Uitspraak ECLI:NL:RBLIM:2019:5328

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 11-06-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Limburg op 11-06-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBLIM:2019:5328, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is ROE 18/1522


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK limburguitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 juni 2019 in de zaak tussenPLUS Vastgoed B.V., gevestigd te Utrecht,

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 18/1522

PLUS Retail B.V.

PLUS [*]

Food-Retail Mook B.V.

Retail Mook Holding B.V.

[naam 1]

(gemachtigde: mr. V.J. Leijh),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Mook en Middelaar

ECLI:NL:RBLIM:2019:5328:DOC
nl

RECHTBANK limburguitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 juni 2019 in de zaak tussenPLUS Vastgoed B.V., gevestigd te Utrecht,
Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 18/1522

PLUS Retail B.V.

PLUS [*]

Food-Retail Mook B.V.

Retail Mook Holding B.V.

[naam 1]

(gemachtigde: mr. V.J. Leijh),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Mook en Middelaar

procesverloop

Procesverloop

Bij besluit van 15 november 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder een verkeersbesluit genomen dat op dezelfde dag is gepubliceerd in de Staatscourant.

Bij besluit van 24 mei 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van PLUS Vastgoed B.V. en PLUS Retail B.V. niet-ontvankelijk verklaard. Het bezwaar van PLUS [*], Food-Retail Mook B.V., Retail Mook Holding B.V. en [naam 1], heeft verweerder, onder aanvulling van de motivering, ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 mei 2019. Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door [naam 2], bijgestaan door hun gemachtigde. Als deskundigen zijn namens eisers ing. C. Nab en ing. J. de Wijs, werkzaam als adviseurs Parkeren en Locatieontwikkeling bij Goudappel Coffeng, verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

De zaak is ter zitting gevoegd behandeld met de zaken AWB 18/1853 en AWB 18/1607. Na de behandeling zijn de zaken gesplitst, zodat afzonderlijk uitspraak zal worden gedaan.

