Uitspraak ECLI:NL:RBLIM:2020:1017

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 11-02-2020. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Limburg op 11-02-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBLIM:2020:1017, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 03.247836.19, 03.042698.19


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer: 03.247836.19Parketnummer TUL: 03.042698.19
Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 11 februari 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,gedetineerd in P.I. Zuid Oost, HvB Roermond, Keulsebaan 530, 6045 GL te Roermond.
De verdachte wordt bijgestaan door mr. J.K.T. Schoffelen, advocaat, kantoorhoudende te Roermond.

ECLI:NL:RBLIM:2020:1017:DOC
nl

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer: 03.247836.19Parketnummer TUL: 03.042698.19
Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 11 februari 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,gedetineerd in P.I. Zuid Oost, HvB Roermond, Keulsebaan 530, 6045 GL te Roermond.
De verdachte wordt bijgestaan door mr. J.K.T. Schoffelen, advocaat, kantoorhoudende te Roermond.

1

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 28 januari 2020. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.
2

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:
Feit 1: een politieagent (primair) heeft mishandeld dan wel (subsidiair) heeft beledigd door hem in het gezicht en/of tegen het lichaam te spugen;

Feit 2: twee politieagenten verbaal heeft bedreigd;

Feit 3: twee politieagenten heeft beledigd;

Feit 4: een scooter heeft gestolen;

Feit 5: een fiets heeft gestolen;

Feit 6: vlees heeft gestolen;

Feit 7: een vest/jas en/of een paar schoenen heeft gestolen.

overwegingen

3

3.1
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht ten aanzien van feit 1 wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte verbalisant [verbalisant 1] heeft bespuugd. In het licht van de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 25 september 2019 (ECLI:NL:GHDHA:2019:2600) levert het spugen in dit geval geen mishandeling op omdat er geen sprake is van een fysiek gevolg. Zij vordert daarom vrijspraak voor het primair ten laste gelegde. Het bespugen van [verbalisant 1] levert wel een bewezenverklaring op van de subsidiair ten laste gelegde belediging.
De officier van justitie acht verder wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de verbalisanten heeft bedreigd en beledigd, zoals ten laste gelegd onder feit 2 en feit 3, op grond van de bekennende verklaring van de verdachte en het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van bevindingen.

De officier van justitie acht ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte een scooter, een fiets, vlees en een vest/jas en een paar schoenen heeft gestolen, zoals respectievelijk ten laste gelegd onder feit 4 tot en met feit 7. Zij verwijst naar de aangiftes van de diefstallen en de processen-verbaal van bevindingen waarin de camerabeelden worden beschreven. Op de beelden zijn de diefstallen te zien en wordt de verdachte ambtshalve herkend als de persoon die de voorwerpen steelt. Daarnaast verwijst zij voor feit 4 en feit 5 naar de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting.

3.2
Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van feit 1 evenals de officier van justitie verwezen naar de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 25 september 2019. Ook hij stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van een zeer onaangename fysieke ervaring bij de aangever als gevolg van het bespuugd worden. Voor de primair ten laste gelegde mishandeling moet daarom vrijspraak volgen. De subsidiair ten laste gelegde belediging kan wel bewezen worden.
De raadsman heeft vrijspraak betoogd voor feit 6 omdat de verdachte deze diefstal heeft ontkend en zijn ontkennende verklaring, in het licht van zijn bekentenissen in de andere zaken, als geloofwaardig moet worden aangemerkt. Hij stelt dat er weliswaar voldoende wettig bewijs voorhanden is dat de verdachte het vlees heeft gestolen, maar dat de overtuiging ontbreekt.

De raadsman heeft eveneens vrijspraak betoogd voor feit 7. Hij is van mening dat de camerabeelden van de diefstal onduidelijk zijn. Ook ontbreekt er een deel van de beelden. Verder herkent hij de verdachte niet op de beelden en ziet hij niet dat er schoenen worden gestolen. Daarnaast vindt hij de beschrijving van de schoenen en de jas in de aangifte te summier. Dit tezamen met de ontkenning van de verdachte maakt dat ook hier de overtuiging ontbreekt dat de verdachte de schoenen en een vest/jas heeft gestolen.

