Uitspraak ECLI:NL:RBLIM:2020:1124

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 12-02-2020. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Limburg op 12-02-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBLIM:2020:1124, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 03.190360.19 en 03.260624.18


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03.190360.19, 03.260624.18 (vtvv)

tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 12 februari 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,gedetineerd in [Naam P.I.] .
De verdachte wordt bijgestaan door mr. G.L.P. Biesmans, advocaat kantoorhoudende te Maastricht.

ECLI:NL:RBLIM:2020:1124:DOC
nl

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03.190360.19, 03.260624.18 (vtvv)

tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 12 februari 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,gedetineerd in [Naam P.I.] .
De verdachte wordt bijgestaan door mr. G.L.P. Biesmans, advocaat kantoorhoudende te Maastricht.

1

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 29 januari 2020. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.
2

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:
feit 1:

feit 2:

feit 3:

feit 4:

feit 5:

overwegingen

3

3.1
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen. Ten aanzien van feit 1 acht de officier van justitie bewezen dat de verdachte het slachtoffer meermalen heeft geslagen of geduwd waardoor zij ten val is gekomen, gelet op de aangifte, de verklaring van de verdachte en het letsel dat is waargenomen. De poging tot doodslag, feit 2, acht de officier van justitie bewezen gelet op de verklaring van aangeefster en het letsel dat bij haar is geconstateerd.Feit 3, de wederrechtelijke vrijheidsberoving, acht de officier van justitie bewezen gelet op de aangifte, de WhatsApp-berichten die aangeefster heeft verzonden en de verklaring van de verdachte dat hij de deuren had afgesloten en de sleutels op zak had. Het voorhanden hebben van twee messen, feit 4, heeft de verdachte bekend. Van de aanwezigheid van het patroon in de kelder wist de verdachte naar eigen zeggen niets. Echter, gelet op het feit dat het patroon in de kelder in het zicht lag waar ook de messen lagen, acht de officier van justitie ook dit feit bewezen.
3.2
Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich gerefereerd ten aanzien van de feiten 4 en 5. Ook feit 1 kan, volgens de raadsvrouw, bewezen worden met dien verstande dat de verdachte het slachtoffer éénmaal heeft geslagen met de vlakke hand, waardoor zij met haar hoofd tegen een kast is gevallen. De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van de feiten 2 en 3.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
_ac2b7e4c-f4f1-42c2-a11f-328a8e958754


Feit 1

Op 7 augustus 2019 doet [slachtoffer] aangifte van mishandeling en gijzeling/ontvoering.Zij verklaart dan dat zij op 6 augustus 2019 samen met haar kleindochter en haar man [verdachte] in haar woning was aan de [adres] . De verdachte begint over een conflict tussen twee zonen. Aangeefster vraagt de verdachte of hij zachter wil praten en zij steekt haar hand op. Daarop zegt de verdachte: “Als je nog een keer de hand opsteekt dan krijg je een vuist in je gezicht.” Vervolgens voelt zij dat zijn vuist haar linker wang met kracht raakt. Ze voelt direct pijn. Daarna pakt hij haar met zijn rechter hand vast in haar hals en met zijn linker hand ter hoogte van haar borst bij de kleding. Hij tilt haar op en gooit haar tegen de televisiekast aan. Daardoor raakt zij met haar hoofd de punt van de televisiekast en valt zij op de grond.
De verbalisanten hebben ter plaatse foto’s gemaakt van het letsel van [slachtoffer] . Daaruit blijkt onder meer dat zij een hoofdwond heeft.

