6.1
De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft vrijspraak bepleit, omdat hij niet de overtuiging heeft bekomen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
6.2
Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ten aanzien van een eventuele strafoplegging geheel subsidiair bepleit dat rekening moet worden gehouden met het gegeven dat geen bloot opzet op de dood aanwezig was. Voorts heeft de raadsvrouw op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte gewezen en heeft zij de stelling ingenomen dat het tijdsverloop – dat niet aan de verdediging te wijten is – het onderzoek heeft gefrustreerd.
6.3
Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
Wat heeft de verdachte gedaan?

De verdachte en zijn mededaders zijn op 11 januari 2017, terwijl zij waren uitgerust met meerdere vuurwapens, naar de loods op de Weggebekker in Heerlen gegaan om [slachtoffer] te ontmoeten. Vrij snel nadat [slachtoffer] de loods betrad, is hij in zijn been geschoten. Kort daarna is nog meerdere keren op hem geschoten. Het kennelijke gemak en de berekendheid waarmee verdachte en diens mededaders deze schietpartij hebben gepleegd, geeft blijk van een professionaliteit die de rechtbank ernstige zorgen baart. De verdachte en diens mededaders hebben gehandeld uit puur eigenbelang, met als kennelijk doel ordehandhaving binnen het criminele drugscircuit, vanwege de vermeende diefstal van een partij drugs. Door schietpartijen als door de verdachte en zijn mededaders gepleegd worden reeds in de samenleving bestaande gevoelens van onveiligheid vergroot.
Door de schietpartij is [slachtoffer] gewond geraakt. Als gevolg van de schietverwonding is in de slagader zijn linker bovenbeen een stent geplaatst, en moet hij voor de rest van zijn leven bloedverdunners slikken. Ook is een deel van zijn rechterwijsvinger geamputeerd. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte en zijn mededaders de lichamelijke integriteit en de persoonlijke vrijheid van [slachtoffer] op grove wijze hebben geschonden. De rechtbank rekent de verdachte dit zwaar aan.Het onderhavige feit heeft begrijpelijk voor ophef in de maatschappij gezorgd. De verdachte heeft daaraan bijgedragen, ook door op geen enkele manier inzicht te willen verschaffen in zijn drijfveren of door te erkennen dat hij een ander leed heeft aangedaan.
De rechtbank neemt voorts mee dat de verdachte weliswaar in Nederland niet over een relevant strafblad beschikt, maar in België meermalen is veroordeeld voor delicten met betrekking tot drugs en wapens en aldaar onder meer is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren vanwege een wederrechtelijke vrijheidsberoving en een diefstel met geweld.

Het tijdsverloop

Na de schietpartij op 11 januari 2017 is het onderzoek door de politie met ingang van 9 maart 2017 stilgelegd. Eind augustus 2018 is het strafrechtelijk onderzoek in deze zaak pas weer voortgezet. Ook daarna heeft het een tijd geduurd voordat de zaak inhoudelijk kon worden behandeld, mede door de weigering van [slachtoffer] om als getuige een verklaring af te leggen. Hoewel er geen sprake is van de overschrijding van de redelijke termijn, houdt de rechtbank bij de strafoplegging wel rekening met dit tijdsverloop.
De straf

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en in het licht van de straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden volstaan met een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanmerkelijke duur. De aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde zouden door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak worden miskend.
Voor feiten als een poging doodslag zijn binnen de rechtspraak geen landelijke oriëntatiepunten voor de hoogte van de straf opgesteld. De rechtbank heeft gelet op de straffen die doorgaans worden opgelegd voor een enkelvoudige poging doodslag waarbij er van korte afstand en gericht wordt geschoten op het slachtoffer. Als uitgangspunt geldt dat het gerechtshof voor een voltooide enkelvoudige doodslag geen lagere straf oplegt dan een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren. In deze zaak is echter geen sprake van een voltooide poging doodslag, maar van een poging daartoe.