3.3
Het oordeel van de rechtbank
_23947bd4-05f6-4e77-ad42-2286a3531079

Ten aanzien van feit 1, feit 2 en feit 3

De feiten en omstandigheden

Op dinsdag 15 oktober 2019 kregen de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] , beiden hoofdagent van de politie Eenheid Oost-Brabant, een melding van het Operationeel Centrum om ter assistentie naar een woning in Budel‑Schoot te rijden in verband met een agressieve man. Onderweg naar de locatie kregen de verbalisanten de melding dat het ging om [verdachte] geboren op [geboortedatum] 1988 (hierna: de verdachte). De verdachte stond gesignaleerd voor een aanhouding buiten heterdaad en was ondertussen staande gehouden door collega’s. Toen de verbalisanten ter plaatse waren zagen zij dat de verdachte onder invloed was van alcohol en/of drugs. Verder had de verdachte bloed rondom zijn mond. [verbalisant 2] heeft de verdachte vervolgens buiten heterdaad aangehouden en in het dienstvoertuig geplaatst om hem over te brengen naar het politiebureau in Roermond. Tijdens het transport hoorden [verbalisant 2] en [verbalisant 1] dat de verdachte meermaals zei: “Ik vermoord jullie! Ik vermoord jullie met een lepel!”, “Kutwouten!”, “Homo's!” Op een gegeven moment zag [verbalisant 1] dat de verdachte zijn hoofd naar achteren haalde en met kracht in zijn gelaat spuugde. [verbalisant 1] voelde de natte spuug op zijn gezicht en zag dat er op zijn steekvest diverse bloedvlekken zaten. Vervolgens hoorde hij dat de verdachte meermalen zei: “Jij met je brilletje, ik ga je opzoeken, en als ik jouw gevonden heb steek ik eerst je auto in de fik en dan vermoord ik je!” De verbalisanten voelden zich aangetast in hun goede eer en naam.
Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hebben van dit voorval aangifte gedaan.

[verbalisant 1] verklaarde in zijn aangifte aanvullend dat hij op 15 oktober 2019 tijdens het transport naast de verdachte in de politiebus zat, met de gezichten ongeveer 50 cm van elkaar. Ter hoogte van de Ringbaan-Noord te Weert zag en hoorde [verbalisant 1] dat de verdachte zijn neus ophaalde en hem in zijn gezicht spuugde. [verbalisant 1] voelde de spetters op zijn gezicht, onder andere op zijn wang en voorhoofd. [verbalisant 1] voelde zich op dat moment vies en meteen zwaar in zijn eer aangetast. Later op het bureau zag [verbalisant 1] bloedspetters op zijn bril en vest. Vervolgens hoorde hij dat de verdachte zei: “Als ik vrij kom dan kom ik jou opzoeken. Ik heb jou zo gevonden. Als ik jou gevonden heb dan steek ik eerst jouw auto in de fik. Vervolgens ga ik jou vermoorden met een lepel. Ik maak jou kapot.” en “Vieze homo’s. Kutwouten.” [verbalisant 1] voelde zich hierdoor ernstig bedreigd en beledigd.

[verbalisant 2] verklaarde in zijn aangifte dat hij de verdachte op 15 oktober 2019 gedurende het transport naar het politiebureau meermalen hoorde zeggen: “Ik vermoord jullie!, “Ik vermoord jullie met een lepel!”, “Homo's!” en “Kutwouten!” [verbalisant 2] kreeg hier een onprettig en onveilig gevoel door.

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij naar een verbalisant heeft gespuugd tijdens het transport naar het politiebureau.
Juridische kwalificatie van de handelingen van de verdachte ter zake van feit 1

Aan de verdachte is onder feit 1 tenlastegelegd dat hij verbalisant [verbalisant 1] heeft mishandeld (primair) dan wel heeft beledigd (subsidiair) door het spugen in het gezicht en tegen zijn lichaam.
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het spugen in het gezicht en tegen het lichaam weliswaar buitengewoon vies en zeer onprettig is, maar dat dit geen zeer onaangename fysieke ervaring oplevert die als mishandeling in de zin van artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) kan worden gekwalificeerd. [verbalisant 1] heeft in zijn aangifte verklaard dat hij zich vies voelde, maar van verdere fysieke gevolgen die min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwordingen in of aan het lichaam hebben veroorzaakt blijkt niet uit de bewijsmiddelen. De rechtbank is daarom van oordeel dat de primair ten laste gelegde mishandeling niet wettig en overtuigend bewezen kan worden en spreekt de verdachte daarvan vrij. Naar het oordeel van de rechtbank levert het ten laste gelegde bespugen van de verbalisant wel een belediging door feitelijkheden op, zodat het subsidiair ten laste gelegde bewezen wordt verklaard.
Juridische kwalificatie van de handelingen van de verdachte ter zake van feit 2 en feit 3

De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en dat de verdachte verbalisant [verbalisant 1] heeft bedreigd met brandstichting.
Ook acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte beide verbalisanten mondeling heeft beledigd gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening.