1. Op het wegvak van de Prinses Beatrixstraat te Mook tussen de Rijksweg (N271) en de aansluiting met de Koningin Julianastraat zijn een inrit en een in- en uitrit voorzien van een nieuwe supermarkt. Bij het handhaven van het éénrichtingsverkeer op dit wegvak zal hierdoor sprake zijn van een verdubbeling van de hoeveelheid verkeer op de Koningin Julianastraat. Omdat op de Koningin Julianastraat een basisschool is gelegen, waardoor er op meerdere momenten per dag veel jonge en kwetsbare verkeersdeelnemers zijn, vindt verweerder daar een toename van het verkeer ongewenst. Gelet hierop heeft verweerder bij het primaire besluit besloten tot het opheffen van het éénrichtingsverkeer op het wegvak van de Prinses Beatrixstraat tussen de Rijksweg en de aansluiting met de Koningin Julianastraat. Uit verkeersonderzoek van BVA Verkeersadviezen van augustus 2017 is gebleken dat daarmee een (grote) toename van verkeer op de Koningin Julianastraat wordt voorkomen. Het opheffen van het éénrichtingsverkeer zal leiden tot een toename van het verkeer op de Prinses Beatrixstraat. De weg zal daarom tussen de Rijksweg en de aansluiting met de Koningin Julianastraat worden verbreed. Bewoners en bedrijven aan de Prinses Beatrixstraat worden hierdoor niet belemmerd in hun bereikbaarheid of getroffen door een onacceptabele verkeerstoename. Onacceptabele wachttijden op de kruising Prinses Beatrixstraat – Rijksweg zullen niet optreden. Met de politie basiseenheid Gennep heeft overleg plaatsgevonden. Onderstaande tekening van de verkeerssituatie maakt onderdeel uit van het verkeersbesluit.2. Eisers hebben tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij zijn allen betrokken bij supermarkt Plus [*] aan de Prinses Beatrixstraat 13 te Mook. De nieuwe supermarkt zal worden gerealiseerd in het verlengde van het wegvak in de Prinses Beatrixstraat waaraan de supermarkt van eisers is gelegen. Food-Retail Mook B.V. en Retail Mook Holding B.V. zijn eigenaar van die supermarkt. PLUS [*] is de exploitant, PLUS Vastgoed B.V. de huurder van het pand en PLUS Retail B.V. de franchisegever. [naam 1] is eigenaar van het pand waarin de supermarkt is gevestigd.
3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van PLUS Vastgoed B.V. en PLUS Retail B.V. niet-ontvankelijk verklaard. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat zij slechts een afgeleid belang hebben en zij daarmee geen belanghebbenden, zoals bedoeld in artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zijn. PLUS [*], Food-Retail Mook B.V., Retail Mook Holding B.V. en [naam 1] zijn wel als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2 van de Awb aangemerkt. Hun bezwaar heeft verweerder, onder aanvulling van de motivering, ongegrond verklaard. Die aanvulling bestaat er onder meer uit dat het geheel opheffen van het éénrichtingsverkeer niet alleen de veiligheid van jonge weggebruikers ten goede komt, maar ook dat de handhaafbaarheid verbetert. Op dit moment gaat immers het huidige eenrichtingsverbod pas in na circa 10 meter vanaf de Rijksweg. Ook is toegevoegd dat geen sprake zal zijn van een geheel ander verkeersbeeld, nu alleen verkeer uit zuidelijke richting gevoelig is voor de maatregel en de toename beneden de normen van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek (CROW) blijft. Daarnaast blijven er, ondanks het wegvallen van parkeerplaatsen aan de Prinses Beatrixstraat (door de verbreding), voldoende parkeermogelijkheden aanwezig in de omgeving. Verweerder heeft verwezen naar notities van DTV Consultants van 26 maart 2018 en verkeersdeskundigen Goudappel Coffeng van 19 september 2016 en BVA verkeersadviezen van augustus 2017.
4. Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij hebben er opgewezen dat naast het nemen van een verkeersbesluit een omgevingsvergunning voor het realiseren van een supermarkt is verleend. Verweerder heeft die vergunningverlening ten onrechte niet bij het verkeersbesluit betrokken. De vestiging van een supermarkt leidt tot een onevenredige verslechtering van de bereikbaarheid van de supermarkt van eisers zonder dat sprake zal zijn van een verbetering van de verkeersveiligheid. Door het te lage aantal parkeerplaatsen bij de supermarkt, de slechte bereikbaarheid van de laad- en losvoorziening en de ongunstige positionering van de uitrit aan de Prinses Beatrixstraat, ontstaan er in die straat opstoppingen, waardoor de reistijd en de verkeersveiligheid voor de bezoekers van de supermarkt van eisers verslechteren. Het vorenstaande is in strijd met de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw) en het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (BABW).
5. Bij verweerschrift heeft verweerder ter nadere onderbouwing van zijn standpunt dat voor de op de Prinses Beatrixstraat verdwijnende openbare parkeerplaatsen voldoende restcapaciteit in het centrum aanwezig is, een parkeerdrukmeting, uitgevoerd op een zaterdagmiddag, het piekmoment van de bestaande supermarkt, overgelegd.
6. De rechtbank overweegt als volgt.
