Uitspraak ECLI:NL:RBLIM:2019:9130

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht; Arbeidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 11-10-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Limburg op 07-10-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBLIM:2019:9130, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 7985612 AZ VERZ 19-74


Bron: Rechtspraak

center
100
3cc9c140-9b66-439d-81ef-906c52540f47
2
13
image/png

center
100
1ed1f9bb-dcdb-4a6b-af76-dcf1d67547bd
2
523
image/png

RECHTBANK LIMBURG
Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 7985612 AZ VERZ 19-74

Beschikking van 7 oktober 2019

in de zaak van

[verzoeker]

wonend te [woonplaats 1] ,verzoekende partij, gemachtigde mr. E. Aarden
tegen

ECLI:NL:RBLIM:2019:9130:DOC
nl

center
100
3cc9c140-9b66-439d-81ef-906c52540f47
2
13
image/png

center
100
1ed1f9bb-dcdb-4a6b-af76-dcf1d67547bd
2
523
image/png

RECHTBANK LIMBURG
Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 7985612 AZ VERZ 19-74

Beschikking van 7 oktober 2019

in de zaak van

[verzoeker]

wonend te [woonplaats 1] ,verzoekende partij, gemachtigde mr. E. Aarden
tegen

1

gevestigd te [vestigingsplaats] ,2. de besloten vennootschap ,3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid naar Duits recht
gevestigd te Beekin haar hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen die (zullen) toebehoren aan de vennoten:
[vennoot 1]

en
[vennoot 2]

beiden wonend te [woonplaats 2] ,vertegenwoordigd door [naam vertegenwoordiger] ,
NIKOLAUS GRILL GMBH

gevestigd te Aachen,gemachtigde L. Emre-Saritas.
Partijen zullen hierna [verzoeker] , [verweerster sub 1] , Pas en Nikolaus genoemd worden.

1

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-

het verzoekschrift met bijlagen

het verweerschrift met bijlagen van Nikolaus

de “akte vermeerdering van eis” met bijlagen

de brief van 24 september 2019 van mr. Aarden

de door [verzoeker] nagezonden bijlage P

de mondelinge behandeling op 1 oktober 2019, waarbij namens [verzoeker] een pleitnota is overgelegd.

1.2.
Ten slotte is beschikking bepaald op heden.
2

2.1.
[verweerster sub 1] exploiteerde tot (in ieder geval) 1 november 2018 een Grieks restaurant aan het [adres] te [vestigingsplaats] , een bedrijfspand dat zij huurde van [naam verhuurder] (hierna: de verhuurder)
2.2.
[verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1968, is krachtens een arbeidsovereenkomst op 1 november 2006 in dienst van [verweerster sub 1] getreden in de functie van keukenhulp / algemene hulp. Het loon bedraagt laatstelijk € 1.389,11 bruto per maand. In de arbeidsovereenkomst is bepaald dat de CAO voor de Horeca en Aanverwante bedrijf (hierna: de cao) van toepassing is.
2.3.
Op grond van een schriftelijke huur- en koopovereenkomst huurt Nikolaus met ingang van 1 november 2018 het bedrijfspand waarin het Grieks restaurant wordt geëxploiteerd. Deze overeenkomst bevat de volgende passage:“De huursom over de maand november 2018 èn december 2018 dient – tezamen met een overnamesom voor exploitatie, inventaris en goodwill van Grieks Specialiteitenrestaurant [verweerster sub 1] (huidige huurder), ter grootte van € 50.000,00 – uiterlijk vóór 1 november 2018 door Nikolaus Grill GmbH aan de heer [naam verhuurder] te zijn voldaan.”Deze overeenkomst is ondertekend door de verhuurder en [naam bestuurder] , de bestuurder van Nikolaus (hierna: [naam bestuurder] ).
2.4.
Daarnaast heeft de verhuurder een huurbeëindigingsovereenkomst met [verweerster sub 1] gesloten. Daarin zijn zij overeengekomen dat de huurovereenkomst met wederzijds goedvinden is ontbonden met ingang van 1 november 2018. Deze overeenkomst bevat verder de volgende passage:“Huurder [kantonrechter: [verweerster sub 1] ] levert het gehuurde op conform de wensen en ten genoegen van zijn rechtsopvolger zodat laatstgenoemde volledig akkoord is en het rechtsopvolger niet mogelijk is verhuurder daarvoor verantwoordelijk te houden en daarop aan te spreken, thans niet en in de toekomst niet.” Deze overeenkomst is door [vennoot 1] , [vennoot 2] , de verhuurder en [naam bestuurder] (mede namens Nikolaus) ondertekend.
2.5.
Tot en met november 2018 heeft [verzoeker] loonbetalingen ontvangen afkomstig van de bankrekening van [verweerster sub 1] . Met ingang van december 2019 heeft [verzoeker] geen loon meer ontvangen.
2.6.
[verweerster sub 1] is met ingang van 8 januari 2019 ontbonden.
2.7.
Bij beschikking van 28 februari 2019 zijn de goederen van [vennoot 1] en [vennoot 2] onder bewind gesteld met benoeming van Pas als bewindvoerder.
2.8.
Het Grieks restaurant is vanaf medio januari 2019 gesloten.
2.9.
[verzoeker] heeft buiten rechte tevergeefs diverse pogingen ondernomen om verweerders tot betaling van het (achterstallig) loon te bewegen. Vervolgens heeft [verzoeker] in kort geding (onder meer) gevorderd verweerders te veroordelen tot betaling daarvan. Bij vonnis van 2 mei 2019 heeft de kantonrechter de vordering tegen [verweerster sub 1] en haar vennoten (deels) toegewezen en voor zover gericht tegen Nikolaus geheel afgewezen.
3. Het geschil

