Uitspraak ECLI:NL:RBLIM:2019:8232

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 11-09-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Limburg op 11-09-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBLIM:2019:8232, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is AWB-18_2833 en AWB-18_2929


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK limburgUitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 september 2019 in de zaak tussen [eiseres]
(gemachtigde: mr. M.G. Vos),

Zittingsplaats Maastricht

Bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 18/2833 en AWB 18/2929

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (locatie Heerlen)

(gemachtigde: F.G. Houtbeckers).

ECLI:NL:RBLIM:2019:8232:DOC
nl

RECHTBANK limburgUitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 september 2019 in de zaak tussen [eiseres]
(gemachtigde: mr. M.G. Vos),
Zittingsplaats Maastricht

Bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 18/2833 en AWB 18/2929

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (locatie Heerlen)

(gemachtigde: F.G. Houtbeckers).
procesverloop

Procesverloop

Bij besluit van 20 april 2018 (hierna: het primaire besluit I) heeft verweerder de uitkering van eiseres op grond van de Ziektewet (hierna: Zw) herzien over de periode van 1 januari 2007 tot en met 3 januari 2008 en de over deze periode te veel verstrekte uitkering teruggevorderd tot een bedrag van € 14.405,65.
Bij besluit van 30 april 2018 (hierna: het primaire besluit II) heeft verweerder besloten dat eiseres het bedrag van € 14.405,65 in beginsel binnen zes weken moet terugbetalen.

Bij besluit van 11 oktober 2018 (hierna: het bestreden besluit I) heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen de primaire besluiten I en II ongegrond verklaard.

Bij besluit van 1 mei 2018 (hierna: het primaire besluit III) heeft verweerder de uitkering van eiseres op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: WIA) herzien over de periode van 1 maart 2015 tot en met 31 december 2015 en de over deze periode te veel verstrekte uitkering teruggevorderd tot een bedrag van € 6.637,66.

Bij besluit van 1 mei 2018 (hierna: het primaire besluit IV) heeft verweerder aan eiseres een boete opgelegd van € 3.014,33 vanwege verwijtbare schending van de inlichtingenverplichting.

Bij besluit van 22 oktober 2018 (hierna: het bestreden besluit II) heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen de primaire besluit III en IV ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen de bestreden besluiten I en II beroep ingesteld