Ten aanzien van feit 4 en feit 5

De rechtbank zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), nu de verdachte het tenlastegelegde onder feit 4 en feit 5 ter terechtzitting van 28 januari 2020 duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit.
Feit 4

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte een scooter heeft gestolen, op grond van:
Feit 5

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte een fiets heeft gestolen, op grond van:
Feit 6

Op 29 juli 2019 heeft A. [slachtoffer 3] namens [bedrijf 1] te Roermond aangifte gedaan van winkeldiefstal. [slachtoffer 3] kreeg eerder die dag van een medewerker de melding dat een jongen in de supermarkt zich vreemd gedroeg. [slachtoffer 3] heeft daarop de camerabeelden bekeken en zag dat deze jongen op twee momenten een pak varkenshaas en een ander pak vlees wegnam bij de vleesafdeling en deze pakken daarna achter zijn broeksband deed. Vervolgens probeerde de jongen andere boodschappen af te rekenen bij de kassa. Toen de caissière hem vroeg of hij nog andere spullen bij zich had, verliet de jongen de winkel zonder het vlees, dat achter zijn broeksband zat, af te rekenen. Buiten rende de jongen weg.
De verbalisant [verbalisant 3] heeft bij het opnemen van de aangifte op 29 juli 2019 een deel van de camerabeelden bekeken van de diefstal. Hij zag dat een jongen een verpakking wegstopte in zijn broeksband. Van de jongen op de beelden maakte hij een foto en liet deze zien op het politiebureau aan zijn collega’s [verbalisant 4] en [verbalisant 5] . Zij herkenden de jongen ambtshalve als de verdachte.

De rechtbank acht op grond van deze bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte verpakkingen met vlees heeft gestolen van [bedrijf 1] .

Feit 7

Op 15 oktober 2019 heeft [slachtoffer 4] namens [bedrijf 2] te Heerlen aangifte gedaan van winkeldiefstal. Hij verklaarde dat hij op 24 mei 2019 (gelet op de inhoud van de aangifte leest de rechtbank: 26 mei 2019) een klant hielp in de winkel. De klant paste eerst een paar zwarte/grijze sportschoenen van het merk Nike. Toen de klant die aan had, paste hij ook een zwart vest van het merk Nike. Vervolgens liep de klant met de schoenen en het vest door de winkel en keek naar andere producten. Op een gegeven moment stond de klant bij de deur van de winkel. Plotseling liep hij door de deur naar buiten en holde hij hard weg.
De verbalisant [verbalisant 6] ontving van [slachtoffer 4] de camerabeelden van de diefstal. Hij bekeek de beelden van de winkel en zag twee personen, te weten: medewerker [slachtoffer 4] en een klant die hij ambtshalve herkende als de verdachte. De verdachte bekeek kleding en werd daarbij geholpen door Wessels. Vervolgens paste de verdachte een jas aan en liep met deze jas door de winkel. De verdachte bewoog zich in de richting van de uitgang. Toen [slachtoffer 4] verder van de verdachte verwijderd was, liep de verdachte met de jas aan naar de deur, ging naar buiten en holde weg.

De rechtbank acht op grond van deze bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte een vest/jas en een paar schoenen heeft gestolen van [bedrijf 2] .

- de bekennende verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van 28 januari 2020; - het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1]; - het proces-verbaal van bevindingen.
- de bekennende verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van 28 januari 2020; - het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2]; - het proces-verbaal van bevindingen.
3.4
De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte
feit 1 subsidiair

op 15 oktober 2019 in Nederland, opzettelijk een ambtenaar, te weten [verbalisant 1] (agent van politie eenheid Oost-Brabant), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, door feitelijkheden, heeft beledigd, door die [verbalisant 1] in het gezicht en tegen het lichaam te spugen;
feit 2

op 15 oktober 2019 in Nederland, [verbalisant 1] (agent van politie eenheid Oost-Brabant) en [verbalisant 2] (hoofdagent van politie eenheid Oost-Brabant) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en [verbalisant 1] heeft bedreigd met brandstichting, door die [verbalisant 1] dreigend de woorden toe te voegen "Als ik vrij kom dan kom ik jou opzoeken. Ik heb jou zo gevonden. Als ik jou gevonden heb dan steek ik eerst jouw auto in de fik. Vervolgens ga ik jou vermoorden met een lepel. Ik maak jou kapot." en door die [verbalisant 2] dreigend de woorden toe te voegen "Ik vermoord jullie!, ik vermoord jullie met een lepel!";
feit 3

op 15 oktober 2019 in Nederland opzettelijk een ambtenaar, te weten [verbalisant 1] (agent van politie eenheid Oost-Brabant) en [verbalisant 2] (hoofdagent van politie eenheid Oost-Brabant), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hen de woorden toe te voegen: "homo's" en "kutwouten";
feit 4