3.1.
[verzoeker] verzoekt:1. in het geval de kantonrechter van oordeel is dat er geen sprake is van overgang van onderneming de arbeidsovereenkomst tussen [verweerster sub 1] en hem per de vroegst mogelijke datum te ontbinden met hoofdelijke veroordeling van [verweerster sub 1] en Pas (q.q.):
2. in het geval de kantonrechter van oordeel is dat er wel sprake is van overgang van onderneming, de arbeidsovereenkomst tussen Nikolaus en hem per de vroegst mogelijke datum te ontbinden met veroordeling van Nikolaus:
a. tot betaling van het achterstallig loon over de periode maart 2014 tot en met november 2018 van € 14.285,55 en de wettelijke verhoging daarover, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente,b. tot betaling van het achterstallig loon (niet betaalde overuren) over de periode januari 2014 tot en met mei 2016 van € 26.061,69 en de wettelijke verhoging daarover, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente,c. tot betaling van het achterstallig loon vanaf december 2018 “tot en met de behandeling van dit verzoekschrift inclusief het vakantiegeld 2019”, de wettelijke verhoging daarover en een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente,d. tot betaling van het maandelijks loon, onder afgifte van deugdelijke loonspecificaties tot aan de datum van ontbinding van de arbeidsovereenkomst,e. aan [verzoeker] binnen een maand na het einde van de arbeidsovereenkomst een deugdelijke eindafrekening te verstrekken ten aanzien van het vakantiegeld en nog uit te betalen vakantiedagen,f. tot betaling van € 8.634,00 transitievergoeding,g. tot betaling van € 101.480,96 billijke vergoeding,h. tot betaling van € 2.105,00 voor buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente,i. tot betaling van de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente indien het bedrag van de proceskostenveroordeling niet is betaald binnen 14 dagen nadat de beschikking is genomen,
a. tot betaling van het achterstallig loon vanaf december 2018 “tot en met de behandeling van dit verzoekschrift inclusief het vakantiegeld 2019”, de wettelijk verhoging daarover en een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente,b. tot betaling van het maandelijks loon, onder afgifte van deugdelijke loonspecificaties tot aan de datum van ontbinding van de arbeidsovereenkomst,c. aan [verzoeker] binnen een maand na het einde van de arbeidsovereenkomst een deugdelijke eindafrekening te verstrekken ten aanzien van het vakantiegeld en nog uit te betalen vakantiedagen,d. tot betaling van € 8.634,00 transitievergoeding,e. tot betaling van € 101.480,96 billijke vergoeding,
en met hoofdelijke veroordeling van [verweerster sub 1] , Pas en Nikolaus:f. tot betaling van het achterstallig loon over de periode maart 2014 tot en met november 2018 van € 14.285,55 en de wettelijke verhoging daarover, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente,g. tot betaling van het achterstallig loon (niet betaalde overuren) over de periode januari 2014 tot en met mei 2016 van € 26.061,69 en de wettelijke verhoging daarover, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente,h. tot betaling van € 2.105,00 voor buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente,i. tot betaling van de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente indien het bedrag van de proceskostenveroordeling niet is betaald binnen 14 dagen nadat de beschikking is genomen.
3.2.
Nikolaus, [verweerster sub 1] en Pas voeren verweer.
overwegingen