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 augustus 2019. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres ontving vanaf 11 december 2006 een uitkering op grond van de Zw en vanaf 8 december 2008 een uitkering op grond van de WIA.
2. Uit de zich in de dossiers bevindende processen-verbaal van de politie blijkt dat op 8 tot 10 weken, is de periode waarin eiseres wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen, vastgesteld van 1 januari 2007 tot 4 januari 2008. Bij de berekening van de hoogte van de inkomsten die eiseres heeft genoten uit de hennepkwekerij die op 8 december 2015 is aangetroffen, is de politie uitgegaan van de indicatoren die in de hennepkwekerij werden aangetroffen die duiden op een of meer eerdere oogsten. In dit geval bestaan die indicatoren uit kalkafzetting (op de dompelpomp), stof (vervuiling van de filterdoek van de koolstofcilinder en op de armaturen van de assimilatielampen), het aantreffen van 15 droogrekken, het aantreffen van knipscharen met daarop hennepresten en een anonieme melding van 5 mei 2015. Uitgaande van deze indicatoren is volgens de politie sprake van twee eerdere oogsten en is de periode waarin eiseres wederrechtelijk voordeel heeft gehad, vastgesteld van 1 maart 2015 tot 8 december 2015.
3. Eiseres is bij uitspraak van de politierechter in Maastricht van 18 mei 2010 veroordeeld voor het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, aanhef, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod () in de periode van 1 mei 2007 tot en met 3 januari 2008 en op 4 januari 2008. De politierechter heeft bij uitspraak van dezelfde dag het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op
4. De resultaten van de onderzoeken die de politie heeft verricht naar de betrokkenheid van eiseres bij de hennepteelt in haar woning en de inkomsten die zij daaruit heeft genoten, waren voor verweerder aanleiding om de primaire besluiten I en III te nemen. Verweerder heeft aan deze besluiten ten grondslag gelegd dat eiseres hem niet heeft ingelicht over de inkomsten die zij genoten heeft uit de hennepteelt. Dit betekent dat eiseres de op haar rustende inlichtingenverplichting die is neergelegd in respectievelijk artikel 31, eerste lid, van de Zw en artikel 27, eerste lid, van de WIA, heeft geschonden. Omdat eiseres inkomsten uit de hennepteelt heeft genoten, is de hoogte van de uitkering die eiseres op grond van de Zw en de WIA ten onrechte op een te hoog bedrag vastgesteld. Eiseres heeft – zo stelt verweerder – over de periodes van 1 januari 2007 tot en met 3 januari 2008 en 1 maart 2015 tot en met 31 december 2015 ten onrechte een te hoog bedrag aan respectievelijk Zw- en WIA-uitkering ontvangen. Het bedrag dat eiseres te veel aan uitkering heeft ontvangen is door verweerder berekend op respectievelijk € 14.405,65 (Zw-uitkering) en € 6.637,66 (WIA-uitkering). Verweerder heeft deze bedragen teruggevorderd van eiseres. Het kan eiseres volgens verweerder worden verweten dat zij de op grond van de WIA op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Dit maakt dat verweerder eiseres bij het primaire besluit IV een bestuurlijke boete heeft opgelegd van € 3.014,33. Dit is 50% van het bedrag dat eiseres in de periode van 1 maart 2015 tot en met 31 december 2015 teveel aan WIA-uitkering heeft ontvangen.
5. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de afzonderlijke primaire besluiten.
6. In de bestreden besluiten I en II heeft verweerder – kort gezegd – zijn standpunt gehandhaafd en de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard. Bij de volledige heroverweging van de primaire besluiten III en IV in het bestreden besluit II, heeft verweerder geconcludeerd dat de periode waarin eiseres inkomsten uit hennepteelt heeft gehad onjuist is vastgesteld. Deze periode heeft verweerder – na heroverweging – vastgesteld op 1 juli 2015 tot 8 december 2015. Hiertoe heeft hij verwezen naar het proces-verbaal van de politie, de uitspraak van de politierechter in Maastricht van 21 oktober 2016 en de verklaring die eiseres op 19 september 2017 heeft afgelegd, inhoudende dat sprake was van één eerdere oogst. Verweerder heeft berekend dat eiseres in de hiervoor genoemde periode € 6.780,30 te veel aan WIA-uitkering heeft ontvangen. In verband met het verbod op reformatio in peius heeft verweerder het bedrag dat van eiseres wordt teruggevorderd, beperkt tot het bedrag dat aanvankelijk – in het primaire besluit III – werd teruggevorderd: € 6.637,66.
