Uitspraak ECLI:NL:RBLIM:2019:6396

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 11-07-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Limburg op 10-07-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBLIM:2019:6396, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is C.03 / 265508 / HARK 19-129, C.03 / 265508 / HARK 19-136, C.03 / 265762 / HARK 19-138


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK LIMBURGZittingsplaats Roermond
- mr. V.P. van Deventer, voorzitter,- mr. R.A.M.M. Gijselaers en - mr. D.C.I. van Delft, leden,hierna ook te noemen: de rechters.

Wrakingskamer

Zaaknummers: 1. C/03/265508 HA RK 19-129 2. C/03/265616 HA RK 19-136 3. C/03/265762 HA RK 19-138
Beslissing van de meervoudige kamer belast met de behandeling van wrakingsverzoeken

in de zaken van:

[verzoeker]

thans gedetineerd in de P.I. [naam penitentiaire inrichting] , [adres penitentiaire inrichting] te [plaats penitentiaire inrichting] , hierna te noemen: verzoeker,raadsman: mr. R.F. Nelisse, advocaat te Schiedam,
indiener van drie verzoeken die strekken tot wraking van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken van deze rechtbank, bestaande uit:

ECLI:NL:RBLIM:2019:6396:DOC
nl

RECHTBANK LIMBURGZittingsplaats Roermond
- mr. V.P. van Deventer, voorzitter,- mr. R.A.M.M. Gijselaers en - mr. D.C.I. van Delft, leden,hierna ook te noemen: de rechters.
Wrakingskamer

Zaaknummers: 1. C/03/265508 HA RK 19-129 2. C/03/265616 HA RK 19-136 3. C/03/265762 HA RK 19-138
Beslissing van de meervoudige kamer belast met de behandeling van wrakingsverzoeken

in de zaken van:

[verzoeker]

thans gedetineerd in de P.I. [naam penitentiaire inrichting] , [adres penitentiaire inrichting] te [plaats penitentiaire inrichting] , hierna te noemen: verzoeker,raadsman: mr. R.F. Nelisse, advocaat te Schiedam,
indiener van drie verzoeken die strekken tot wraking van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken van deze rechtbank, bestaande uit:

procesverloop

1

1.1.
Op 17 juni 2019 is namens verzoeker tijdens de terechtzitting in de zaken met de parketnummers [parketnummer zaak 1] en [parketnummer zaak 2] een verzoek tot wraking gedaan van de rechters in hun hoedanig als de leden van de meervoudige strafkamer belast met de behandeling van de strafzaak tegen verzoeker (hierna: het eerste wrakingsverzoek).
1.2.
De rechters hebben niet in het verzoek berust. Zij hebben gezamenlijk schriftelijk gereageerd.
1.3
Naar aanleiding van deze reactie heeft verzoeker op 21 juni 2019 een nieuw wrakingsverzoek tegen de rechters ingediend (hierna: het tweede wrakingsverzoek).
1.4.
De rechters hebben ook in dit verzoek niet berust en hebben gezamenlijk schriftelijk gereageerd.
1.5
Naar aanleiding van deze reactie heeft verzoeker op 25 juni 2019 andermaal een wrakingsverzoek tegen de rechters ingediend (hierna: het derde wrakingsverzoek).
1.6.
De rechters hebben evenmin in dit verzoek berust en hebben gezamenlijk schriftelijk gereageerd.
1.7.
De wrakingsverzoeken zijn behandeld ter zitting van 27 juni 2019, waar verzoeker, bijgestaan door zijn raadsman, mr. van Deventer en mr. Gijselaers zijn verschenen. Mr. van Delft is niet verschenen. Van de zijde van het Openbaar Ministerie is voorafgaand aan de zitting medegedeeld dat er geen behoefte bestaat om te worden gehoord.
1.8.
Ter zitting heeft de raadsman van verzoeker gesteld dat verzoeker naar aanleiding van de reactie van de rechters op het derde wrakingsverzoek op 26 juni 2019 opnieuw een (vierde) wrakingsverzoek heeft ingediend. De wrakingskamer heeft laatstgenoemd (beweerdelijk) verzoek aangemerkt als een aanvulling op het derde wrakingsverzoek en als zodanig bij de behandeling betrokken (overigens heeft de wrakingskamer na de zitting vastgesteld dat het vierde wrakingsverzoek niet door haar is ontvangen).
1.9.
De wrakingskamer heeft de datum van de uitspraak bepaald op heden.
overwegingen

