Uitspraak ECLI:NL:RBLIM:2019:9073

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 09-10-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Limburg op 09-10-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBLIM:2019:9073, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 8046117 CV EXPL 19-6303


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK LIMBURG
Burgerlijk recht
Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 8046117 CV EXPL 19-6303

Vonnis in kort geding van de kantonrechter van 9 oktober 2019

in de zaak van

de stichting
WONINGSTICHTING MAASVALLEI MAASTRICHT

gevestigd te Maastricht,eisende partij,gemachtigde mr. N. Kooistra,
tegen

[gedaagde]

wonend [adres 1] , [woonplaats] ,gedaagde partij,gemachtigde mr. B.H.M. Nijsten.
Partijen zullen hierna Maasvallei en [gedaagde] worden genoemd.

ECLI:NL:RBLIM:2019:9073:DOC
nl

RECHTBANK LIMBURG
Burgerlijk recht
Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 8046117 CV EXPL 19-6303

Vonnis in kort geding van de kantonrechter van 9 oktober 2019

in de zaak van

de stichting
WONINGSTICHTING MAASVALLEI MAASTRICHT

gevestigd te Maastricht,eisende partij,gemachtigde mr. N. Kooistra,
tegen

[gedaagde]

wonend [adres 1] , [woonplaats] ,gedaagde partij,gemachtigde mr. B.H.M. Nijsten.
Partijen zullen hierna Maasvallei en [gedaagde] worden genoemd.

1

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding- de op 3 oktober 2019 gehouden mondelinge behandeling- de overgelegde eiswijziging.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2

2.1.
Tussen partijen is op 14 augustus 2019 een tijdelijke huurovereenkomst met woonbegeleiding tot stand gekomen met betrekking tot de woonruimte aan de [adres 1] te [woonplaats] . De begeleidingsovereenkomst is tot stand gekomen tussen RAAK! Thuisbegeleiding en [gedaagde] .
2.2.
Artikel 13.10 van de toepasselijke algemene huurvoorwaarden luidt:
Huurder dient zich ten opzichte van medewerkers van verhuurder en/of door verhuurder ingeschakelde derden als goed huurder te gedragen. Fysiek of verbaal geweld, bedreiging, belediging, agressiviteit, dan wel ander wangedrag leidt tot passende (juridische) maatregelen jegens huurder, die kunnen leiden tot beëindiging van de huurovereenkomst.

2.3.
In de directe periode daarvoor huurde [gedaagde] van Maasvallei woonruimte aan de [adres 2] te [woonplaats] - zijnde direct gelegen naast het kantoor van Maasvallei -, dit middels een zogenoemde ‘omklapregeling’. Maasvallei verhuurde de woning eerst ongeveer een jaar aan het Leger des Heils, in welk jaar [gedaagde] met begeleiding in de woning heeft gewoond, en daarna rechtstreeks aan [gedaagde] . Na het wegvallen van de begeleiding heeft Maasvallei klachten van omwonenden ontvangen over het gedrag van [gedaagde] . De verstandhouding tussen [gedaagde] en een andere huurder van Maasvallei raakte zodanig verstoord, dat Maasvallei [gedaagde] de woning heeft aangeboden aan de [adres 1] , op voorwaarde dat [gedaagde] weer woonbegeleiding ontvangt. [gedaagde] heeft hiermee ingestemd, waarmee eerstgenoemde huurovereenkomst tot stand is gekomen. De op dat moment bestaande huurovereenkomst aangaande de woning aan de [adres 2] is opgezegd.
2.4.
Op 19 augustus 2019 heeft aan de servicebalie van Maasvallei een incident plaatsgevonden tussen [gedaagde] en een medewerkster van Maasvallei. Dit naar aanleiding van de kosten van extra sleutels voor de nieuwe woonruimte. [gedaagde] heeft gescholden en met de sleutelbos richting de medewerkster gegooid. Maasvallei heeft [gedaagde] uiteindelijk uit het kantoor gezet en de politie gebeld.
2.5.
Vanwege dit incident heeft Maasvallei op 20 augustus 2019 een lokaalverbod aan [gedaagde] uitgereikt, waarbij [gedaagde] voor de duur van drie maanden de toegang tot het kantoor van Maasvallei en het daarbij behorende erf en terras is ontzegd.
2.6.
Op maandagochtend 2 september 2019 heeft er op de parkeerplaats van Maasvallei een incident plaatsgevonden tussen [gedaagde] en medewerkers van Maasvallei, met name [naam projectleider] , projectleider bij Maasvallei. [gedaagde] heeft [naam projectleider] die ochtend opgewacht. Hij had bij die gelegenheid twee grote loslopende pitbull achtige honden bij zich. Meerdere medewerkers van Maasvallei zijn getuige geweest van het incident en hebben evenals [naam projectleider] aangifte gedaan bij de politie. In de processen-verbaal is neergelegd dat [gedaagde] aan [naam projectleider] een klap in het gezicht en een trap tegen het dijbeen heeft uitgedeeld en uitspraken heeft gedaan in de trant van: “Ik maak je kapot want je hebt mijn hond van het balkon gegooid” en “Ik ga een hamer halen en sla jullie allemaal kapot”. De politie heeft [gedaagde] meegenomen. De medewerkers van Maasvallei hebben zich hierdoor naar hun zeggen bedreigd gevoeld.
2.7.
Naar aanleiding van dit incident heeft op 3 september 2019 een gesprek plaatsgevonden tussen (onder meer) een medewerker van Maasvallei en [gedaagde] .
3

