Uitspraak ECLI:NL:RBLIM:2019:4568

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 15-05-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Limburg op 15-05-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBLIM:2019:4568, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is C/03/253961 / HA ZA 18-419


Bron: Rechtspraak

center
100
0bc8eadb-2a99-42a6-b34e-5221d89936e8
2
13
image/png

center
100
7dcc4fe9-8370-4f37-bb90-6f1e6e586edc
2
523
image/png


RECHTBANK LIMBURG
Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer / rolnummer: C/03/253961 / HA ZA 18-419

Vonnis van 15 mei 2019

in de zaak van

[eiser]

wonende te Geleen, gemeente [woonplaats] ,eiser,advocaat mr. E.H.C.K. Reijans te Echt,
tegen

[gedaagde]

wonende te [woonplaats] ,gedaagde,advocaat mr. C. Mohr te Maastricht.
Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

ECLI:NL:RBLIM:2019:4568:DOC
nl

center
100
0bc8eadb-2a99-42a6-b34e-5221d89936e8
2
13
image/png

center
100
7dcc4fe9-8370-4f37-bb90-6f1e6e586edc
2
523
image/png


RECHTBANK LIMBURG
Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer / rolnummer: C/03/253961 / HA ZA 18-419

Vonnis van 15 mei 2019

in de zaak van

[eiser]

wonende te Geleen, gemeente [woonplaats] ,eiser,advocaat mr. E.H.C.K. Reijans te Echt,
tegen

[gedaagde]

wonende te [woonplaats] ,gedaagde,advocaat mr. C. Mohr te Maastricht.
Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:- de dagvaarding van 2 augustus 2018 met producties- de conclusie van antwoord
-

het tussenvonnis van 14 november 2018

de productie van [eiser]

het proces-verbaal van comparitie van 17 januari 2019

de productie van [gedaagde]

de aktes na comparitie van partijen.

1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald op heden.
2

2.1.
[eiser] is eigenaar van het perceel aan de [adres 1] te [woonplaats] . [gedaagde] is eigenaar van het perceel aan de [adres 2] te [woonplaats] . [eiser] en [gedaagde] zijn, vanuit de achterzijde van hun woningen gezien, elkaars achterburen (). De westkant van het perceel van [eiser] grenst volledig aan de oostkant van het perceel van [gedaagde] . De tuin achter de woning van [gedaagde] ( [adres 2] ) grenst onder andere met de oostzijde aan de tuin met garage van [eiser] (hierna: de achtertuin) én aan west- en zuidzijde van de - naast die garage met oprit gelegen - moestuin van [eiser] . Het perceel van [gedaagde] is ter plaatse van de achtertuin van [eiser] circa 1,1 tot 1,2 meter hoger gelegen. Ter plaatse van de moestuin van [eiser] is geen hoogteverschil tussen de percelen.
center
100
c390fc53-c27d-4590-8142-47add2512fba
582
434
image/png

Taxushaag met leilindes

2.1.1.
Bij de erfgrens van de achtertuin van [eiser] , bevindt zich op het perceel van [eiser] de tuinschutting en achterzijde van de garage en op het perceel van [gedaagde] een keermuur. [gedaagde] heeft in haar tuin in 1996 op 0,5 meter afstand van die keermuur een taxushaag geplant met daarin leilindes (zie foto I bij proces-verbaal van comparitie). De hoogte van de taxushaag bedraagt circa drie meter gerekend vanaf het maaiveld van het perceel van [gedaagde] , zijnde ruim vier meter vanaf het maaiveld van [eiser] . De leilindes in die taxushaag steken - in ieder geval - met drie leggers boven die taxushaag uit. Bij de descente van 17 januari 2019 heeft de rechter geschat dat - op dat moment - de taxushaag met de leilindes minstens 5,5 meter boven de tuin van [eiser] uitsteken. De tuinschutting van [eiser] op of tegen de erfgrens met zijn buren van [adres 3] is vanaf het maaiveld van het perceel van [eiser] gerekend circa 1,8 meter hoog.
Taxushaag

2.1.2.
Tegen de erfgrens aan, daar waar de tuin van [gedaagde] grenst aan de achterzijde (westkant) van de moestuin van [eiser] , staat een taxushaag die circa vier meter hoog is (zie foto III, proces-verbaal van comparitie). Daar is geen hoogteverschil tussen de percelen.
Beukenhaag