7. Eiseres betoogt in beroep dat bij het vaststellen van het bedrag dat zij aan inkomsten heeft genoten uit de hennepteelt aansluiting gezocht moet worden bij de uitspraak van de politierechter in Maastricht van 18 mei 2010 en de uitspraak van het gerechtshof van 14 februari 2018. Deze uitspraken kunnen volgens eiseres worden aangemerkt als concrete en verifieerbare gegevens over de inkomsten die zij genoten heeft uit de hennepteelt. Nu de politierechter en het gerechtshof een lager bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel hebben vastgesteld dan het bedrag waarvan verweerder is uitgegaan bij zijn besluitvorming, kunnen de herziening en terugvordering van de ZW- en WIA-uitkering geen stand houden. Nu volgens eiseres bij het besluit tot het opleggen van de bestuurlijke boete ten onrechte is uitgegaan van een te hoog bedrag aan inkomsten die zij uit de hennepteelt heeft genoten, kan dit besluit evenmin stand houden. Eiseres stelt dat de bestreden besluiten I en II moeten worden vernietigd.
8. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de bestreden besluiten I en II stand kunnen houden en dat de door eiseres ingestelde beroepen ongegrond moeten worden verklaard. Hieraan legt verweerder ten grondslag dat hij volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) bevoegd is om de inkomsten die eiseres uit de hennepteelt heeft genoten, schattenderwijs vast te stellen. Eiseres heeft namelijk geen concrete en verifieerbare gegevens over haar werkzaamheden en de daarmee verworven inkomsten verstrekt. Verweerder heeft de schatting van deze inkomsten gebaseerd op de berekening die de politie heeft gemaakt van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Aan de uitspraken van de politierechter en het gerechtshof kan volgens verweerder niet de waarde worden gehecht die eiseres daaraan gehecht wil zien, omdat de bestuursrechter volgens vaste rechtspraak van de CRvB in het algemeen niet gebonden is aan een oordeel van de strafrechter of aan een uitspraak op een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. In dergelijke procedures ligt namelijk een andere rechtsvraag voor, is een ander procesrecht van toepassing en gelden er van het bestuursrecht afwijkende bewijsregels.
9. De voor deze zaken relevante en op het moment van de bestreden besluiten geldende wet- en regelgeving is opgenomen in de aan deze uitspraak gehechte bijlage.
10. Bij een belastend besluit tot intrekking of herziening met terugwerkende kracht en tot terugvordering van wat aan uitkering is betaald, rust op verweerder de verplichting om niet alleen de feiten vast te stellen waarop het bestreden besluit steunt, maar ook – in geval van betwisting – die feiten aannemelijk te maken (zie onder meer de uitspraak van de CRvB van 22 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1295).
11. De rechtbank stelt vast dat niet in geding is dat op 4 januari 2008 en op
12. Het onderzoeksrapport biedt naar het oordeel van de rechtbank een toereikende grondslag voor het oordeel dat eiseres in de periode van 1 januari 2007 tot en met
13. Eiseres heeft op haar beurt geen concrete verifieerbare en relevante gegevens over haar werkzaamheden en de daarmee verworven inkomsten verstrekt. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat de uitspraken van de politierechter in Maastricht van 21 oktober 2016 en van het gerechtshof van 14 februari 2018 niet kunnen worden aangemerkt als concrete verifieerbare en relevante gegevens over de werkzaamheden van eiseres. Verweerder hoeft bij het vaststellen van het bedrag dat eiseres aan inkomsten heeft verworven dan ook geen aansluiting te zoeken bij deze uitspraken. In dit verband heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat hij volgens vaste rechtspraak van de CRvB niet gebonden is aan het oordeel in de strafrechtelijke procedure, omdat aan dit oordeel geen beslissende betekenis toekomt (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 17 juni 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BI9083). Dit komt omdat een andere rechtsvraag beantwoord moet worden en er een aanmerkelijk verschil bestaat tussen de vereisten waaraan het bewijs moet voldoen (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 24 december 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BG8885 en 15 april 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BI1723). Verweerder was dan ook volgens vaste rechtspraak van de CRvB (zie onder meer de uitspraak van 20 april 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ2083) bevoegd om de inkomsten schattenderwijs vast te stellen.
