Uitspraak ECLI:NL:RBLIM:2019:6398

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht; Arbeidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 11-07-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Limburg op 11-07-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBLIM:2019:6398, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 7653064/AZ/19-57 11072019


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK LIMBURG
Burgerlijk recht
Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: 7653064 \ AZ VERZ 19-57

Beschikking van de kantonrechter van 11 juli 2019

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VECON ENGINEERING B.V.

gevestigd te Geleen,werkgever,gemachtigde mr. Y.L.S. Schipper,verzoekende partij in het verzoek, verwerende partij in het tegenverzoek,
tegen:

[verweerder, verzoeker tegenverzoeker]

wonend [adres verweerder, verzoeker tegenverzoek] , [woonplaats verweerder, verzoeker tegenverzoek] ,werknemer,gemachtigde mr. P.J.W.M. Theunissen,verwerende partij in het verzoek, verzoekende partij in het tegenverzoek.
Partijen zullen hierna Vecon en [verweerder, verzoeker tegenverzoeker] worden genoemd.

ECLI:NL:RBLIM:2019:6398:DOC
nl

RECHTBANK LIMBURG
Burgerlijk recht
Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: 7653064 \ AZ VERZ 19-57

Beschikking van de kantonrechter van 11 juli 2019

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VECON ENGINEERING B.V.

gevestigd te Geleen,werkgever,gemachtigde mr. Y.L.S. Schipper,verzoekende partij in het verzoek, verwerende partij in het tegenverzoek,
tegen:

[verweerder, verzoeker tegenverzoeker]

wonend [adres verweerder, verzoeker tegenverzoek] , [woonplaats verweerder, verzoeker tegenverzoek] ,werknemer,gemachtigde mr. P.J.W.M. Theunissen,verwerende partij in het verzoek, verzoekende partij in het tegenverzoek.
Partijen zullen hierna Vecon en [verweerder, verzoeker tegenverzoeker] worden genoemd.

1

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit het navolgende:
-

het op 1 april 2019 ingekomen verzoekschrift met 9 producties

het op 29 mei 2019 ingediende verweerschrift met 15 producties

de nadere producties 10 tot en met 12 van Vecon

de mondelinge behandeling van 13 juni 2019

1.2.
Ten slotte is beschikking bepaald.
2

2.1.
Vecon verricht arbeidsbemiddeling. Op 8 januari 2018 treedt [verweerder, verzoeker tegenverzoeker] bij Vecon in dienst en wordt gedetacheerd bij Trespa International B.V. ten behoeve van een project. De arbeidsovereenkomst is aangegaan voor de duur van het project bij Trespa International maar met een uiterste datum van 3 januari 2019.
2.2.
In artikel 11 van de arbeidsovereenkomst, genaamd relatie- en concurrentiebeding, staat in lid 1: “In artikel 13 lid 2 van de arbeidsovereenkomst staat: “
2.3.
In november 2018 stelt Vecon aan [verweerder, verzoeker tegenverzoeker] voor de arbeidsovereenkomst te verlengen tot 1 juli 2019 en zal hij – bij goed functioneren – vanaf 1 juli 2019 rechtstreeks bij Vecon in vaste dienst komen. [verweerder, verzoeker tegenverzoeker] verkrijgt nog een toezegging over een bonus en stemt op 30 november 2018 in met dit voorstel.
2.4.
Op 3 januari 2019 heeft [verweerder, verzoeker tegenverzoeker] nog geen nieuw contract ontvangen, dat wordt hem pas op 16 januari 2019 aangeboden. In dat contract wordt de bonus niet vermeld en evenmin dat hij vanaf 1 juli 2019 in vaste dienst zou komen bij Vecon. [verweerder, verzoeker tegenverzoeker] reclameert hierover op 17 januari 2019 waarop hij alsnog een brief, gedateerd 15 januari 2019, ontvangt waarin het ontbrekende wordt bevestigd. Deze brief is echter niet voorzien van het briefhoofd en de gegevens van Vecon.
2.5.
Begin januari 2019 is [verweerder, verzoeker tegenverzoeker] benaderd door een ander detacheringsbedrijf. Dat bedrijf heeft werk voor hem bij SIF in Roermond. Op 23 januari 2019 tekent [verweerder, verzoeker tegenverzoeker] een arbeidsovereenkomst met Reef, ingaande 1 februari 2019.
2.6.
Na ondertekening van de arbeidsovereenkomst met Reef zegt [verweerder, verzoeker tegenverzoeker] de arbeidsovereenkomst met Vecon op tegen 1 februari 2019. Vecon accepteert de opzegging niet en wijst er op dat [verweerder, verzoeker tegenverzoeker] de opzegtermijn van 1 maand in acht moet nemen. [verweerder, verzoeker tegenverzoeker] heeft vanaf 1 februari 2019 niet meer gewerkt voor Vecon en Trespa International B.V.
3