2.1.3.
Daar waar de tuin van [gedaagde] grenst aan de zuidzijde van de moestuin van [eiser] , staat tegen de erfgrens een beukenhaag van [gedaagde] van circa drie meter hoog (zie foto III, proces-verbaal van comparitie). Ook daar is geen hoogteverschil tussen de percelen.
2.2.
Tussen partijen staat vast dat [eiser] samen met zijn buren van [adres 3] , eveneens achterburen van [gedaagde] , in 1996 een brief aan [gedaagde] heeft gestuurd waarin zij [gedaagde] hebben meegedeeld dat zij de leilindes te hoog vinden. [eiser] heeft [gedaagde] op 13 juni 2017 gesommeerd - kort gezegd - de voornoemde hagen en leibomen tot twee meter hoogte terug te snoeien (productie 4 bij dagvaarding).
3

3.1.
Doordat [gedaagde] niet aan de mondelinge en schriftelijke sommaties van [eiser] tot terugsnoeien van de hagen en leilindes heeft voldaan vordert [eiser] samengevat - veroordeling van [gedaagde] :
1. tot het wegnemen c.q. beperken van onrechtmatige hinder middels het toppen en snoeien én gesnoeid houden van de in het lichaam van de dagvaarding genoemde taxushaag, leibomen en beukenhaag tot een hoogte van maximaal twee meter, te rekenen vanaf het maaiveld van het perceel van [gedaagde] , dan wel een in goede justitie te bepalen hoogte, op straffe van een dwangsom van 250,00 per dag met een maximum van 50.000,00, althans in goede justitie te treffen voorziening,2. in de kosten van deze procedure. [eiser] stelt ter onderbouwing van het onder 1. gevorderde - kort gezegd - dat [gedaagde] onrechtmatig handelt door tegen de erfgrens aan een dichte begroeiing te houden die hoger is dan twee meter. De hagen en leilindes van [gedaagde] veroorzaken ernstig hinder, doordat deze tot tegen de erfgrens van [eiser] zijn gegroeid en door de hoge en dichte begroeiing ervan lucht en licht in de tuin van [eiser] ontnemen. De ontstane begroeiing is - naar de stelling van [eiser] - zo dicht bij de erfafscheiding van tuinen in een woonwijk ongebruikelijk. [eiser] stelt dat de zonlichttoetreding in zijn tuin er ernstig door wordt beperkt en dat in de (moes)tuin van [eiser] daardoor slechts beperkte plantengroei mogelijk is. [eiser] voelt zich door de ontstane situatie in zijn tuin omringd door een oerwoud en opgesloten. [gedaagde] handelt naar de stelling van [eiser] dan ook onrechtmatig door de hagen en leibomen niet terug te snoeien tot twee meter vanaf het maaiveld vanaf het perceel van [gedaagde] gerekend. [gedaagde] zou door het terugsnoeien van de begroeiing én het op een hoogte van maximaal twee meter houden van die begroeiing de door haar veroorzaakte onrechtmatige hinder ongedaan maken, aldus [eiser] .
3.2.
[gedaagde] betwist - samengevat - dat [eiser] hinder ondervindt van de hagen en bomen. In de zomermaanden, wanneer de zon zeer hoog aan de hemel staat, heeft [eiser] volgens [gedaagde] haast geen schaduw in zijn tuin door de bomen van [gedaagde] . Bovendien is de tuin van [eiser] gesitueerd op het noordwesten, met geen garantie tot veel zonlicht, aldus [gedaagde] (randnr. 32 conclusie van antwoord). De taxushaag en leilindes zijn bovendien met inachtneming van artikel 4:12 sub c van de Algemene Plaatselijke Verordening Sittard-Geleen, versie 2018.1, circa 50 centimeter uit de erfgrens geplant. Overigens staan de hagen en bomen al meer dan 20 jaar op locatie, aldus [gedaagde] (randnummer 16, conclusie van antwoord). [gedaagde] voert voorts aan dat haar belang, kort gezegd het hebben van een mooie en gezonde (symmetrische) tuin zonder zicht vanuit die tuin en woonhuis op de woningen aan de [straat] , dient te prevaleren op de eventuele belangen van [eiser] bij het terugsnoeien van de hagen en leilindes. [gedaagde] voert aan dat, voor het geval het gevorderde terugsnoeien wordt toegewezen, de betreffende beslissing niet gepaard dient te gaan met een dwangsom, omdat zij aan een veroordelend vonnis zal voldoen (conclusie van antwoord, randnummer 43).
overwegingen