14. De uitspraak van de CRvB van 1 mei 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:1682) die de rechtbank ter zitting aan de orde heeft gesteld maakt het voorgaande niet anders. In de laatstgenoemde uitspraak heeft de CRvB – onder meer – (onder 4.10) overwegingen gewijd aan de onschuldpresumptie in relatie tot het schatten van de omvang van de inkomsten. In de zaak waarin de CRvB uitspraak heeft gedaan was – zakelijk weergegeven – ten laste gelegd dat betrokkene in een periode hennep had geteeld. De strafrechter heeft betrokkene in de strafzaak veroordeeld voor de teelt op één dag. Hieruit volgt – zo concludeert de CRvB – dat betrokkene is vrijgesproken voor het meer of anders ten laste gelegde. Verweerder had, over dezelfde periode die in de strafzaak ten laste was gelegd, de uitkering van betrokkene teruggevorderd. Nu de strafrechter al heeft geoordeeld over deze periode, heeft verweerder volgens de CRvB “bij de schatting van de omvang van de inkomsten niet […] mogen uitgaan dat er sprake was van een gerealiseerde oogst en dat er geen sprake kan zijn van aan appellant toe te rekenen inkomsten omdat daarmee twijfel wordt opgeroepen over de juistheid van de vrijspraak van wat appellant in de strafzaak werd verweten. Daarom kan aan de grondslag van de bestreden besluiten niet worden vastgehouden zonder in strijd te handelen met de in artikel 6, tweede lid, van het EVRM gewaarborgde onschuldpresumptie.” De uitspraak van de CRvB was voor de rechtbank aanleiding om in deze beroepszaken de tenlasteleggingen in de strafzaken die hebben geleid tot de veroordelingen van eiseres door de strafrechter op 18 mei 2010 en 21 oktober 2016 op te vragen bij de gemachtigde van eiseres. Daaruit blijkt dat aan eiseres ten laste is gelegd dat zij in de periode van 1 mei 2007 tot 3 januari 2008 en op 8 december 2015 hennep heeft geteeld of aanwezig heeft gehad. Zoals onder 3. is overwogen heeft de strafrechter eiseres op 18 mei 2010 en 21 oktober 2016 veroordeeld voor het aanwezig hebben van hennep in de periode van 1 mei 2007 tot en met
15. De rechtbank concludeert dat eiseres de inkomsten die zij heeft genoten uit de hennepteelt niet bij verweerder heeft gemeld. Daarmee heeft eiseres de op grond van respectievelijk artikel 31, eerste lid, van de Zw en artikel 27, eerste lid, van de WIA op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden als gevolg waarvan het recht op de ZW- en WIA-uitkering op een onjuist bedrag is vastgesteld. Op grond van respectievelijk artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Zw en artikel 76, eerste lid, aanhef en onder a, van de WIA was verweerder daarom gehouden de afzonderlijke toekenningsbesluiten te herzien. Op grond van respectievelijk artikel 33, eerste lid, van de Zw en artikel 77, eerste lid, van de WIA was verweerder gehouden de respectievelijk over de periode van 1 januari 2007 tot en met 3 januari 2008 onverschuldigd verstrekte ZW-uitkering en de over de periode van
16. Voor zover eiseres heeft betoogd dat sprake is van een dringende reden om op grond van respectievelijk artikel 33, zesde lid, van de Zw en artikel 77, zesde lid, van de WIA, van deze terugvorderingen af te zien, is de rechtbank daarvan niet gebleken. Niet gebleken is dat de terugvorderingen bij eiseres zullen leiden tot onaanvaardbare gevolgen.
17. Voor een weergave van de relevante wetgeving en uitgangspunten bij de beoordeling van de evenredigheid van een bestuurlijke boete wordt verwezen naar de uitspraak van de CRvB van 11 januari 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:12), de tekst van artikel 91 van de Wet WIA en de artikelen 2 en 2a van het Boetebesluit socialezekerheidswetten, zoals deze per 1 januari 2017 luiden.
18. Gelet op hetgeen onder 14. is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat eiseres de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden.
19. Vervolgens is de vraag aan de orde of de hoogte van de boete passend is. In artikel 5:46, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat het bestuursorgaan de bestuurlijke boete afstemt op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Het bestuursorgaan dient daarbij op grond van de tweede volzin van dat artikellid zo nodig rekening te houden met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd.
20. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder bij het opleggen van de boete van € 3.014,33 voldoende rekening gehouden met de draagkracht van eiseres. Eiseres heeft verder ook geen objectieve gegevens overgelegd omtrent haar financiële situatie. Gelet hierop acht de rechtbank de aan eiseres opgelegde boete van € 3.014,33 evenredig.
21. De rechtbank concludeert dat de beroepen tegen de bestreden besluiten I en II ongegrond zijn.
Waar gaan deze zaken over?