Alles afwegende, legt de rechtbank ter zake van voornoemde feiten aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren op, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

7

7.1
De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] , vertegenwoordigd door mr. C.A. Bouw, vordert een schadevergoeding van € 80.638,50. De gevorderde materiële schade, met een totaalbedrag van € 638,50, bestaat uit een gevorderde ziekenhuisdaggeldvergoeding ad € 196,00 en gevorderde kosten huishoudelijke hulp ad € 442,50. De gevorderde immateriële schade behelst een totaalbedrag van € 80.000,-. De raadsvrouw heeft in dit kader aangevoerd dat de schade aan het lichaam van [slachtoffer] groot is en hij daarnaast door het incident met psychische klachten kampt. Ook de lichamelijke problematiek heeft zijn weerslag op de psyche van [slachtoffer] . Hij zal moeten leven met een vinger minder en moet de rest van zijn leven bloedverdunners slikken om trombose te voorkomen. Dit is noodzakelijk in verband met een stent die geplaatst moest worden na het incident. De raadsvrouw heeft ter onderbouwing van de vordering tot immateriële schade verwezen naar een uitspraak van het Gerechtshof van 17 januari 2002.
7.2
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot materiële schade kan worden toegewezen, onder vermeerdering van de wettelijke rente en met de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat hij het gevorderde bedrag niet op voorhand onredelijk vindt, maar dat – gelet op alle posten die bijdragen tot die immateriële schade – de vordering niet in zijn geheel zo eenvoudig van aard is dat het strafproces zich daarvoor leent. De officier van justitie acht de vordering tot immateriële schade tot een bedrag van € 40.000,- voor toewijzing vatbaar, dit als voorschot en onder vermeerdering van de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ten aanzien van het gehele toewijsbare bedrag verzoekt de officier van justitie tot hoofdelijke veroordeling, telkens voor 1/5 omdat het openbaar ministerie uitgaat van een vijftal daders.
7.3
Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering, nu de verdachte van het tenlastegelegde moet worden vrijgesproken. Subsidiair heeft de raadsvrouw de gevorderde kosten huishoudelijke hulp betwist, nu de vermeende partner van [slachtoffer] heeft verklaard geen relatie met [slachtoffer] te hebben en geen gemeenschappelijke huishouding met hem te voeren. De vordering tot immateriële schadevergoeding dient geheel niet-ontvankelijk te worden verklaard, niet alleen vanwege de exorbitante hoogte, maar ook omdat de vordering op dit punt onvoldoende is onderbouwd.
7.4
Het oordeel van de rechtbank

Materiële schade

Ziekenhuisdaggeldvergoeding

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 3.4 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht en de verdachte de omvang van deze materiële schadepost niet heeft betwist, ligt deze vordering voor toewijzing gereed tot het door de benadeelde gevorderde totaal van € 196,00, met de wettelijke rente, te berekenen over de periode vanaf 11 januari 2017 tot aan de dag van algehele voldoening.
Kosten huishoudelijke hulp

De rechtbank stelt vast dat door de verdediging deze schadepost uitdrukkelijk is betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze schadepost ten opzichte van deze gemotiveerde betwisting onvoldoende is onderbouwd. De rechtbank zal de benadeelde in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren.
Immateriële schade

De rechtbank is voorts van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. De door de benadeelde aangehaalde jurisprudentie acht de rechtbank echter niet vergelijkbaar met de feiten in onderhavige strafzaak. De rechtbank zal de hoogte van de immateriële schade tot op heden geleden begroten en daarbij aansluiting zoeken bij de Letsellijst van het Schadefonds Geweldsmisdrijven en wel bij letselcategorie 3 (fysiek letsel met blijvende hinderlijke beperkingen in het dagelijks beroeps- of bedrijfsmatig functioneren (of een daaraan gelijk te stellen activiteit)). Bij deze letselcategorie hoort een schadebedrag van € 5.000,-. De rechtbank zal de vordering tot immateriële schadevergoeding dan ook tot dit moment toewijzen tot een bedrag van € 5.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente, te berekenen over de periode vanaf 11 januari 2017 tot aan de dag der algehele voldoening. De rechtbank zal de benadeelde in het overige niet-ontvankelijk verklaren. De verdachte is voor de schade, voor zover toegewezen, naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk.Nu de verdachte ter zake van het hiervoor onder 3.4 verklaarde strafbare feit zal worden veroordeeld en hij naar burgerlijk recht jegens [slachtoffer] aansprakelijk is voor de gevorderde schade die door dat strafbare feit is toegebracht, heeft de rechtbank tot het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel besloten. Vanaf 1 januari 2020 is bij de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel vervangende gijzeling van toepassing. Voor zover overgangsrecht van toepassing is, is de rechtbank van oordeel dat de oplegging van vervangende gijzeling voor de verdachte als meest gunstig moet worden gezien.
8