4

4.1.
De onder 2.1. genoemde hagen en leilindes zijn geoorloofd geplant, namelijk met inachtneming van artikel 4:12 sub c van de Algemene Plaatselijke Verordening Sittard-Geleen, versie 2018.1, juncto artikel 5:42 BW.
4.2.
In artikel 5:37 BW is onder andere bepaald dat een eigenaar van een erf niet in een mate of op een wijze die volgens artikel 5:162 BW onrechtmatig is, aan eigenaars van andere erven hinder mag toebrengen door het onthouden van licht of lucht.
4.3.
Het antwoord op de vraag of [gedaagde] , door het houden en beperkt terugsnoeien van de taxus- en beukenhagen en leilindes dicht bij de erfgrens, gelet op artikel 5:37 BW onrechtmatig jegens [eiser] handelt, hangt af van de duur en de ernst van de hinder die [eiser] ondervindt door de omvang van die hagen en bomen. De hinder die [eiser] ondervindt is eerst dan onrechtmatig indien zou komen vast te staan dat de grenzen van hinder die buren nu eenmaal van elkaar hebben te dulden, worden overschreden.
4.4.
[gedaagde] heeft [eiser] tegengeworpen dat de begroeiing er al ruim 20 jaar staat, doch die omstandigheid maakt niet dat [eiser] reeds daarom op onrechtmatige hinder geen beroep meer kan doen. Er is immers - naar de stelling van [eiser] - sprake van een voortdurende onrechtmatige toestand die [gedaagde] onvoldoende wegneemt door (telkens) slechts beperkt te snoeien. [eiser] heeft bovendien voldoende aannemelijk gemaakt dat hij en zijn echtgenote, al dan niet samen met hun buren van nr. 12, herhaaldelijk bij [gedaagde] aan de deur zijn geweest om het terugsnoeien van de begroeiing aan te kaarten. [gedaagde] is daar niet op in gegaan.
4.5.
De rechter heeft tijdens de descente ter plaatse van de tuinen van partijen geconstateerd dat de taxushaag met leilindes van [gedaagde] , vanuit de achtertuin van [eiser] gezien, in feite een omvangrijke groene scheidsmuur tussen de percelen van partijen vormt. Door de situatie ter plaatse wordt aan de achtertuin van [eiser] daardoor voortdurend veel licht onthouden. Dit is ook het geval als de leilindes geen blad dragen, zoals ten tijde van de descente. De taxushaag met leilindes (rov. 2.1.1) ligt immers ten westen van de achtertuin van [eiser] en steekt meer dan drie meter boven de schutting van [eiser] van 1,8 meter uit. De begroeiing is daar, vanuit de achtertuin van [eiser] gezien, door het hoogteverschil tussen de percelen in combinatie met het feit dat [gedaagde] de taxushaag, gerekend vanaf het maaiveld vanaf haar perceel op een totale hoogte van meer dan drie meter laat groeien enorm, want inclusief de leilindes ruim 5,5 meter boven de tuinschutting van [eiser] uitgroeiend. Een dergelijke omvangrijke groene scheidsmuur, op korte afstand van de woningen van de [straat] , is in een woonwijk buitenproportioneel, wat - door het wegnemen van de middagzon - terecht door [eiser] als zeer hinderlijk wordt ervaren. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat [gedaagde] heeft verklaard de hoogte van de haag bewust zo te hebben gekozen, in hoofdzaak om de woningen die aan de [straat] liggen en die deel uitmaken van de woonwijk waarin ook haar woning is gelegen, niet te hoeven zien. Aangezien [gedaagde] in een woonwijk woont, zal zij - met in achtneming van de grenzen van het burenrecht - enig zicht op de woningen van haar achterburen moeten accepteren. Geconcludeerd wordt dan ook dat [gedaagde] door het niet terugsnoeien van de taxushaag met leilindes grenzend aan de achtertuin van [eiser] tot op een redelijke hoogte jegens [eiser] onrechtmatig handelt.
4.6.
Ter vermijding van elk misverstand stelt de rechtbank vast dat [eiser] bij de descente heeft verklaard geen hinder te ondervinden van de taxushaag van [gedaagde] die aan de westzijde van zijn moestuin groeit. Die haag is nu circa vier meter hoog. De rechtbank gaat ervan uit dat [gedaagde] deze haag vanaf heden niet hoger dan vier meter zal laten groeien en jaarlijks tot op die hoogte zal terugsnoeien.
4.7.
Hetgeen de rechtbank onder rechtsoverweging 4.5 heeft geoordeeld geldt ook voor de beukenhaag bij de moestuin van [eiser] . Die haag fungeert feitelijk gezien eveneens als omvangrijke groene scheidsmuur tussen de percelen van partijen en beperkt het zonlicht in de moestuin, waardoor de plantengroei in die moestuin op onrechtmatige wijze wordt beperkt. [gedaagde] heeft verklaard dat de beukenhaag één geheel vormt met de beukenhaag die tegen de erfgrens met haar buren van het perceel [adres 4] groeit. Inkorting van de beukenhaag tegen de erfgrens met de moestuin van [eiser] zou “geen gezicht” zijn en niet nodig, want de kantonrechter van deze rechtbank heeft in een geschil met die buurman van [adres 4] over de hoogte van de tegen die erfgrens op haar perceel groeiende beukenhaag bij vonnis van 9 december 2015 bepaald dat die haag op die erfgrens tot drie meter hoog zou mogen groeien. Dit verweer wordt verworpen want [gedaagde] kan aan die procedure geen rechten ontlenen in de procedure jegens [eiser] . Daar komt nog bij dat die buurman in die procedure ingestemd heeft met die hoogte, zo is de rechtbank ambtshalve bekend. Van een oordeel over de hoogte van die haag is dus geen sprake.
4.8.
[gedaagde] is dan ook op grond van artikel 5:37 BW gehouden om haar onrechtmatig handelen jegens [eiser] op te heffen. Zij dient dit te doen door de taxushaag met leilindes grenzend aan de achtertuin van [eiser] en de beukenhaag grenzend aan de moestuin van [eiser] terug te snoeien en gesnoeid te houden tot twee meter hoogte gerekend vanaf het maaiveld van haar perceel, door deze tenminste éénmaal per jaar tot die hoogte terug te snoeien. Die hoogte sluit aan bij de wettelijke hoogte van een scheidsmuur als bepaald in artikel 5:49 lid 1 BW, welke hoogte de rechtbank ook in dit geval maximaal aanvaardbaar acht. Voor [eiser] zal dat betekenen dat de taxushaag met leilindes nog ruim drie meter boven zijn maaiveld zal uitsteken en na de snoeibeurt(en) uiteraard nog iets hoger zullen uitgroeien. De rechtbank zal daarom tevens bepalen dat het terugsnoeien tot twee meter hoogte tenminste eenmaal jaarlijks uiterlijk (kort) voor 1 november moet zijn uitgevoerd om te bewerkstelligen dat ook als de zon laag staat zoveel mogelijk (zon)licht in de tuin van [eiser] kan schijnen.
4.9.
Het gevorderde zal dan ook grotendeels worden toegewezen als hierna vermeld in de beslissing onder 5.1. De gevorderde dwangsom zal worden beperkt als hierna vermeld in de beslissing onder 5.2. Hoewel [gedaagde] heeft toegezegd dat zij aan een veroordelend vonnis zal voldoen, is het belang van [eiser] bij toewijzing van de gevorderde dwangsom voldoende onderbouwd. Indien [gedaagde] zich aan haar toezegging houdt zal zij bovendien geen dwangsommen verbeuren.
4.10.
[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:- dagvaarding € 101,89- griffierecht € 291,00- salaris advocaat € (2,5 punten × tarief € 543,00)totaal € 1.750,39.
beslissing

5

De rechtbank
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om na betekening van dit vonnis de voornoemde taxushaag met leibomen grenzend aan de achtertuin van [eiser] (rov. 2.1.1) en voornoemde beukenhaag grenzend aan de moestuin (rov. 2.1.3), door middel van toppen en snoeien tot maximaal een hoogte van twee meter – gerekend vanaf het maaiveld van het perceel van [gedaagde] – terug te snoeien en tot die hoogte gesnoeid te houden door deze tenminste éénmaal per jaar, uiterlijk (kort) voor 1 november, voor het eerst voor 1 november 2019, tot die hoogte terug te snoeien,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 250,00 voor iedere dag dat zij niet aan de in 5.1 uitgesproken veroordeling voldoet, tot een maximum van € 5.000,00 per jaar is bereikt,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 1.750,39,
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.E. Elzinga en in het openbaar uitgesproken.

_f7ddd76b-2880-4304-9db9-46821e1d00bd
1

type: CM