4 januari 2008 en 8 december 2015 hennepkwekerijen in de woning van eiseres werden aangetroffen. Op 4 januari 2008 werden in totaal 108 hennepplanten in de kelder van de woning van eiseres aangetroffen en op 8 december 2015 in totaal 125 hennepplanten in een kamer op de eerste verdieping van haar woning. Volgens de politie heeft eiseres in beide gevallen inkomsten genoten uit de hennepteelt. De politie heeft de vermoedelijke hoogte berekend van deze inkomsten, het zogenaamde wederrechtelijk verkregen voordeel. Bij de berekening van de hoogte van de inkomsten die eiseres heeft genoten uit de hennepkwekerij die op 4 januari 2008 is aangetroffen, is de politie uitgegaan van de verklaring die eiseres in haar verhoor bij de politie heeft afgelegd. Daar heeft eiseres verklaard dat zij voorafgaand aan de aangetroffen oogst, vier eerdere oogsten heeft gehad van telkens ongeveer 100 hennepplanten. Uitgaande van vier eerdere oogsten met een kweekcyclus van telkens
€ 7.246,12.Voorts is eiseres, bij uitspraak van de politierechter in Maastricht van 21 oktober 2016 veroordeeld voor het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod () op 8 december 2015 en diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak in de periode van 1 juli 2015 tot en met 8 december 2015. De politierechter heeft bij uitspraak van dezelfde dag het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 9.687,94. Bij de berekening van dit bedrag is de politierechter uitgegaan van één eerdere oogst. Tegen de laatstgenoemde uitspraak heeft eiseres hoger beroep ingesteld. Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (hierna: het gerechtshof) heeft het wederrechtelijk verkregen voordeel in de uitspraak van 14 februari 2018 vastgesteld op € 5.041,15. Bij de berekening van dit bedrag is het gerechtshof uitgegaan van één eerdere oogst en de verklaring die eiseres ter zitting bij het gerechtshof heeft afgelegd dat zij € 6.500,- voor deze oogst heeft ontvangen. Op het bedrag van € 6.500,- heeft het gerechtshof de kosten voor de gestolen energie die gemoeid zijn met één oogst: € 1.458,85, in mindering gebracht.
Wat is het standpunt van partijen?