7. De rechtbank ziet zich allereerst geplaatst voor de vraag of PLUS Vastgoed B.V. en PLUS Retail B.V. als belanghebbenden als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb kunnen worden aangemerkt.
8. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. De wetgever heeft de eis van belanghebbendheid gesteld om te voorkomen dat eenieder, in welke hoedanigheid ook, of een persoon met slechts een verwijderd of indirect belang, als belanghebbende zou moeten worden beschouwd. Om als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb te kunnen worden aangemerkt, moet een voldoende objectief en actueel, eigen, persoonlijk belang aanwezig zijn dat door het besluit rechtstreeks wordt geraakt (zie onder andere de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 13 juni 2000, ECLI:NL:RVS:2000:AA9807 en van 13 april 2005, ECLI:NL:RVS:2005: AT4173).
9. Eisers hebben in beroep onbestreden gelaten dat PLUS Vastgoed B.V. en PLUS Retail B.V. als huurder van het pand en franchisegever slechts een (van de eigenaren en exploitant) afgeleid belang hebben. Verweerder heeft het bezwaar van beide vennootschappen terecht niet-ontvankelijk verklaard, omdat zij niet als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2 van de Awb zijn aan te merken.
10. In het navolgende wordt onder eisers verstaan, de ontvankelijk te achten eisers PLUS [*], Food-Retail Mook B.V., Retail Mook Holding B.V. en [naam 1].
11. De rechtbank stelt voorop dat van een op verweerder rustende verplichting om de omgevingsvergunning en het verkeersbesluit in onderlinge samenhang te beoordelen geen sprake is. De rechtbank acht aannemelijk dat ook zonder het verkeersbesluit van de omgevingsvergunning tot het realiseren van een supermarkt gebruik kan worden gemaakt.
12. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wvw kunnen de krachtens deze wet vastgestelde regels strekken tot:a. het verzekeren van de veiligheid op de weg;b. het beschermen van weggebruikers en passagiers;c. het in stand houden van de weg en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan;d. het zoveel mogelijk waarborgen van de vrijheid van het verkeer.
a. het voorkomen of beperken van de door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade alsmede de gevolgen voor het milieu, bedoeld in de Wet milieubeheer:b. het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte aantasting van het karakter of van de functie van objecten of gebieden.
13. Ingevolge artikel 21 van het BABW vermeldt de motivering van het verkeersbesluit in ieder geval welke doelstelling of doelstellingen met het verkeersbesluit worden beoogd. Daarbij wordt aangegeven welke van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de Wvw genoemde belangen ten grondslag liggen aan het verkeersbesluit. Indien tevens andere van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de Wvw genoemde belangen in het geding zijn, wordt voorts aangegeven op welke wijze de belangen tegen elkaar zijn afgewogen.
14. Verweerder heeft in het bestreden besluit kenbaar gemaakt dat mondeling afstemming met de Politie Limburg Noord – Basiseenheid Gennep heeft plaatsgevonden. De politie heeft geadviseerd om vanwege de handhaafbaarheid en ter voorkoming van gevaarlijke situaties bij doorrijden af te zien van het gedeeltelijk opheffen van het éénrichtingsverkeer in de Prinses Beatrixstraat. De rechtbank ziet geen aanleiding om vanwege het ontbreken van een schriftelijke vastlegging in twijfel te trekken dat het verkeersbesluit, zoals voorgeschreven in artikel 24 van het BABW, is afgestemd met de politie. Daarbij acht de rechtbank van belang dat artikel 24 van het BABW geen vereisten stelt aan de wijze waarop het overleg met de korpschef van de politie plaatsvindt en aan hetgeen in dat overleg aan de orde komt. Ook overigens worden daaromtrent in de relevante regelgeving geen vereisten gesteld (zie de uitspraak van de Afdeling van 26 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1921).
15. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op grond van artikel 25, eerste lid, van het BABW niet was gehouden om het verkeersbesluit af te stemmen met de Provincie Limburg, de wegbeheerder van de Rijksweg. Hiertoe overweegt de rechtbank dat het wegvak waarop het verkeersbesluit ziet, niet aan de Rijksweg grenst. Dit blijkt uit een in het verweerschrift opgenomen foto, waarop te zien is dat tussen de Rijksweg en het begin van het wegvak waar thans éénrichtingsverkeer is toegestaan, zich nog een weggedeelte bevindt waar al tweerichtingsverkeer was toegestaan. Verder blijkt uit het advies van DTV Consultants dat de invloed van het extra verkeer op de Rijksweg als gevolg van het verkeersbesluit, gelet op de huidige intensiteiten van die weg, beperkt is, zodat van het rechtstreeks en ingrijpend beïnvloeden van het verkeer op Rijksweg als gevolg van het verkeersbesluit geen sprake is. Het mailbericht van de Provincie Limburg van 5 oktober 2017 ziet op het ‘uitwegen’ door de supermarkt via de Rijksweg en houdt derhalve geen rechtstreeks verband met het verkeersbesluit, maar met de omgevingsrechtelijke procedure.