4

4.1.
Het verzoekschrift vermeldt naast [verweerster sub 1] en Nikolaus ook als verweerders [vennoot 1] en [vennoot 2] . De goederen van [vennoot 1] en [vennoot 2] zijn onder bewind gesteld en Pas is benoemd tot bewindvoerder. Uit art. 1:441 lid 1 BW volgt dat Pas als bewindvoerder [vennoot 1] en [vennoot 2] in en buiten rechte vertegenwoordigt. [vennoot 1] en [vennoot 2] kunnen dus formeel niet als verweerders in deze procedure betrokken worden en [verzoeker] zou voor zover zijn verzoek tegen deze vennoten is gericht niet-ontvankelijk verklaard moeten worden. Echter uit de brief van 24 september 2019 van mr. Aarden leidt de kantonrechter af dat het verzoek moet worden geacht mede te zijn gericht op Pas als bewindvoerder van [vennoot 1] en [vennoot 2] . Pas heeft dat kennelijk ook zo begrepen want zij is vervolgens ter zitting (vertegenwoordigd door [naam vertegenwoordiger] ) in het geding verschenen. Op grond van deze overwegingen zijn niet [vennoot 1] en [vennoot 2] de formele verweerders in deze procedure, maar is in plaats daarvan Pas (in haar hoedanigheid van bewindvoerder van deze twee vennoten) verweerder.
4.2.
Centraal in deze procedure staat de vraag of er sprake is van overgang van onderneming in de zin van art. 7:662 en verder BW. [verzoeker] , [verweerster sub 1] en Pas stellen dat daarvan sprake is. Nikolaus betwist dat. De kantonrechter is van oordeel dat van overgang van onderneming sprake is en wel per 1 november 2018. Daartoe wordt als volgt overwogen.
4.2.1.
Vaststaat dat Nikolaus met ingang van 1 november 2018 de huurder is van het bedrijfspand waarin [verweerster sub 1] het Grieks restaurant exploiteerde. Per dezelfde datum is de huurovereenkomst op grond waarvan [verweerster sub 1] het bedrijfspand huurde geëindigd. Dit hoeft op zichzelf er nog niet op te duiden dat de onderneming van [verweerster sub 1] per die datum is overgenomen door Nikolaus. Theoretisch zou het best zo kunnen zijn dat Nikolaus als huurder de huur aan verhuurder betaalde vanaf 1 november 2018 en dat [verweerster sub 1] het Grieks restaurant vanaf die datum is blijven exploiteren tot de sluiting medio januari 2019. Dit is echter verre van aannemelijk nu Nikolaus op geen enkele manier heeft uitgelegd waarom voor deze constructie zou zijn gekozen: een constructie die inhoudt dat [verweerster sub 1] kennelijk om niet gebruik kon maken van het door Nikolaus gehuurde bedrijfspand.
4.2.2.
Verder staat vast (zie 2.3.) dat Nikolaus € 50.000,00 heeft betaald als overnamesom voor exploitatie, inventaris en goodwill van [verweerster sub 1] . Dit duidt er zonder meer op dat de onderneming van [verweerster sub 1] als gevolg van een overeenkomst is overgegaan op Nikolaus. Het feit dat dit bedrag schriftelijk is overeengekomen met en betaald aan de verhuurder, doet daar verder in de gegeven omstandigheden niet aan af. Vaststaat immers dat [verweerster sub 1] een aanzienlijke huurschuld had en dat met deze constructie die huurschuld (deels) is afgelost door rechtstreekse betaling aan de verhuurder. Een andere verklaring is hier niet voor gegeven want een uitleg van de zijde van Nikolaus waarom zij deze overnamesom heeft betaald aan de verhuurder voor zaken/rechten die toebehoorden aan [verweerster sub 1] heeft zij niet gegeven.
4.2.3.
Van de zijde van [verzoeker] is ter zitting nog (samengevat) het volgende verklaard. In oktober 2018 heeft een gesprek plaatsgevonden met [naam bestuurder] , [naam] en de schoonzoon van [naam bestuurder] . [naam bestuurder] verklaarde toen dat hij het restaurant ging overnemen en dat [verzoeker] voor hem kon blijven werken tegen hetzelfde loon. Op zeker moment heeft Nikolaus de sloten van het bedrijfspand vervangen. [verzoeker] heeft van die nieuwe sloten een sleutel gekregen. [naam] heeft later (zie productie P) aan [verzoeker] gevraagd de sleutel in te leveren. [vennoot 1] en [vennoot 2] hebben ter