Uitspraak ECLI:NL:RBLIM:2019:5329

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 11-06-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Limburg op 11-06-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBLIM:2019:5329, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is ROE 18/1853


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK limburguitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 juni 2019 in de zaak tussenPLUS Vastgoed B.V., gevestigd te Utrecht,

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 18/1853

PLUS Retail B.V.

PLUS [*]

Food-Retail Mook B.V.

Retail Mook Holding B.V.

[naam 1]

(gemachtigde: mr. V.J. Leijh),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Mook en Middelaar

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: , gevestigd te Ottersum (gemachtigde: mr. B. de Haan).

ECLI:NL:RBLIM:2019:5329:DOC
nl

RECHTBANK limburguitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 juni 2019 in de zaak tussenPLUS Vastgoed B.V., gevestigd te Utrecht,
Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 18/1853

PLUS Retail B.V.

PLUS [*]

Food-Retail Mook B.V.

Retail Mook Holding B.V.

[naam 1]

(gemachtigde: mr. V.J. Leijh),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Mook en Middelaar

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: , gevestigd te Ottersum (gemachtigde: mr. B. de Haan).

procesverloop

Procesverloop

Bij besluit van 23 november 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder aan de derde-partij (hierna: vergunninghoudster) een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een supermarkt op het perceel Rijksweg 121 te Mook.

Bij besluit van 28 juni 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van PLUS Vastgoed B.V., PLUS Retail B.V. en [naam 1] niet-ontvankelijk verklaard. Het bezwaar van PLUS [*], Food-Retail Mook B.V. en Retail Mook Holding B.V. heeft verweerder, onder aanvulling van de motivering, ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Met toepassing van artikel 8:26, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is vergunninghoudster in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen. Van die gelegenheid is gebruik gemaakt.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 mei 2019. Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door [naam 2], bijgestaan door hun gemachtigde. Als deskundigen zijn namens eisers ing. C. Nab en ing. J. de Wijs, werkzaam als adviseurs Parkeren en Locatieontwikkeling bij Goudappel Coffeng, verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Namens vergunninghoudster zijn verschenen [naam 3] en [naam 4], bijgestaan door haar gemachtigde.

De zaak is ter zitting gevoegd behandeld met de zaken AWB 18/1522 en AWB 18/1607. Na de behandeling zijn de zaken gesplitst, zodat afzonderlijk uitspraak zal worden gedaan.

1. Vergunninghoudster heeft op 28 juli 2017 een aanvraag voor een
2. Bij het primaire besluit heeft verweerder, na vast te hebben gesteld dat een deel vanhet gebouw (een uitbreiding) vergunningvrij kan worden gerealiseerd, de gevraagde vergunning verleend. Volgens verweerder doen zich voor wat betreft de activiteit bouwen, behoudens strijdigheid met het bestemmingsplan ‘Mook en Molenhoek’ (het bestemmingsplan), geen van de in artikel 2.10, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) genoemde weigeringsgronden voor. De aanvraag voldoet aan het Bouwbesluit 2012, de Bouwverordening gemeente Mook en Middelaar, 14e serie wijzigingen (de bouwverordening), en, zoals volgt uit het stempeladvies van de commissie ruimtelijke kwaliteit van 24 oktober 2017, de redelijke eisen van welstand. Omdat de overdekte winkelwagenstalling is gesitueerd buiten het bouwvlak is - voor zover thans van belang - sprake van strijd met het bestemmingsplan. Om realisering van de stalling niettemin mogelijk te maken, heeft verweerder krachtens artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo (de zogenoemde kruimelgevallenregeling) een omgevingsvergunning verleend. Volgens verweerder valt het gebruik onder artikel 4, eerste onderdeel, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor). Verder heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het afwijken van het bestemmingsplan, gelet op het advies van de commissie ruimtelijke kwaliteit, niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Ook heeft verweerder bij het primaire besluit een omgevingsvergunning verleend voor het maken van handelsreclame (artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder h, van de Wabo) en het aanleggen van een in- en uitrit aan de Prinses Beatrixstraat te Mook (artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wabo). De weigeringsgronden van 2.12, tweede lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Mook en Middelaar 2015 (APV) doen zich in de visie van verweerder niet voor.
3. Eisers hebben tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij zijn allen betrokken
4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van PLUS Vastgoed B.V.,26 maart 2018.
5. Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij hebben er op
6. Bij verweerschrift heeft verweerder primair het standpunt ingenomen dat eisers geen
7. De rechtbank overweegt als volgt.
8. De rechtbank ziet zich allereerst geplaatst voor de vraag of PLUS Vastgoed B.V.,
9. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan:
10. Eisers hebben in beroep onbestreden gelaten dat PLUS Vastgoed B.V. en PLUS
11. Ten aanzien van [naam 1], de eigenaar/verhuurder van het pand aan de
12. De rechtbank overweegt dat in het navolgende onder eisers worden verstaan PLUS [*], Food-Retail Mook B.V. en Retail Mook Holding B.V.
13. De rechtbank stelt vast dat partijen niet verdeeld houdt dat een deel van het gebouw
14. Over het beroep van eisers op artikel 2.5.30, eerste lid, van de bouwverordening overweegt de rechtbank als volgt.
Parkeren: artikel 2.5.30 van de bouwverordening