3.1.
Vecon vordert – kort samengevat – in deze procedure:I. betaling van een bedrag van € 25.089,45 ter zake gefixeerde schadevergoeding,II. betaling van de boete ex artikel 13 van de arbeidsovereenkomst ter hoogte van € 2.500,00,III. de wettelijke rente over voormelde bedragen,IV. veroordeling van [verweerder, verzoeker tegenverzoeker] in de proceskosten.
3.2.
[verweerder, verzoeker tegenverzoeker] voert verweer en vordert bij zelfstandig tegenverzoek – samengevat –:
loweralpha

het netto equivalent van € 5.526,11 bruto,

de wettelijke verhoging en de wettelijke rente daarover,

de reiskostenvergoeding van € 122,36 en de wettelijke rente daarover,

e proceskosten, inclusief de nakosten.

overwegingen

4

De gefixeerde schadevergoeding

4.1
In eerste instantie heeft Vecon aangegeven dat er een opzegtermijn zou zijn van één maand, die [verweerder, verzoeker tegenverzoeker] dient na te komen. Bij nader inzien blijkt Vecon zich echter vergist te hebben. In de overeenkomst voor bepaalde tijd, waarvan de looptijd mondeling was verlengd tot 1 juli 2019, stond geen mogelijkheid voor tussentijdse opzegging. Dat betekent dat [verweerder, verzoeker tegenverzoeker] de overeenkomst tot 1 juli 2019 had moeten uitdienen. Dat heeft hij niet gedaan en daarom maakt Vecon aanspraak op het salaris dat [verweerder, verzoeker tegenverzoeker] tot 1 juli 2019 nog verdient zou hebben, als zijnde de gefixeerde schadevergoeding. Vecon becijfert dit bedrag op € 25.089,45.
4.2
[verweerder, verzoeker tegenverzoeker] voert verweer. De primaire stelling van [verweerder, verzoeker tegenverzoeker] is dat hij na 3 juli 2019 geen arbeidsovereenkomst meer had, omdat hem nog geen nieuw contract was aangeboden en het oude was verlopen. Daarom was hij ook niet gebonden aan een opzegtermijn. Deze stelling snijdt geen hout. In de eerste plaats is de arbeidsovereenkomst mondeling verlengd tot 1 juli 2019. Ook een mondelinge arbeidsovereenkomst is een rechtsgeldige arbeidsovereenkomst. Daarbij komt dat [verweerder, verzoeker tegenverzoeker] ook na 3 januari 2019 gewoon gewerkt heeft voor Trespa International BV. Als hij geen arbeidsovereenkomst met Vecon meer zou hebben gehad, op grond van welke rechtsgrond zou hij dan gewerkt moeten hebben bij Trespa International BV?
4.3
Nu vast staat dat er ook na 3 januari 2019 sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen Vecon en [verweerder, verzoeker tegenverzoeker] is de volgende vraag wat de regels zijn voor de opzegging hiervan. Inderdaad is er sprake van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd waarin niet de mogelijkheid tot tussentijdse opzegging is opgenomen. [verweerder, verzoeker tegenverzoeker] moet dus doorwerken tot 1 juli 2019. Doet hij dat niet, dan is hij in beginsel een gefixeerde schadevergoeding verschuldigd die gelijk is aan het loon over de resterende contractsduur (artikel 7:677 lid 4 BW).
4.4.
In dit geval heeft Vecon echter uitdrukkelijk aangegeven dat zij een opzegtermijn hanteert van één maand. Achteraf geeft Vecon aan dat hier sprake is van een vergissing bij Vecon – zij ging abusievelijk uit van een contract met een opzegbepaling – en dat zij niet aan deze fout gehouden mag worden. Waarom zij echter niet gehouden zou mogen worden aan haar uitdrukkelijke – tot drie maal toe herhaalde – stelling dat er een opzegtermijn zou zijn van een maand motiveert zij niet, althans niet met een andere stelling dan dat het hier om een vergissing gaat.
4.5.
