Uitspraak ECLI:NL:RBLIM:2019:8182

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 10-09-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Limburg op 10-09-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBLIM:2019:8182, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is : 03/659320-17, 03/659139-17, 03/060495-17, 03/091771-17, 03/055284-19 (ter terechtzitting gevoegd)


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummers: 03/659320-17, 03/659139-17, 03/060495-17, 03/091771-17, 03/055284-19 (ter terechtzitting gevoegd)

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 10 september 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,thans verblijvende in FPK De Woenselse Poort te Eindhoven.
De verdachte wordt bijgestaan door mr. M.J.A. Beukers-Bouten, advocaat, kantoorhoudende te Eindhoven.

ECLI:NL:RBLIM:2019:8182:DOC
nl

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummers: 03/659320-17, 03/659139-17, 03/060495-17, 03/091771-17, 03/055284-19 (ter terechtzitting gevoegd)

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 10 september 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,thans verblijvende in FPK De Woenselse Poort te Eindhoven.
De verdachte wordt bijgestaan door mr. M.J.A. Beukers-Bouten, advocaat, kantoorhoudende te Eindhoven.

1

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 18 maart 2019 en 27 augustus 2019. De verdachte is niet verschenen ter terechtzitting van 27 augustus 2019. Verdachte is weliswaar aangevoerd maar heeft om hem moverende redenen geweigerd bij de behandeling aanwezig te zijn. Wel is verschenen zijn gemachtigde raadsvrouw. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.
2

De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:
Parketnummer 03/659320-17

feit 1:

feit 2:

opzettelijk bankbiljetten, die hij heeft nagemaakt en/of vervalst en/of waarvan de valsheid en/of vervalsing, hem, toen hij deze ontving, bekend was, als echt en onvervalst heeft uitgegeven, dan wel opzettelijk valse bankbiljetten heeft uitgegeven, dan wel meerdere personen heeft opgelicht;
feit 3:

feit 4:

feit 5:

feit 6:

feit 7:

feit 8:

feit 9:

feit 10:

feit 11:

feit 12:

Parketnummer 03/055284-19

op 7 maart 2019 heeft gehandeld in strijd met een gedragsaanwijzing van de officier van justitie;

Parketnummer 03/060495-17

feit 1:

feit 2:

Parketnummer 03/091771-17

op 21 mei 2017 samen met (een) ander(en) geld heeft gestolen;

Parketnummer 03/659139-17

op 31 maart 2017 een aan hem opgelegd huisverbod heeft overtreden.

Daarnaast zijn er strafbare ad info feiten (vermeld op de dagvaarding met parketnummer 03/659320-17), die door verdachte zijn bekend, ter kennis van de rechtbank gebracht, zodat de rechtbank - in het geval van strafoplegging - ook met deze feiten rekening kan houden. De verdediging heeft hiermee ingestemd.

overwegingen

3

3.1
Het standpunt van de officier van justitie


Parketnummer 03/659320-17

De officier van justitie heeft gevorderd dat het onder 1, 2 primair, 3 primair, 4, 5, 6, 7 subsidiair, 8, 9, 10 primair, 11 (eenvoudige mishandeling) en 12 ten laste gelegde wordt bewezenverklaard.
De officier van justitie heeft - zakelijk weergegeven - onder meer het volgende aangevoerd.

Ten aanzien van feit 3 primair

Mede gelet op de korte tijd tussen de diefstal en het aantreffen van verdachte op de brommer, acht de officier van justitie de diefstal van de bromfiets bewezen. Nu de fiets en de brommer samen zijn gestolen acht de officier van justitie het niet aannemelijk dat er nog een dief actief is geweest. Gelet hierop kan ook de diefstal van de fiets worden bewezen. De verklaring die verdachte heeft afgelegd acht de officier van justitie onaannemelijk.
Ten aanzien van feit 7 primair

Uit het dossier blijkt onvoldoende dat verdachte degene is die de betreffende goederen heeft gestolen. Nadat de moeder van verdachte de politie belde en mededeelde dat verdachte een telefoon heeft laten liggen die niet van hem is, blijkt, na controle door de politie, dat de telefoon is gestolen. Verdachte verklaart eerst de telefoon gekocht te hebben van ene [naam 1] en later dat hij de telefoon kocht van een Poolse man op de camping in Ysselsteyn. Nu niet duidelijk is hoe het zit, kan het primaire feit niet worden bewezen.
Ten aanzien van feit 10

Mede gelet op de korte tijd tussen de diefstal en het aantreffen van de verdachte op de brommer acht de officier van justitie het primair ten laste gelegde bewezen. De verklaring die verdachte heeft afgelegd acht de officier van justitie ongeloofwaardig.
Ten aanzien van feit 11

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangever [slachtoffer 1] in het café heeft geslagen. Er is onvoldoende bewijs voor het medeplegen van geweld jegens [slachtoffer 1] buiten het café. Ook is niet vast te stellen dat het letsel door verdachte is toegebracht. Verdachte dient dan ook partieel te worden vrijgesproken van dit feit.
Ten aanzien van feit 12

Gelet op de aangifte en de verklaringen van getuigen [naam 2] en [naam 3] acht de officier van justitie het feit wettig en overtuigend bewezen. Uit deze verklaringen volgt ook dat de elleboogstoot niet per ongeluk werd gegeven, maar dat dit met opzet was.
Parketnummer 03/659139-17

De officier van justitie heeft gevorderd dat het ten laste gelegde wordt bewezenverklaard.

Parketnummer 03/060495-17

De officier van justitie heeft gevorderd dat het ten laste gelegde onder 1 en 2 wordt bewezenverklaard en onder meer aangevoerd (feit 2) dat op basis van de verklaring van getuige Vergeldt kan worden aangenomen dat de telefoon terugkwam bij aangeefster zonder simkaart.

Parketnummer 03/091771-17

De officier van justitie heeft gevorderd dat het ten laste gelegde wordt bewezenverklaard en onder meer aangevoerd dat de verdediging heeft gesteld dat aan de hand van de camerabeelden zou moeten blijken dat verdachte niet de persoon op de beelden is. Uit de beelden is dat echter niet duidelijk op te maken, althans niet ontegenzeggelijk. Bovendien ligt er nog een herkenning door twee verbalisanten.

Parketnummer 03/055284-19

De officier van justitie heeft gevorderd dat het ten laste gelegde wordt bewezenverklaard.

3.2
Het standpunt van de verdediging


Parketnummer 03/659320-17

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1, 2 primair, 4, 5, 6, 8, 9 ten laste gelegde bewezen kan worden verklaard.

De raadsvrouw heeft - zakelijk weergegeven - onder meer het volgende aangevoerd.