15. In artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo is bepaald dat het verboden
16. Ingevolge artikel 2.5.30, eerste lid, van de bouwverordening moet, indien de omvang
17. Verweerder heeft het standpunt ingenomen dat artikel 2.5.30 van de bouwverordening niet strekt tot bescherming van de (ondernemers)belangen van eisers en het relativiteitsvereiste, neergelegd in artikel 8:69a van de Awb, aan vernietiging van het bestreden besluit wegens strijd met dat artikel in de weg staat.
18. Ingevolge artikel 8:69a van Awb vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de
19. De rechtbank overweegt dat artikel 2.5.30, eerste lid, van de bouwverordening ertoe
20. Aan de rechtbank ligt vervolgens ter beoordeling voor of de supermarkt beschiktover voldoende parkeerruimte.
21. In het bestemmingsplan en de bouwverordening wordt niet verwezen naar toe te
22. Eisers hebben de voormelde parkeernorm bestreden onder verwijzing naar notities
23. De rechtbank overweegt dat de CROW-publicatie 317 voorziet in parkeerkencijfers
24. Uitgaande van een ‘fullservice supermarkt (laag en middellaag segment)’ in een ‘schil centrum’ in een ‘niet-stedelijk gebied’ bedraagt op grond van de CROW-publicatie 317 de minimale parkeernorm 56 parkeerplaatsen. Omdat de voorziene supermarkt slechts over 55 parkeerplaatsen beschikt, ontbeert het bestreden besluit op dit punt een deugdelijke motivering. Het bestreden besluit is daarom in strijd met artikel 7:12 van de Awb. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De rechtbank ziet geen aanleiding om verweerder met toepassing van afdeling 8.2.2a van de Awb (bestuurlijke lus) in de gelegenheid te stellen om het gebrek in het bestreden besluit te (laten) herstellen. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de rechtbank niet kan overzien of herstel van het gebrek binnen een redelijke termijn mogelijk is. De rechtbank zal het bestreden besluit daarom vernietigen en verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.25. Aan een beoordeling van de overige gronden van beroep komt de rechtbank niet meer toe.
26. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.
27. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.024,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1). Van andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten is niet gebleken.
omgevingsvergunning ingediend voor het realiseren van een supermarkt op het perceelRijksweg 121 te Mook. Vergunninghoudster is een projectontwikkelaar die ter plaatse eenJan Linders supermarkt mogelijk wil maken.
bij de nabijgelegen supermarkt Plus [*] aan de Prinses Beatrixstraat 13 te Mook.Food-Retail Mook B.V. en Retail Mook Holding B.V. zijn eigenaar van die supermarkt.PLUS [*] is de exploitant, PLUS Vastgoed B.V. de huurder van het pand en PLUSRetail B.V. de franchisegever. [naam 1] is eigenaar van het pand waarin desupermarkt is gevestigd.
PLUS Retail B.V. en [naam 1] niet-ontvankelijk verklaard. Verweerder heeftzich op het standpunt gesteld dat zij slechts een afgeleid belang hebben en zij daarmee geenbelanghebbenden, zoals bedoeld in artikel 1:2 van de Awb, zijn. PLUS [*], Food-Retail Mook B.V. en Retail Mook Holding B.V. zijn binnen hetzelfde marktsegment enverzorgingsgebied als de nieuwe supermarkt werkzaam en zijn daarom wel alsbelanghebbenden in de zin van artikel 1:2 van de Awb aan te merken. Hun bezwaar heeftverweerder, onder aanvulling van de motivering, ongegrond verklaard. Die aanvullingbestaat onder meer uit een onderbouwing van het standpunt dat een deel van het gebouwvergunningvrij kan worden gerealiseerd, een uitbreiding van de onderbouwing dat hetafwijken van het bestemmingsplan voor het bouwen van de winkelwagenstalling inovereenstemming is met een goede ruimtelijke ordening en een nadere onderbouwing van deter plaatse geldende parkeernorm. Dat het bouwplan in overeenstemming is met de redelijkeeisen van welstand wordt nader onderbouwd met een welstandsadvies van het Geldersgenootschap van 6 april 2018. Voor zover verkeersaspecten bij de vergunningverlening eenrol spelen, heeft verweerder verwezen naar notities van Goudappel Coffeng van 19 september 2016, BVA Verkeersadviezen van augustus 2017 en DTV Consultants van