De kantonrechter is van oordeel dat Vecon wel aan haar eerdere uitlating gehouden mag worden, ook al is die niet in overeenstemming met de tekst van de arbeidsovereenkomst. Daarbij acht de kantonrechter in de eerste plaats van belang dat Vecon, een professioneel uitzendbureau, in de relatie met [verweerder, verzoeker tegenverzoeker] als de deskundige partij op het gebied van de arbeidsrechtelijke aspecten van de arbeidsovereenkomst heeft te gelden. Zij was ook degene die de arbeidsovereenkomst heeft opgesteld, althans de tekst van de overeenkomst heeft aangedragen. Dat maakt dat [verweerder, verzoeker tegenverzoeker] mag vertrouwen op uitlatingen die Vecon doet met betrekking tot het kunnen opzeggen van de arbeidsovereenkomst en de lengte van de opzegtermijn.
4.6.
Daarnaast acht de kantonrechter het van belang dat Vecon door het doen van deze uitspraak [verweerder, verzoeker tegenverzoeker] in een nadeligere positie heeft gebracht. Immers, op grond van de uitlating van Vecon over de opzegtermijn heeft [verweerder, verzoeker tegenverzoeker] rekening kunnen houden met een gefixeerde schadevergoeding van één maand. Later, als de beëindiging van de arbeidsovereenkomst niet meer terug te draaien is, beroept Vecon zich op het ontbreken van een tussentijdse opzegmogelijkheid en vordert zij het salaris over zes maanden. Had [verweerder, verzoeker tegenverzoeker] van dit standpunt geweten toen hij nog kon kiezen om te blijven werken bij Vecon, dan had hij daarvoor wellicht gekozen, ter vermijding van het veel hogere schadebedrag dat Vecon nu vordert. Nu dat niet meer kan komt [verweerder, verzoeker tegenverzoeker] dus in een nadeligere positie te verkeren. Ook daarom dient Vecon gehouden te worden aan de door haar in het leven geroepen indruk dat de eventuele schade maximaal het salaris over de opzegtermijn van één maand zou kunnen bedragen.
4.5.
De gefixeerde schadevergoeding betreft een vergoeding die, de naam zegt het al, los staat van de daadwerkelijk door Vecon geleden schade. Ook als Vecon feitelijk geen schade geleden zou hebben komt de vergoeding aan Vecon toe. Verder is er door [verweerder, verzoeker tegenverzoeker] niets aangevoerd dat maakt dat de aanspraak van Vecon op een gefixeerde schadevergoeding in dit geval in strijd zou zijn met goed werkgeverschap.
4.6.
Dan rest nog de vraag hoe hoog in dit geval de gefixeerde schadevergoeding is. Deze is gelijk aan het loon dat de werknemer nog verdiend zou hebben bij het in acht nemen van de door Vecon genoemde opzegtermijn van één maand. [verweerder, verzoeker tegenverzoeker] heeft gewerkt tot 1 februari 2019 en had moeten werken tot en met 28 februari 2019. Over deze maand bedraagt zijn loon € 3.775,- bruto, te vermeerderen met 8% vakantiegeld.
4.7.
Vecon stelt dat [verweerder, verzoeker tegenverzoeker] structureel zeer veel overuren maakte. Daarom moeten deze overuren betrokken worden bij het loon. [verweerder, verzoeker tegenverzoeker] ontkent niet dat hij veel overuren maakte, maar bestrijdt dat de overuren deel uitmaken van het loon dat de basis vormt voor het vaststellen van de gefixeerde schadevergoeding. De kantonrechter is van oordeel dat structurele overuren deel uitmaken van het loon en dus ook van een eventuele gefixeerde schadevergoeding. Toch zal de kantonrechter in dit geval geen rekening houden met de overuren. Immers, door Vecon is één salarisspecificatie overgelegd met daarop onder andere overuren. Dat is echter volstrekt onvoldoende om vast te stellen wat de omvang van de structureel gemaakte overuren is. Het had op de weg van Vecon gelegen om die omvang inzichtelijk te maken aan de hand van een overzicht van overuren over meerdere maanden. De kantonrechter ziet geen aanleiding Vecon nu nog toe te laten tot een nadere onderbouwing van de omvang van de overuren.Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de gefixeerde schadevergoeding wordt vastgesteld op € 4.077,- (bruto loon en vakantiegeld).
De boete wegens overtreding van het relatiebeding