op 25 augustus 2019 te Herten, in de gemeente Roermond, een scooter (Piaggio Zip, kenteken [kenteken] ), toebehorende aan [slachtoffer 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
feit 5

op 25 augustus 2019 te Herten, in de gemeente Roermond, een fiets (Gazelle Xr4), toebehorende aan [slachtoffer 2] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
feit 6

op 29 juli 2019 in de gemeente Roermond verpakkingen met vlees, toebehorende aan [bedrijf 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
feit 7

op 26 mei 2019 in de gemeente Roermond een vest/jas en een paar schoenen, toebehorende aan [bedrijf 2] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:
feit 1 subsidiair

eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening

feit 2

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd,

en

bedreiging met brandstichting

feit 3

eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd

feit 4, feit 5, feit 6 en feit 7

diefstal

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6

6.1
De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf van acht maanden met aftrek van het voorarrest. Rekening houdend met de veelvuldige recidive en de reeks aan gepleegde strafbare feiten, heeft zij als uitgangspunt genomen één maand gevangenisstraf per strafbaar feit. De bedreigingen en het bespugen van de verbalisant vindt zij zodanig ernstig, dat zij vervolgens uitkomt op een langere gevangenisstraf. De reclassering heeft een straf zonder bijzondere voorwaarden geadviseerd, omdat zij geen mogelijkheden ziet om het gedrag van de verdachte te veranderen. Om deze reden wordt geen voorwaardelijk strafdeel geëist.
6.2
Het standpunt van de verdediging

De raadsman is van mening dat de eis van de officier van justitie te hoog is. Kijkend naar de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (hierna: LOVS) acht hij bij een volledige bewezenverklaring een straf gelijk aan het voorarrest, zonder voorwaardelijk strafdeel, passend. De raadsman heeft over de persoonlijke omstandigheden nog opgemerkt dat de verdachte na zijn detentieperiode onderdak heeft geregeld en aan het werk kan bij zijn voormalige werkgever.
6.3
Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
De verdachte heeft in een periode van vijf maanden zeven strafbare feiten gepleegd. Hij heeft zich tijdens zijn vervoer naar het politiebureau zeer onbeschoft en agressief gedragen tegenover de twee politieagenten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , die gewoon hun werk deden. Hij heeft de politieagenten bedreigd en beledigd. Zij hebben zich daardoor onveilig gevoeld. Ook heeft de verdachte politieagent [verbalisant 1] in zijn gezicht en tegen zijn lichaam gespuugd. Bij het speeksel zat bloed van de verdachte. Dit is volstrekt onacceptabel en respectloos. De verdachte heeft hiermee de politieagent in zijn eer en goede naam aangetast. In je gezicht gespuugd worden is bovendien ontzettend vies en onhygiënisch. Omdat er ook bloed bij het spuug van verdachte zat en [verbalisant 1] op dat moment een koortslip had, heeft [verbalisant 1] bovendien, zo is gebleken uit zijn slachtofferverklaring ter zitting, enige tijd in onzekerheid moeten verkeren over de vraag of hij mogelijk een besmettelijke ziekte had opgelopen. Dit heeft geleid tot veel angst en onzekerheid bij het slachtoffer, die het incident, begrijpelijkerwijs, heeft ervaren als een ernstige inbreuk op zijn lichamelijke integriteit. De verdachte heeft zich verder ook nog schuldig gemaakt aan vier diefstallen, waarvan een diefstal van een fiets en een scooter op dezelfde dag. Diefstallen zijn zeer ergerlijke feiten, die naast schade vaak veel hinder veroorzaken voor de benadeelden. De verdachte heeft deze diefstallen gepleegd om te kunnen voorzien in zijn alcohol- en drugsverslaving. De rechtbank vindt dat de verdachte daarmee zijn problemen die van de samenleving heeft gemaakt en neemt hem dit kwalijk.
De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van de verdachte van 23 januari 2020. Daaruit blijkt dat de verdachte meermalen is veroordeeld voor soortgelijke feiten tot (deels) voorwaardelijke gevangenisstraffen. Blijkbaar heeft dit hem er niet van weerhouden om nu wéér strafbare feiten te plegen. De rechtbank merkt daarbij op dat de verdachte deze feiten heeft gepleegd gedurende een proeftijd van een eerdere veroordeling wegens verduistering en een poging tot diefstal. Ook stelt de rechtbank vast dat artikel 63 Sr van toepassing is.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting gekeken naar de oriëntatiepunten van het LOVS. Zij heeft daarbij rekening gehouden met de veelvuldige recidive van de verdachte, met het feit dat verdachte nu in relatief korte tijd een reeks aan misdrijven heeft gepleegd, waarvan drie misdrijven tegen ambtenaren in functie. De rechtbank acht op grond daarvan enkel een gevangenisstraf een passende strafmodaliteit.

