Uitspraak ECLI:NL:RBLIM:2019:5365

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht; Arbeidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 11-06-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Limburg op 11-06-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBLIM:2019:5365, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 7749939 CV EXPL 19-3392


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Maastricht
Burgerlijk recht

Zaaknummer 7749939 CV EXPL 19-3392

Vonnis in kort geding van de kantonrechter van 11 juni 2019

in de zaak van

[eiser] ,

wonend in [woonplaats] , aan de [adres] ,eisende partij,gemachtigde mr. C.A.M. Lemeer-Smeets
tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid gevestigd en kantoorhoudend te (6372 RJ) Landgraaf aan de Prickenscheydt 2, gedaagde partij,in rechte vertegenwoordigd door haar directeur de heer [naam directeur] .
Partijen zullen hierna [eiser] en Sam genoemd worden.

ECLI:NL:RBLIM:2019:5365:DOC
nl

RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Maastricht
Burgerlijk recht

Zaaknummer 7749939 CV EXPL 19-3392

Vonnis in kort geding van de kantonrechter van 11 juni 2019

in de zaak van

[eiser] ,

wonend in [woonplaats] , aan de [adres] ,eisende partij,gemachtigde mr. C.A.M. Lemeer-Smeets
tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid gevestigd en kantoorhoudend te (6372 RJ) Landgraaf aan de Prickenscheydt 2, gedaagde partij,in rechte vertegenwoordigd door haar directeur de heer [naam directeur] .
Partijen zullen hierna [eiser] en Sam genoemd worden.

1

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-

het exploot van dagvaarding d.d. 8 mei 2019

de op 21 mei 2019 ter griffie ontvangen nagezonden productie van de zijde van [eiser]

de mondelinge behandeling ter zitting van 23 mei 2019.

1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2

2.1.
[eiser] is sinds 7 januari 2019 krachtens arbeidsovereenkomst in dienst getreden bij Sam in de functie van chauffeur tegen een bruto-uurloon van € 11,40 en voor 15 (overeengekomen) uren per week.
2.2.
[eiser] is eind februari 2019 ziek uitgevallen. Op grond van de arbeidsovereenkomst dient Sam het loon gedurende 104 weken 100% door te betalen.
2.3.
Het loon over februari 2019 is door [eiser] begin maart 2019 ontvangen. Daarna heeft [eiser] zijn loon in het geheel niet meer ontvangen.
2.4.
[eiser] heeft Sam gesommeerd om tot betaling van het loon over te gaan, onder meer op 11 april 2019 (productie 3), doch tot op heden zonder succes. Daarna heeft de gemachtigde van [eiser] op 15 april 2019 Sam nogmaals gesommeerd om tot betaling van het loon over te gaan, waarbij tevens is aangekondigd dat indien betaling achterwege zou blijven een gerechtelijke procedure zou worden aangespannen.
3

3.1.
[eiser] vordert de veroordeling van Sam tot betaling van:
loweralpha

het loon over maart 2019 ad € 741,00 bruto

het loon over april 2019 ad € 741,00 bruto

de wettelijke verhoging over de onder a. en b. genoemde bedragen

e wettelijke rente over de onder a en b. genoemde bedragen

kort gezegd: het loon tot einde dienstverband

een vergoeding van buitengerechtelijke kosten ad € 222,30

de nakosten met rente

de proceskosten.

3.2.
Sam heeft ter zitting verweer gevoerd. Daartoe heeft zij een “Model Beëindigingsovereenkomst Dienstverband” overgelegd (een kopie daarvan is aan het dossier toegevoegd) waarin - voor zover hier van belang - vermeld staat dat de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden eindigt op 31 maart 2019.
3.3.
[eiser] heeft ter zitting betwist dat het zijn handtekening is die onder genoemde beëindigingsovereenkomst staat en stelt dat die handtekening vervalst is.
overwegingen

