Uitspraak ECLI:NL:RBLIM:2019:8243

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 11-09-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Limburg op 06-09-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBLIM:2019:8243, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 03/700204-18


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03/700204-18

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 6 september 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966,wonende te [adresgegevens verdachte] .
De verdachte wordt bijgestaan door mr. H.C. Ingelse, advocaat kantoorhoudende te Maastricht.

ECLI:NL:RBLIM:2019:8243:DOC
nl

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03/700204-18

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 6 september 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966,wonende te [adresgegevens verdachte] .
De verdachte wordt bijgestaan door mr. H.C. Ingelse, advocaat kantoorhoudende te Maastricht.

1

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 23 augustus 2019. De verdachte en haar raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.
2

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte [slachtoffer] met een schaar in de borst en/of de borststreek heeft gestoken. Dit is primair als poging doodslag, subsidiair als poging zware mishandeling en meer subsidiair als een eenvoudige mishandeling tenlastegelegd.
overwegingen

3

3.1
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het primair en subsidiair tenlastegelegde, en tot bewezenverklaring van de meer subsidiair tenlastegelegde mishandeling. De verdachte heeft [slachtoffer] opzettelijk met een schaar in zijn borst gestoken. Dat de verdachte [slachtoffer] van zich af wilde slaan en niet wist dat zij de schaar nog in haar hand had, acht de officier van justitie niet aannemelijk. Vanwege het ontbreken van informatie over de aard en precieze locatie van het letsel, kan (voorwaardelijk) opzet op de dood dan wel zwaar lichamelijk letsel niet worden bewezen, aldus de officier van justitie.Het beroep van de verdachte op noodweer(exces) slaagt volgens de officier van justitie niet. Weliswaar heeft [slachtoffer] de verdachte met lichte dwang naar de voordeur geleid, maar niets belette de verdachte om zelf de woning van [slachtoffer] te verlaten. Het geweld dat [slachtoffer] volgens de verdachte jegens haar zou hebben toegepast, strookt niet met de bevindingen van de forensisch geneeskundige omtrent het letsel van de verdachte.
3.2
Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair betoogd dat de verdachte integraal moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde, omdat het opzet op het toebrengen van letsel heeft ontbroken. De verdachte heeft consistent verklaard over hetgeen zich heeft voorgedaan in de woning van [slachtoffer] . Zij is door [slachtoffer] geslagen, aan de haren getrokken en geschopt. Dit wordt bevestigd door de buurvrouw, die een deel van het geweld heeft gezien. Op het moment dat de verdachte zich verweerde tegen [slachtoffer] was zij, mogelijk onder invloed van de hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door het geweld van de zijde van [slachtoffer] , zich er niet van bewust dat zij de schaar waarmee zij eerder het zwembad had lek gestoken nog in haar handen had. Bovendien had [slachtoffer] haar zo stevig vast dat zij kennelijk niet in de gelegenheid was zich van de schaar te ontdoen. Ook [slachtoffer] zelf gaat er vanuit, zoals blijkt uit de WhatsApp-conversatie met de dochter van de verdachte, dat het een ongelukje betrof. De raadsman heeft verder aangevoerd dat het twijfelachtig is of de wetgever een poging tot zware mishandeling strafbaar heeft willen stellen, zodat de verdachte ook om die reden moet worden vrijgesproken van het subsidiair tenlastegelegde. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat zij een geslaagd beroep kan doen op noodweer dan wel noodweer-exces. De verdachte kon zich niet onttrekken aan het door [slachtoffer] toegepaste geweld, en heeft zich hiertegen mogen verweren. Mogelijk heeft zij hierbij de grenzen van proportionaliteit overschreden Ten slotte heeft de raadsman onder verwijzing naar rechtspraak gesteld dat, zelfs als [slachtoffer] zou worden gevolgd in zijn verklaring dat hij slechts lichte dwang zou hebben gebruikt, een beroep op noodweer kan worden gehonoreerd, omdat het bij de arm pakken ook een aanranding als bedoeld in artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht kan zijn.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
_3b9e37c3-0f0f-44ce-8887-45728d1d2851

Vrijspraak primair

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat niet is bewezen dat de verdachte het opzet heeft gehad, vol of in voorwaardelijke zin, op de dood van [slachtoffer] . De verdachte zal dan ook van het haar primair tenlastegelegde worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen subsidiair

