Uitspraak ECLI:NL:RBLIM:2020:173

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht; Arbeidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 10-01-2020. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Limburg op 09-01-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBLIM:2020:173, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 8205273 CV EXPL 19-8107


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK LIMBURG
Burgerlijk recht
Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 8205273 CV EXPL 19-8107

Vonnis in kort geding van de kantonrechter van 9 januari 2020

in de zaak van:

[eiser]

wonend te [woonplaats] ,eisende partij,gemachtigde: mr. M.R.V.L. Kicken,
tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
RUBBER RESOURCES B.V.

gevestigd te Maastricht,gedaagde partij,gemachtigde: mr. M.M.J.F. Sijben.
Partijen worden hierna [eiser] en Rubber Resources genoemd.

ECLI:NL:RBLIM:2020:173:DOC
nl

RECHTBANK LIMBURG
Burgerlijk recht
Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 8205273 CV EXPL 19-8107

Vonnis in kort geding van de kantonrechter van 9 januari 2020

in de zaak van:

[eiser]

wonend te [woonplaats] ,eisende partij,gemachtigde: mr. M.R.V.L. Kicken,
tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
RUBBER RESOURCES B.V.

gevestigd te Maastricht,gedaagde partij,gemachtigde: mr. M.M.J.F. Sijben.
Partijen worden hierna [eiser] en Rubber Resources genoemd.

1

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-

de dagvaarding van 6 december 2019 met elf producties

de twee door [eiser] nagezonden producties

de mondelinge behandeling op 19 december 2019 en de tijdens deze mondelinge behandeling overgelegde en door mr. Sijben voorgedragen pleitnota (conclusie van antwoord).

1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2

2.1.
[eiser] , geboren op [geboortedatum] 1958, is op 1 januari 1985 in dienst getreden van (de rechtsvoorganger van) Rubber Resources. [eiser] was laatstelijk (op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd) werkzaam in de functie van Coördinator Kwaliteit en Milieu.
2.2.
[eiser] heeft zich op 8 oktober 2014 ziek gemeld bij Rubber Resources.
2.3.
Het UWV heeft aan [eiser] met ingang van 5 oktober 2016 een WGA-uitkering toegekend. Per die dag is de loondoorbetalingsverplichting van Rubber Resources geëindigd. Het loon bedroeg daarvoor laatstelijk € 3.792,28 bruto per maand.
2.4.
Het loon voor einde wachttijd van [eiser] bedroeg € 3.792,28 bruto per maand.
2.5.
Bij e-mail van 2 december 2016 heeft Rubber Resources aan [eiser] medegedeeld dat zij niet tot ontslag zal overgaan.
2.6.
Bij brief van 14 november 2019 heeft (de gemachtigde van) [eiser] aan Rubber Resources verzocht de arbeidsovereenkomst met [eiser] te beëindigen onder toekenning van een vergoeding gelijk aan de transitievergoeding. [eiser] heeft in dat verband Rubber Resources verzocht aan hem een conceptvaststellingsovereenkomst te sturen waarin een en ander is opgenomen. Ondanks daaropvolgende e-mails van [eiser] ’s gemachtigde van 21, 25 en 28 november 2019 heeft Rubber Resources niet inhoudelijk op dit verzoek gereageerd.
3