zitting ook verklaard dat in oktober 2018 het bewuste gesprek heeft plaatsgevonden. Ook hun is toen door [naam bestuurder] toegezegd dat zij konden blijven werken. Verder hebben zij verklaard dat het geld in de kassa vanaf 1 november 2018 naar [naam bestuurder] ging en dat [naam] (namens [naam bestuurder] ) het loon aan [verzoeker] betaalde via de bankrekening van [verweerster sub 1] en dat [naam] eenmalig € 100,00 loon heeft betaald aan [vennoot 1] en [vennoot 2] . [naam bestuurder] is niet in persoon ter zitting verschenen om een en ander te betwisten en zijn gemachtigde heeft volstaan met een betwisting in algemene termen. Het had gelet op zijn pertinente en weinig geloofwaardige ontkenning dat hij [verzoeker] , [vennoot 1] en [vennoot 2] ooit heeft gesproken, wel op de weg van [naam bestuurder] gelegen zijn betwisting ter zitting nader te motiveren. Ook had hij zijn betwisting dat hij [naam] kent verder moeten onderbouwen. Een andere uitleg dan dat [naam] namens Nikolaus de nieuwe sleutels van het bedrijfspand bij [verzoeker] heeft teruggevraagd en dat [naam] dus aan Nikolaus gelieerd is, ligt namelijk niet voor de hand. De sloten waren immers door Nikolaus vervangen. De betwisting door Nikolaus van hetgeen [verzoeker] , [vennoot 2] en [vennoot 1] hebben verklaard, moet derhalve als onvoldoende gemotiveerd terzijde geschoven worden. Die verklaringen, waarvan de juistheid dus vaststaat, duiden eveneens op een overgang van onderneming per 1 november 2018. [verweerster sub 1] werd immers geleid door personen die aan Nikolaus gelieerd waren, het geld in de kassa eigenden deze personen (althans [naam bestuurder] ) zich toe en het loon van [verzoeker] werd in november 2018 voldaan doordat [naam] dit betaalde vanaf de bankrekening van [verweerster sub 1] .
4.2.4.
In het licht van voorgaande overwegingen legt de verwijzing door Nikolaus naar pagina 6 van productie J te weinig gewicht in de schaal. Op die pagina heeft de boekhouder van Delhphi op schrift gesteld wat [vennoot 1] en [vennoot 2] verklaard zouden hebben. Zelfs als de boekhouder een juiste weergave van die verklaringen heeft gegeven is dat onvoldoende grond om tot het oordeel te komen dat Nikolaus op een later tijdstip dan 1 november 2018 de exploitatie van de onderneming heeft overgenomen. De verklaringen op die pagina behelzen immers dat [naam bestuurder] gezegd zou hebben dat de overname zou worden verplaatst naar aanvankelijk 1 december 2018 en later naar 1 januari 2019. Ook al heeft [naam bestuurder] dit op enig moment gezegd, dan nog doet dit niet af aan hetgeen hiervoor in 4.2.1. tot en met 4.2.3. is overwogen waaruit in onderlinge samenhang bezien blijkt dat per 1 november 2018 sprake was van een overgang van onderneming. Het doet er dan niet meer toe dat de overnemende partij, nadat reeds is overgenomen, mededeelt dat de overname pas later zal plaatsvinden.
4.2.5.
Tot slot overweegt de kantonrechter dat niet in geschil is dat de exploitatie van het Grieks restaurant is voortgezet met ingang van 1 november 2018 tot medio januari 2019. Uit voorgaande overwegingen volgt dat gedurende die periode het restaurant is geëxploiteerd door Nikolaus. Ook dit duidt er ontegenzeggelijk op dat per 1 november 2018 de onderneming van [verweerster sub 1] is overgenomen door Nikolaus.
4.3.
Omdat sprake is van een overgang van onderneming per 1 november 2018, hoeft onderdeel 1 van het verzoek van [verzoeker] geen verdere bespreking. Ten aanzien van onderdeel 2 van het verzoek van [verzoeker] wordt als volgt overwogen.
4.4.