De rechtbank stelt vast dat de verdachte op 26 mei 2018 te Landgraaf [slachtoffer] met kracht met een schaar in zijn borst heeft gestoken. Zij baseert dit oordeel op de volgende bewijsmiddelen:-de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 23 augustus 2019;-het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer] van 26 mei 2018, doorgenummerde dossierpagina’s 16 en 17;-de letselbeschrijving van F.J.A. Poettgens, Forensisch geneeskundige, van 31 mei 2018, doorgenummerde dossierpagina’s 25 en 26 en de daarbij gemaakte foto’s van [slachtoffer] , doorgenummerde dossierpagina’s 28 tot en met 32.
Bewijsoverweging

Opzet

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte het opzet heeft gehad op het steken van [slachtoffer] met de schaar. De verdachte heeft verklaard dat zij kort tevoren zeer bewust met de schaar het zwembad heeft lek gestoken, en dat zij daarna niets anders wilde dan zo snel mogelijk het huis uit. [slachtoffer] zou haar in haar rug en bij haar haren door de gang naar de voordeur hebben geduwd. Toch heeft zij zich bij de voordeur naar [slachtoffer] omgedraaid en hem een steekwond toegebracht van één tot anderhalve centimeter diep. De rechtbank gaat er vanuit dat het insteken op [slachtoffer] even bewust en vanuit dezelfde gemoedstoestand is gebeurd als het lek steken van het zwembad. Dat zij zich slechts tegen hem heeft willen verweren, hem daarom met de vuisten op zijn borst heeft geslagen en zich er daarbij niet van bewust zou zijn geweest dat zij de schaar nog in haar hand had, is niet aannemelijk geworden.
Opzet op toebrengen zwaar lichamelijk letsel

De wond die de verdachte met de schaar heeft toegebracht, bevond zich niet ver van het sleutelbeen en de hals van [slachtoffer] . Bij het met kracht met een puntig voorwerp steken op die plek in de borst, is de kans op het raken van vitale organen en daarmee de kans op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel naar algemene ervaringsregels aanzienlijk. De verdachte heeft niet gestoken met een mes, maar met een - aanmerkelijk minder scherpe - schaar, die echter tot één à anderhalve centimeter in het vlees is doorgedrongen. De verdachte heeft aldus kennelijk met een zodanige kracht gestoken, dat het niet anders kan zijn dan dat zij het opzet had [slachtoffer] daarmee zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.
3.4
De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte
subsidiair

op 26 mei 2018 in de gemeente Landgraaf, ter uitvoering van het door de verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer] met kracht met een schaar in de borst heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4

Strafbare poging

De suggestie van de raadsman dat de wetgever een poging tot zware mishandeling niet heeft willen strafbaar stellen, vindt geen steun in het recht.
Noodweer

Ten aanzien van het tenlastegelegde heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, nu de verdachte een geslaagd beroep kan doen op noodweer. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.
Voor een beroep op noodweer is vereist dat men tot de verdediging wordt genoodzaakt door een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding.

Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van de stukken in het dossier en de verklaring van de verdachte ter terechtzitting het volgende komen vast te staan.

De verdachte is op 26 mei 2018 naar de woning van [slachtoffer] gegaan, met wie zij een relatie had die op dat moment ongeveer drie maanden duurde. Er is onenigheid tussen beiden ontstaan, waarna [slachtoffer] tegen de verdachte heeft gezegd dat hij de relatie wilde beëindigen. De verdachte is hierop de achtertuin ingegaan om haar spullen te pakken. Zij heeft een stoel gepakt en planten uit de tuin getrokken. [slachtoffer] heeft vervolgens aan de verdachte verzocht zijn huissleutel terug te geven. De verdachte heeft de huissleutel van [slachtoffer] in de vijver gegooid en vervolgens het opblaasbare zwembad dat zij samen hadden aangeschaft lek gestoken. Hierop heeft [slachtoffer] de verdachte beetgepakt en naar de voordeur geleid. In de hal bij de voordeur draaide de verdachte zich om en stak zij [slachtoffer] met kracht met een schaar in de borst.

De verdachte heeft verklaard dat zij door [slachtoffer] in het gezicht en op haar achterhoofd is geslagen. Ook heeft zij verklaard dat [slachtoffer] haar aan haar haren door de woning in de richting van de voordeur heeft getrokken en dat hij haar, nadat zij hem met een schaar had gestoken, van het trapje voor de woning heeft geschopt.