16. Het verkeersbesluit is genomen ten behoeve van het verzekeren van de veiligheid op de weg en het beschermen van weggebruikers als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Wvw. Op grond van vaste rechtspraak van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 2 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1431) komt verweerder bij het nemen van een verkeersbesluit beoordelingsruimte toe bij de uitleg van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de Wvw genoemde begrippen. De rechter toetst of verweerder geen onredelijk gebruik heeft gemaakt van die beoordelingsruimte. Nadat verweerder heeft vastgesteld welke verkeersbelangen in welke mate naar zijn oordeel bij het besluit dienen te worden betrokken, dient het die belangen tegen elkaar af te wegen. Daarbij komt het bestuursorgaan beleidsruimte toe. De bestuursrechter toetst of de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van het verkeersbesluit niet onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen.
17. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het invoeren van tweerichtingsverkeer op het genoemde weggedeelte van de Prinses Beatrixstraat ten goede komt aan de verkeersveiligheid op de Koningin Julianastraat. Door het invoeren van tweerichtingsverkeer wordt, zoals blijkt uit de notitie van BVA verkeersadviezen, een verkeerstoename (als gevolg van de nieuwe supermarkt) op die straat voorkomen, hetgeen bijdraagt aan de bescherming van de jonge weggebruikers van de in die straat gevestigde basisschool. Uit de notitie van BVA, waarin gebruik is gemaakt van kencijfers van het CROW, komt naar voren dat zonder de maatregel de verkeersintensiteit op de Koningin Julianastraat op werkdagen zal toenemen en dat door de maatregel de verkeersafwikkeling van de supermarkt deels (met name voor wat betreft het verkeer uit Gennep) zal gaan plaatsvinden via de Prinses Beatrixstraat en de Rijksweg. Dat de verkeerstoename als gevolg van de nieuwe supermarkt zich met name zal voordoen buiten de tijden dat scholieren gebruik maken van de Koningin Julianastraat, zoals eisers stellen onder verwijzing naar de advisering van Goudappel Coffeng, laat onverlet dat ook sprake zal zijn van een afname van de verkeersdruk op momenten dat scholieren van en naar hun school reizen en mitsdien van een toename van de verkeersveiligheid voor die kwetsbare weggebruikers. Daarbij is van belang dat op dezelfde locatie een kinderopvang/peuterschool is gevestigd, waarop een meer gespreid gebruik van de Koningin Julianastraat dan de vaste schooltijden van toepassing is.
18. Niet in geschil is dat door het verkeerbesluit de verkeersintensiteit in de Prinses Beatrixstraat toeneemt, zij het dat die toename binnen de CROW-norm voor een 30-kilometerzone blijft. Ook neemt de kwaliteit van de verkeersafwikkeling in die straat af en vervallen er openbare parkeerplaatsen door de verbreding van de weg. Verweerder heeft die gevolgen onderzocht en meegenomen in zijn beoordeling. De rechtbank ziet hierin geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder de gevolgen van het verkeersbesluit voor eisers onevenredig had moeten achten in verhouding tot de met het verkeersbesluit te dienen doelen. Hiertoe acht zij van belang dat de opstoppingen die voor uitrijdend verkeer kunnen ontstaan op de kruising Prinses Beatrixstraat-Rijksweg niet leiden tot wachttijden die de door het CROW gehanteerde grenswaarde van 45 seconden overschrijden. Niet te voorkomen is verder dat er enige hinder ontstaat van het bevoorradend vrachtverkeer. Echter zonder het verkeersbesluit zou dat bij éénrichtingsverkeer niet anders zijn. Bovendien acht de rechtbank niet onaannemelijk dat de bereikbaarheid van de supermarkt van eisers, zelfs met inachtneming van de afnemende kwaliteit van de verkeersontwikkeling, door het instellen van tweerichtingsverkeer en verbreding van de weg in dat gedeelte van de Prinses Beatrixstraat juist verbetert. Verweerder heeft voorts voldoende gemotiveerd dat door het verbreden van de weg en het aanpassen van het fietspad op de Prinses Beatrixstraat, ook met de voorziene toename van het aantal voertuigbewegingen, sprake is van een vanuit het oogpunt van verkeersveiligheid aanvaardbare situatie. De gevolgen van het vervallen van vijf openbare parkeerplaatsen zijn, zoals blijkt uit het onderzoek van Goudappel Coffeng uit 2016 en de recent op een piekmoment uitgevoerde telling, niet zodanig dat hierdoor voor eisers onevenredig nadelige gevolgen ontstaan. De parkeerplaats van de supermarkt van eisers beschikt, zelfs nu de nieuwe supermarkt niet aan de parkeernormen voldoet, over ruim voldoende restcapaciteit. Compensatie is niet aan de orde.
19. Gelet op het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat zich in dit geval niet een zodanige onevenwichtigheid in de afweging van de betrokken belangen voordoet dat verweerder niet in redelijkheid tot het bestreden verkeersbesluit heeft kunnen komen.
20. Het beroep is ongegrond.
21. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
center
100
451269ff-2a26-46a4-ad0a-680030417d37
364
493
image/png