2

2.1.
Aan de wrakingsverzoeken heeft verzoeker – samengevat weergegeven – ten grondslag gelegd dat de afwijzing door de rechters ter zitting van 17 juni 2019 van zijn verzoek om daar geluidsopnames af te (doen) spelen van het verhoor van de getuige [naam getuige] – waarvan verzoeker stelt dat de opnames afwijken van hetgeen in het proces-verbaal van het verhoor van deze getuige is weergegeven – de schijn van vooringenomenheid wekt. De rechters hebben met hun beslissing aangegeven geen kennis te willen nemen van hetgeen ter verdediging van verzoeker is aangevoerd, hetgeen impliceert dat de rechters hier onvoldoende tot geen belang aan hechten. Uit de reactie van de rechters op het tweede wrakingsverzoek is zelfs af te leiden dat zij het – ongefundeerde – standpunt van het Openbaar Ministerie inzake de concretisering van de kritiek van de raadsman van verzoeker op het proces-verbaal van de getuige [naam getuige] tot het hunne hebben gemaakt.
2.2.
Daarnaast stelt verzoeker dat de rechters hun beslissing om het verzoek af te wijzen ten onrechte hebben gemotiveerd met de stelling dat het verzoek onvoldoende concreet was om het beluisteren van de opnames ter zitting te rechtvaardigen. In dat kader is volgens hem van belang dat zijn raadsman reeds voorafgaand aan de (pro forma) zitting van 26 april 2018 de rechtbank een brief heeft gestuurd waarin is aangegeven welke passages in de geluidsopnames niet overeenkomen met de inhoud van het van het verhoor opgemaakte proces-verbaal. Uit de motivering van hun beslissing moet worden afgeleid dat de rechters geen kennis hebben genomen van deze brief en het proces-verbaal van de zitting van 26 april 2018, waarop de brief uitgebreid besproken is (). Dit duidt op gebrek aan kennis van het dossier bij de rechters. Ook uit de door de rechters op de wrakingsverzoeken gegeven reacties komt herhaaldelijk naar voren dat zij onvoldoende kennis hebben genomen van het dossier. De weigering om van het gehele dossier kennis te nemen, kan alleen haar oorzaak hebben in vooringenomenheid van de rechters: zij denken te weten hoe de vork in de steel zit en hoeven daarom niet van het gehele dossier kennis te nemen.
3

3.1.
De rechters hebben in hun schriftelijke reactie op het eerste wrakingsverzoek aangegeven dat dit verzoek is gericht tegen een procedurele beslissing. Een wrakingsverzoek tegen een dergelijke beslissing kan alleen worden toegewezen als zij zozeer ongerijmd is dat hieruit de (schijn van) vooringenomenheid blijkt. Dat is in dit geval niet aan de orde. Ook hebben de rechters opgemerkt dat uit hun reactie op het tweede wrakingsverzoek geenszins kan worden afgeleid dat zij enig standpunt van het Openbaar Ministerie tot het hunne hebben gemaakt. Met hun verwijzing naar het standpunt van het Openbaar Ministerie bij de pro forma zitting van 26 april 2018 hebben zij enkel willen benadrukken dat de vraag of het verzoek met betrekking tot de geluidsopnames wel of niet voldoende concreet was, toen ook al speelde. De rechters hebben in hun schriftelijke reacties de argumenten die verzoeker heeft aangedragen om te onderbouwen dat zij onvoldoende kennis hebben van het dossier weerlegd en ter zitting van de wrakingskamer is van de zijde van de rechters ten stelligste ontkend dat zij het dossier niet gedegen hebben voorbereid.
4. De beoordeling