[slachtoffer] heeft verklaard dat hij de verdachte met enige kracht en onder lichte dwang in haar rug naar de voordeur heeft geduwd, omdat zij zich verzette. Hij heeft verder verklaard dat hij de verdachte niet heeft geslagen, geschopt en aan de haren heeft getrokken. Nadat ze hem in de hal bij de voordeur had gestoken, heeft hij de schaar van de verdachte afgepakt, heeft de verdachte zich op de grond laten vallen en heeft hij haar de deur uitgeduwd.

De buurvrouw van [slachtoffer] , [getuige] heeft verklaard dat zij heeft gezien dat de verdachte en [slachtoffer] in de tuin stonden en dat [slachtoffer] de verdachte eenmaal met platte hand in het gezicht sloeg, nadat hij tegen haar had geschreeuwd dat hij zijn huissleutel terug wilde. Daarna zou [slachtoffer] , volgens de verklaring van de buurvrouw, de verdachte met zijn hand tegen haar schouderbladen de woning in hebben geduwd.

De rechtbank stelt vast dat de verklaringen van de verdachte en de verklaringen van [slachtoffer] in belangrijke mate overeenkomen, maar op een aantal punten verschillen. De rechtbank stelt voorts vast dat de verdachte de enige is die heeft verklaard dat zij in de woning door [slachtoffer] is geslagen, geschopt en aan de haren is getrokken en dat M.W.G. Govaerts, forensisch geneeskundige, op 30 mei 2018 geen letsel heeft geconstateerd dat deze toedracht kan objectiveren. Bij de verdachte zijn op de armen fingerprint bruises, krabletsel en een bloeduitstorting geconstateerd. Volgens voornoemde forensisch geneeskundige zijn deze letsels op de armen, gelet op de locatie, de vorm en de grootte van de letsels, waarschijnlijker als het scenario van stevig vastpakken waar is dan wanneer het scenario van slaan, stompen, en schoppen waar is. Op de rug van de verdachte is schaafletsel geconstateerd, maar volgens de forensisch geneeskundige past dit letsel eerder bij het schuren langs een ruw oppervlak dan bij het schoppen met de geschoeide voet.

Gelet op het feit dat de verklaring van de verdachte dat zij is geslagen, geschopt en aan haar haren is getrokken niet wordt ondersteund door de bevindingen van de forensische geneeskundige en evenmin door enig ander bewijsmiddel, gaat de rechtbank ervan uit dat [slachtoffer] de verdachte met enige kracht en onder lichte dwang door zijn woning richting de voordeur heeft geduwd nadat de verdachte zijn huissleutel in de vijver had gegooid, planten uit zijn tuin had getrokken en een gat in het zwembad had gestoken. De rechtbank volgt de verdachte aldus niet in haar verklaring dat zij in de woning is geslagen, geschopt en aan haar haren is getrokken.

De rechtbank is van oordeel dat [slachtoffer] door de verdachte met enige kracht naar de voordeur te duwen zich op gepaste wijze heeft verdedigd tegen de ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van de verdachte van zijn (of hun gezamenlijke) goederen, te weten de planten en het opblaaszwembad. Het is immers begrijpelijk dat [slachtoffer] op dat moment wilde dat de verdachte zijn woning zou verlaten voordat zij nog meer goederen zou beschadigen. Van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding door [slachtoffer] was naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake. De rechtbank verwerpt daarom het beroep op noodweer.

Nu ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden, die de strafbaarheid van het feit uitsluiten, levert het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit op:

poging tot zware mishandeling.

5

Noodweerexces

De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat zij in reactie op een ogenblikkelijke, wederrechtelijk aanranding zich heeft verweerd, waarbij zij mogelijk de grenzen van proportionaliteit heeft overschreden.
Voor een geslaagd beroep op noodweerexces is vereist dat sprake is van een hevige gemoedsbeweging die het gevolg is van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Zoals de rechtbank reeds hiervoor heeft geoordeeld, was geen sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding en moet ook het beroep op noodweerexces worden verworpen.