Nikolaus is als gevolg van de overgang van onderneming per 1 november 2018 de werkgever van [verzoeker] . Tegen het verzoek van [verzoeker] om de arbeidsovereenkomst met Nikolaus te ontbinden heeft Nikolaus (behalve met haar stelling dat zij geen werkgever van [verzoeker] is) geen verweer gevoerd. De omstandigheid dat Nikolaus ontkent werkgever te zijn en tot op heden geen loon aan [verzoeker] heeft betaald, is van dien aard dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd dient te eindigen (art. 7:671c lid 1 BW). Omdat [verzoeker] verzoekt om tegen een zo vroeg mogelijke datum te ontbinden en Nikolaus zich daar niet tegen verzet, zal de kantonrechter bepalen dat de arbeidsovereenkomst vandaag eindigt.
4.5.
De subonderdelen a. tot en met c. kunnen in beginsel worden toegewezen nu Nikolaus daar geen (afzonderlijk) verweer tegen gevoerd heeft. Vaststaat dat het loon op grond van de toepasselijke cao tot en met december 2018 € 1.620,02 bedraagt en met ingang van januari 2019 € 1.654,08 per maand. In onderdeel a. vordert [verzoeker] het loon vanaf december 2018 tot en met de behandeling van het verzoekschrift. De behandeling van het verzoekschrift eindigt met deze beschikking en op dat moment eindigt ook de arbeidsovereenkomst. Hieruit volgt dat er geen grond is om onderdeel b, waarin [verzoeker] tevens heeft verzocht Nikolaus te veroordelen loonspecificaties te verstrekken, toe te wijzen. De wettelijke verhoging zal worden toegewezen over het tot en met september 2019 verschuldigde loon. Over het loon van oktober 2019 kan Nikolaus thans nog geen wettelijke verhoging verschuldigd zijn. In zoverre wordt het verzoek van [verzoeker] afgewezen.
4.6.
Nikolaus zal ook worden veroordeeld tot betaling van de in subonderdeel d verzochte transitievergoeding. In het verzoekschrift is de transitievergoeding berekend op grond van brutoloon per maand van € 1.654,00. [verzoeker] heeft aangevoerd dat hij op grond van de cao met ingang van 1 januari 2019 recht heeft op dit brutoloon. Aangezien Nikolaus hier geen verweer tegen gevoerd zal de kantonrechter van de juistheid van dit bedrag uit moeten gaan. [verzoeker] berekent de transitievergoeding op grond van dit loon op € 8.634,00 bruto. Dit bedrag kan niet juist zijn omdat [verzoeker] bij de berekening er van is uitgegaan dat de arbeidsovereenkomst eindigt op 1 januari 2020. Dat laatste is niet het geval want de arbeidsovereenkomst wordt met ingang van heden beëindigd. De kantonrechter zal dus Nikolaus wel veroordelen tot betaling van de transitievergoeding, maar niet tot betaling van het door [verzoeker] gestelde te hoge bedrag. Nikolaus zal dus worden veroordeeld tot betaling van de transitievergoeding, uitgaande van een bruto maandloon van € 1.654,00 en een dienstverband dat heeft geduurd van 1 november 2006 tot heden. Tevens is voor de berekening van de door Nikolaus te betalen transitievergoeding van belang dat [verzoeker] op10 juni 2018 vijftig jaar is geworden. Op grond van deze gegevens zal een transitievergoeding van € 7.994,33 bruto toegewezen worden.
4.7.
Ten aanzien van de in onderdeel e. verzochte billijke vergoeding wordt als volgt overwogen. In art. 7:671c BW is bepaald dat de kantonrechter aan de werknemer een billijke vergoeding kan toekennen indien de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Nikolaus ontkent (en blijft ook in deze procedure tegen beter weten in ontkennen) dat zij de (nieuwe) werkgever is van [verzoeker] en weigert aan [verzoeker] sinds december 2018 loon te betalen. Nikolaus heeft [verzoeker] hierdoor in een lastig parket gemanoeuvreerd. [verzoeker] heeft namelijk, omdat de arbeidsovereenkomst nog steeds bestaat, formeel geen recht op een bijstands- of WW-uitkering. Als gevolg daarvan heeft [verzoeker] geen andere uitweg gezien dan het starten van deze procedure waarin hij (onder meer) verzoekt om ontbinding van de arbeidsovereenkomst. De kantonrechter is op grond van deze overwegingen van oordeel dat Nikolaus ernstig verwijtbaar heeft gehandeld/nagelaten als gevolg waarvan de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden.
4.7.1.
De hoogte van de door [verzoeker] verzochte vergoeding is grotendeels gebaseerd op de veronderstelling dat [verzoeker] tot zijn pensioengerechtigde leeftijd in dienst van Nikolaus zou zijn gebleven. Die veronderstelling onderschrijft de kantonrechter niet. Tegenwoordig is het eerder uitzondering dan regel dat een werknemer gedurende zijn gehele werkzame leven voor dezelfde werkgever blijft werken. Een dergelijke uitzondering komt, zo lijkt het althans, nog minder voor in de horeca-branche. De kantonrechter acht het wel alleszins aannemelijk dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen ongeveer twee jaar zou zijn voortgezet. Daar komt verder bij dat het voor [verzoeker] , nu hij de Nederlandse taal niet goed spreekt, fysieke klachten heeft, 51 jaar is en alleen werkervaring heeft als keukenhulp, niet makkelijk zal zijn een andere baan te vinden. Aannemelijk is dus dat hij gedurende die twee jaar niet een nieuwe baan zal vinden. Op basis van het loon waar hij recht op gehad zou hebben gedurende die twee jaar en de veronderstelling dat hij in die periode wel recht zal hebben op een ww-uitkering van grosso modo 70% van het laatstverdiende loon, komt de kantonrechter op een billijke vergoeding van € 12.000,00 bruto. [verzoeker] heeft ook aangevoerd dat een vergoeding van immateriële schade van € 25.000,00 onderdeel behoort uit te maken van de billijke vergoeding. Dit standpunt wordt reeds verworpen omdat [verzoeker] deze schade in het geheel niet heeft onderbouwd. Verder heeft [verzoeker] aangevoerd dat hij, omdat hij van inkomen verstoken is geweest, geld heeft moeten lenen. De geleende bedragen moet hij terugbetalen en daarom moet volgens [verzoeker] de billijke vergoeding met die bedragen worden verhoogd. De kantonrechter is van oordeel dat ook dit betoog niet noopt tot een hogere billijke vergoeding want op basis van deze beschikking zal het achterstallige loon alsnog betaald dienen te worden en kan [verzoeker] daarmee de geleende bedragen terugbetalen.Het feit dat aan [verzoeker] een transitievergoeding wordt toegekend zou tot een lagere billijke vergoeding dan € 12.000,00 dienen te leiden. Daar staat echter tegenover dat, gelet op het laakbare gedrag van Nikolaus waarbij zij [verzoeker] heeft genoodzaakt deze procedure te voeren, de vergoeding juist hoger vastgesteld zou moeten worden. Deze twee aspecten compenseren elkaar zodat dit niet leidt tot een wijziging van het bedrag.
4.8.
De in de onderdelen f. en g. verzochte hoofdelijke veroordeling van [verweerster sub 1] , Pas (q.q.) en Nikolaus tot betaling van de daarin genoemde bedragen die zien op achterstallig loon, de wettelijke verhoging en de wettelijke rente zal worden toegewezen aangezien daar geen (afzonderlijk) verweer tegen gevoerd is.
4.9.
Onbetwist is dat [verzoeker] verweerders meermaals schriftelijk heeft gesommeerd tot betaling van het (achterstallig) loon. Vast staat dat verweerders toen reeds in verzuim verkeerden. Hieruit volgt dat verweerders een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten aan [verzoeker] verschuldigd zijn. [verzoeker] stelt dat de hoogte van de vergoeding is berekend “aan de hand van de totale vorderingen”. Hieruit blijkt dat [verzoeker] voor de bepaling van de hoogte van de vergoeding zich heeft gebaseerd op het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke kosten. Omdat verweerders daar niets tegen aangevoerd hebben, zal de kantonrechter in navolging van [verzoeker] de hoogte van de toe te wijzen kosten aan de hand van dit Besluit bepalen. De concrete loonbedragen tot betaling waarvan verweerders veroordeeld zullen worden bedragen in totaal € 40.347,24. De daarmee corresponderende vergoeding voor buitengerechtelijke kosten bedraagt dan € 1.178,47 excl. btw en € 1.425,95 incl. btw. Verweerders zullen dus hoofdelijk veroordeeld worden tot betaling van € 1.425,95.
4.10.
Verweerders zullen hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van de kosten van dit geding, aan de zijde van [verzoeker] tot op heden begroot op:
-

griffierecht € 81,00

salaris gemachtigde

Totaal: € 680,00.Verweerders zullen voorts hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 dagen na heden tot de dag van voldoening.
4.11.
De nakosten zullen worden toegewezen op de wijze als in de navolgende beslissing wordt bepaald.
beslissing

5

De kantonrechter
5.1.
ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen [verzoeker] en Nikolaus en bepaalt dat de arbeidsovereenkomst vandaag eindigt,
5.2.
veroordeelt Nikolaus tot betaling aan [verzoeker] van het loon vanaf december 2018 tot en met vandaag, vermeerderd met de wettelijke verhoging over het loon tot en met september 2019, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de respectieve verzuimdata tot de dag van voldoening,
5.3.
veroordeelt Nikolaus om binnen een maand na heden een deugdelijke eindafrekening te verstrekken ten aanzien van het vakantiegeld en de nog uit te betalen vakantiedagen,
5.4.
veroordeelt Nikolaus tot betaling aan [verzoeker] van de transitievergoeding van € 7.994,33 berekend conform de overwegingen in 4.6.,
5.5.
veroordeelt Nikolaus tot betaling aan [verzoeker] van een billijke vergoeding van € 12.000,00 bruto,
5.6.
veroordeelt [verweerster sub 1] , Pas en Nikolaus hoofdelijk tot betaling aan [verzoeker] van € 14.285,55, vermeerderd met de wettelijke verhoging, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de respectieve verzuimdata tot de dag van voldoening,
5.7.
veroordeelt [verweerster sub 1] , Pas en Nikolaus hoofdelijk tot betaling aan [verzoeker] van € 26.061,69, vermeerderd met de wettelijke verhoging, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de respectieve verzuimdata tot de dag van voldoening,
5.8.
veroordeelt [verweerster sub 1] , Pas en Nikolaus hoofdelijk tot betaling aan [verzoeker] van € 1.425,95,
5.9.
veroordeelt [verweerster sub 1] , Pas en Nikolaus hoofdelijk tot betaling van proceskosten, aan de zijde van [verzoeker] tot op heden begroot op € 680,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na heden tot de dag van voldoening,
5.10.
veroordeelt [verweerster sub 1] , Pas en Nikolaus hoofdelijk, onder de voorwaarde dat zij niet binnen twee weken na aanschrijving door [verzoeker] volledig aan de onderdelen 5.6. tot en met 5.9. voldoen, in de na deze beschikking ontstane kosten, begroot op:- € 120,00 aan salaris gemachtigde, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na aanschrijving tot de dag der voldoening,- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening tot de dag der voldoening.
5.11.
veroordeelt Nikolaus, onder de voorwaarde dat verweerders binnen twee weken na aanschrijving door [verzoeker] wel volledig hebben voldaan aan de onderdelen 5.6. tot en met 5.9. maar Nikolaus niet heeft voldaan aan de onderdelen 5.2. tot en met 5.5. in de na deze beschikking vonnis ontstane kosten, begroot op:- € 120,00 aan salaris gemachtigde, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na aanschrijving tot de dag der voldoening,- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening tot de dag der voldoening,
5.12.
verklaart de onderdelen 5.2. tot en met 5.11 van deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,
5.13.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.P. van Unen en is in het openbaar uitgesproken.

Type: RW