De beslissing berust op de artikelen 36f, 45, 47 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
beslissing

9

De rechtbank:
Vrijspraak

Bewezenverklaring

Strafbaarheid

Straf

Benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

Voorlopige hechtenis

Dit vonnis is gewezen door mr. C.G.A. Wouters, voorzitter, mr. B.G.L. van der Aa en mr. W.L.J. Voogt, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K.J.M. Feron-Voncken, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 25 maart 2020.
Buiten staat

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 11 januari 2017 in de gemeente Heerlen,ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf omtezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven,met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,meermalen, althans eenmaal,met (een) vuurwapen(s) meerdere althans een kogel(s) in het lichaam en/ofledema(a)t(en) van die [slachtoffer] heeft geschoten en/of met (een) vuurwapen(s)meerdere althans een kogel(s) in de richting van die [slachtoffer] heeftgeschoten,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 11 januari 2017 in de gemeente Heerlen,ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf omtezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven,met dat opzet tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,meermalen, althans eenmaal,met (een) vuurwapen(s) meerdere althans een kogel(s) in het lichaam en/ofledema(a)t(en) van die [slachtoffer] heeft geschoten en/of met (een) vuurwapen(s)meerdere althans een kogel(s) in de richting van die [slachtoffer] heeftgeschoten,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
- spreekt de verdachte vrij van het primair tenlastegelegde feit;
- veroordeelt de verdachte voor feit 1 subsidiair tot een gevangenisstraf van 5 jaren, beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
- heft op de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.
1.
-

verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

-

verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

verklaart de verdachte strafbaar;

-

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer] , vertegenwoordigd door mr. C.A. Bouw, van een bedrag van 5.169,- euro, bestaande uit materiële schade ad 169,00 euro en immateriële schade ad 5.000 euro, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 januari 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;

bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

legt aan de verdachte hoofdelijk op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer] , van een bedrag van 5.169,- euro, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 60 dagen gijzeling. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat indien en voor zover de verdachte en/of zijn mededaders aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt;

_7f97ed30-0254-4385-b712-ad8e1e086284
1

Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van Districtsrecherche Parkstad-Limburg, proces-verbaalnummer LB2R017008-248, gesloten d.d. 26 maart 2019, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 1647 alsmede de ongenummerde bescheiden, behorende bij deze zaak.
_5c698592-4112-49fe-b101-c152bff8693a
2

Proces-verbaal 112 gesprek [betrokkene 1] d.d. 23januari 2017, pagina 1252.

_779419b6-b2ce-4727-aa89-56f18d3e8afa
3

Proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 januari 2017, pagina’s 789 en 790.

_04a51c78-e401-4af0-9ef5-6629276c7b3c
4

Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] d.d. 12 januari 2017, pagina’s 1100 tot en met 1115.

_09dcb03f-15c3-48d5-a7fa-f2f37a88a2f5
5

Letselbeschrijving, opgesteld door M. van den Bogard, forensisch geneeskundige bij GGD Zuid-Limburg, pagina’s 1066 tot en met 1068.

_1e31fb8e-26c2-49d7-b62f-994a3e2ea541
6

Proces-verbaal d.d. 8 april 2019, pagina 758.

_4ff97383-dcac-4a67-bb75-30891dd4d8c3
7

Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 1] d.d. 11 januari 2017, pagina’s 1167 tot en met 1168.

_2f1614b3-34a6-498f-8c33-ebf288e2bcd8
8

Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 1] d.d. 12 januari 2017, pagina’s 1169 tot en met 1181.

_d2946494-f40d-4f93-9a1e-c4ac1d51f76f
9

Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 1] d.d. 13 januari 2017, pagina’s 1185 tot en met 1190.

_08cc9c25-6e5b-49a6-ad9b-c44e618a8c68
10

Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 1] d.d. 2 februari 2017, pagina’s 1197 tot en met 1203.

_f8e9cbac-ba58-4fce-9911-35285a0065a3
11

Proces-verbaal d.d. 5 februari 2017, pagina 1207 en proces-verbaal gesprek getuige [getuige 1] d.d. 2 april 2019, pagina 1208.
_46675f39-7843-4c18-a3c8-ea17b706c07a
12

Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 1] d.d. 16 februari 2017, pagina 1205.

_96ed945e-2d98-4396-a18e-9ddd1ffa7bab
13

Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 1] d.d. 16 februari 2017, pagina’s 1204 tot en met 1206.