Op 7 augustus 2019 is [slachtoffer] door een forensisch arts onderzocht. Hij relateert over het letsel van [slachtoffer] het volgende. Op de linker gelaatshelft rondom het oog, op de oogleden en op de wang zijn meerdere matig begrensde rood paarse huidverkleuringen zichtbaar. De letsels zijn bloeduitstortingen. Dit is een niet wegdrukbare, matig scherp begrensde verkleuring van de huid als uiting van hieronder liggende bloed- en vochtophoping na beschadiging van bloedvaten en weefsels, die net als een zwelling kan ontstaan door uitwendige inwerking van stomp mechanische, botsende of samendrukkende krachten met of tegen een voorwerp op een lichaamsdeel, zoals bijvoorbeeld slaan (al dan niet met een voorwerp), stompen, schoppen, stoten, vallen, knijpen etc.

De verdachte heeft ter terechtzitting van 29 januari 2020 verklaard dat hij zijn vrouw één maal met de vlakke hand in het gezicht heeft geslagen, waardoor zij ten val is gekomen en met haar hoofd tegen de kast terecht is gekomen.

Gelet op deze bewijsmiddelen komt de rechtbank tot een bewezenverklaring voor feit 1.

Feit 2

In haar aangifte verklaart [slachtoffer] dat, nadat zij met haar hoofd de punt van de televisiekast had geraakt en op de grond gevallen was, de verdachte zich bukte en gehurkt met zijn beide handen haar hals omvatte. Ze voelde dat hij druk zette en na enige tijd hoorde ze in haar hoofd een soort zoemgeluid. Ze dacht hierdoor dat ze haar bewustzijn verloor en ze kon op dat moment niet ademen. Ze voelde niets meer op dat moment.
Het bovenstaande is door de officier van justitie onder feit 2 ten laste gelegd als een poging tot doodslag dan wel een poging tot zware mishandeling.

De verdachte ontkent dit feit gepleegd te hebben. Hetgeen als bewijs dan resteert is de aangifte met daarbij de foto’s van het letsel van aangeefster en de beschrijving van dat letsel. De rechtbank ziet op de foto’s krasjes en rode verkleuringen in de hals van het slachtoffer. De vraag is of dit letsel veroorzaakt is door de verwurging. Aangeefster heeft namelijk ook verklaard over de wijze waarop de verdachte haar bij haar hals pakte, omhoog tilde en haar tegen de kast aan gooide. Gelet hierop en de veronderstelling dat het op die wijze tillen ook zijn sporen moet nalaten, kan naar het oordeel van de rechtbank niet onomstotelijk worden vastgesteld dat het letsel van het slachtoffer in de hals enkel en alleen is veroorzaakt door het dicht knijpen en dichtgeknepen houden van haar keel. Het bewijs voor het ten laste gelegde feit steunt daarmee eigenlijk op één bewijsmiddel. En dat is wettelijk gezien te weinig om te komen tot een bewezenverklaring. De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken. De rechtbank begrijpt dat dit voor aangeefster moeilijk te verteren zal zijn, maar, en dit is heel belangrijk, deze vrijspraak houdt geen oordeel in over de betrouwbaarheid van de afgelegde verklaringen. Ook al is de verklaring van een aangever nog zo waar, er zal altijd meer bewijs moeten zijn om tot een bewezenverklaring te komen.

Feit 3

Nadat de verdachte aangeefster had losgelaten, moest zij op de bank gaan zitten. Vervolgens zei de verdachte tegen haar dat zij, met haar kleindochter en hond, naar boven moest. De verdachte deed alles op slot en hield de sleutels bij zich. Toen aangeefster die avond nog even naar beneden ging, zag ze dat de verdachte de achterdeur op slot deed en de sleutel bij zich hield. De ochtend erna, toen ze even beneden kwam, schreeuwde de verdachte naar haar: “Wat zit je nou kabaal te maken, ga naar boven, want ik lig hier te slapen.” Vervolgens ging zij weer naar boven en heeft ze via WhatsApp een foto naar haar zoon gestuurd. Deze foto had haar kleindochter de avond ervoor van haar gemaakt. Ze vroeg of haar beide zonen naar haar toe konden komen, samen met de politie.
In een nader verhoor verklaart aangeefster dat, toen zij de dag na de mishandeling beneden kwam, de verdachte tegen haar zei: “Luister ik blijf een maand hier, ik ga niet de deur uit, jij komt er ook niet uit. En ik heb een geweer, daarmee ga ik naar [Naam 1] en die knal ik voor zijn kop, en dat doe ik, en dat doe ik.”