4

4.1.
Het spoedeisende belang vloeit voort uit de aard van de zaak (loonvordering) en is op zichzelf ook onbetwist gelaten.
4.2.
Om een voorziening te kunnen treffen zoals gevorderd, dient te worden beoordeeld of het aannemelijk is dat de rechter in een aanhangig te maken bodemprocedure een met de gevraagde voorziening overeenstemmende vordering zal toewijzen. Die beoordeling geschiedt op basis van hetgeen in deze korte procedure naar voren is gebracht en aannemelijk is gemaakt.
4.3.
De kantonrechter heeft ter zitting reeds te kennen gegeven dat aan het door Sam eerst ter zitting overgelegde stuk niet de waarde toekomst die Sam eraan gehecht wil zien. In de eerste plaats wordt de echtheid van de handtekening onder de beëindigingsovereenkomst door [eiser] gemotiveerd betwist en de bewijslast ter zake van die echtheid rust op Sam. Voor een onderzoek ter zake van die echtheid is in kort geding echter geen plaats. Daar komt nog bij dat de omstandigheid dat Sam eerst op de zitting met de vermeende beëindigingsovereenkomst op de proppen komt, bepaald niet wijst in de richting van een authentiek stuk. Volgens dat stuk is het immers door partijen reeds op 28 februari 2019 ondertekend en niet kan worden ingezien waarom Sam die overeenkomst, indien authentiek, dan niet al veel eerder (meer specifiek: reeds direct na de eerste sommatie) aan [eiser] heeft tegengeworpen. Belangrijker nog is dat zelfs indien het een authentiek stuk is, dan nog heeft te gelden dat een goed werkgever zijn werknemer (en met name een zieke werknemer) juist behoort te behoeden voor het ondertekenen van een dergelijke overeenkomst, omdat evident is dat de gevolgen daarvan voor de werknemer zeer nadelig kunnen zijn. Het is daarom aannemelijk dat in een bodemprocedure de rechtsgeldigheid van die overeenkomst met succes kan worden aangevochten.
4.4.
Nu ook niet is gebleken dat de arbeidsovereenkomst op andere wijze voortijdig is beëindigd, dient in dit kort geding de conclusie te luiden dat in een eventuele bodemprocedure waarschijnlijk zal worden geoordeeld dat de arbeidsovereenkomst nog steeds van kracht is en dat de gevorderde voorziening derhalve toewijsbaar is.
4.5.
De gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal eveneens worden toegewezen nu gebleken is dat [eiser] genoodzaakt was om kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte te maken, de gestelde daartoe verrichte werkzaamheden niet door Sam worden betwist en deze het kostenbedrag - berekend volgens het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten – rechtvaardigen.
4.6.
Sam zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot de datum van dit vonnis begroot op € 1.057,59, bestaande uit € 720,00 aan salaris gemachtigde, € 231,00 aan griffierecht en € 106,59 aan explootkosten.
4.7.
De gevorderde nakosten zullen op de hierna in het dictum weergegeven wijze worden toegewezen.
beslissing

5

De kantonrechter

5.1.
veroordeelt Sam om aan [eiser] te betalen:
loweralpha

het loon over maart 2019 ad € 741,00 bruto

het loon over april 2019 ad € 741,00 bruto

de wettelijke verhoging over de onder a. en b. genoemde bedragen

e wettelijke rente over de onder a en b. genoemde bedragen

het loon tot einde dienstverband, indien aan de orde te vermeerderen met wettelijke verhoging en met tussentijdse verhogingen waarop [eiser] op grond van de overeenkomst en daarop van toepassing zijnde regelingen recht op heeft

een vergoeding van buitengerechtelijke kosten ad € 222,30;

5.2.
veroordeelt Sam tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot de datum van dit vonnis begroot op € 1.057,59;
5.3.
veroordeelt Sam, onder de voorwaarde dat zij niet binnen twee weken na aanschrijving door [eiser] volledig aan dit vonnis voldoet, tot betaling van de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 100,00 aan salaris gemachtigde, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na aanschrijving tot de dag der voldoening, te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van die betekening, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening tot de dag der voldoening;
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.J. Otto en is in het openbaar uitgesproken.RK