Wat is het oordeel van de rechtbank?

De herziening en de terugvordering.

8 december 2015 in werking zijnde hennepplantages in de woning van eiseres zijn aangetroffen en dat eiseres aan verweerder geen opgave heeft gedaan van deze hennepkwekerijen. Onbestreden is dat eiseres deze hennepkwekerijen heeft geëxploiteerd en dat zij daaruit inkomsten heeft genoten. Door geen melding te maken van de aanwezigheid van de hennepkwekerijen in haar woning, heeft eiseres – onbestreden – de op grond van respectievelijk artikel 31, eerste lid, van de Zw en artikel 27, eerste lid, van de WIA op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden. In deze zaken spitst het geschil zich toe op de vraag hoe hoog de inkomsten zijn die eiseres heeft genoten uit de hennepteelt. In het bijzonder spitsen deze zaken zich toe op de vraag of verweerder de hoogte van deze inkomsten terecht schattenderwijs heeft vastgesteld op basis van de zich in het dossier bevindende stukken of dat bij het vaststellen van de hoogte van deze inkomsten aansluiting gezocht moet worden bij de uitspraken van de politierechter en het gerechtshof, zoals eiseres stelt.
3 januari 2008 in totaal vier keren hennep heeft geoogst voorafgaand aan de oogst die op 4 januari 2008 door de politie werd aangetroffen en dat zij daaruit inkomsten heeft genoten. In een ontnemingsrapportage van de politie is het wederrechtelijk verkregen voordeel in deze periode berekend op € 24.573,60. Op dit bedrag heeft verweerder de energiekosten van € 3.995,70 die gemoeid zijn met de teelt van deze vier oogsten in mindering gebracht. Verweerder heeft de inkomsten die eiseres uit de hennepteelt heeft genoten dan ook berekend op (€ 24.573,60 - € 3.995,70 =) € 20.577,90. Het bedrag dat verweerder ten onrechte aan Zw-uitkering heeft uitgekeerd, bedraagt 70% van laatstgenoemd bedrag, zijnde € 14.405,65.Eveneens biedt het onderzoeksrapport, in onderlinge samenhang bekeken met de uitspraak van de politierechter in Maastricht van 21 oktober 2016 en de op 19 september 2017 afgelegde verklaring van eiseres een toereikende grondslag voor het oordeel dat eiseres in de periode van 1 juli 2015 tot en met 7 december 2015 één keer hennep heeft geoogst voorafgaand aan de oogst die op 8 december 2015 door de politie werd aangetroffen en dat eiseres daaruit inkomsten heeft genoten. Op basis van een ontnemingsrapportage van de politie heeft verweerder het wederrechtelijk verkregen voordeel in deze periode berekend op € 9.687,94. Het bedrag dat verweerder ten onrechte aan WIA-uitkering heeft uitgekeerd in deze periode, bedraagt € 6.780,30. Vanwege het verbod van reformatio in peius vordert verweerder – overeenkomstig het bedrag dat in het primaire besluit III is genoemd – € 6.637,66 aan te veel uitgekeerde WIA-uitkering terug.
3 januari 2008 en op 4 januari 2008 respectievelijk het op 8 december 2015 telen van hennep. Hieruit volgt dat eiseres – anders dan in de zaak waarin de CRvB op 1 mei 2019 uitspraak heeft gedaan – door de strafrechter niet vrijgesproken is van het meer of anders ten laste gelegde. Het ter zitting ingenomen standpunt van de gemachtigde van eiseres dat de strafrechter zich – in het geval van de hennepkwekerij die op 4 januari 2008 is aangetroffen – niet heeft uitgelaten over de periode voorafgaand aan 1 mei 2007 en dat dit betekent dat de periode waarover verweerder de uitkering van eiseres terugvordert – 1 januari 2007 tot en met 3 januari 2008 geen stand kan houden, volgt de rechtbank niet. In de strafzaak die heeft geleid tot de veroordeling op 18 mei 2010 was immers slechts het telen dan wel het aanwezig hebben van hennep in de periode van 1 mei 2007 tot en met 3 januari 2008 ten laste gelegd. De strafrechter mag niet afwijken van de tenlastelegging. Dit betekent dat het niet aan de strafrechter was te beoordelen of eiseres voorafgaand aan 1 mei 2007 al dan niet hennep heeft geteeld dan wel aanwezig heeft gehad. In het verlengde hiervan is geen sprake van aanleiding aan te nemen dat verweerder in dit geval in strijd met de onschuldpresumptie heeft gehandeld door de voorafgaand aan 1 mei 2007 verstrekte uitkering tevens terug te vorderen.Wat betreft de hennepkwekerij die op 8 december 2015 is aangetroffen merkt de rechtbank op dat het gerechtshof bij de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel evenals verweerder uitgegaan is van een eerdere oogst, maar anders dan verweerder wel waarde heeft gehecht aan de verklaring van eiseres dat zij slechts € 6.500,- hiervoor heeft ontvangen. Door het gerechtshof hierin niet te volgen heeft verweerder niet gehandeld in strijd met de onschuldpresumptie, omdat dit geen vrijspraak door de stafrechter betreft (uitspraak CRvB 20 november 2018: ECLI:NL:CRVB: 2018: 3795).
1 juli 2015 tot en met 7 december 2015 onverschuldigd verstrekte WIA-uitkering terug te vorderen tot respectievelijk € 14.405,65 en – vanwege het verbod van reformatio in peius – € 6.637,66.
De bestuurlijke boete.