De zoon van de verdachte en stiefzoon van aangeefster, [Naam zoon verdachte] , heeft tijdens zijn verhoor de WhatsApp-berichten getoond die zijn stiefmoeder hem op 7 augustus 2019 heeft verzonden. In dit berichtenverkeer is te lezen dat zij aangeeft dat haar man is doorgedraaid en dat ze wil dat hij en [Naam 2] naar haar toe komen, samen met de politie. Zij geeft aan dat hij alles op slot heeft gedaan en dat hij haar de sleutels heeft afgenomen. Ze dringt erop aan dat ze alleen met de politie moeten komen, omdat het anders mis gaat. Tevens stuurt zij een foto van haar gezicht, waarop te zien is dat de linker helft van haar gelaat blauw is.

De verdachte heeft verklaard dat hij de voordeur en de poort had afgesloten en dat hij de sleutels bij zich hield.

Aan de verdachte is als derde feit de wederrechtelijke vrijheidsberoving van het slachtoffer ten laste gelegd. Van wederrechtelijke vrijheidsberoving in de zin van artikel 282 van het Wetboek van Strafrecht is sprake indien iemand niet vrijwillig kan vertrekken van de plaats waar hij zich op dat moment bevindt, bijvoorbeeld omdat hij is vastgebonden of op andere wijze in zijn persoonlijke bewegingsvrijheid wordt belemmerd, bijvoorbeeld door bedreiging of mishandeling. Het doen ontstaan (en laten voortduren) van een dergelijke dreigende situatie kan eveneens resulteren in een wederrechtelijke vrijheidsberoving.

De verdachte heeft de voordeur en de poort van de woning afgesloten en de sleutels bij zich gehouden. Bovendien heeft hij aangeefster kort daarvoor mishandeld, naar boven gestuurd en de ochtend erna nogmaals gezegd dat ze niet weg mocht. Dat hierdoor een voor het slachtoffer bedreigende situatie is ontstaan waaraan zij zich niet kon onttrekken, blijkt ook uit de Whats-App-berichten die het slachtoffer die morgen naar haar zoon stuurt. Deze berichten illustreren duidelijk de angst die zij had voor de verdachte en de situatie waarin zij verkeerde. Zo schrijft ze onder meer dat haar zonen, die groter en gespierder zijn dan de verdachte, niet alleen mogen komen, maar alleen vergezeld van de politie.

Gelet op vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het slachtoffer wederrechtelijk van haar vrijheid heeft beroofd en beroofd heeft gehouden.

Feit 4

Bij de doorzoeking in de woning van de verdachte werden in de kelder in een tas diverse messen aangetroffen, waaronder een vlindermes en een zilveren zak-klapmes. Deze messen zijn onderzocht en dit blijken wapens te zijn van categorie I, sub 1 van de Wet wapens en munitie. De verdachte heeft bij de politie verklaard dat de messen weggeduwd en in een plastic zak in de kelder lagen en dat hij ze graag terug wil.
Gelet op de verklaring van de verdachte is de rechtbank van oordeel dat de verdachte zich bewust was van de aanwezigheid van de messen in de kelder van zijn woning en dat hij ook de beschikking over de messen had. Daarom acht de rechtbank dit feit wettig en overtuigend bewezen.