4.1.
De wrakingskamer beoordeelt of sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter ten opzichte van een procespartij vooringenomen is, althans dat de bij die partij daarvoor bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Het (subjectieve) standpunt van een verzoeker daarover is belangrijk, maar niet doorslaggevend; de vrees voor partijdigheid moet objectief gerechtvaardigd zijn.
4.2.
De vraag of sprake is van rechterlijke partijdigheid moet worden beantwoord aan de hand van twee criteria: het subjectieve en het objectieve criterium. Bij het subjectieve criterium gaat het om de vraag of sprake is van een gebleken persoonlijke overtuiging en/of zodanig gedrag van een rechter, dat door een verzoeker de conclusie moet worden getrokken dat deze rechter partijdig is. Bij het objectieve criterium gaat het om de vraag of sprake is van een bij een verzoeker bestaande, objectief gerechtvaardigde vrees dat de onpartijdigheid bij de rechter ontbreekt, waarbij ook de schijn van partijdigheid van belang is.
4.3.
Dat sprake zou zijn van subjectieve partijdigheid is niet gesteld noch gebleken, zodat het wrakingsverzoek verder beoordeeld zal worden aan de hand van het objectieve criterium.
4.4.
Ten aanzien van de door verzoeker aangevoerde gronden stelt de wrakingskamer vast dat de directe aanleiding voor de wraking van de rechters is gelegen in hun beslissing het verzoek van de raadsman van verzoeker tot het ter zitting beluisteren van de opnames van het verhoor van de getuige [naam getuige] af te wijzen. Zoals de Hoge Raad heeft overwogen in zijn arrest van 25 september 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1413) brengt het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in strafzaken mee dat een rechterlijke (tussen)beslissing als zodanig nimmer grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. Het gerecht dat over het wrakingsverzoek moet oordelen (de wrakingskamer) komt geen oordeel toe over de juistheid van de (tussen)beslissing noch over het verzuim te beslissen. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen verzet zich evenzeer ertegen dat de motivering van de (tussen)beslissing grond kan vormen voor wraking, ook indien het gaat om een door de wrakingskamer onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of om het ontbreken van een motivering. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de (tussen)beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten – bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen – niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven. Naar het oordeel van de wrakingskamer is hiervan in het onderhavige geval geen sprake. Uit de motivering van de (tussen)beslissing kan geen vooringenomenheid worden afgeleid.
4.5.
Met betrekking tot het verwijt van verzoeker dat de rechters over onvoldoende dossierkennis beschikken is de wrakingskamer van oordeel dat deze omstandigheid, wat daar verder ook van zij, niet de objectief gerechtvaardigde vrees rechtvaardigt dat de rechters vooringenomen zouden zijn.
4.6.
Alles overwegend is de wrakingskamer van oordeel dat geen feiten of omstandigheden zijn gesteld of gebleken die zouden moeten leiden tot de conclusie dat er gronden zijn voor het aannemen van objectiveerbare partijdigheid of een objectiveerbare schijn van partijdigheid bij de rechters.
4.7.
De verzoeken worden daarom afgewezen.

5. De beslissing

De wrakingskamer:

wijst de verzoeken tot wraking van mr. V.P. van Deventer, mr. R.A.M.M. Gijselaers en mr. D.C.I. van Delft af.

Aldus vastgesteld door mr. R.M.M. Kleijkers, voorzitter, mr. W.Th.M. Raab en mr. G.P.C. Dijkshoorn-Sleebe, leden, in aanwezigheid van J.N. Buddeke als griffier. De uitspraak is openbaar gemaakt op 10 juli 2019.
griffier voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze beslissing geen rechtsmiddel open.