Uit het reclasseringsadvies van 17 december 2019 volgt dat de verdachte al jaren kampt met een alcohol- en drugsverslaving. Daarnaast is er sprake van een borderline persoonlijkheidsstoornis met antisociale en narcistische trekken en een beperkte cognitie. Deze problematiek, de negatieve sociale kring waarin de verdachte zich bevindt en het (negatieve) verloop van het eerdere toezicht en verplichte behandelingen, maken dat de reclassering geen mogelijkheden ziet om met interventies of toezicht het recidiverisico te beperken en een gedragsverandering te bewerkstelligen. Ter terechtzitting heeft de verdachte zelf ook aangegeven geen toezicht te willen van de reclassering. Dit leidt ertoe dat de rechtbank geen aanleiding ziet om aan de verdachte een deels voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden op te leggen.

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de straf zoals die is geëist door de officier van justitie passend en geboden is en zal de eis daarom volgen. De rechtbank zal aan de verdachte opleggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht.

7

7.1
De vordering van de benadeelde partijen

[verbalisant 1]

De benadeelde partij [verbalisant 1] vordert schadevergoeding ter zake van feit 1en feit 2. Hij vordert € 450,00 aan immateriële schade. De gevorderde schade is onderbouwd met een beschrijving van wat het bespuugd worden en de bedreiging met [verbalisant 1] heeft gedaan. In de tijd dat hij moest wachten op de uitslag van het Prikpunt spookte het incident door zijn hoofd alsmede de angst en onzekerheid over een mogelijke besmetting. Hij sliep zeer onrustig en was overdag futloos. Verder kon hij de geuite bedreigingen de eerste dagen niet loslaten. Hij voelde dat ze op hem persoonlijk waren gericht.
[verbalisant 1] heeft de wettelijke rente gevorderd vanaf het moment van het schadeveroorzakende feit en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

[slachtoffer 1]

De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert schadevergoeding ter zake van feit 4. Hij vordert € 1.700,00 aan materiële schade, bestaande uit de koopprijs van de gestolen scooter, gekocht op 15 april 2019.
[slachtoffer 1] heeft de wettelijke rente gevorderd vanaf het moment van het schadeveroorzakende feit en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

[slachtoffer 2]

De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert schadevergoeding ter zake van feit 5. Hij vordert € 441,00 aan materiële schade, bestaande uit de huidige waarde van zijn gestolen fiets (€ 350,00) en de attributen op de fiets, te weten: een fietsslot (€ 20,00), een insteekketting (€ 16,00) en een verlichtingset (€55,00).
[slachtoffer 2] heeft de wettelijke rente gevorderd vanaf het moment van het schadeveroorzakende feit en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.2
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de vorderingen van de benadeelde partijen [verbalisant 1] , [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in zijn geheel toewijsbaar en vordert tevens de verdachte te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.3
Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de vorderingen van [verbalisant 1] en [slachtoffer 1] niet betwist.
De raadsman heeft met betrekking tot de vordering van [slachtoffer 2] aangevoerd dat het onduidelijk is of de verlichtingset op de fiets zat ten tijde van de diefstal. Daarnaast heeft [slachtoffer 2] de verlichtingset na de diefstal niet opnieuw aangeschaft omdat er op zijn nieuwe fiets al verlichting zat. Volgens de raadsman heeft [slachtoffer 2] dus geen schade geleden met betrekking tot de verlichtingset en dient het bedrag van € 55,00 te worden afgewezen. De vordering kan worden toegewezen tot een bedrag van € 386,00.

7.4
Het oordeel van de rechtbank

[verbalisant 1]

Ingevolge artikel 6:106 BW heeft een benadeelde partij naast vermogensschade ook recht op schadevergoeding indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.
De rechtbank is van oordeel dat gelet op de bewezenverklaring - het bespugen en de bedreigingen - hier sprake is van een inbreuk op de persoonlijke integriteit van [verbalisant 1] . Dit betekent dat aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een schadevergoeding op grond van artikel 6:106 BW is voldaan.