Feit 5

Onder feit 5 wordt de verdachte verweten dat hij munitie van categorie II voorhanden heeft gehad. In het proces-verbaal van onderzoek naar het in beslag genomen patroon wordt geconcludeerd dat “dit een voorwerp een wapen [is] in de zin van artikel 2 lid 2 sub 2 munitie, van de Wet Wapens en Munitie.” De rechtbank begrijpt, kijkend naar de in de Wet wapens en munitie gehanteerde categorieonderverdeling dat het patroon dan zou zijn “munitie die een giftige, verstikkende, weerloosmakende, traanverwekkende of soortgelijke stof verspreidt, met uitzondering van munitie met weerloosmakende of traanverwekkende stof, bestemd voor vuurwapens in de vorm van geweren, revolvers en pistolen.” Dat het hier daadwerkelijk om een dergelijke patroon zou gaan, ziet de rechtbank echter niet door feitelijke bevindingen onderbouwd in het rapport. Daarom zal de rechtbank de verdachte vrijspreken van dit feit.
3.4
De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte
1.op 6 augustus 2019 in de gemeente Sittard-Geleen, zijn levensgezel, [slachtoffer] , heeft mishandeld door haar te slaan en te duwen, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] ten val is gekomen en met haar hoofd tegen een kast is gevallen;
3.in de periode van 6 augustus 2019 tot en met 7 augustus 2019 in de gemeente Sittard-Geleen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door de voordeur van de woning af te sluiten en de sleutels bij zich te houden en te zeggen dat die [slachtoffer] naar boven moest gaan en boven moest blijven en aldus te beletten dat die [slachtoffer] de woning kon verlaten;
4.op 7 augustus 2019 in de gemeente Sittard-Geleen, wapens van categorie I, sub I, te weten een opvouwbaar mes en een vlindermes, voorhanden heeft gehad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4

Het bewezen verklaarde levert de volgende strafbare feiten op:
feit 1:
mishandeling, begaan tegen zijn echtgenote;

feit 3:
opzettelijk iemand van de vrijheid beroven en beroofd houden;

feit 4:
handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6

6.1
De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht, gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf van drie jaren met aftrek van het voorarrest.
6.2
Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van feit 2 en 3. Voor de feiten die wel bewezen kunnen worden heeft zij bepleit dat een gevangenisstraf die de reeds ondergane voorlopige hechtenis niet overtreft afdoende is.
6.3
Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn echtgenote, aan de wederrechtelijke beroving van haar vrijheid aan en overtreding van de Wet wapens en munitie. Met name de eerste twee feiten rekent de rechtbank de verdachte zwaar aan. Wat er ook mag spelen tussen de verdachte en zijn (ex-) echtgenote, het kan geen reden zijn haar te mishandelen en haar, nota bene in haar eigen woning, van haar vrijheid te beroven en beroofd te houden. De eigen woning is bij uitstek de plaats waar iedereen zich veilig en vrij zou moeten kunnen voelen. Daar heeft de verdachte zich echter niets van aan getrokken en dat wat haar overkomen is voor aangeefster zeer beangstigend moet zijn geweest, zoals volgt uit de door haar ter zitting voorgelezen slachtofferverklaring, kan de rechtbank zich voorstellen.
Wanneer de rechtbank dan rekening houdt met het feit dat de verdachte eerder is veroordeeld voor geweldsdelicten en bovendien nog in een proeftijd liep van een voorwaardelijke veroordeling voor bedreiging, dan komt de rechtbank tot de conclusie dat alleen de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend is.

De officier van justitie heeft voor alle door haar bewezen geachte feiten een gevangenisstraf geëist voor de duur van drie jaren. De rechtbank spreekt de verdachte echter vrij van feit 2, de poging tot doodslag dan wel de poging tot zware mishandeling en van feit 5. Dit brengt al met zich dat de rechtbank de officier van justitie niet in haar eis zal volgen.

Wanneer gelet wordt op de ernst van de feiten en de straffen die doorgaans worden opgelegd voor dit soort feiten bij dit soort verdachten, oordeelt de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden.