Volgens vaste jurisprudentie van de CRvB (zie de uitspraak van de CRvB van 21 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2451), brengt dit vooralsnog echter niet mee dat de schending van de inlichtingenverplichting en het gehanteerde benadelingsbedrag ook in dit geding over de opgelegde boete zonder meer een vaststaand gegeven zijn, omdat het daarbij gaat om een bestraffende sanctie. Onbestreden is dat eiseres geen melding heeft gemaakt van de exploitatie van een hennepkwekerij. Het had eiseres redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat zij de daaruit ontvangen inkomsten had moeten melden bij verweerder, nu dit van belang kon zijn voor de beoordeling van het recht op uitkering. Gelet hierop heeft verweerder terecht geconcludeerd dat eiseres haar inlichtingenverplichting heeft geschonden. Verweerder was dan ook gehouden om eiseres een boete op te leggen.

Niet in geschil is dat geen sprake is van opzet of grove schuld. In de uitspraak van 23 juni 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1801) heeft de CRvB overwogen dat in dat geval een bedrag ter hoogte van 50% van het benadelingsbedrag in artikel 2 van het Boetebesluit als uitgangspunt voor het bepalen van hoogte van de boete passend is. Van een lagere verwijtbaarheid op grond van de criteria genoemd in artikel 2a van het Boetebesluit of om een andere reden is de rechtbank niet gebleken. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat haar geen verwijt treft of sprake is van verminderde verwijtbaarheid. Het was eiseres redelijkerwijs duidelijk dan wel het kon haar redelijkerwijs duidelijk zijn dat de inkomsten die zij genoot uit de hennepkwekerij van invloed zouden zijn op haar recht op uitkering. In geval van twijfel had het op de weg van eiseres gelegen om de inkomsten bij verweerder te melden, zodat verweerder had kunnen beoordelen of dergelijke inkomsten van invloed zouden zijn op het recht op uitkering.
Conclusie.

beslissing

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A.H. Span-Henkens, rechter, in aanwezigheid van mr. J.W.J. Reuvers, griffierDe beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 september 2019.
griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 11 september 2019

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.
BIJLAGE

Op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Zw – voor zover hier relevant – herziet of trekt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een besluit tot toekenning van ziekengeld in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 31 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van ziekengeld.

Op grond van artikel 30a, tweede lid, van de Zw kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking afzien indien daarvoor dringende redenen zijn.

Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Zw is de verzekerde die aanspraak maakt op ziekengeld en tevens inkomen geniet, verplicht hiervan vóór de uitkering van ziekengeld op door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in zijn reglement te bepalen wijze mededeling te doen.

Op grond van artikel 33, eerste lid, van de Zw wordt het ziekengeld dat als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 30a onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen teruggevorderd.

Op grond van artikel 33, zesde lid, van de Zw kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

Op grond van artikel 27, eerste lid, van de Wet WIA verstrekt de verzekerde die een aanvraag voor een uitkering heeft ingediend of een recht heeft op een uitkering op grond van deze wet en de instelling waaraan op grond van artikel 71 een uitkering op grond van deze wet wordt uitbetaald, op verzoek of uit eigen beweging zo spoedig mogelijk alle informatie, waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat die van invloed kan zijn op het recht op uitkering, de hoogte van de uitkering of de betaling van de uitkering, waaronder mede is begrepen informatie in het kader van reïntegratie, aan het UWV.

Op grond van artikel 76, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet WIA herziet het UWV beschikkingen op grond van deze wet of trekt dergelijke beschikkingen in, indien als gevolg van het niet of niet volledig nakomen van de artikelen 27 tot en met 32 en de daarop berustende bepalingen het recht op een uitkering op grond van deze wet of niet meer kan worden vastgesteld of ten onrechte is vastgesteld of de hoogte van de uitkering ten onrechte op een te hoog bedrag is vastgesteld.

Op grond van artikel 76, derde lid, van de Wet WIA kan het UWV geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking afzien indien daarvoor dringende redenen zijn.

Op grond van artikel 77, eerste lid, van de Wet WIA vordert het UWV een uitkering die op grond van deze wet alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald en hetgeen als gevolg van een beschikking als bedoeld in artikel 76 door het UWV onverschuldigd is betaald of verstrekt terug.

Op grond van artikel 77, zesde lid, van de Wet WIA kan het UWV besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.