Nu aan de verdachte voor deze feiten een straf zal worden opgelegd, de verdediging het gevorderde bedrag aan immateriële schade niet heeft betwist en de rechtbank het gevorderde bedrag billijk acht, zal het bedrag van € 450,00 in zijn geheel worden toegewezen, met oplegging van de wettelijke rente. Daarnaast zal de rechtbank de maatregel van artikel 36f Sr opleggen, zodat de Staat voor [verbalisant 1] de schadevergoeding kan incasseren.
[slachtoffer 1]

Aan [slachtoffer 1] is door het bewezenverklaarde strafbare feit 4 rechtstreeks schade toegebracht. Nu de verdediging het gevorderde bedrag aan materiële schade niet heeft betwist en aan de verdachte voor dat feit een straf zal worden opgelegd, zal het gevorderde bedrag van € 1.700,00 in zijn geheel worden toegewezen, met oplegging van de wettelijke rente. Daarnaast zal de rechtbank de maatregel van artikel 36f Sr opleggen, zodat de Staat voor [slachtoffer 1] de schadevergoeding kan incasseren.
[slachtoffer 2]

De verdediging heeft de gevorderde bedragen aan materiële schade, met uitzondering van de verlichtingset, niet betwist.
De rechtbank is van oordeel dat [slachtoffer 2] door de diefstal van de fiets en de daarbij behorende attributen (fietsslot, insteekketting en verlichting) rechtstreeks schade heeft geleden, te weten vermogensschade. Dat hij nog geen nieuwe verlichtingset heeft gekocht en dat er op zijn nieuwe fiets al verlichting zit, betekent niet dat hij niet in zijn vermogen is aangetast door de diefstal van de verlichtingset.

De gevorderde schadevergoeding van € 441,00 acht de rechtbank voldoende onderbouwd, zodat het bedrag in zijn geheel zal worden toegewezen, met oplegging van de wettelijke rente. Daarnaast zal de rechtbank de maatregel van artikel 36f Sr opleggen, zodat de Staat voor [slachtoffer 2] de schadevergoeding kan incasseren.

8

Aan de vordering tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling ligt ten grondslag het onherroepelijk vonnis van de politierechter van deze rechtbank van 22 maart 2019 met parketnummer 03.042698.19. Bij dit vonnis is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, waarvan een maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
8.1
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting te kennen gegeven de tenuitvoerlegging te vorderen van de eerder voorwaardelijk opgelegde straf vanwege overtreding van de algemene voorwaarde. Zij is van mening dat de rechtbank hierover kan beslissen, ondanks dat deze vordering ook in hoger beroep zal worden behandeld. Deze straf kan namelijk ongeacht het aantal beslissingen maar één keer geëxecuteerd worden. Nu er tegen een beslissing tot tenuitvoerlegging geen hoger beroep meer open staat door de Wet USB, verzoekt zij om op te nemen dat de tenuitvoerlegging wordt gelast ‘indien er in de hoofdzaak sprake is van een onherroepelijke veroordeling’.
8.2
Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat de vordering tenuitvoerlegging dient te worden afgewezen. Allereerst, omdat deze vordering tot tenuitvoerlegging in maart 2020 behandeld zal worden in hoger beroep en er dus al een beslissing zal volgen op de vordering. Ten tweede, omdat er met de Wet USB geen hoger beroep meer openstaat tegen een vordering tot tenuitvoerlegging vanwege overtreding van de algemene voorwaarden en uit de jurisprudentie volgt dat de strafrechter op dit moment deze vorderingen afwijst in afwachting van een uitspraak van de Hoge Raad over de beroepsprocedure. De raadsman verzoekt de rechtbank deze jurisprudentie te volgen.
8.3
Het oordeel van de rechtbank

Uit hetgeen in dit vonnis bewezen en strafbaar is verklaard, volgt dat de verdachte zich voor het einde van de vastgestelde proeftijd opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit en dus de algemene voorwaarde heeft overtreden.
Doorgaans is dit zonder meer reden om de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf te gelasten.