3.1.
[eiser] vordert bij wijze van onmiddellijke voorziening bij voorraad:
Primair:A. Met toepassing van artikel 3:300 BW te bepalen dat Rubber Resources verplicht is om de arbeidsovereenkomst met [eiser] vóór 1 januari 2020 op te zeggen of haar medewerking te verlenen aan het vóór 1 januari 2020 sluiten van een vaststellingsovereenkomst / beëindigingsovereenkomst waarbij een vergoeding wordt geboden van € 75.075,- bruto, een en ander op straffe van een dwangsom van € 100,- per dag voor elk dag die Rubber Resources daarvan in gebreke blijft, met een maximum van € 10.000,- en / of te bepalen dat zijn uitspraak dezelfde kracht heeft als een opzegging door de werkgever en daarvoor dus in de plaats treedt onder toekenning van € 75.075,- bruto, zijnde de transitievergoeding;
Subsidiair:B. Rubber Resources te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting binnen twee dagen na het te wijzen vonnis aan [eiser] € 75.075,- bruto te voldoen ten titel van (een voorschot op een) schadevergoeding, gelijk aan de transitievergoeding, wegens handelen en/of nalaten in strijd met goed werkgeverschap artikel 7:611 BW;
Zowel primair subsidiair:C. Rubber Resources te gebieden om binnen twee weken na het in deze zaak te wijzen vonnis de eindafrekening op te maken en uit te betalen in het kader waarvan salaris over openstaande vakantiedagen resp. –uren, vakantiegeld en eindejaarsuitkering dient te worden betaald, eveneens op straffe van een dwangsom van € 100,- voor elke dag waarmee Rubber Resources in gebreke blijft, met een maximum van € 5.000,-;
D. Rubber Resources te veroordelen in de kosten van dit geding.

3.2.
Rubber Resources betwist het spoedeisend belang. Verder betwist dat zij veroordeeld kan worden om de arbeidsovereenkomst op te zeggen zonder toestemming van Uwv. Ook kan Rubber Resources niet worden veroordeeld tot het geven van instemming met beëindiging van de arbeidsovereenkomst omdat dit in strijd is met de contractvrijheid. Voorts zou de primaire vordering leiden tot een constitutief vonnis en dat kan niet in kort geding. Rubber Resources stelt dat geen sprake is van geleden schade. Rubber Resources heeft de gestelde schade ook niet onderbouwd.
overwegingen

4

4.1.
De rechtbank Limburg heeft prejudiciële vragen voorgelegd aan de Hoge Raad over de gehoudenheid van een werkgever om een redelijk voorstel van een werknemer tot beëindiging van het dienstverband onder betaling door de werkgever van een ontslagvergoeding te accepteren. De Hoge Raad heeft de aan hem gestelde prejudiciële vragen in zijn uitspraak van 8 november 2019 (ECLI:NL:HR:2019:1734) inmiddels als volgt beantwoord:
Als is voldaan aan de vereisten van art. 7:669 lid 1 en lid 3, aanhef en onder b, BW voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst wegens langdurige arbeidsongeschiktheid, geldt als uitgangspunt dat een werkgever op grond van goed werkgeverschap in de zin van art. 7:611 BW, gehouden is in te stemmen met een voorstel van de werknemer tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden, onder toekenning van een vergoeding aan de werknemer ter hoogte van de wettelijke transitievergoeding. Daarbij geldt dat die vergoeding niet meer behoeft te bedragen dan hetgeen aan transitievergoeding verschuldigd zou zijn bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst op de dag na die waarop de werkgever wegens arbeidsongeschiktheid van de werknemer de arbeidsovereenkomst zou kunnen (doen) beëindigen.

Op dit uitgangspunt moet een uitzondering worden aanvaard als – op grond van door de werkgever te stellen en zo nodig te bewijzen omstandigheden – de werkgever een gerechtvaardigd belang heeft bij instandhouding van de arbeidsovereenkomst. Zo’n belang kan bijvoorbeeld gelegen zijn in reële re-integratiemogelijkheden voor de werknemer. Zo’n belang kan niet gelegen zijn in de omstandigheid dat de werknemer op het moment dat hij zijn beëindigingsvoorstel doet, de pensioengerechtigde leeftijd bijna heeft bereikt.

4.2.
Deze situatie doet zich in de voorliggende zaak voor. Op grond van goed werkgeverschap was Rubber Resources gehouden in te stemmen met het in 2019 gedaan voorstel van [eiser] tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden onder toekenning van een vergoeding gelijk aan de transitievergoeding (berekend tot – kort gezegd – einde wachttijd). Ter zitting heeft Rubber Resources wel nog aangevoerd dat zij hoopt dat [eiser] nog zou kunnen terugkeren. Voor zover hiermee is betoogd te stellen dat er nog re-integratiemogelijkheden zijn, heeft Rubber Resources hiervoor op geen enkele wijze een onderbouwing gegeven. Er zijn dan ook geen gerechtvaardigde belangen om de arbeidsovereenkomst in stand te houden. Verder zijn de gestelde financiële gevolgen van de betaling van de hiervoor genoemde vergoeding ook op geen enkele wijze onderbouwd.
4.3.
De kantonrechter zal de primaire vordering dan ook in zoverre toewijzen dat Rubber Resources binnen drie dagen na betekening van dit vonnis wordt verplicht om haar medewerking te verlenen aan een te sluiten vaststellings-/beëindigingsovereenkomst waarbij aan [eiser] een – op zichzelf door Rubber Resources niet betwiste – vergoeding van € 75.075,00 wordt geboden op straffe van een dwangsom van € 100,- per dag voor elke dag dat Rubber Resources daarmee in gebreke blijft met een maximum van € 10.000,00. Daarmee zal – neemt de kantonrechter aan – de arbeidsovereenkomst eindigen op een datum die is gelegen na 1 januari 2020. Voor zover er, gelet daarop, nog discussie mocht zijn over de vraag welke rekenregels van toepassing zijn, neemt de kantonrechter tot uitgangspunt dat het overgangsrecht analoog op deze situatie toegepast kan worden. Immers is de onderhavige procedure vóór 1 januari 2020 geëntameerd en deze kan op één lijn worden gesteld met de door de wetgever in het overgangsrecht geregelde gevallen om tot een beëindiging van de arbeidsovereenkomst te komen.

4.4.
Omdat de primaire vordering, waaraan een spoedeisend belang inherent is, wordt toegewezen, komt de kantonrechter niet toe aan een beoordeling van de subsidiaire vordering.
4.5.
De vordering om Rubber Resources te veroordelen tot het opstellen (afgifte wordt niet gevorderd) van de eindafrekening binnen twee weken nadat dit vonnis is gewezen, zal worden toegewezen op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,00 per dag dat Rubber Resources daarmee in gebreke blijft tot een maximumbedrag van € 5.000,00.Rubber Resources zal ook worden veroordeeld om binnen twee weken nadat dit vonnis is gewezen aan [eiser] conform de eindafrekening uit te betalen. Aan dit onderdeel van [eiser] ’s vordering kan geen dwangsom gekoppeld worden. Op grond van art. 611a Rv kan een dwangsom immers niet worden opgelegd in geval van een veroordeling tot betaling van een geldsom. In zoverre wordt [eiser] ’s vordering dus afgewezen.
4.6.
Het verweer van Rubber Resources dat de vorderingen niet kunnen worden toegewezen, omdat toewijzing zou leiden tot een wijziging van de rechtstoestand tussen partijen, slaagt evenmin. Met de beslissing in dit kort geding wordt de rechtstoestand tussen partijen immers niet gewijzigd.
4.7.
Als de in het ongelijk gestelde partij zal Rubber Resources worden veroordeeld tot betaling van de kosten van dit geding, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op:Totaal: € 905,42
-

dagvaarding € 104,42

griffierecht € 81,00

salaris gemachtigde

beslissing

5

De kantonrechter

5.1.
veroordeelt Rubber Resources om binnen drie dagen na betekening van dit vonnis haar medewerking te verlenen aan een te sluiten vaststellings-/beëindigingsovereenkomst, waarbij een vergoeding wordt geboden van € 75.075,00 bruto, op straffe van een verbeurte van een dwangsom van € 100,- voor iedere dag dat Rubber Resources daarmee in gebreke blijft, tot een maximum van € 10.000,00,
5.2.
veroordeelt Rubber Resources tot het opstellen van een eindafrekening binnen twee weken na heden, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,00 voor iedere dag dat Rubber Resources daarmee in gebreke blijft tot een maximum van € 5.000,00,
5.3.
veroordeelt Rubber Resources om binnen twee weken na heden aan [eiser] de eindafrekening uit te betalen,
5.4.
veroordeelt Rubber Resources tot betaling van de kosten van dit geding aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 905,42,
5.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.J. Quaedackers en is in het openbaar uitgesproken.