Toerekenbaarheid

De psycholoog H.E.W. Koornstra heeft over de geestvermogens van de verdachte op 23 oktober 2018 een rapport uitgebracht. Hierin is vermeld dat bij de verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van zwakbegaafdheid en een borderline persoonlijkheidsstoornis. De aan de verdachte tenlastegelegde mishandeling, was volgens de psycholoog naar het zich laat aanzien een zeer heftige reactie op een afwijzing waarbij de verdachte het gevoel had zichzelf te moeten verdedigen. De persoonlijkheidspathologie lijkt een dusdanig duidelijke rol in het handelen van de verdachte te hebben gespeeld dat geadviseerd wordt het haar ten laste gelegde haar slechts in verminderde mate toe te rekenen. De klinische inschatting in combinatie met de gestructureerde risicotaxatie leidt tot de inschatting van het recidiverisico op gewelddadig gedrag als matig, waarbij gesteld wordt dat dit vooral af zal hangen van de mate van ondersteuning en het tempo waarin dit tot rust gaat leiden. Uit de SAPROF (Richtlijnen voor het beoordelen van beschermende factoren voor gewelddadig gedrag) komen als beschermende factoren naar voren de hechte banden die ze beschrijft uit haar kindertijd en haar empathische mogelijkheden, haar motivatie voor behandeling/begeleiding en toezicht c.q. ondersteuning en haar veilige woonsituatie. De verdachte kent een zeer hoge draaglast in combinatie met een beperkte draagkracht. Geadviseerd wordt de hulpverlening die inmiddels ingezet wordt, in het kader van bijzondere voorwaarden bij een deels voorwaardelijk op te leggen strafdeel te continueren. Indien de verdachte voldoende gestabiliseerd is, kan gedacht worden aan een Vaardigheidstraining EmotieRegulatieStoornis-training.
De rechtbank neemt op basis van de in voornoemd rapport vervatte bevindingen en de daarin vervatte conclusie het advies over om de verdachte voor het haar ten laste gelegde feit in verminderde mate toerekeningsvatbaar te achten. Er is ook overigens geen sprake van een omstandigheid die haar strafbaarheid geheel uitsluit. De verdachte is daarom strafbaar.

6

6.1
De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan de verdachte een taakstraf op te leggen voor de duur van 240 uren met aftrek van het voorarrest.
6.2
Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank (geheel subsidiair) verzocht met toepassing van artikel 9a van Wetboek van Strafrecht geen straf op te leggen. De verdachte was ten tijde van het tenlastegelegde verminderd toerekeningsvatbaar, heeft al drie dagen in voorarrest gezeten, hetgeen voor haar erg zwaar was, heeft meegewerkt aan de begeleiding van de reclassering en de opgelegde behandeling, en heeft geen strafblad. Het recidiverisico wordt bovendien door de reclassering in het rapport van 17 juli 2019 als laag ingeschat. Mocht de rechtbank desalniettemin een straf overwegen, dan heeft de raadsman de rechtbank verzocht een geheel voorwaardelijke straf aan de verdachte op te leggen.
6.3
Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
De verdachte heeft op 26 mei 2018 [slachtoffer] met een schaar in de borst gestoken nadat deze haar te kennen had gegeven de relatie met haar te willen beëindigen . Het letsel bij [slachtoffer] is gelukkig beperkt gebleven, maar had veel ernstiger kunnen zijn. [slachtoffer] is, blijkens zijn verklaring ter terechtzitting, erg geschrokken van het voorval en vindt het sindsdien moeilijk een relatie aan te gaan met een vrouw.

Ofschoon het op zichzelf niet onbegrijpelijk is dat de beëindiging van de relatie door [slachtoffer] bij de verdachte hevige gevoelens heeft opgewekt, is haar reactie daarop naar het oordeel van de rechtbank volkomen buitensporig geweest. De verdachte had immers nadat [slachtoffer] te kennen had gegeven de relatie te willen beëindigen de woning kunnen verlaten, maar heeft ervoor gekozen dit niet te doen en heeft in plaats daarvan, nadat zij door [slachtoffer] als reactie op het door de verdachte zinloos vernielen van het opblaasbaar zwembad, het uittrekken van de planten in de tuin en het in de vijver gooien van de sleutel de deur uit werd gezet, [slachtoffer] met kracht in de borst gestoken met een schaar.