Met de op 1 januari 2020 in werking getreden Wet USB staat echter tegen een beslissing op een vordering tot tenuitvoerlegging vanwege overtreding van de algemene voorwaarden geen hoger beroep meer open (artikel 6:6:7 Sv in combinatie met artikel 6:6:22 Sv). Dit zorgt ervoor dat de beslissing van de strafrechter in eerste aanleg tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke veroordeling wegens overtreding van de algemene voorwaarde, te weten het plegen van een nieuw strafbaar feit tijdens de proeftijd, meteen onherroepelijk en executeerbaar is. Dat is ook het geval indien er hoger beroep wordt ingesteld tegen de veroordeling voor dat nieuwe strafbare feit en de verdachte in hoger beroep wordt vrijgesproken van dat feit. Uit de Memorie van Toelichting blijkt niet dat de wetgever acht heeft geslagen op deze situatie bij de wetswijziging en deze consequentie heeft beoogd. Inmiddels lijkt het er op dat de wetgever deze consequentie van de Wet USB niet heeft beoogd en ook onwenselijk acht. Dit punt wordt naar verwachting bij wetswijziging van 1 juli 2020 hersteld.
Hoe dan te handelen in de tussentijd in de onderhavige zaak? Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank zich voor een dilemma gesteld. Enerzijds heeft de verdachte de algemene voorwaarde overtreden en is er naar haar oordeel geen reden om de voorwaardelijk opgelegde straf niet alsnog ten uitvoer te leggen. Anderzijds heeft zij ook oog voor de thans heersende problematiek dat tegen dit vonnis wel hoger beroep kan worden ingesteld, maar niet tegen de beslissing die de rechtbank neemt op de vordering tot tenuitvoerlegging. Mede gelet op de uitspraak van het Hof Den Bosch van 20 januari 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:195, kan de vordering tenuitvoerlegging naar het oordeel van de rechtbank in dit geval worden toegewezen. Daarbij zal de rechtbank gebruik maken van het eveneens sinds 1 januari 2020 bij Wet USB aan haar toegekende adviesrecht op grond van artikel 6:1:1 derde lid Sv. Het adviesrecht ziet op de tenuitvoerlegging van opgelegde sancties en maatregelen. De rechtbank heeft in het wetgevingsbericht en de Memorie van Toelichting geen indicaties gevonden dat dit adviesrecht niet van toepassing zou zijn op beslissingen op vorderingen tot tenuitvoerlegging algemene voorwaarden. Bovendien is het opgenomen in hoofdstuk 1 (Algemene bepalingen) en daarmee naar het oordeel van de rechtbank van toepassing op al hetgeen in Boek 6 vermeld is.
De rechtbank gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter te Limburg van 22 maart 2019, gewezen onder parketnummer 03.042698.19, te weten: een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand. Daarnaast adviseert zij de tenuitvoerlegging van deze straf op te schorten totdat de beslissing over het tenlastegelegde in de hoofdzaak met parketnummer 03.247836.19 onherroepelijk is geworden.

9

De beslissing berust op de artikelen 36f, 57, 63, 266, 267, 285 en 310 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
beslissing

10

De rechtbank:
Vrijspraak

Bewezenverklaring

Strafbaarheid

Straf

Vordering tot tenuitvoerlegging parketnummer 03.042698.19

Dit vonnis is gewezen door mr. A.K. Kleine, voorzitter, mr. C.G.A. Wouters en mr. P.H. Broier, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.K. Klompe, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 11 februari 2020.

BIJLAGE: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 15 oktober 2019 in de gemeente Weert, althans in Nederland, opzettelijkeen ambtenaar,te weten [verbalisant 1] (agent van politie eenheid Oost-Brabant), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid,door feitelijkheden, heeft beledigd, door die [verbalisant 1] in het gezicht en/of tegen het lichaam te spugen;
2.hij op of omstreeks 15 oktober 2019 in de gemeente Weert, althans in Nederland, [verbalisant 1] (agent van politie eenheid Oost-Brabant) en/of [verbalisant 2] (hoofdagent van politie eenheid Oost-Brabant) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en/of met brandstichting, door die [verbalisant 1] dreigend de woorden toe te voegen "Als ik vrij kom dan kom ik jou opzoeken. Ik heb jou zo gevonden. Als ik jou gevonden heb dan steek ik eerst jouw auto in de fik. Vervolgens ga ik jou vermoorden met een lepel. Ik maak jou kapot.", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/ofdoor die [verbalisant 2] dreigend de woorden toe te voegen "Ik vermoord jullie!, ik vermoord jullie met een lepel!", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
hij op of omstreeks 15 oktober 2019 in de gemeente Weert, althans in Nederland opzettelijkeen ambtenaar, te weten [verbalisant 1] (agent van politie eenheid Oost-Brabant) en/of [verbalisant 2] (hoofdagent van politie eenheid Oost-Brabant), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/hun bediening, in zijn/hun tegenwoordigheid, mondelingheeft beledigd, door hem/hen de woorden toe te voegen: "homo's" en/of "kutwouten", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;
5.hij op of omstreeks 25 augustus 2019 te Herten, in de gemeente Roermond een fiets (Gazelle Xr4), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 2] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen; 6.hij op of omstreeks 29 juli 2019 in de gemeente Roermond een of meer verpakking(en) met vlees, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [bedrijf 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
7.hij op of omstreeks 26 mei 2019 in de gemeente Roermond een vest/jas en/of een paar schoenen, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [bedrijf 2] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
- spreekt de verdachte vrij van het tenlastegelegde onder feit 1 primair;
- gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter te Limburg van 22 maart 2019, gewezen onder parketnummer 03.042698.19, te weten: een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand;
- de tenuitvoerlegging van deze straf op te schorten totdat de beslissing over het tenlastegelegde in de hoofdzaak met parketnummer 03.247836.19 onherroepelijk is geworden; zoverre komt te vervallen;
zoverre komt te vervallen;
zoverre komt te vervallen.
1. hij op of omstreeks 15 oktober 2019 in de gemeente Weert, althans in Nederland, een ambtenaar, [verbalisant 1] (agent van politie eenheid Oost-Brabant), gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening heeft mishandeld door hem in het gezicht en/of tegen het lichaam te spugen waarbij speeksel en/of bloed van verdachte in het gezicht en/of op het lichaam van die [verbalisant 1] terecht is gekomen;
3.
4. hij op of omstreeks 25 augustus 2019 te Herten, in de gemeente Roermond een scooter (Piaggio Zip, kenteken [kenteken] ), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
-