gewezen dat naast de omgevingsvergunning een verkeersbesluit is genomen. Hetverkeersbesluit heeft tot doel om in de Prinses Beatrixstraat (gedeeltelijk) tweerichtings-verkeer toe te staan. Eisers zijn van mening dat zij door beide besluiten in hun belangenworden geschaad. Volgens eisers is hierdoor de bereikbaarheid van de PLUS supermarkt,zowel voor wat betreft parkeren als verkeer, in het geding.
Eisers hebben bestreden dat [naam 1] slechts een afgeleid belang heeft. Doorhet verlenen van de omgevingsvergunning wordt de bereikbaarheid, verhuurbaarheid en dewaarde van zijn pand negatief beïnvloed.
Verder heeft verweerder zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat van strijd met debouwverordening geen sprake is. Het bouwplan is in strijd met artikel 2.5.30 van debouwverordening. Hiertoe hebben eisers verwezen naar notities van verkeersdeskundigenGoudappel Coffeng van 15 februari 2018 en 29 augustus 2018, waarin wordt geconcludeerddat het bouwplan voorziet in te weinig parkeerplaatsen en de laad- en losvoorziening voorexpeditie verkeer niet bereikbaar is. Ten aanzien van de bereikbaarheid van die voorzieninghebben eisers op 6 mei 2019 een aanvullende notitie van Goudappel Coffeng van 3 mei 2019overgelegd.
Het afwijken van de planregels voor het realiseren van een winkelwagenstalling levert verderin de visie van eisers strijd op met een goede ruimtelijke ordening. Onder verwijzing naareerdergenoemde notities van Goudappel Coffeng, hebben eisers hiertoe aangevoerd dat(mede) door de winkelwagenstalling het parkeerterrein niet voorziet in voldoendeparkeerplaatsen en niet voldoet aan de voor de afmetingen van parkeervakken geldendeNEN-normen (NEN 2443:2013).
Verweerder heeft in strijd met artikel 2.12 van de APV een omgevingsvergunning verleendvoor het aanleggen van een in- en uitrit aan de Prinses Beatrixstraat. Ook op dit punt hebbeneisers verwezen naar de notities van Goudappel Coffeng. Door de aanleg vervallen zondernoodzaak openbare parkeerplaatsen en openbaar groen. Bovenop de geldende parkeernormhadden die parkeerplaatsen, gelet op de parkeerdruk ter plaatse, moeten wordengecompenseerd. Bovendien zorgen de in- en uitrit voor een verkeersonveilige situatie.
Uit het vorenstaande en de omstandigheid dat verweerder de omgevingsvergunning en hetverkeersbesluit, waartussen onlosmakelijke samenhang bestaat, niet in onderlingesamenhang heeft beoordeeld en behandeld, volgt in de visie van eisers dat het bestredenbesluit is genomen in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De gesteldeonlosmakelijke verbondenheid is nader onderbouwd met de genoemde notitie vanGoudappel Coffeng van 3 mei 2019.
geslaagd beroep kunnen doen op schending van de bouwverordening (het aantal parkeerplaatsen en de bereikbaarheid van de laad- en losvoorziening), het bestemmingsplan(de winkelwagenstalling) en de APV (de parkeerdruk en verkeersveiligheid). Deze regels strekken niet tot bescherming van de belangen van eisers. Subsidiair heeft verweerder in de ongegrondverklaring van het bezwaar van PLUS [*], Food-Retail Mook B.V. en Retail Mook Holding B.V. gepersisteerd.
Belanghebbendheid PLUS Vastgoed B.V., PLUS Retail B.V. en [naam 1]