Ten aanzien van feit 3

Het dossier bevat geen bewijsmiddel van de wegneemhandeling en verdachte dient daarom te worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde. De raadsvrouw refereert zich aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft het subsidiair ten laste gelegde.
Ten aanzien van feit 7

De verdediging acht onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden voor de diefstal. Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.
Ten aanzien van feit 10

Verdachte heeft verklaard dat hij er door getuige Vergeldt wordt ingeluisd, met het doel om van verdachte af te komen. Indien de rechtbank de verklaring van verdachte volgt, dient vrijspraak te volgen.
Ten aanzien van feit 11

De verdediging acht onvoldoende bewijs voorhanden voor het medeplegen van geweld jegens [slachtoffer 1] buiten het café. Voor wat betreft de mishandeling in het café refereert de raadsvrouw zich aan het oordeel van de rechtbank.
Ten aanzien van feit 12

Verdachte heeft verklaard dat, mocht hij aangeefster hebben geraakt, dit per ongeluk is gebeurd. Indien de rechtbank de verklaring van verdachte volgt, dient vrijspraak te volgen.
Parketnummer 03/659139-17

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde bewezen kan worden verklaard.

Parketnummer 03/060495-17

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde onder 1 bewezen kan worden verklaard en verdachte van het ten laste gelegde onder 2 dient te worden vrijgesproken. De raadsvrouw heeft onder meer aangevoerd (feit 2) dat verdachte heeft verklaard dat hij de telefoon heeft gepakt, maar dat er op dat moment geen simkaart in zat. Indien de rechtbank de verklaring van verdachte volgt, dient vrijspraak te volgen.

Parketnummer 03/091771-17

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van het ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken en daartoe onder meer aangevoerd dat de belastende herkenningen door de getuigen en de verbalisanten onbetrouwbaar zijn. De herkenning door getuige [naam 4] is onbetrouwbaar omdat deze tot stand is gekomen na voorkennis en het dus niet om een spontane herkenning gaat. Ten aanzien van alle andere herkenningen geldt dat ze onbetrouwbaar zijn nu specifieke persoonskenmerken onvoldoende zichtbaar zijn. Het enige specifieke persoonskenmerk dat zichtbaar is, de neus van de dader, wijkt af van de neus van verdachte. De raadsvrouw heeft daarbij verwezen naar de uitspraken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 21 september 2018, de rechtbank Alkmaar d.d. 11 januari 2011, de rechtbank Amsterdam d.d. 19 januari 2015 en de rechtbank Zeeland-West-Brabant d.d. 11 augustus 2015.

Parketnummer 03/055284-19

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde bewezen kan worden verklaard.

3.3
Het oordeel van de rechtbank

- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd bij de politie op 20 september 2017; - de aangifte van [naam 5] d.d. 4 september 2017.
- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting op 18 maart 2019; - de aangifte van [naam 1] d.d. 12 september 2017;- de aangifte van [naam 6] d.d. 12 september 2017;- de aangifte van [naam 7] d.d. 14 september 2017;- de aangifte van [naam 8] d.d. 31 augustus 2017;- de aangifte van [naam 9] d.d. 18 september 2017.
- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting op 18 maart 2019; - de aangifte van [naam 14] d.d. 1 januari 2018.
- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting op 18 maart 2019; - de aangifte van [naam 15] d.d. 16 mei 2018;- de aangifte namens [naam 15] d.d. 17 mei 2018.
- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting op 18 maart 2019; - de aangifte namens [naam 15] d.d. 17 mei 2018.
- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting op 18 maart 2019; - de aangifte van [naam 24] d.d. 27 juli 2018.
- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting op 18 maart 2019; - de verklaring van getuige [naam 30] d.d. 21 augustus 2018.
- zich niet mocht ophouden binnen het gebied: Ysselsteyn (gemeente Venray);- zich diende te onthouden van contact met: [naam 33] en [naam 5] .
- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting op 18 maart 2019;- de aangifte van [naam 33] d.d. 28 maart 2017.

- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting op 18 maart 2019; - het proces-verbaal van bevindingen;- het huisverbod d.d. 29 maart 2017.
Parketnummer 03/659320-17

Feiten 1 en 2
_1c8ddae6-2ad9-44d5-b983-e996f857f1a3

Feit 1

Evenals de officier van justitie en de verdediging, acht de rechtbank het feit wettig en overtuigend bewezen gelet op:
Feit 2

Evenals de officier van justitie en de verdediging, acht de rechtbank het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen gelet op:
Feit 3
_ce203f3a-0054-4a01-bd48-790ec7c271b3

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde (schuldheling) op grond van het navolgende.
Op 3 mei 2018 doet [naam 10] aangifte van diefstal tussen 29 april 2018 uur en 1 mei 2018, waarbij een bromfiets van het merk Puch werd weggenomen.

Op 3 mei 2018 relateerden verbalisanten [naam 11] , [naam 12] en [naam 13] -onder meer- het volgende:Op 3 mei 2018, om 07.51 uur, ontvingen wij de melding van aangever [naam 10] dat hij achter zijn brommer reed welke eerder deze week weggenomen was. De brommer zou een rode Puch Maxi betreffen. Om 08.05 uur zagen wij een persoon met een brommer staan. Deze persoon was bezig met een rode Puch Maxi. Deze persoon betrof de ons ambtshalve bekende [verdachte] . Kort hierna stopte een voertuig bij ons. Dit bleek aangever [naam 10] te zijn. Wij hoorden dat hij aangaf dat dit zijn brommer was.
Verdachte heeft ter terechtzitting van 18 maart 2019 verklaard dat hij de bromfiets heeft gekocht in de buurt van de camping in Ysselsteyn. Hij heeft voor de brommer 200 euro betaald, maar schat zelf de waarde op zo’n 400 euro. Er zaten geen papieren bij en de brommer werd ook niet overgeschreven.

Overwegingen van de rechtbank

De rechtbank zal verdachte van het primair ten laste gelegde vrijspreken en overweegt als volgt. De diefstal van de bromfiets is gepleegd tussen 29 april 2018 en 1 mei 2018. Uit het dossier blijkt dat verdachte voor het eerst op 30 april 2018 op de desbetreffende brommer is gezien. De rechtbank is van oordeel dat deze tijdspanne de mogelijkheid openlaat dat een ander dan verdachte de bromfiets heeft weggenomen. Gelet hierop zal de rechtbank verdachte dan ook van de diefstal van de bromfiets vrijspreken. Nu de bromfiets en de fiets blijkens de aangifte tegelijk zijn weggenomen, dient voor de diefstal van de fiets op grond van vorengaande ook vrijspraak te volgen.
De rechtbank acht op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting de subsidiair ten laste gelegde schuldheling wel wettig en overtuigend bewezen. Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte de bromfiets heeft gekocht voor 200 euro. Er zaten geen papieren bij en de bromfiets werd niet overgeschreven. De verdachte schat de echte waarde van de bromfiets op een bedrag van 400 euro. In het algemeen geldt dat iemand, die onder die omstandigheden een goed verkrijgt, gehouden is zich rekenschap te geven van de herkomst van het goed en de betrouwbaarheid van die persoon. Verdachte heeft echter direct voor waar aangenomen dat de bromfiets toebehoorde aan de verkoper. Verdachte had onder die omstandigheden navraag moeten doen naar de herkomst van de bromfiets. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat verdachte bij het voorhanden krijgen van de bromfiets redelijkerwijs had moeten vermoeden dat deze afkomstig was van misdrijf.
Feit 4
_264d5cd3-dc2c-44dc-800e-06383bed32b1

Evenals de officier van justitie en de verdediging, acht de rechtbank het feit wettig en overtuigend bewezen gelet op:
Feiten 5 en 6
_c6f94c6f-3898-440a-876c-a7c9a13742cc

Feit 5

Evenals de officier van justitie en de verdediging, acht de rechtbank het feit wettig en overtuigend bewezen gelet op:
Feit 6

Evenals de officier van justitie en de verdediging, acht de rechtbank het feit wettig en overtuigend bewezen gelet op:
Feit 7
_015587e9-e7bc-4d35-a4c3-ae02331fd09c

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde (schuldheling) op grond van het navolgende.
Op 6 juli 2018 doet [naam 16] aangifte van diefstal op 6 juli 2018, waarbij een telefoon van het merk Samsung S-Iii Mini werd weggenomen.

Op 11 juli 2018 relateerden verbalisanten [naam 17] en [naam 18] -onder meer- het volgende:Op 11 juli 2018 kreeg ik omstreeks 09.46 uur een telefonische oproep van [naam 19] . Op de [naam 20] woont [verdachte] en [naam 19] is zijn moeder. [verdachte] had een telefoon thuis liggen waarvan zij dacht dat die zeker niet van hem was. Wij kwamen bij het adres [naam 20] te Ysselsteyn. Wij kregen de betreffende telefoon van [naam 19] . Het betrof een Samsung gsm. Ik heb het imeinummer 356507050074735 bevraagd en zag dat het een gestolen gsm betrof.
Verdachte heeft ter terechtzitting van 18 maart 2019 verklaard dat hij de telefoon heeft gekocht van een man van de camping in Ysselsteyn. Hij had die man gevraagd of hij nog wat voor de handel had. Daarop bood de man hem een telefoon aan. Hij heeft toen de telefoon, een Samsung S3, gekocht. Er zat geen lader bij.

Overwegingen van de rechtbank

Evenals de officier van justitie en de verdediging acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de diefstal heeft gepleegd en zal zij verdachte van het primair ten laste gelegde vrijspreken.
De rechtbank acht op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting de subsidiair ten laste gelegde schuldheling wel wettig en overtuigend bewezen. Verdachte heeft verklaard over de koop van de telefoon. In het algemeen geldt dat iemand, die onder die omstandigheden een goed verkrijgt, gehouden is zich rekenschap te geven van de herkomst van het goed en de betrouwbaarheid van die persoon. Verdachte heeft echter direct voor waar aangenomen dat de telefoon toebehoorde aan de verkoper. Verdachte had onder die omstandigheden navraag moeten doen naar de herkomst van de telefoon. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat verdachte bij het voorhanden krijgen van de telefoon redelijkerwijs had moeten vermoeden dat deze afkomstig waren van misdrijf.

Feit 8
_e0182c7c-5f84-4249-a342-5b26bfe75ede

Evenals de officier van justitie en de verdediging, acht de rechtbank dit feit wettig en overtuigend bewezen.
Op 29 mei 2018 deed [naam 22] , wonende aan [naam 23] te Ysselsteyn, aangifte. Hij verklaarde als volgt: Ik doe aangifte van diefstal van alcoholische drank. Deze drank staat in een koelkast achter in de tuin van mijn woning.
Opmerking verbalisant:

Verdachte heeft ter terechtzitting van 18 maart 2019 verklaard dat hij het bier heeft weggenomen.

Overwegingen van de rechtbank

Verdachte heeft zich bij de politie met betrekking tot dit feit beroepen op zijn zwijgrecht. Pas op zitting heeft hij aangegeven dat hij met toestemming van de zoon van aangever het bier heeft weggenomen. De rechtbank acht de verklaring van verdachte ter zitting ongeloofwaardig en is van oordeel dat, noch uit het dossier, noch uit het verhandelde ter terechtzitting blijkt van enige toestemming van de rechthebbende om het bier weg te nemen en bovendien in de aangifte uitdrukkelijk wordt vermeld dat aan niemand het recht of de toestemming werd gegeven tot het plegen van het feit.
Feit 9
_a5193606-9464-442e-9eb5-c762a2cd8a1f

Evenals de officier van justitie en de verdediging, acht de rechtbank het feit wettig en overtuigend bewezen gelet op:
Feit 10
_38bafe3c-762f-4c2a-9ecb-fccdbfc26c85

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde op grond van het volgende.
Op 28 augustus 2018 deed [naam 25] , wonende te Ysselsteyn, aangifte namens [naam 26] . Zij verklaarde als volgt: Ik doe aangifte van diefstal bromfiets namens mijn zoon. Zijn bromfiets is hier gestald in het tuinhuis in de achtertuin. Het kenteken van de bromfiets betreft [nummer 1] . Op 27 augustus 2018, omstreeks 22.50 uur, ben ik op bed gegaan. Toen stond de bromfiets van mijn zoon aan de linkerzijde van de schuur. Op 28 augustus 2018, omstreeks 05.15 uur, werd ik wakker van de deurbel. Ik zag dat de politie aan de voordeur stond. De agent vertelde dat hij zojuist mijn zoon zijn brommer had aangetroffen. Hierop ben ik met deze agent gaan kijken. Ik zag dat de bromfiets van mijn zoon niet meer op zijn plek stond.
Op 28 augustus 2018 relateerden verbalisanten [naam 27] en [naam 28] -onder meer- het volgende:Op 28 augustus 2018, omstreeks 04.45 uur, ontvingen wij de volgende melding van een mogelijke heterdaad diefstal bromfiets op de Ringweg te Ysselsteyn: “In het dorp hebben ze de laatste tijd veel problemen met [verdachte] 28-30 jaar. [verdachte] zou veel stelen, nu komt hij opeens met een brommer aangelopen. Melder ziet hem en spreekt hem aan en hij gooit de brommer aan de kant”. Omstreeks 04.50 uur kwamen wij ter plaatse en zagen wij in de berm een bromfiets van het merk Gilera Citta voorzien van het kenteken [nummer 2] staan. Om 04.57 uur namen we contact op met melder Vergeldt. Ik hoorde dat hij zei dat hij onderweg was naar zijn werk toen hij de hem bekende [verdachte] zag lopen met een bromfiets aan de hand. Omdat hij dit niet vertrouwde sprak hij [verdachte] hierover aan. Hij zag dat [verdachte] de bromfiets vervolgens wegzette en wegliep in de richting van de Veenmos. Verder hoorde ik dat de melder zei dat hij foto’s had genomen van [verdachte] en van [verdachte] bij de bromfiets. Hij stuurde deze mij vervolgens direct digitaal door. Op een van de foto’s zag ik een persoon met donkere kleding voorover gebukt staan bij de bromfiets. Op een andere foto zag ik op de achtergrond de bromfiets. Op de voorgrond zag ik een persoon welke ik direct herkende als de mij ambtshalve bekende [verdachte] woonachtig op de [naam 20] te Ysselsteyn. Op de andere twee foto’s zag ik de bromfiets en een foto van het kenteken [nummer 1] .
Getuige [naam 29] verklaarde op 28 augustus 2018 het volgende:In de nacht van maandag op dinsdag, omstreeks 04.30 uur, ben ik met mijn auto vertrokken naar mijn werk. Omstreeks deze tijd reed ik langs de dierenartsenpraktijk welke gelegen is in Ysselsteyn. Ik zag toen dat er een bromfiets tegen het hek aan stond alhier. Ik meende ook dat er een persoon te zien is welke bij een struik stond in de directe nabijheid van deze bromfiets. Ik vond dit vreemd. Hierop ben ik gekeerd en weer teruggereden om de situatie nog eens te bekijken. Ik zag vervolgens direct dat de mij bekende [verdachte] bij deze brommer stond. Ik ken [verdachte] . Ik heb hem gevraagd waar hij die brommer had weggehaald. Ik hoorde dat [verdachte] zei: “Dan moet je de politie maar bellen!”. Ik zag toen dat [verdachte] een zwarte rugzak uit de struiken pakte. Ik heb toen foto’s gemaakt van [verdachte] bij de bromfiets. Vervolgens zag ik dat [verdachte] wegliep in de richting van de Veenmos. Ik heb toen de politie gebeld.
Overwegingen van de rechtbank

Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende vast. Op 27 augustus 2018, na 22.50 uur, wordt de bromfiets gestolen. Om 04.30 uur wordt verdachte door getuige Vergeldt bij de bromfiets aangetroffen. De rechtbank acht deze tijdspanne zodanig kort, dat het niet anders kan dat verdachte zelf de bromfiets heeft weggenomen. Bij dat oordeel heeft de rechtbank ook de omstandigheden betrokken dat verdachte in de nacht bij de bromfiets is aangetroffen en hij zich met een rugzak bij de struiken leek te verschuilen. De verklaring van verdachte, dat hij er door getuige Vergeldt wordt ingeluisd, acht de rechtbank onaannemelijk nu deze verder op geen enkele wijze is onderbouwd.
Feiten 11 en 12
_1e3a3dd3-524f-40d9-a706-c75896722105

Feit 11

Evenals de officier van justitie en de verdediging, acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte aangever [slachtoffer 1] samen met een ander heeft mishandeld, terwijl dit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad. De rechtbank zal verdachte dan ook hiervan vrijspreken.
De rechtbank acht wel voldoende bewijs voorhanden voor de mishandeling van aangever [slachtoffer 1] . De rechtbank doelt dan op de mishandeling die plaats heeft gevonden in het café op 19 augustus 2018.

De rechtbank acht deze mishandeling wettig en overtuigend bewezen gelet op:

Feit 12

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde op grond van het navolgende.
Op 19 augustus 2018 deed [slachtoffer 2] aangifte. Zij verklaarde als volgt:Ik ben uitbater van Herberg de Peel. Op 19 augustus 2018 was ik aan het werk in de kroeg. Ik zag [verdachte] aan komen lopen. Ik liep naar hem toe om hem tegen te houden. [verdachte] elleboogde mij met zo’n kracht dat ik op de grond viel. Dat deed zeer. Ik heb nu ook een schaafwond op de arm.
Getuige [naam 30] verklaarde op 19 augustus 2018 het volgende:Op 19 augustus 2018 zag ik dat [verdachte] mijn vrouw een harde beuk gaf.
Getuige [naam 2] verklaarde op 19 augustus 2018 het volgende:Vanavond was ik aanwezig in het café Herberg de Peel te Ysselsteyn. Ik zag dat [naam 32] (uitbater café) hard door [verdachte] werd weggeduwd.
Overwegingen van de rechtbank

Verdachte heeft verklaard dat hij aangeefster niet met opzet een elleboogstoot heeft gegeven. De rechtbank is echter van oordeel dat het opzet uit de bovenstaande bewijsmiddelen volgt. Immers, in die verklaringen wordt gesproken over ‘kracht’, ‘harde beuk’ en ‘hard wegduwen’.
De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Parketnummer 03/055284-19
_fee5331a-5b91-409c-adfb-123d7c3f119c

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde op grond van het navolgende.

Op 4 oktober 2018 is aan de verdachte, krachtens het bepaalde in artikel 509hh van het Wetboek van Strafvordering, een gedragsaanwijzing ter beëindiging van ernstige overlast gegeven. Op 20 december 2018 is aan de verdachte een verlenging van deze gedragsaanwijzing in persoon uitgereikt.

Deze gedragsaanwijzing was na verlenging geldig vanaf 4 januari 2019 en was van kracht voor een periode van 90 dagen en hield in dat de verdachte:

Op 7 maart 2019 relateerden verbalisanten [naam 34] en [naam 35] -onder meer- het volgende:Op 7 maart 2019 kregen wij de melding om te gaan naar [naam 20] te Ysselsteyn. Hier zou de zoon van meldster, [verdachte] , in het tuinhuisje liggen te slapen, echter had deze een verlengd contactverbod bij zijn ouders en voor Ysselsteyn. Ter plaatse werd de deur geopend door meldster, de moeder van [verdachte] . Zij vertelde dat zij [verdachte] hadden gevonden in het tuinhuisje. Hij lag daar te slapen. Bij het openen van de deur zagen wij een manspersoon in een slaapzak op de grond liggen. Ik, verbalisant [naam 34] , herkende de manspersoon als zijnde [verdachte] .
Verdachte heeft op 7 maart 2019 het volgende verklaard -zakelijk weergegeven-: Afgelopen 5 maart kwam uw collega [naam 36] met drie collega’s. Zij zeiden tegen mij dat ik niet in Ysselsteyn mocht komen. Indien ik dit wel deed werd ik aangehouden zei hij. Ik heb afgelopen nacht in het tuinhuisje geslapen. Dit was bij ons thuis aan de [naam 20] te Ysselsteyn. Ik heb de gedragsaanwijzing gekregen en de verlenging ook.
Overwegingen van de rechtbank

De verdachte heeft verklaard dat hij dacht dat de termijn van de gedragsaanwijzing op 4 maart 2019 afgelopen was. De rechtbank overweegt dat verdachte op de hoogte was van de gedragsaanwijzing en de verlenging daarvan. Op 5 maart 2019 is verdachte er nogmaals op gewezen dat hij een contactverbod en een locatieverbod had. Na die mededeling heeft verdachte contact gezocht met zijn ouders. De rechtbank leidt uit vorenstaande af dat verdachte wist van het verbod en dat hij door contact te zoeken het verbod opzettelijk heeft overtreden. Het ten laste gelegde feit kan dan ook worden bewezen.
Parketnummer 03/060495-17
_81045b8a-80aa-4f94-a4b9-69833e36de32

Feit 1

Evenals de officier van justitie en de verdediging, acht de rechtbank het feit wettig en overtuigend bewezen gelet op:
Feit 2

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde op grond van het navolgende.
Op 1 maart 2017 deed [naam 37] aangifte van diefstal op 25 februari 2017. Zij verklaarde als volgt: Het was rond 18.00 uur in het paadje naast de kerk op het Lovinckplein te Ysselsteyn, gemeente Venray. Ik had via Whatsapp contact met [verdachte] . [verdachte] en ik hadden geappt en hij heeft mij ook gebeld. Hij wilde afspreken. Wij hadden afgesproken dat wij elkaar op het Lovinckplein zouden treffen. Dat is ook gebeurd. Plotseling trok hij mijn telefoon uit mijn hand en rende hij weg. Ik wilde mijn telefoon terug en ben maandagavond naar het huis van [naam 38] gegaan. Daar was [verdachte] toen ook. Hij heeft mijn telefoon aan mij teruggegeven. Alleen was de simkaart er uit.
Getuige [naam 38] Vergeldt verklaarde op 1 maart 2017 het volgende:Op 25 februari 2017, omstreeks 21.00 uur, kwam [verdachte] langslopen. Ik hoorde dat [verdachte] vroeg of ik een telefoon van hem wilde kopen. Ik zei dat ik de telefoon niet hoefde. Op 26 februari 2017 hoorde ik dat [verdachte] de telefoon uit de handen van [naam 39] had getrokken. Toen dacht ik aan de telefoon die [verdachte] mij had aangeboden. [verdachte] was op 27 februari 2017 bij mij. [naam 39] en haar vader zaten op dat moment ook in mijn woning en kwamen erbij. Ik zag dat [verdachte] de telefoon vervolgens aan [naam 39] teruggaf. Ik zag dat hij de telefoon teruggaf zonder simkaart.
Verdachte heeft ter terechtzitting van 18 maart 2019 verklaard dat hij de telefoon van [naam 37] uit haar handen heeft getrokken en heeft weggenomen en dat hij die wilde verkopen aan [naam 38] Vergeldt.

Overwegingen van de rechtbank

Verdachte heeft verklaard dat hij de telefoon heeft weggenomen, maar dat in die telefoon geen simkaart zat. De rechtbank leidt echter uit de aangifte af dat er een simkaart in de telefoon zat op het moment dat deze door verdachte werd weggenomen. Uit de aangifte blijkt immers dat vlak voor de afspraak op het Lovinckplein, aangeefster en verdachte telefonisch contact en Whatsapp contact hadden, hetgeen niet mogelijk is zonder simkaart.
Parketnummer 03/091771-17
_b5ba10e2-c46a-4e4a-8f30-049f0a7e1575

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde op grond van het navolgende.

Op 21 mei 2017 deed [naam 40] namens [naam 41] aangifte. Hij verklaarde als volgt: Ik doe aangifte van diefstal uit de kassalade van [naam 45], gelegen te Ysselsteyn. Op 21 mei 2017, omstreeks 02.17 uur, werd er door een klant geroepen. Er was op dat moment niemand van het personeel in de zaak aanwezig. Door het geroep van de klant is een van de vrouwelijke medewerkers de zaak ingelopen. Daar vertelde de klant dat hij zag dat er een manspersoon in de zaak was en dat deze over de balie heen hing. Dat deze manspersoon vervolgens de kassa opende en geld uit de kassalade wegnam. Dat de manspersoon richting de uitgang liep en dat de klant hem nog tegen het lijf liep. De naam van de klant is [naam 4] . Op de beelden van de camera is te zien dat er op 21 mei 2017, omstreeks 02.17 uur, een jongen naar binnen komt, naar de kassa loopt en dat deze, door middel van op de juiste kassaknop te duwen, de kassa opent. Hierop is ook te zien dat deze manspersoon geld uit de kassalade haalt, vervolgens naar de uitgang loopt en daar de klant [naam 4] tegen komt en dat hij vervolgens de zaak verlaat. Op andere camerabeelden is ook te zien dat de manspersoon samen met nog een manspersoon aankomt lopen en dat de tweede manspersoon bij de toegangsdeur blijft wachten. Op de camerabeelden is ook te zien dat beide manspersonen vervolgens samen wegrennen. Bij het zien van de beelden waar ze wegrennen, wist ik helemaal zeker, ik herken 1 persoon voor 100% als zijnde [verdachte] uit Ysselsteyn. Dit is ook de persoon welke in de zaak is geweest en welke geld uit de kassalade heeft weggenomen.
Op 24 mei 2017 relateerde verbalisant [naam 42] -onder meer- het volgende:Op 21 mei 2017, omstreeks 02.30 uur, is door een manspersoon geld uit de kassalade van [naam 41] te Ysselsteyn weggenomen.
Op de beelden is te zien dat een manspersoon de zaak binnenkomt lopen. De man heeft zijn hoofd bedekt met een capuchon doch zijn gezicht is deels goed aan de voorzijde zichtbaar. Op de beelden is te zien dat deze persoon richting de kassa loopt. Daar aangekomen buigt hij zich over de balie en begint meerdere malen op het toetsenbord van de kassa te tikken. uiteindelijk wordt de geldlade geopend, neemt de man geld uit de kassalade en loopt vervolgens weg richting uitgang. Tijdens de vlucht probeert een klant hem de doorgang nog te beletten, doch dit heeft geen resultaat.

Ik herken de persoon, die het geld uit de kassalade wegneemt, voor 100% terug als zijnde de mij van naam en aanzien bekende [verdachte] , geboren [geboortedatum] 1991 te Venray en wonende te Ysselsteyn, [naam 20] .

Ik ken [verdachte] uit mijn hoedanigheid als wijkagent van Ysselsteyn.

Verder merk ik op dat ik hem vandaag, samen met collega [naam 36] , op het adres [naam 20] te Ysselsteyn, in persoon een lokaalverbod uitgereikt heb.

Op 24 mei 2017 werd verbalisant [naam 36] gevraagd om camerabeelden te bekijken. Hij relateerde -onder meer- het volgende:Het bleek te gaan om een zaak voorzien van proces-verbaalnummer PL2300-2017081405. Ik zag dat er op deze bewegende camerabeelden één persoon te zien was die binnen kwam. Ik zag dat deze persoon met een capuchon op binnenkwam. Ik zag dat deze persoon direct naar de kassa liep. Hierna zag ik dat deze persoon over de toonbank reikte en daarna knoppen indrukte op de kassa. Ik zag dat toen de kassalade open ging. Hierna zag ik dat de persoon met de capuchon het briefgeld uit de verschillende vakjes pakte en weer wegliep in de richting van waar hij was gekomen.
Ik zag op de beelden een man staan die ik als volgt kan omschrijven: specifiek geschoren baardje, smal postuur, de man droeg een zwarte trui met capuchon, deze man had een blanke huidskleur.

Ik ben werkzaam als plaatsvervangend wijkagent in de kerkdorpen van Venray waaronderYsselsteyn. Zodoende ben ik ook al met [verdachte] in aanraking gekomen. Ik heb [verdachte]op woensdag 24 mei 2017 nog een lokaal verbod uitgereikt.
Ik, verbalisant [naam 36] herken de man op de bewegende videobeelden voor 100% als zijnde: [verdachte] geboren op [geboortedatum] 1991.