3.1.
Maasvallei vordert, samengevat en na wijziging van eis, [gedaagde]
-

te veroordelen om de woning aan de [adres 1] binnen veertien dagen te ontruimen zo nodig met machtiging van de sterke arm van justitie en politie,

te verbieden om zich gedurende een periode van één jaar binnen een straal van 150 meter van het kantoor van Maasvallei te begeven, zulks op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per overtreding,

te veroordelen in de kosten, te vermeerderen met rente vanaf de achtste dag na betekening van het vonnis.

3.2.
[gedaagde] voert uitsluitend verweer tegen de gevorderde ontruiming.
overwegingen

4

4.1.
Maasvallei heeft een voldoende spoedeisend belang bij het gevorderde. [gedaagde] voert in dit verband aan dat er onvoldoende bewijs is dat hij [naam projectleider] daadwerkelijk heeft geslagen (en hij hiervoor eerst in december 2019 bij de strafrechter moet verschijnen) en dat hij ook niet strafrechtelijk wordt vervolgd voor bedreiging van de andere medewerkers, maar gaat hiermee voorbij aan het betoog van Maasvallei dat het spoedeisend belang daarin is gelegen dat haar medewerkers op zo kort mogelijke termijn niet meer met [gedaagde] worden geconfronteerd. Haar medewerkers moeten kunnen functioneren in een veilige werkomgeving. Het spoedeisend belang is hiermee gegeven.
4.2.
Het incident op 2 september 2019 is zodanig ernstig geweest dat [gedaagde] zich niet als goed huurder in de zin van artikel 7:213 BW en de algemene huurvoorwaarden heeft gedragen en dat in dit geval - alle feiten en omstandigheden in aanmerking nemende - een ontruiming vooruitlopend op een ontbinding in een bodemprocedure gerechtvaardigd is. [gedaagde] betwist immers niet dat hij [naam projectleider] die ochtend heeft opgewacht en zich verbaal agressief heeft geuit op de wijze zoals neergelegd in de processen-verbaal, al dan niet versterkt door het meebrengen van twee grote pitbull achtige honden. Hij betwist ook niet dat hij fysiek geweld heeft gebruikt in die zin dat hij (in ieder geval) [naam projectleider] heeft geschopt. Bovendien hebben medewerkers verklaard dat hij [naam projectleider] heeft geslagen. Er is niets gesteld om op dit punt aan die verklaringen voorbij te gaan. Aannemelijk is dat de medewerkers dit als bedreigend hebben ervaren en dat dit een enorme impact op [naam projectleider] heeft gehad. De stelling van [gedaagde] dat hij (nog) niet strafrechtelijk is veroordeeld, maakt het vorenstaande niet anders. [gedaagde] heeft de grens van het toelaatbare overschreden. Excuses maken de tekortkoming niet ongedaan. [gedaagde] heeft een “rugzak”, maar dat maakt niet dat Maasvallei, die tevens verantwoordelijk is voor de veiligheid van haar medewerkers, het gedrag van [gedaagde] daarom moet (blijven) dulden.
4.2.1.
Het is niet gebleken dat er alternatieven zijn om de belangen van Maasvallei en haar medewerkers te beschermen of dat er perspectief bestaat op een toekomst waarin de betreffende tekortkoming niet meer voorkomt. [gedaagde] had ten tijde van het incident al een verbod om het terrein te betreden (omdat hij een medewerker van Maasvallei agressief had bejegend). [gedaagde] heeft zich niets van dit gebiedsverbod aangetrokken.
Tijdens het gesprek op 3 september 2019 heeft hij, naar aanleiding van het tweede incident, aangegeven min of meer hetzelfde te zullen handelen. Maasvallei heeft ter zitting nog aangegeven dat [gedaagde] recentelijk nog een medewerker van Maasvallei een emailbericht heeft gestuurd, waarin Maasvallei een concrete en actuele bedreiging leest. De mail heeft in ieder geval bij de medewerkers wederom een angstig gevoel opgewekt. Medewerkers van de balie hebben om beveiliging verzocht. [naam projectleider] verschijnt nog altijd niet op de werkplek. [gedaagde] heeft zijnerzijds ter zitting doen blijken dat hij [naam projectleider] nog altijd de dood van zijn hond verwijt om een reden waarvan hij zelf niet inziet dat deze geen hout snijdt.