4.8.
Kort samengevat stelt Vecon dat door het overhaaste vertrek van [verweerder, verzoeker tegenverzoeker] bij Trespa International B.V., waardoor bij wijze van spreken het mes in het varken bleef steken, de relatie tussen Vecon en Trespa International is beschadigd. Daarom is [verweerder, verzoeker tegenverzoeker] de boete uit de arbeidsovereenkomst verschuldigd geworden.
4.9.
[verweerder, verzoeker tegenverzoeker] voert verweer. Allereerst voert [verweerder, verzoeker tegenverzoeker] aan dat het relatiebeding niet rechtsgeldig is aangegaan. Relatiebedingen vallen onder de werking van artikel 7:653 BW (de regeling van het concurrentiebeding). Het relatiebeding voldoet niet aan de in dat artikel gestelde vereisten, bijvoorbeeld wat betreft de vereiste motivering bij een overeenkomst voor bepaalde tijd.
4.10.
De kantonrechter deelt niet de opvatting dat het beding valt onder de werking van artikel 7:653 BW. Hoewel Vecon de bepaling “relatiebeding” heeft genoemd blijkt bij lezing dat hier iets anders aan de orde is dan een relatiebeding zoals bedoeld in artikel 7:653 BW. Namelijk niet een beperking van de werknemer in de mogelijkheid om na het dienstverband te werken voor relaties van de werkgever, maar de verplichting voor de werknemer om bij het einde van het dienstverband zich zodanig te gedragen dat de relatie tussen zijn werkgever en diens opdrachtgever goed blijft. Dat is een heel ander soort beding. Gelet op deze andere strekking is de kantonrechter van oordeel dat de vereisten van artikel 7:653 BW hierop niet van toepassing zijn. Het beding is dus geldig.
4.11.
Verder heeft [verweerder, verzoeker tegenverzoeker] aangevoerd dat hij in de dagen die hij nog bij Trespa International BV heeft gewerkt al zijn werk heeft voltooid en/of overgedragen. Hij heeft dus zeker zijn best gedaan om de relatie tussen Vecon en Trespa International B.V. te bevorderen en overigens is Trespa International BV ook klant gebleven bij Vecon. Van enige schade is dus geen sprake en het beding is niet overtreden.
4.12.
Vecon bestrijdt dit door het overleggen van enkele emails van Trespa International BV waaruit blijkt dat het werk niet goed is overgedragen en Trespa International BV allerminst gelukkig was met de gang van zaken. Vecon erkent wel dat Trespa International BV nog steeds van haar diensten gebruik maakt.
4.13.
De kantonrechter overweegt dat aan boetebedingen in arbeidsovereenkomsten naar hun aard strenge eisen moeten worden gesteld wat betreft de duidelijkheid. Het betreft immers een sanctiemiddel en daarom moet het voor de werknemer glashelder zijn wanneer hij een boete verbeurt. Is dat niet het geval, dan kan de werkgever zich niet beroepen op het betreffende beding. De kantonrechter is van oordeel dat in dit geval de vereiste duidelijkheid ontbreekt. In het relatiebeding vraagt Vecon twee keer een inspanningsverplichting van haar werknemers, namelijk de relatie tussen Vecon en haar opdrachtgevers en er aan dat deze relatie blijft bestaan. Indien, zoals in dit geval, het vast staat dat de relatie tussen Vecon en Trespa International BV is blijven bestaan, hoe kan dan vastgesteld worden dat [verweerder, verzoeker tegenverzoeker] zich onvoldoende heeft ingespannen de relatie te bevorderen en er aan mee te werken dat deze blijft bestaan? En waar ligt eigenlijk de grens van onvoldoende inspanning en/of medewerking waarop de boete verschuldigd wordt? Deze vragen, die essentieel zijn voor het kunnen beantwoorden van de vraag of het relatiebeding is overtreden, laten zich aan de hand van de tekst van dit beding niet beantwoorden. Daarmee is van de vereiste duidelijkheid van het beding geen sprake. De kantonrechter zal de gevorderde boete afwijzen.
Het zelfstandig verzoek van [verweerder, verzoeker tegenverzoeker] : uitbetaling van de eindafrekening.