Overwegingen van de rechtbank

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de herkenningen door verbalisanten onbetrouwbaar zijn, nu specifieke persoonskenmerken onvoldoende zichtbaar zijn.
De rechtbank overweegt als volgt. Verbalisanten [naam 42] en [naam 36] hebben -in op ambtseed opgemaakte en ondertekende processen-verbaal- aangegeven dat zij op de dag van de herkenning, te weten 24 mei 2017, een lokaalverbod aan verdachte hebben uitgereikt en dat zij ook al eerder met verdachte in aanraking zijn gekomen. Wegens dit contact hebben zij minder visuele informatie nodig om tot een betrouwbare herkenning te komen. Hoewel er dus geen sprake is van herkenning van specifieke gezichts-/ gelaatskenmerken van de verdachte, acht de rechtbank de herkenningen door de verbalisanten voldoende betrouwbaar en bezigt deze dan ook voor het bewijs. Derhalve stelt de rechtbank vast dat de man die te zien is op de camerabeelden en die het geld uit de kassalade haalt, verdachte is.

Het verweer van de raadsvrouw wordt verworpen.

Parketnummer 03/659139-17
_e6a4f387-eb49-42d0-b6a0-e51a63849e37

Evenals de officier van justitie en de verdediging, acht de rechtbank het feit wettig en overtuigend bewezen gelet op:

3.4
De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte
Parketnummer 03/659320-17

op meerdere tijdstippen in de periode van 18 augustus 2017 tot en met 10 september 2017 te Ysselsteyn en te Heide en te Griendtsveen, telkens opzettelijk een bankbiljet van EURO 50,-- waarvan de valsheid hem, toen hij deze ontving bekend was als echt en onvervalst heeft uitgegeven;
Parketnummer 03/055284-19

op 7 maart 2019 te Ysselsteyn, opzettelijk heeft gehandeld in strijd met de gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 04 oktober 2018 gegeven door de officier van justitie te Limburg kort weergegeven inhoudende dat hij, verdachte, zich niet mag ophouden in Ysselsteyn (gemeente Venray) en zich dient te onthouden van elke vorm van contact met [naam 33] en [naam 5] ; door in het tuinhuisje van deze [naam 33] en [verdachte] te hebben geslapen en zich bij de woning van deze [naam 33] en [verdachte] te hebben bevonden;

Parketnummer 03/060495-17

Parketnummer 03/091771-17

op 21 mei 2017, te Ysselsteyn, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid geld, toebehorende aan [naam 41] ;

Parketnummer 03/659139-17

als degene aan wie door of namens de burgemeester met toepassing van de Wet tijdelijk huisverbod een huisverbod was gegeven, derhalve als uithuisgeplaatste, op of omstreeks 31 maart 2017 te Ysselsteyn, in strijd met dat huisverbod de in dit verbod genoemde woning, gelegen aan [naam 20] , heeft betreden.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

1. in de nacht van 3 op 4 september 2017 te Ysselsteyn, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een kast in een woning, gelegen aan Veenmos nr. 14, heeft weggenomen een tablet, toebehorende aan [naam 5] , waarbij verdachte zich de toegang tot die kast heeft verschaft door middel van braak;
2.
3. in de periode van 29 april 2018 tot en met 3 mei 2018 te Ysselsteyn, een goed te weten een bromfiets, merk Puch, heeft verworven, terwijl hij ten tijde van de verwerving van die bromfiets redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;
4. op 01 januari 2018 te Ysselsteyn, uit een schuur, behorende bij een woning, gelegen aan Veenmos nr. 12, onder meer een lijmpistool, een graveerset, boormachines en een schuurmachine, toebehorende aan [naam 43] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
5. op 16 mei 2018 te Ysselsteyn, omstreeks 03.45 uur, in een garage/schuurtje behorende bij een woning, gelegen aan de [adres] , alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, een aantal flessen bier, toebehorende aan [naam 15] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;
6. op 17 mei 2018 te Ysselsteyn, omstreeks 01.30 uur, in een garage/schuurtje behorende bij een woning, gelegen aan de [adres] , alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, een hoeveelheid drank, toebehorende aan [naam 15] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;
7. in de periode van 6 tot en met 11 juli 2018 te Ysselsteyn, een goed te weten een telefoon, merk Samsung S-Iii Mini, heeft verworven, terwijl hij ten tijde van de verwerving van dit goed redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;
8. op 25 mei 2018 te Ysselsteyn, een aantal blikjes bier, merk Hertog Jan, toebehorende aan [naam 22] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
9. op 27 juli 2018 in de gemeente Peel en Maas, ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om opzettelijk als een echt en onvervalst bankbiljet uit te geven een vals bankbiljet van 50 Euro en waarvan de valsheid hem, verdachte, toen hij dat bankbiljet ontving, bekend was, opzettelijk daartoe dat valse bankbiljet ter betaling aan [naam 24] (beheerder van een marktkraam) heeft aangeboden, terwijl de uitvoering van dit misdrijf niet is voltooid;
10. in de nacht van 27 op 28 augustus 2018 te Ysselsteyn, een bromfiets (merk Gilera, kenteken [nummer 1] ), toebehorende aan [naam 26] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
11. op 19 augustus 2018 te Ysselsteyn, [slachtoffer 1] heeft mishandeld door deze tegen zijn nek te slaan;
12. op 19 augustus 2018 te Ysselsteyn, [slachtoffer 2] heeft mishandeld door deze te duwen;
1. op 28 maart 2017 in de gemeente Venray opzettelijk en wederrechtelijk een televisie en een buffetkast, toebehorende aan [naam 33] , heeft vernield;
2. op 25 februari 2017 in de gemeente Venray met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een simkaart, toebehorende aan [naam 37] ;
4

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:
Parketnummer 03/659320-17

feit 1:

feit 2:

feiten 3 en 7:

feit 4:

feiten 5 en 6:

feiten 8 en 10:

feit 9:

feiten 11 en 12:

Parketnummer 03/055284-19

opzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing, gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b, van het Wetboek van Strafvordering;

Parketnummer 03/060495-17

feit 1:

feit 2:

Parketnummer 03/091771-17

diefstal, door twee of meer verenigde personen;

Parketnummer 03/659139-17

als uithuisgeplaatste handelen in strijd met een met toepassing van artikel 2, eerste lid, van de Wet tijdelijk huisverbod gegeven huisverbod.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5

De psycholoog drs. [naam 44] (hierna: de psycholoog) heeft over de geestvermogens van de verdachte op 11 juni 2019 een rapport uitgebracht. De psycholoog concludeert dat bij de verdachte sprake is van ziekelijke stoornissen en een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, hetgeen ook zo was ten tijde van de hem ten laste gelegde feiten. De psycholoog rapporteert in het bijzonder het volgende:
(pg. 19) […] Er is sprake van een stoornis in alcoholgebruik (ernstig), een stoornis in het gebruik van een stimulantium (ernstig) en een stoornis in tabaksgebruik (ernstig) bij een jongeman met antisociale en onrijpe persoonlijkheidstrekken en mogelijk een licht verstandelijke beperking. […]

Betrokkene heeft een permissieve, grenzeloze opvoeding gekend waardoor hij nauwelijks zelfregulatie, discipline of verantwoordelijkheid heeft ontwikkeld. De vervulling van eigen behoeften staat voorop en betrokkene wordt daarin nauwelijks geremd door schuld, schaamte of empathie. Die vermogens zijn eveneens maar zwak ontwikkeld. Vanuit die toerusting kan betrokkene, mede door (fors) middelengebruik gemakkelijk tot grensoverschrijdend gedrag komen dat veelal instrumenteel en economisch gerelateerd is aan zijn verslaving. Het is te adviseren om betrokkene het ten laste gelegde in een verminderde mate toe te rekenen. […]

De rechtbank verenigt zich met de conclusies en het advies van deze deskundige over de toerekeningsvatbaarheid, neemt deze over en maakt deze tot de hare. De rechtbank acht de verdachte aldus verminderd toerekeningsvatbaar voor het bewezenverklaarde. Nu het gaat om een vermindering van de toerekeningsvatbaarheid, betreft het geen omstandigheid die de strafbaarheid van de verdachte geheel uitsluit. Wel zal de rechtbank dit aspect betrekken bij het oordeel omtrent de op te leggen straf.

Ook voor het overige zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

6

6.1
De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 720 dagen, waarvan 550 dagen voorwaardelijk, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht. Aan de voorwaardelijke straf dient een proeftijd van 4 jaren verbonden te worden, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals voorgesteld door de Reclassering in de rapportage van 29 juli 2019. De officier van justitie heeft bij het formuleren van de eis in het bijzonder rekening gehouden met het strafblad van verdachte en zijn verminderde toerekeningsvatbaarheid. De forse proeftijd is ingegeven door de verschillende rapportages omtrent de persoon van verdachte en het daaruit gebleken hoge recidiverisico. Verdachte lijkt in de Woenselse Poort op zijn plek te zijn en om deze behandeling niet te doorkruisen is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die langer is dan de ondergane voorlopige hechtenis niet wenselijk.
6.2
Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat een onvoorwaardelijke detentie langer dan het voorarrest onwenselijk is omdat dit het opgestarte hulpverleningstraject zou kunnen doorkruisen. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest, met daaraan gekoppeld de door de reclassering voorgestelde bijzondere voorwaarden, is passend. Het voorwaardelijke deel van de geëiste gevangenisstraf dient te worden gematigd en een proeftijd van 3 jaren is voldoende.
6.3
Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan lange lijst misdrijven waaronder acht diefstallen, waarvan drie met braak. Van deze diefstallen met braak zijn er twee gedurende de nacht gepleegd. Verdachte heeft geen respect getoond voor andermans eigendommen door het plegen van de diefstallen en heeft niet alleen de betreffende slachtoffers schade berokkend, maar ook gevoelens van onveiligheid veroorzaakt. Dat laatste gaat verder dan de rechtstreekse slachtoffers. Het zijn met name dit soort in tijd en plaats gelokaliseerde feiten die bij buurtbewoners voor een aanzienlijke toename van het gevoel van onveiligheid zorgen. Dit werkt strafverzwarend.Verder heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan heling van een bromfiets en een telefoon. Hiermee heeft verdachte geprofiteerd van de diefstal die een ander heeft gepleegd, waarmee hij tevens de onrechtmatige vermogensrechtelijke toestand, in die zin dat de oorspronkelijke eigenaar zijn bezit kwijt is, heeft doen voortduren. Verdachte heeft daarmee enkel aan zijn eigen belang gedacht en geen rekening gehouden met de belangen van de rechtmatige eigenaar.Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan vernieling. Dit betreft een zeer ergerlijk misdrijf, welk schade toebrengt aan de gedupeerde en met name veel hinder veroorzaakt. Verder is verdachte in het bezit geweest van valse bankbiljetten en heeft hij deze ook uitgegeven (ten minste vijf keer en één poging daartoe). Met het uitgeven van vals geld wordt financiële schade toegebracht aan de betreffende ontvanger. Het gebruik van vals geld is meer in het algemeen ook schadelijk voor het financiële verkeer in de samenleving en het vertrouwen dat daarin moet kunnen worden gesteld. De rechtbank rekent verdachte aan dat hij enkel oog heeft gehad voor zijn eigen financiële gewin, zonder daarbij rekening te houden met de schade die de betreffende ontvanger hiermee zou ondervinden. Verdachte heeft tevens twee mishandelingen gepleegd. Door zijn handelen heeft verdachte een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van zijn slachtoffers. Daarbij komt dat feiten zoals de onderhavige tot gevoelens van angst, onrust en onveiligheid in de samenleving leiden. Dit geldt temeer nu beide strafbare feiten zijn gepleegd in (de nabijheid van) een café. Ook heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het handelen in strijd met een aan hem gegeven gedragsaanwijzing en opgelegd huisverbod.
Voorts houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte zich naast hetgeen bewezen is verklaard ook nog schuldig heeft gemaakt aan feiten die op de dagvaarding (03/659320-17) kort zijn omschreven en waarvan is medegedeeld dat de verdachte dit heeft erkend (zogenoemde ad-info feiten). De verdachte heeft deze feiten op de terechtzitting van 18 maart 2019 bekend.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op het uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister d.d. 31 juli 2019, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld. Voorts heeft de rechtbank ook acht geslagen op de psychologische rapportage Pro Justitia d.d. 11 juni 2019 en het reclasseringsadvies van GGZ Reclassering Limburg d.d. 29 juli 2019.

Zoals reeds hiervoor aangegeven zal de rechtbank het aspect van de verminderde toerekeningsvatbaarheid betrekken bij de strafoplegging. De rechtbank zal deze als gebruikelijk in strafmatigende zin meewegen.

De bewezen verklaarde feiten rechtvaardigen in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Gelet op de voornoemde rapportages ziet de rechtbank echter aanleiding om een deel voorwaardelijk op te leggen en het onvoorwaardelijke deel gelijk aan het voorarrest te stellen, nu behandeling van verdachte de voorkeur heeft en het niet wenselijk is om het behandeltraject dat inmiddels gestart is te doorkruisen. De rechtbank acht echter een voorwaardelijke gevangenisstraf van enige omvang op zijn plaats. Zulks enerzijds om de ernst van de bewezenverklaarde feiten te benadrukken en anderzijds om daarmee recidiveren door verdachte proberen te voorkomen.

Alles overwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, op zijn plaats en gerechtvaardigd.

Uit de rapportages komt naar voren dat er sprake is van ernstige psychische problematiek en onstabiele leefomstandigheden. Hulpverlening heeft in het verleden geen veranderingen kunnen bewerkstelligen en de kans op recidive wordt thans als hoog ingeschat. Op dit moment lijkt het erop dat verdachte de juiste behandelplek heeft gevonden, maar ter terechtzitting heeft de reclasseringsmedewerker verklaard dat het nog minstens drie jaar zal duren voordat verdachte zelfstandig kan wonen en dat een stapsgewijs traject noodzakelijk is. De rechtbank ziet hierin aanleiding om aan het voorwaardelijke deel van de straf een proeftijd van 4 jaren te verbinden.

De rechtbank acht het ook passend en geboden om in het kader van de voorwaardelijke veroordeling de door de reclassering in de rapportage van 29 juli 2019 voorgestelde voorwaarden aan de verdachte op te leggen.

De rechtbank zal de dadelijke uitvoerbaarheid van het reclasseringstoezicht en de bijzondere voorwaarden gelasten. De rechtbank is van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

7

7.1
De vordering van de benadeelde partij

Parketnummer 03/659320-17

De volgende benadeelde partijen vorderen een schadevergoeding:

Parketnummer 03/091771-17

De benadeelde partij [naam 41] vordert een schadevergoeding van € 160,00.

-

[naam 1] een bedrag van € 50,00 (feit 2);

[naam 6] een bedrag van € 50,00 (feit 2);

[naam 8] een bedrag van € 20,00 (feit 2);

[naam 9] een bedrag van € 50,00 (feit 2);

[naam 10] een bedrag van € 342,00 (feit 3);

[naam 16] een bedrag van € 489,21 (feit 7);

[slachtoffer 1] een bedrag van € 10.028,54 (feit 11).

7.2
Het standpunt van de officier van justitie

- de vorderingen van [naam 1] , [naam 6] , [naam 8] , [naam 9] , [naam 1] en [naam 41] geheel toewijsbaar zijn;- de vordering van [naam 16] toegewezen kan worden tot een bedrag van € 119,21 (posten ‘reiskosten’ en ‘telefoon’). De schade is voor het overige niet toerekenbaar aan verdachte;- de vordering van [slachtoffer 1] kan worden toegewezen tot een bedrag van € 592,80 (posten ‘reiskosten’ en ‘smartengeld’) en de proceskosten hoofdelijk toewijsbaar zijn. De vordering is grotendeels toegewezen in de zaak tegen de medeverdachte. De klap van de medeverdachte heeft ook de grootste gevolgen voor het slachtoffer gehad. Wel is er pijn ontstaan door de klap van verdachte en de rol van verdachte in het geweld die avond is zeker aanwezig;- alle toewijsbare vorderingen dienen te worden vermeerderd met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel;- de benadeelde partijen voor het overige niet ontvankelijk zijn in de vorderingen.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat:

7.3
Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat:

-

zij zich voor wat betreft de vorderingen van [naam 1] , [naam 6] , [naam 8] en [naam 9] refereert aan het oordeel van de rechtbank;

de benadeelde partij [naam 1] niet ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering voor wat betreft de posten ‘vervanging gestolen fiets’ en ‘verlies inkomen’. Verdachte heeft de fiets niet gestolen en de post ‘verlies inkomen’ is onvoldoende onderbouwd. De post ‘reiskosten’ kan worden toegewezen, maar enkel tegen een vergoeding van € 0,26 per kilometer;

de vordering van [naam 16] afgewezen dient te worden, nu verdachte de inbraak niet heeft gepleegd. Er is dus geen causaal verband tussen het feit en de schade;

de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering, nu de behandeling hiervan een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert;

de vordering van [naam 41] afgewezen dient te worden voor wat betreft de gevorderde immateriële schade, nu deze schade door [naam 41] wordt gevorderd en niet door de medewerkster zelf. Er is geen rechtstreekse schade voor [naam 41] en de bijgevoegde jurisprudentie is niet vergelijkbaar, nu er in deze zaak geen sprake is van braak.

7.4
Het oordeel van de rechtbank

a. reiskosten € 64,12 b. telefoon € 80,00c. immateriële schade € 370,00
a. geld uit kassa € 60,00b. immateriële schade € 100,00
Parketnummer 03/659320-17

Feit 2 primair

Ten laste van verdachte is dit feit bewezen. Het is een strafbaar feit en verdachte zal voor dat feit worden veroordeeld. De rechtbank acht de vorderingen van [naam 1] van € 50,00, [naam 6] van € 50,00, [naam 8] van € 20,00 en [naam 9] van € 50,00, welke door de verdediging niet zijn betwist, overeenkomstig het standpunt van de officier van justitie, integraal toewijsbaar.
De verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schades en de rechtbank zal deze vorderingen dan ook toewijzen, inclusief wettelijke rente, met kostenveroordeling en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex art. 36f van het Wetboek van Strafrecht, een en ander zoals hierna in het dictum vermeldt.

Feit 3 subsidiair

Ten laste van verdachte is dit feit bewezen. Het is een strafbaar feit en verdachte zal voor dat feit worden veroordeeld. De benadeelde partij [naam 1] vordert in totaal € 342,00, bestaande uit de navolgende posten:
Nu verdachte is vrijgesproken van de diefstal van de fiets (feit 3 primair) zal de rechtbank de benadeelde partij ten aanzien van de post onder a. niet-ontvankelijk verklaren.

Anders dan de raadsvrouw acht de rechtbank de posten onder b. en c. voldoende onderbouwd op basis van de bij de vordering gevoegde bijlagen 2 en 3. Nu de omvang van deze gevorderde schadeposten de rechtbank niet uitzonderlijk voorkomt, zal de rechtbank deze schade geheel toewijzen voor het bedrag van (€ 80,00 + € 12,00 = ) € 92,00.

De rechtbank stelt de totale toewijsbare schade derhalve vast op € 92,00.

De verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade en de rechtbank zal deze vordering dan ook deels toewijzen inclusief wettelijke rente, onder niet-ontvankelijkverklaring van het overige, met kostenveroordeling en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex art. 36f van het Wetboek van Strafrecht, een en ander zoals hierna in het dictum vermeldt.

Feit 7 subsidiair

Ten laste van verdachte is dit feit bewezen. Het is een strafbaar feit en verdachte zal voor dat feit worden veroordeeld. De benadeelde partij [naam 16] vordert in totaal € 489,21, bestaande uit de navolgende posten:
Nu verdachte is vrijgesproken van de diefstal van de telefoon en de iPad (feit 7 primair) en alle schadeposten rechtstreeks met deze diefstal verband houden, zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren.

Feit 11

De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert in totaal € 10.028,54.
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren. In deze zaak is wettig en overtuigend bewezenverklaard dat verdachte benadeelde [slachtoffer 1] het café heeft geslagen, hetgeen gekwalificeerd wordt als een eenvoudige mishandeling. Verdachte is vrijgesproken voor het medeplegen van de mishandeling het café, ten gevolge waarvan [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Of en in hoeverre de mishandeling in het café heeft bijgedragen aan dit letsel is onduidelijk terwijl de beoordeling daarvan levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij kan de vordering, indien gewenst, bij de burgerlijke rechter aanbrengen .

Parketnummer 03/091771-17

Ten laste van verdachte is dit feit bewezen. Het is een strafbaar feit en verdachte zal voor dat feit worden veroordeeld. De benadeelde partij [naam 41] vordert in totaal € 160,00, bestaande uit de nav