De rechtbank zal, gelet op het rapport van de psycholoog dat deze reactie kennelijk voortkomt uit haar persoonlijkheidspathologie, de conclusie en het advies van de psycholoog volgen en het feit de verdachte slechts in verminderde mate toerekenen. Dat neemt niet weg dat de rechtbank het de verdachte wel kwalijk neemt dat zij, meer dan een jaar na dato, kennelijk nog steeds niet inziet wat haar rol is geweest in de gebeurtenissen, en de schuld daarvan nog steeds geheel legt bij [slachtoffer] , die toch het werkelijke slachtoffer was op die dag. Hij is immers degene die door de verdachte met een schaar in de borst is gestoken.

De rechtbank houdt rekening met het advies van de reclassering. In het rapport van de reclassering van 17 juli 2019 is vermeld dat professionele hulp-/steunverlening na de schorsing van het bevel tot de voorlopige hechtenis op 29 mei 2018 is gerealiseerd door de inzet van ambulante zorg door Radix FACT. De verdachte liep in een behandeltraject bij een psychologe en kreeg daarnaast ondersteuning in de thuissituatie van een psychiatrisch verpleegkundige. De einddoelen van het behandeltraject zijn inmiddels behaald en de ondersteuning in de thuissituatie is inmiddels overgedragen aan een woonbegeleidster van Triade. De situatie van de verdachte is voldoende stabiel, zodat GGZ-zorg niet meer nodig is. Indien nodig, kan met hulp van Triade eventuele GGZ-zorg weer ingezet worden. Het risico op recidive wordt door de reclassering ingeschat als laag en reclasseringstoezicht wordt niet meer noodzakelijk geacht nu de verdachte in een GGZ-circuit verkeert.

De rechtbank heeft acht geslagen op de justitiële documentatie van de verdachte d.d. 23 juli 2019 waaruit blijkt dat zij niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.
Gelet op de verminderde toerekeningsvatbaarheid, het reeds door de verdachte ondergane voorarrest en de omstandigheid dat de verdachte heeft meegewerkt aan het inmiddels afgeronde intensieve behandeltraject en het reclasseringstoezicht, acht de rechtbank een taakstraf passend en geboden. Nu de verdachte een 53 jarige vrouw is met een zwakke geestelijke gezondheid, die ook door de uitkerend instanties slechts beperkt in staat wordt geacht om betaald werk te verrichten, zal de rechtbank de verdachte veroordelen tot een taakstraf van een kortere duur dan door de officier van justitie is gevorderd.

Alles tegen elkaar afwegend acht de rechtbank een taakstraf voor de duur van 120 uren met aftrek van het voorarrest een passende straf.

7

7.1
De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert onder verwijzing naar de Letsellijst Schadefonds Geweldsmisdrijven een schadevergoeding van € 3.430,- bestaande uit € 430,00 aan materiële schade (te weten de eigen bijdrage ziektekostenverzekering ad € 385,00, T-shirt ad € 20,00 en zwembad ad. € 25,00) en € 3.000,00 aan immateriële schade.
7.2
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden toegewezen tot een bedrag van € 770,00 inclusief wettelijke rente en met toewijzing van de schadevergoedingsmaatregel. De gevorderde materiële schade voor het T-shirt ad € 20,00 komt voor vergoeding in aanmerking. Voor zover de gevorderde materiële schade betrekking heeft op de eigen bijdrage van de ziektekostenverzekering moet de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat aannemelijk is dat de benadeelde partij deze kosten, gelet op zijn behandeling bij de Mondriaan in verband met zijn herseninfarct van vier jaar geleden, ook zonder deze strafzaak zou hebben gemaakt. Voor zover de gevorderde materiële schade betrekking heeft op het zwembad moet de benadeelde partij ook niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat er geen causaal verband bestaat tussen de schade en de tenlastelegging. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat deze slechts voor een bedrag € 750,00 voor vergoeding in aanmerking komt, omdat onvoldoende is onderbouwd dat de benadeelde partij psychisch letsel heeft als gevolg van het bewezenverklaarde.
7.3
Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering, omdat de verdachte moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de vordering moet worden afgewezen, omdat sprake is van eigen schuld van de benadeelde partij. Meer subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat, voor zover de vordering ziet op de immateriële schade, de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat niet is onderbouwd dat de benadeelde partij psychisch letsel heeft als gevolg van het tenlastegelegde. Voor zover de materiële schade ziet op de eigen bijdrage ziektekostenverzekering en het T-shirt heeft de raadsman zich meer subsidiair gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Voor zover de materiële schade ziet op het zwembad moet de benadeelde partij volgens de raadsman meer subsidiair niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat er geen causaal verband bestaat tussen de schade en de tenlastelegging.
7.4
Het oordeel van de rechtbank