7

7.1
De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 3.000,- terzake van feit 1, 2 en 3.
7.2
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vordert de toewijzing van het verzoek tot schadevergoeding inclusief de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel.
7.3
Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering tot schadevergoeding omdat deze onvoldoende is onderbouwd. Subsidiair verzoekt de verdediging om het toe te wijzen bedrag te matigen.
7.4
Het oordeel van de rechtbank

Artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek geeft in beperkte gevallen recht op vergoeding van andere schade dan vermogensschade. Een van die in de wet limitatief opgesomde gevallen is wanneer er sprake is van fysiek letsel. Daarvan is in casu sprake; het slachtoffer heeft door de mishandeling pijn ondervonden en een hoofdwond en een bloeduitstorting in haar gelaat opgelopen. Reeds om die reden kan zij aanspraak maken op smartengeld. Dat het slachtoffer als gevolg van de mishandeling en de wederrechtelijke vrijheidsberoving door haar man ook psychisch letsel heeft opgelopen, acht de rechtbank, ook zonder nadere onderbouwing van een deskundige, aannemelijk vanwege de bijzondere ernst van de normschending.
De vraag is vervolgens hoe hoog de vergoeding ter zake smartengeld moet zijn. Voor het door de feiten 1, 2 en 3 ondervonden leed is € 3.000,- gevorderd. Nu de rechtbank de verdachte vrijspreekt voor feit 2, en daarvoor dus geen schadevergoeding kan worden toegekend, zal de rechtbank gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid en de immateriële schade naar redelijkheid vaststellen op een bedrag van € 1.000,-. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente. Voor het overige zal de rechtbank de vordering van de benadeelde partij afwijzen.

8

De beslissing berust op de artikelen 36f, 57, 282, 300, 304 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.
9

De officier van justitie heeft een vordering tot tenuitvoerlegging ingediend in de zaak met parketnummer 03.260624.18. In deze zaak is de verdachte bij vonnis van de politierechter d.d. 21 mei 2019 veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf van 40 uren met een proeftijd van twee jaren. De verdachte heeft het strafbare feit in onderhavige zaak gepleegd binnen deze proeftijd. De vordering tot tenuitvoerlegging komt daarom voor toewijzing in aanmerking. Van bijzondere omstandigheden die de tenuitvoerlegging van deze voorwaardelijke straf in de weg zouden staan, is niet gebleken. Daarom zal de rechtbank de gehele tenuitvoerlegging gelasten van deze voorwaardelijk opgelegde straf.
beslissing

10

De rechtbank:
Vrijspraak

Bewezenverklaring

Strafbaarheid

Straf

Benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

De vordering tot tenuitvoerlegging

De voorlopige hechtenis

Dit vonnis is gewezen door mr. M.B. Bax, voorzitter, mr. drs. E.C.M. Hurkens en mr. dr. D.L.F. de Vocht, rechters, in tegenwoordigheid van J.G.A.M. Spijkers, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 12 februari 2020.
Buiten staat