PLUS Retail B.V. en [naam 1] als belanghebbenden als bedoeld in artikel 1:2,eerste lid, van de Awb kunnen worden aangemerkt.
degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. De wetgever heeft de eis vanbelanghebbendheid gesteld om te voorkomen dat eenieder, in welke hoedanigheid ook, ofeen persoon met slechts een verwijderd of indirect belang, als belanghebbende zou moetenworden beschouwd. Om als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awbte kunnen worden aangemerkt, moet een voldoende objectief en actueel, eigen, persoonlijkbelang aanwezig zijn dat door het besluit rechtstreeks wordt geraakt (zie onder andere deuitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van13 juni 2000, ECLI:NL:RVS:2000:AA9807 en van 13 april 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AT4173).
Retail B.V. als huurder van het pand en franchisegever slechts een (van de eigenaren enexploitant) afgeleid belang hebben. Verweerder heeft het bezwaar van beidevennootschappen terecht niet-ontvankelijk verklaard, omdat zij niet als belanghebbenden inde zin van artikel 1:2 van de Awb zijn aan te merken.
Prinses Beatrixstraat 13, stelt de rechtbank voorop dat voor zover de eigenaren en exploitantvan de supermarkt als concurrenten van vergunninghoudster nadeel kunnen ondervinden vande vestiging van de nieuwe supermarkt, hetgeen nadelig kan zijn voor de verhuurder, sprakeis van een afgeleid belang van de eigenaren en exploitant van de supermarkt. Daaraan kan hij geen rechtstreeks belang ontlenen. Voor het standpunt dat de waarde en verhuurbaarheid vanhet pand door de vestiging van de nieuwe (concurrerende) supermarkt zou dalen, ontbreekteen onderbouwing. De (gestelde) verminderde bereikbaarheid relateren eisers aan hetverkeersbesluit, dat tweerichtingsverkeer op de Prinses Beatrixstraat mogelijk maakt, en isgeen gevolg van de omgevingsvergunning. Uit het vorenstaande volgt dat verweerder hetbezwaar van [naam 1], omdat hij geen rechtstreeks belang heeft en daarmeeniet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb is aan te merken, terecht niet-ontvankelijk heeft geacht.
Geschil

vergunningvrij kan worden gerealiseerd. Evenmin is in geschil dat de aanvraag niet in strijdis met het Bouwbesluit 2012 en de redelijke eisen van welstand. Door eisers zijn verder geengronden aangevoerd tegen de verleende omgevingsvergunning voor het maken vanhandelsreclame (artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder h, van de Wabo).
is zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel ofgedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk.
In artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo. voor zover hier van belang, is bepaald dat voor zoverde aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a,van de Wabo de omgevingsvergunning wordt geweigerd indien de activiteit in strijd is methet Bouwbesluit 2012 (a), de bouwverordening (b), het bestemmingsplan (c) en de redelijkeeisen van welstand (d).
of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, ten behoeve van het parkeren ofstallen van auto’s in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, danwel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Deze ruimte mag nietoverbemeten zijn, gelet op het gebruik of de bewoning van het gebouw, waarbij rekeningmoet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid per openbaar vervoer.
grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeenrechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van debelangen van degene die zich daarop beroept.
strekt te waarborgen dat voor een bouwplan voldoende parkeerplaatsen aanwezig zijn om zoparkeeroverlast in de directe omgeving van het perceel waarop het bouwplan is voorzien tevoorkomen (zie de Afdelingsuitspraak van 20 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:106). Derechtbank is, gelet op de korte afstand tot het perceel, van oordeel dat artikel 2.5.30, eerstelid, van de bouwverordening in dit geval strekt tot bescherming van het belang van eisers,omdat niet kan worden uitgesloten dat een eventueel parkeertekort bij de nieuwe supermarktbij de supermarkt van eisers tot parkeeroverlast zal leiden. De rechtbank volgt verweerderdan ook niet in zijn standpunt dat het relativiteitsvereiste op dit punt in de weg staat aanvernietiging van het bestreden besluit.
passen parkeernormen. Wel wordt in de toelichting op de bouwverordening verwezen naarde in 2008 geactualiseerde versie van de landelijke parkeerkencijfers van het Centrum voorRegelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek(CROW) uit 2003 (ASVV 2004, aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen debebouwde kom). Hoewel niet wordt verwezen naar de nieuwe landelijke parkeerkencijfers(ASVV 2012), acht verweerder het, gelet de verwijzing naar de geactualiseerde versie,aangewezen om die cijfers te hanteren. Voor het berekenen van de benodigde parkeerruimtebij de supermarkt heeft verweerder daarom gebruik gemaakt van de kengetallen uit depublicatie ‘Kencijfers Parkeren en Verkeersgeneratie publicatie 317’ (CROW-publicatie317). Verweerder heeft voor de parkeernorm aansluiting gezocht bij de parkeerkencijfers van het CROW voor een ‘fullservice supermarkt (middel en hoog segment)’ in een ‘centrum’ in een ‘niet-stedelijk gebied’. De keuze voor het gebiedstype ‘centrum’ heeft verweerder onderbouwd met een verwijzing naar de ter plaatse geldende bestemming ‘centrum’. Ook de schaal van Mook en Middelaar en de aanwezige detailhandel, bedrijven en voorzieningen maken in de visie van verweerder dat sprake is van het gebiedstype ‘centrum’. De typering ‘schil centrum’ ziet vaak op een soort kring met voorzieningen (bepaalde diversiteit) om het centrum heen en daarvan is hier geen sprake, nu men vanuit het centrumgebied direct de woonwijk inloopt. Voor een hiervoor genoemde supermarkt wordt een parkeerkencijfer van3,2 tot 5,2 parkeerplaatsen per 100m² bvo aangehouden. Op grond van de verleendeomgevingsvergunning kan een supermarkt worden gerealiseerd met een maximaal toegestaan oppervlakte van 1.228m². Dit zou neerkomen op minimaal 39 (1.228/100 x 3,2)en maximaal 63 (1.228/100 x 5,2) parkeerplaatsen voor de supermarkt. Omdat deomgevingsvergunning voorziet in 53 parkeerplaatsen (48 voor klanten en 5 voor personeel) wordt voldaan aan de minimale parkeernorm. Daarnaast heeft verweerder bij verweerschrift te kennen gegeven dat uit de tot de omgevingsvergunning behorende tekening blijkt dat het genoemde aantal van 53 parkeerplaatsen niet juist is, omdat op die tekening 55 parkeerplaatsen zijn ingetekend. De minimale norm van 39 parkeerplaatsen wordt daarmee nog ruimer gehaald.
van Goudappel Coffeng van 15 februari 2018 en 29 augustus 2018. Aan de berekening vande parkeernorm leggen ook eisers de CROW-publicatie 317 ten grondslag. Eisers hebbenvoor de parkeernorm aansluiting gezocht bij de parkeerkencijfers van het CROW voor een‘fullservice supermarkt (laag en middellaag segment)’ in het gebiedstype ‘schil centrum’ ineen ‘niet-stedelijk gebied’. Het gebiedstype is afhankelijk van het aanbod en de kwaliteit van andere vervoerswijzen, met name het openbaar vervoer. Op ruim 100 meter van de projectlocatie is een bushalte gelegen, waar slechts twee keer per uur een bus halteert. Volgens Goudappel Coffeng is dat te weinig om een reducerend effect te hebben op het autogebruik naar een supermarkt en is de typering ‘schil centrum’ het best passend. Voor een hiervoor genoemde supermarkt wordt een parkeerkencijfer van 4,6 tot 6,6 parkeerplaatsen per 100m² bvo aangehouden. Dit zou neerkomen op minimaal 56 (1.228/100 x 4,6) en maximaal 81 (1.228/100 x 6,6) parkeerplaatsen voor de supermarkt. Omdat het autobezit in de gemeente (iets) boven het landelijke gemiddelde uitkomt (1,30 ten opzichte van 1,25 auto’s per huishouden), ligt het voor de hand om aan te sluiten bij de gemiddelde parkeernorm van 69 parkeerplaatsen. Dit leidt eisers tot de conclusie dat, te meer nu door de aanleg van de in- en uitrit vier openbare parkeerplaatsen komen te vervallen, er een tekort aan parkeerplaatsen zal ontstaan.
voor een groot aantal bestemmingen. Niet in geschil is dat de projectlocatie ligt in de bestemming ‘niet-stedelijk gebied’. Per bestemming wordt onderscheid gemaakt inverschillende gebiedstypes variërend van centrum tot buitengebied. Achtergrond daarvan is dat de vraag naar parkeerplaatsen wordt bepaald door de locatie en het aanbod en de kwaliteit van alternatieve vervoerswijzen. Veelal is het aanbod en de kwaliteit van andere vervoerswijzen, met name het openbaar vervoer, in het centrum beter en neemt dit af naarmate een locatie verder van het centrum is gelegen. In een centrumgebied is ook eerder sprake van een sturend parkeerbeleid. Uit het vorenstaande volgt dat voor de keuze van het gebiedstype met name de aanwezigheid van openbaar vervoer en het effect daarvan op de parkeervraag bepalend is. Nu eisers onbestreden hebben gesteld dat in de directe omgeving van de projectlocatie slechts beperkt openbaar vervoer voorhanden is (twee bussen per uur), waardoor aannemelijk is dat de parkeervraag nauwelijks zal worden verminderd, acht de rechtbank door verweerder, die in zijn berekening van de parkeernorm geen verband heeft gelegd met het openbaar vervoer in de directe omgeving, onvoldoende gemotiveerd waarom in dit geval het toepassen van het gebiedstype ‘centrum’ en niet ‘schil centrum’ is gerechtvaardigd. Daarbij is een motivering van verweerders standpunt dat een Jan Linders supermarkt tot het middel en hoge segment kan worden gerekend, achterwege gebleven. De rechtbank wijst er in dit verband op dat in de toelichting op de parkeerkengetallen in CROW-publicatie 317 vergelijkbare supermarkten als Nettorama, C1000 en Jumbo specifiek als ‘fullservice supermarkt (laag en middellaag segment)’ worden genoemd.
beslissing

Beslissing


De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J.E. Hamers-Aerts, rechter, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffierDe beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

-

verklaart het beroep van PLUS Vastgoed B.V., PLUS Retail B.V. en [naam 1] ongegrond;

verklaart het beroep van PLUS [*], Food-Retail Mook B.V. en Retail Mook Holding B.V. gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 338,- aan eisers te vergoeden;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.024,- (wegens kosten van rechtsbijstand).

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.