Door het verkeersbesluit vervallen er openbare parkeerplaatsen aan de Prinses Beatrixstraat. Vanwege de parkeerdruk is compensatie noodzakelijk. De nieuwe supermarkt voorziet zelf niet in voldoende parkeerplaatsen en de parkeerdruk kan niet worden afgewenteld op het parkeerterrein bij de supermarkt van eisers. Het ontbreken van compenserende parkeerplaatsen heeft verkeersonveilige situaties tot gevolg. Ook in zoverre is sprake van strijd met de Wvw en het BABW.

De verkeersveiligheid van de Koningin Julianastraat verbetert daarentegen maar in zeer beperkte mate. De verkeersgeneratie als gevolg van de nieuwe supermarkt komt immers vooral buiten schooltijden tot uiting.

Ter onderbouwing van voormelde verkeersaspecten hebben eisers verwezen naar notities van Goudappel Coffeng van 15 februari 2018 en 29 augustus 2018.

Verder hebben eisers bestreden dat de Prinses Beatrixstraat al deels tweerichtingsverkeer betreft en daarom geen vergunning van de provincie nodig is. Ook ontbreekt schriftelijk bewijs van een in het bestreden besluit genoemd nader overleg met een verkeerskundige en het advies van de Politie Limburg Noord – Basiseenheid Gennep.

Belanghebbendheid PLUS Vastgoed B.V. en PLUS Retail B.V.

Wettelijk kader

Ingevolge artikel 2, tweede lid, van de Wvw kunnen de krachtens deze wet vastgestelde regels voorts strekken tot:

Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de Wvw geschiedt de plaatsing of verwijdering van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen verkeerstekens, en onderborden voor zover daardoor een gebod of verbod ontstaat of wordt gewijzigd, krachtens een verkeersbesluit.

Ingevolge artikel 15, tweede lid, van de Wvw geschieden maatregelen op of aan de weg tot wijziging van de inrichting van de weg of tot het aanbrengen of verwijderen van voorzieningen ter regeling van het verkeer krachtens een verkeersbesluit, indien de maatregelen leiden tot een beperking of uitbreiding van het aantal categorieën weggebruikers dat van een weg of weggedeelte gebruik kan maken.

Ingevolge artikel 24, aanhef en onder a, van het BABW, voor zover thans van belang, worden verkeersbesluiten genomen na overleg met de korpschef.

Ingevolge artikel 25, eerste lid, van het BABW worden verkeersbesluiten als gevolg waarvan het verkeer op wegen anders dan die waarop het verkeersbesluit betrekking heeft rechtstreeks en ingrijpend wordt beïnvloed, genomen na overleg met het ten aanzien van die andere wegen bevoegd gezag.

Afstemming korpschef

Afstemming Provincie Limburg

Verkeersveiligheid en het beschermen van weggebruikers

Voorts heeft de Afdeling bij uitspraak van 19 maart 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:958) overwogen dat verweerder niet de absolute noodzaak van een verkeersbesluit behoeft aan te tonen. Voldoende is dat met het verkeersbesluit de eraan ten grondslag gelegde belangen, bedoeld in artikel 2, eerste en tweede lid, van de Wvw, worden gediend en dat inzichtelijk is gemaakt op welke wijze deze belangen tegen elkaar zijn afgewogen.

beslissing

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J.E. Hamers-Aerts, rechter, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffierDe beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.