4.14.
Vecon heeft aan [verweerder, verzoeker tegenverzoeker] een eindafrekening verschaft. Bruto dient Vecon uit te betalen € 5.526,11. Netto komt dat, na een correctie voor ten onrechte uitbetaalde reiskosten ad € 122,36, neer op € 2.682,14. Vervolgens heeft Vecon dit bedrag niet uitbetaald maar in mindering gebracht op de vordering die zij op [verweerder, verzoeker tegenverzoeker] heeft.
4.15.
[verweerder, verzoeker tegenverzoeker] is het niet eens met een inhouding van € 122,36 netto. Van ten onrechte uitgekeerde reiskosten is geen sprake. Verder bestrijdt [verweerder, verzoeker tegenverzoeker] dat Vecon een vordering op hem heeft. Mocht er toch van een vordering sprake zijn, dan had Vecon het bruto bedrag van de eindafrekening met de vordering op [verweerder, verzoeker tegenverzoeker] moeten verrekenen en niet slechts het nettobedrag van de eindafrekening.
4.16.
De kantonrechter stelt vast dat [verweerder, verzoeker tegenverzoeker] zich kan vinden in de bedragen zoals die in de eindafrekening worden genoemd, met uitzondering van de gecorrigeerde reiskosten. Hij heeft immers geen andere bezwaren tegen de genoemde bedragen kenbaar gemaakt.Wat betreft de correctie van de reiskosten heeft Vecon ter gelegenheid van de mondelinge behandeling een toelichting verstrekt. Deze toelichting komt er op neer dat reiskosten ten onrechte zijn opgevoerd op dagen waarop [verweerder, verzoeker tegenverzoeker] heeft aangegeven thuis gewerkt te hebben. [verweerder, verzoeker tegenverzoeker] stelt dat deze reiskosten betrekking hebben op dagen waarop hij eerst bij Trespa International BV heeft gewerkt, en dus reiskosten heeft gemaakt, en later thuis is gaan werken.
4.17.
De kantonrechter is van oordeel dat de uitleg van [verweerder, verzoeker tegenverzoeker] voldoende aannemelijk is. Daartegenover had het dan op de weg van Vecon gelegen om gemotiveerd en gedocumenteerd aan te geven waarom een en ander toch niet klopt. Dat heeft Vecon niet gedaan. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat Vecon de correctie ad € 122,36 netto ten onrechte heeft doorgevoerd. Op grond van de eindafrekening komt dus € 2.804,50 aan [verweerder, verzoeker tegenverzoeker] toe.
4.18.
Hiervoor heeft de kantonrechter geoordeeld dat aan Vecon een gefixeerde schadevergoeding toekomt van € 4.077,00. Het staat haar vrij dit bedrag te verrekenen met het loon dat nog aan [verweerder, verzoeker tegenverzoeker] toekomt (artikel 7:632 BW geldt niet bij einde dienstverband). [verweerder, verzoeker tegenverzoeker] stelt dat dat bedrag verrekend moet worden met het brutobedrag van de einduitkering, € 5.526,11. [verweerder, verzoeker tegenverzoeker] gaat er dan echter aan voorbij dat de schadevergoeding ad € 4.077,- een netto bedrag is en dus ook verrekend moet worden met het netto aan [verweerder, verzoeker tegenverzoeker] toekomende bedrag ter zake de eindafrekening, zijnde € 2.804,50. Per saldo resteert dus nog een bedrag van € 1.272,50 dat [verweerder, verzoeker tegenverzoeker] nog aan Vecon dient te voldoen.
4.19.
Ten slotte heeft [verweerder, verzoeker tegenverzoeker] nog aanspraak gemaakt op de wettelijke verhoging en de wettelijke rente over de hem toekomende eindafrekening. Omdat de opeisbaarheid van de eindafrekening echter samenvalt met de opeisbaarheid van de schadevergoeding, beide bij het einde van het dienstverband, en omdat de vordering van Vecon op [verweerder, verzoeker tegenverzoeker] per saldo hoger is, is er geen betalingsachterstand aan de zijde van Vecon ontstaan. De wettelijke verhoging en de wettelijke rente zijn dan ook niet verschuldigd geworden.
4.20.
In de uitkomst van de procedure ziet de kantonrechter aanleiding om de proceskosten tussen partijen te compenseren, in die zin dat elk van partijen de eigen kosten draagt.
beslissing

5

De kantonrechter:

ten aanzien van het verzoek van Vecon

5.1.
veroordeelt [verweerder, verzoeker tegenverzoeker] om aan Vecon te voldoen een bedrag van € 1.272,50, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het tijdstip van opeisbaarheid tot aan de dag der algehele voldoening,
5.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,
5.3.
wijst het meer of anders gevorderde af,
ten aanzien van het tegenverzoek van [verweerder, verzoeker tegenverzoeker]

5.4.
wijst het verzoek af,
Ten aanzien van beide verzoeken

5.5.
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat elk van partijen de eigen kosten draagt,
Deze beschikking is gewezen door mr. R.A.J. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken.

type: rvl\phcoll: