Uitspraak ECLI:NL:RBLIM:2019:5265

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 06-06-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Limburg op 06-06-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBLIM:2019:5265, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 03/702540-18


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer: 03/702540-18

Tegenspraak (gemachtigde raadsman)

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 6 juni 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens verdachte] ,wonende te [adresgegevens verdachte] .
De verdachte wordt bijgestaan door mr. J.W. Heemskerk, advocaat kantoorhoudende te Roermond.

ECLI:NL:RBLIM:2019:5265:DOC
nl

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer: 03/702540-18

Tegenspraak (gemachtigde raadsman)

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 6 juni 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens verdachte] ,wonende te [adresgegevens verdachte] .
De verdachte wordt bijgestaan door mr. J.W. Heemskerk, advocaat kantoorhoudende te Roermond.

1

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 9 mei 2019. De verdachte is niet verschenen. Wel verschenen is zijn gemachtigde raadsman. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. Op 23 mei 2019 is het onderzoek op de zitting formeel gesloten.
De zaak is gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld met de strafzaken tegen de medeverdachten:

-

[medeverdachte 1] met de parketnummers 03/659401-17 en 03/661028-19;

[medeverdachte 2] met parketnummer 03/659400-17;

[medeverdachte 3] met parketnummer 03/659407-17;

[medeverdachte 4] met parketnummer 03/659045-18;

[medeverdachte 5] met parketnummer 03/659046-18.

2

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:
feit 1:

feit 2:

overwegingen

3

3.1
Een korte inleiding

Op 22 november 2017 deed de politie een inval in een loods op het adres [adres] te Velden. Hierbij werd een in werking zijnde inrichting voor de productie van BMK en amfetamine aangetroffen. In deze loods waren drie personen aanwezig. Een van deze personen lukte het om aan de politie te ontkomen. De twee anderen werden op heterdaad aangehouden. Uiteindelijk heeft de officier van justitie zes personen vervolgd voor de strafrechtelijke betrokkenheid bij dit zogenoemde drugslaboratorium, onder wie de verdachte.
3.2
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht beide feiten wettig en overtuigend bewezen en baseert zich daarbij vooral op de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] over de rol van de verdachte: de verdachte zou hebben bemiddeld tussen deze [medeverdachte 1] enerzijds en de medeverdachten [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] anderzijds bij de totstandkoming van hun samenwerking en meer in het bijzonder bij het ter beschikking stellen van een ruimte.
De officier van justitie stelt dat de aannemelijkheid van de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] over de rol van de verdachte bevestiging vindt in ander bewijsmateriaal.

De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf van negen maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar.

3.3
Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van feit 1

De verdediging heeft verzocht de verdachte van dit feit vrij te spreken. Ter onderbouwing hiervan heeft de raadsman primair aangevoerd dat de betrokkenheid van de verdachte alleen maar kan worden afgeleid uit de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] en dat hiervoor verder geen enkel aanvullend bewijs bestaat.
Indien de rechtbank toch bewezen acht dat de verdachte de medeverdachten [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] in contact heeft gebracht met voornoemde [medeverdachte 1] , stelt de verdediging zich subsidiair op het standpunt dat de verdachte niet heeft geweten wat het doel hiervan is geweest.

Ten aanzien van feit 2

De verdediging heeft verzocht de verdachte van dit feit vrij te spreken vanwege het ontbreken van opzet - ook in voorwaardelijke zin - bij de verdachte. Bovendien kan niet worden bewezen dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking.
3.4
Het oordeel van de rechtbank

Op grond van het dossier stelt de rechtbank vast dat in de avond van 22 november 2017 in een loods op het perceel [adres] te Velden een in werking zijnde inrichting is aangetroffen bestemd voor de vervaardiging van BMK, alsmede voor de vervaardiging van amfetamine uit BMK met de Leuckartmethode.
In deze loods zijn onder meer de volgende stoffen aangetroffen: BMK, amfetamine, ‑formylamfetamine, methanol, mierenzuur, fosforzuur, formamide, zwavelzuur, caustic soda en amfetaminesulfaat.

Op diezelfde avond zijn twee verdachten aangehouden, te weten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , geboren op [geboortegegevens medeverdachte 2] . Een week later is een derde verdachte, [medeverdachte 3] , geboren op [geboortegegevens medeverdachte 3] , aangehouden.

Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft in de loop van het onderzoek, na zich aanvankelijk te hebben beroepen op zijn zwijgrecht, diverse verklaringen afgelegd. Hoewel deze verklaringen niet alle even consistent zijn en op onderdelen innerlijk tegenstrijdig, komt er een beeld uit naar voren van verschillende personen die bij de opbouw en exploitatie van het drugslaboratorium betrokken zouden zijn.

In zijn verklaringen noemt [medeverdachte 1] de verdachte als een van de betrokkenen. Zo zou de verdachte, met het oog op de productie van BMK en amfetamine, deze [medeverdachte 1] in contact hebben gebracht met de medeverdachten [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] en als soort tussenpersoon hebben opgetreden met het oog op de verhuur van de loods van [medeverdachte 1] .

De rechtbank zal de verdachte vrijspreken van beide tenlastegelegde feiten. Hiertoe wordt het volgende overwogen.

Hoewel [medeverdachte 1] heeft verklaard over de rol van de verdachte, vindt de rechtbank in het dossier geen, althans onvoldoende, steunbewijs om tot een bewezenverklaring te komen. Als al zou kunnen worden bewezen dat de verdachte medeverdachte [medeverdachte 1] in contact heeft gebracht met de organisatoren of leiders van het amfetaminelaboratorium, dan nog kan op grond van het aanwezige bewijsmateriaal niet (objectief) worden vastgesteld dat de verdachte wist dat het ging om de productie van amfetamine of andere verdovende middelen. De verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 1] vinden geen steun op de essentiële onderdelen die zouden moeten duiden op de betrokkenheid van de verdachte bij het aangetroffen amfetaminelaboratorium.

Al met al is er naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor een bewezenverklaring.

beslissing

4

De rechtbank:
Vrijspraak

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A.M.M. Gijselaers, voorzitter, mr. R. Verkijk en mr. G.L.A.M. van Doveren, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Goevaerts, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 6 juni 2019.

Buiten staat

Mr. R. Verkijk en mr. G.L.A.M. van Doveren zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.BIJLAGE I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat

feit 1

[medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of een of meer onbekend gebleven perso(o)n(en) in of omstreeks de periode van 19 oktober 2017 tot en met 22 november 2017 te [adres] , gemeente Venlo, in elk geval binnen het arrondissement Limburg, meermalen, althans eenmaal (telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk heeft/hebben vervaardigd, (telkens) (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine (telkens) (een) middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,
bij en/of tot voornoemd misdrijf hij verdachte en/of zijn mededader(s) in of omstreeks de periode van 1 mei 2017 tot en met 22 november 2017 te [adres] , en/of te Neer, en/of te Ittervoort, en/of te Echt, in de gemeente(n) Venlo en/of Leudal en/of Echt-Susteren, in elk geval binnen het arrondissement Limburg,

behulpzaam is/zijn geweest en/of opzettelijk gelegenheid en/of middelen heeft/hebben verschaft door

feit 2

hij in of omstreeks de periode van 19 oktober 2017 tot en met 22 november 2017 te [adres] /Velden, gemeente Venlo, in elk geval binnen het arrondissement Limburg,tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van (een) hoeveelheid/ hoeveelheden van een materiaal bevattende MDMA en/of amfetamine, zijnde MDMA en/of amfetamine (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,
zich of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feiten heeft trachten te verschaffen immers heeft hij, verdachte in of omstreeks de periode van 1 mei 2017 tot en met 22 november 2017 te [adres] , en/of te Neer, en/of te Ittervoort, en/of te Echt, in de gemeente(n) Venlo en/of Leudal en/of Echt-Susteren, in elk geval binnen het arrondissement Limburg,

- spreekt de verdachte vrij van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten.
- een of meer van voornoemde verdachte(n) met elkaar in contact te brengen, en/of - te bemiddelen tussen voornoemde verdachte(n), althans als tussenpersoon op te treden tussen voornoemde verdachte(n), teneinde een locatie te verwerven ten behoeve van de productie van synthetische drugs;
- een of meer (mede)verdachte(n) met elkaar in contact gebracht , en/of- bemiddeld, althans als tussenpersoon tussen voornoemde verdachte(n) opgetreden, teneinde een locatie te verwerven ten behoeve van de productie van synthetische drugs.