De materiële schade

De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde materiële schade voor vergoeding in aanmerking komt voor een bedrag van € 20,- voor het T-shirt, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen vanaf 26 mei 2018. Voor zover de gevorderde materiële schade betrekking heeft op de eigen bijdrage ziektekostenverzekering moet de benadeelde partij hierin niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij heeft ter terechtzitting verklaard dat hij voor een medische aandoening die hij al voor het bewezenverklaarde had opgelopen, langdurige behandeling behoeft. Gelet hierop is niet zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, aannemelijk dat de eigen bijdrage niet ook zonder het bewezenverklaarde zou zijn verschuldigd. Voor zover de gevorderde materiële schade betrekking heeft op het zwembad moet de benadeelde partij eveneens niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat het causaal verband tussen deze schade en het bewezenverklaarde te ver is verwijderd.
De immateriële schade

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij immers recht op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen.
De rechtbank begroot de geleden immateriële schade, gezien de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd, op € 750,00 te vermeerderen met de wettelijke rente, te berekenen vanaf 26 mei 2018. De vordering zal tot dit bedrag worden toegewezen. Voor het overige zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.

Het beroep op eigen schuld

De rechtbank heeft hiervoor onder 4 het noodweerverweer verworpen. Ook overigens is niet gebleken dat de benadeelde voor het steekincident enige aanleiding heeft gegeven, anders dan dat hij de relatie met de verdachte heeft beëindigd. Dit is echter niet aan te merken als ‘eigen schuld’ in de zin van artikel 6:101 BW. De verdachte is dan ook volledig aansprakelijk voor de door het bewezenverklaarde veroorzaakte schade.
Schadevergoedingsmaatregel

Om te bevorderen dat de schade aan de benadeelde wordt vergoed, zal de rechtbank de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.
8

De beslissing berust op de artikelen 22c, 22d, 36f, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
beslissing

9

De rechtbank:
Vrijspraak

Bewezenverklaring

Strafbaarheid

Straf

Benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

Voorlopige hechtenis

Dit vonnis is gewezen door mr. K.G. Witteman, voorzitter, mr. M.M. Beije en mr. A.P.A. Bisscheroux, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.A.J. Wenders, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 6 september 2019.
BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

zij op of omstreeks 26 mei 2018 in de gemeente Landgraaf ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer] meermalen (telkens) (met kracht) met een schaar, althans een soortgelijk scherp en/of puntig voorwerp, in de borst en/of het borststreek heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht ofzou kunnen leiden, dat:
zij op of omstreeks 26 mei 2018 in de gemeente Landgraaf, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer] meermalen (telkens) (met kracht) met een schaar, althans een soortgelijk scherp en/of puntig voorwerp, in de borst en/of het borststreek heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordelingmocht of zou kunnen leiden, dat:
zij op of omstreeks 26 mei 2018 in de gemeente Landgraaf [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] meermalen (telkens) (met kracht) met een schaar, althans een soortgelijk scherp en/of puntig voorwerp, in de borst en/of het borststreek te steken.
- verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde feit heeft begaan en spreekt haar daarvan vrij;
- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze taakstraf in mindering zal worden gebracht, naar rato van twee uren per dag;
- heft op het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis.
-

verklaart het subsidiair tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

spreekt de verdachte vrij van wat subsidiair meer of anders is ten laste gelegd;

-

verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

verklaart de verdachte strafbaar;

-

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 uren;

beveelt dat indien de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 dagen;

-

wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan [slachtoffer] van € 770,00, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover, te berekenen over de periode vanaf 26 mei 2018 tot aan de dag van de volledige voldoening;

verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;

legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] van een bedrag van € 770,-, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode vanaf 26 mei 2018 tot aan de dag van de volledige voldoening, bij niet betaling en verhaal te vervangen door 15 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

bepaalt dat, in zoverre de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, de verplichting tot betaling aan [slachtoffer] in zoverre komt te vervallen en andersom dat, in zoverre de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan [slachtoffer] , de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

_3b9e37c3-0f0f-44ce-8887-45728d1d2851
1

Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, District Parkstad-Limburg, Basisteam Brunssum/Landgraaf, proces-verbaalnummer 2018077936, gesloten d.d. 1 november 2018, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 104.