Zijn gedragingen zijn niet te rechtvaardigen. Zelfs in het geval, zoals [gedaagde] stelt, [naam projectleider] zich op een personeelsbarbecue onprofessioneel en laatdunkend over [gedaagde] zou hebben uitgelaten ( [gedaagde] zou dit hebben opgevangen omdat hij ernaast woonde), kan daarin geen rechtvaardiging zijn gelegen voor het gedrag. [gedaagde] ziet de ernst van zijn handelen niet in. Het is daarmee op voorhand niet aannemelijk dat [gedaagde] zich zal onthouden van iedere vorm van agressie jegens de medewerkers van Maasvallei (terwijl het angstig gevoel bij de medewerkers ook niet is weggeëbd). Aldus moet worden gesproken van gedrag waaraan klaarblijkelijk alleen een einde kan, en moet, worden gemaakt door een beëindiging van de relatie tussen partijen op korte termijn.

Het belang van Maasvallei prevaleert uiteindelijk, waarbij de kantonrechter eveneens laat meewegen dat Maasvallei, juist vanwege de achtergrond van [gedaagde] , tot nog toe veel geduld heeft betracht met [gedaagde] , steeds de dialoog heeft gezocht en oplossingsgericht is geweest.

4.3.
Gezien het vorenstaande ligt de vordering, voor wat de veroordeling tot ontruiming van het gehuurde betreft, voor toewijzing gereed.
4.3.1.
Maasvallei behoeft geen machtiging van de kantonrechter om het toe te wijzen bevel tot ontruiming zo nodig af te dwingen. De in de wet aan de deurwaarder verleende bevoegdheden tot reële executie (artikelen 555 e.v. Rv in verbinding met artikel 444 Rv) worden toereikend geacht, zodat Maasvallei bij een afzonderlijke machtiging geen belang heeft.
4.4.
De vordering in het kader van het gebiedsverbod zal, omdat deze onweersproken is gebleven terwijl de veiligheid van de werkomgeving van de medewerkers van Maasvallei op geen ander wijze te bereiken is, op de wijze zoals gevorderd worden toegewezen.
4.4.1.
Ter zitting heeft Maasvallei desgevraagd te kennen gegeven dat de sleutelafgifte (die in de vordering niet nader is gespecificeerd) kan plaatsvinden op het kantoor van de procesgemachtigde van Maasvallei of aan de deurwaarder. Mevrouw [naam] heeft zich bereid verklaard de sleutels zo nodig bij [gedaagde] op te halen. Dit maakt dat [gedaagde] zich ervan bewust dient te zijn dat, indien hij zich in persoon begeeft naar het kantoor van Maasvallei met de bedoeling om de sleutels aldaar af te geven, hij hiermee het gebiedsverbod overtreedt.
4.5.
[gedaagde] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van Maasvallei worden begroot op:
totaal € 942,06
-

dagvaarding € 101,06

griffierecht 121,00

salaris gemachtigde

4.5.1.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen met inachtneming van een redelijke termijn van twee weken na betekening van het vonnis.
beslissing

5

De kantonrechter in kort geding

5.1.
veroordeelt [gedaagde] om binnen twee weken na betekening van dit vonnis de woning aan de [adres 1] te [woonplaats] met personen en zaken te ontruimen en te verlaten en met afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van Maasvallei te stellen,
5.2.
verbiedt [gedaagde] om zich gedurende een periode van één jaar vanaf de betekening van het vonnis te begeven binnen een straal van 150 meter van het kantoor van Maasvallei aan de Severenstraat nr. 200 te Maastricht, zulks op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 voor iedere overtreding van dit verbod,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten aan de zijde van Maasvallei gevallen en tot op heden begroot op € 942,06, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.J. Otto en in het openbaar uitgesproken.

NIv