mr. dr. D.L.F. de Vocht is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.BIJLAGE I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1hij op een of meer tijdstippen op of omstreeks 6 augustus 2019 in de gemeente Sittard-Geleen, zijn levensgezel, [slachtoffer] , heeft mishandeld door haar meermalen, althans eenmaal te slaan en/of te duwen, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] ten val is gekomen en/of met haar hoofd tegen een kast is gevallen;
2hij op of omstreeks 6 augustus 2019 in de gemeente Sittard-Geleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven,met beide handen de keel en/of hals van die [slachtoffer] (met kracht) heeft vastgepakt en/of (vervolgens) de keel van die [slachtoffer] heeft dichtgeknepen en/of dichtgeknepen gehouden, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] enige tijd geen lucht kreeg, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:hij op of omstreeks 6 augustus 2019 in de gemeente Sittard-Geleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met beide handen de keel en/of hals van die [slachtoffer] (met kracht) heeft vastgepakt en/of (vervolgens) de keel van die [slachtoffer] heeft dichtgeknepen en/of dichtgeknepen gehouden, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] enige tijd geen lucht kreeg, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3hij in of omstreeks de periode van 6 augustus 2019 tot en met 7 augustus 2019 in de gemeente Sittard-Geleen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, door de voordeur en/of achterdeur van de woning af te sluiten en/of de sleutels bij zich te houden en/of een of meermalen te zeggen dat die [slachtoffer] naar boven moest gaan en/of boven moest blijven, althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of (aldus) te beletten/belemmeren dat die [slachtoffer] de woning kon verlaten;
4hij op 7 augustus 2019 in de gemeente Sittard-Geleen, een of meer wapen(s) van categorie I, sub I, te weten een opvouwbaar mes en/of een vlindermes, voorhanden heeft gehad;
5hij op 7 augustus 2019 in de gemeente Sittard-Geleen, munitie van categorie II, te weten een patroon (met opschrift [nummer] ), voorhanden heeft gehad.
- spreekt de verdachte vrij van de onder 2 en 5 ten laste gelegde feiten;
- wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen € 1.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 6 augustus 2019 tot aan de dag van de volledige voldoening;
- wijst de vordering van de benadeelde partij voor het overige af;
- veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;
- legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, [slachtoffer] , van € 1.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 6 augustus 2019 tot aan de dag van de volledige voldoening, bij niet betaling en verhaal te vervangen door 20 dagen gijzeling, met dien verstande dat deze gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;
- gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter te Limburg van 21 mei 2019, gewezen onder parketnummer 03.260624.18, te weten: een taakstraf voor de duur van 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis;
- heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis - waaronder op de voet van het bepaalde bij artikel 72, vierde lid, van het Wetboek van strafvordering begrepen de tijd gedurende welke de verdachte in verzekering was gesteld - gelijk wordt aan die van de onvoorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.
-

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

-

verklaart dat het bewezen verklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

verklaart de verdachte strafbaar;

-

veroordeelt de verdachte tot een ;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

_ac2b7e4c-f4f1-42c2-a11f-328a8e958754
1

Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie eenheid Limburg, proces-verbaalnummer [nummer pv] , gesloten d.d. 4 september 2019, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 123.

_ecaed109-89af-44b3-8463-f0bcd74ec3b3
2

Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] d.d. 7 augustus 2019, pagina 15 en 16.

_c34636f2-7796-4ebb-8228-6d2af44be602
3

Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 augustus 2019, pagina 23 tot en met 25.

_3362a523-f875-40aa-890c-bb8f8a229a32
4

De forensisch geneeskundige letselbeschrijving met de als bijlage toegevoegde foto’s, d.d. 12 augustus 2019, pagina 30, 33 en 34.

_cd9c56d4-1f97-4690-ac1b-fc619d9ebbcc
5

Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] d.d. 7 augustus 2019, pagina 16.

_055a0ade-9246-448c-8162-ee5d9acc9282
6

Het proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer] d.d. 9 augustus 2019, pagina 21.

_498b8dc1-7abc-40a1-8b9e-39dbaf5ded52
7

Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 augustus 2019, pagina 26 en 27.

_3ebc804e-5b39-449d-a6ce-13cf78a83f9a
8

Het proces-verbaal van verhoor van de verdachte d.d. 7 augustus 2019, pagina 95, 97 en 98.

_58e978e0-041d-49f4-8fb1-68f97526748a
9

Het proces-verbaal van doorzoeking d.d. 7 augustus 2019, pagina 53.

_dd516235-5904-49c9-ae0d-bf52393a0d3d
10

Het proces-verbaal van technisch onderzoek wapen d.d. 29 augustus 2019, pagina 76 en 77.

_bf1bbcc2-d6c3-415a-a43c-c617f49f0eb9
11

Het proces-verbaal van verhoor van de verdachte d.d. 7 augustus 2019, pagina 101.