verklaart het tenlastegelegde onder feit 1 subsidiair en feit 2 tot en met feit 7 bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

-

verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

verklaart de verdachte strafbaar;

-

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van ;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

-

wijst de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van feit 1 en feit 2 toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen € 450,00, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 15 oktober 2019 tot aan de dag van de volledige voldoening;

veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;

legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, [verbalisant 1] , van € 450,00, bij niet betaling en verhaal te vervangen door 9 dagen gijzeling, met dien verstande dat de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode vanaf 15 oktober 2019 tot aan de dag van de volledige voldoening;

bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in

-

wijst de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van feit 4 toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen € 1.700,00, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 25 augustus 2019 tot aan de dag van de volledige voldoening;

veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;

legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, [slachtoffer 1] , van € 1.700,00, bij niet betaling en verhaal te vervangen door 27 dagen gijzeling, met dien verstande dat de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode vanaf 25 augustus 2019 tot aan de dag van de volledige voldoening;

bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in

-

wijst de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van feit 5 toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen € 441,00, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 25 augustus 2019 tot aan de dag van de volledige voldoening;

veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;

legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, [slachtoffer 2] , van € 441,00, bij niet betaling en verhaal te vervangen door 8 dagen gijzeling, met dien verstande dat de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode vanaf 25 augustus 2019 tot aan de dag van de volledige voldoening;

bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in

Benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen

_23947bd4-05f6-4e77-ad42-2286a3531079
1

Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, District Noord- en Midden-Limburg, Basisteam Roermond, proces-verbaalnummer PL2300-2019162998, gesloten d.d. 16 oktober 2019, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 115.

_01fe6655-609e-4db8-93d4-e422cf9269c1
2

Proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 oktober 2019, pagina 22.

_dd91221e-d1c3-408a-88b4-f586fd1f97a6
3

Proces-verbaal van aangifte door [verbalisant 1] d.d. 15 oktober 2019, pagina’s 24 en 25.

_8116616c-1583-46b3-874a-2d12c47a1897
4

Proces-verbaal van aangifte door [verbalisant 2] d.d. 15 oktober 2019, pagina 27.

_11b18293-f592-4e4d-a4f6-6b8eb02dd95a
5

De verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van 28 januari 2020.

_e13a215b-d468-4d56-a22c-5a26d7c975a7
6

De verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van 28 januari 2020.

_fcca2bae-d699-4b11-b88f-8ea95734cd67
7

Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] d.d. 25 augustus 2019, pagina 29.

_8ec930cb-3613-4158-869c-f1ba35cc3ac6
8

Proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 september 2019, pagina 32.

_4d253b3b-7501-479c-9b7b-8f84924c3623
9

De verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van 28 januari 2020.

_d6af871b-8b5f-4690-a580-aed10f2e8462
10

Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] d.d. 27 augustus 2019, pagina’s 9 en 11.

_b1d793ae-779c-4fa0-a4f3-ce1db5283136
11

Proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 september 2019, pagina’s 12 en 13.

_f54a8aa1-1bf2-4677-a202-3f4da500397b
12

Proces-verbaal aangifte A. [slachtoffer 3] namens [bedrijf 1] d.d. 31 juli 2019, pagina’s 40 en 41.

_4de854cb-3947-48dc-8d72-1635d0496276
13

Proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 juli 2019, pagina’s 43 t/m 45 in samenhang bezien met proces-verbaal herkenning persoon door opsporingsambtenaar d.d. 8 augustus 2019, pagina’s 48 t/m 50 en proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 augustus 2019, pagina’s 51 en 52.

_742d29af-9115-408a-83d1-b9560e8db772
14

Proces-verbaal aangifte d.d. 15 oktober 2019, pagina 53.

_541ddee0-ea60-4506-8483-b2b82d7629d4
15

Proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 oktober 2019, pagina 55.

_7d14a303-d3c2-4757-9d6c-a7f128d67493
16

Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen, Stb 2017, 82.